Nederlandse luisterspelen 1940-1945

Enkele luisterspelen nader bekeken:

 

Herman Kramer. Pension ’t Stekeltje

Paul Hardy. Jodocus

Steven Barends en Jef Popelier. Maar het bloed stroomt verder

Jos den Brabander. De zwarte handel lokt

M.J.Delbaere-Prins. Het geheim van den bronzen armring

 

 

Herman Kramer. Pension ’t Stekeltje

 

Inhoud

Hoe de stapsgewijze indoctrinatie in het nationaalsocialistisch gedachtegoed plaatsvond, valt goed te illustreren aan de hand van de eerste drie afleveringen van Pension ’t Stekeltje van Herman Kramer, dat op 23 september 1942 voor het eerst werd uitgezonden. In totaal werden er tot het einde van 1942 vijftien delen uitgezonden. Vanaf 9 april 1943 werd de serie met dezelfde auteur en dezelfde personages voortgezet onder de titel De Stekelclub. Net als bij andere zwaar propagandistische luisterspelen als De zwarte handel lokt en Heling werd de rolverdeling niet gepubliceerd in de Luistergids, maar wel op het manuscript.

 

Rolverdeling eerste aflevering Pension ’t Stekeltje:

Hélène Vink: Mevrouw Dijkstra
Piet Rienks: Rob, haar zoon
Arnold Smitt: Wim, haar zoon
mejuffrouw J. Sierhuys: Mientje, de dienstbode
Jacques de Haas: De Ruyter, pensiongast
Philip la Chapelle: Jhr. mr. van Starrenburgh, pensiongast
Jules Verstraete: professor dr. Knap, pensiongast
Ada van Duyl: Juffrouw Tack, pensiongast

 

De gasten in Pension ’t Stekeltje vertegenwoordigen de verschillende standpunten die onder het Nederlandse volk heersen. De pensionhoudster mevr. Dijkstra neemt geen politiek standpunt in, met de komst van de heer De Ruyter – ‘zo’n keurig iemand’ – is de laatste vrije kamer bezet en dat levert extra geld op. Ze heeft liever niet dat hij over politiek praat, het lijkt er op dat deze boodschap veeleer bestemd was voor de luisteraars. Naast de onschuldige titel worden ze in het begin van de serie gerustgesteld: de luisteraars gaan luisteren naar een gezellig Hollands luisterspel, louter amusement lijkt het.

 

Haar beide zonen Rob en Wim van respectievelijk 18 en 16 jaar zijn elkaars tegenpolen. Rob becommentarieert de discussies in het pension niet gevoelsmatig zoals zijn broer, maar eerder verstandelijk. Vaak is hij degene die, samen met prof. Knap, vast moet stellen dat ambtenaar De Ruyter toch gelijk heeft met zijn bewering of uitleg. Wim is anti, want de nieuwe orde had de verkennerij, waarvan hij lid was, verboden. Jonkheer van Starrenburgh is ook anti, hij verlangt terug naar de oude tijd. Juffrouw Tak heeft ook niet zo veel op met de NSB. Zij maakt net als Van Starrenburgh stekelige opmerkingen tegen De Ruyter. Toch moeten ook de anti’s toegeven dat De Ruyter het bij het juiste eind heeft.

 

Naast deze vaste kern treden af en toe twee andere personages op: Jan van der Voort, de vriend van Wim die de verkennerij heeft ingewisseld voor de Jeugdstorm en Gerrit, de verloofde van Mientje.

 

Illustratie uit de Luistergis van 25 september 1942

Illustratie uit de Luistergis van 25 september 1942.

Ter illustratie van de luisterspelserie 't Stekeltje.

 

De vraag is nu hoe de positieve kleuring van de NSB’er in dit luisterspel gestalte krijgt. In het begin van de eerste aflevering stelt mevr. Dijkstra haar zoon Rob als eerste in kennis van de komst van De Ruyter. Rob reageert geschrokken:

Goeie genade, Mams! Als we daar maar geen geduvel mee krijgen! Hoe kan dat nou, hier in huis! Draagt ie een speldje?
Mevrouw Dijkstra

Zoo’n vijf-jarenspeldje nog wel. Ik zag ’t direct. We hebben ’t er over gehad. Hij heeft me toegezegd dat we van hem geen last zullen hebben. Als de anderen niet beginnen, zal hij over geen politiek praten, heeft hij beloofd. Ik heb hem nog gevraagd, of hij hier in huis dat insigne niet af zou willen doen, maar dat wou hij toch niet. Hij zei: Dat is een eereteeken, mevrouw, en ik heb geen enkele reden om dat weg te stoppen. Ik respecteer een anders eerlijke overtuiging, maar hoef me niet voor de mijne te schamen.

Rob (nadenkend)

Daar is eigenlijk niks tegen in te brengen ... maar ....

 

De Ruyter wordt geïntroduceerd als een keurige nette man, die de mening van een ander respecteert. Hij is er trots op lid te zijn van de NSB en wil daar ook voor uit komen.

 

Wims reactie steekt fel af bij die van Rob. Zijn ene gevoelsmatige reactie wordt gevolgd door een drietal andere, waarbij het voor de luisteraars ook duidelijk wordt dat die reacties zeer overtrokken zijn. Wim wordt hierdoor eerder gepresenteerd als een kinderachtig jochie van 8 jaar dan als een puber van 16.

 

Rob
Zeg, Wilhelmus, hoor eens even: Mams heeft de kamer boven vóór verhuurd......

Wim (juichend)

Háááá ....... Daar moet U op tracteeren, Mammie!

Rob
Maar ... er is een maar bij: er komt een heel nette mijnheer op, die behoorlijk dokt, dus jij moet je behoorlijk tegen hem gedragen......

Wim (verontwaardigd)

Nou, me dunkt!......

Rob (met nadruk)
Oók, nu hij toevallig NSB-er is......

Wim (woedend)

Hè! Wat?! Een NSB-er? Zoo’n kerel hier in huis?! Hoe kon U dat nou doen, Mams? Ik pest ‘m er uit!....

Rob (rustig)
Daar zou je Mams wel uitstekend mee helpen!

Mevrouw Dijkstra

Ik wou wel, dat je ’t me niet zoo moeilijk maakte, Wim!

Wim (huilend)

Hoe kunnen jullie dàt nou doen! Zoo’n schoft hier in huis te halen, - zoo’n stuk schoelje, dat de Verkenners verboden heeft......

Rob (beslist)

Dat is onzin, Wim. Daar heeft die mijnheer part nog deel aan. Maar kort en goed: jij gedraagt je behoorlijk en heel gewoon, en anders krijg je met mij te doen, en niet zoo zuinig. Als die mijnheer zich fatsoenlijk gedraagt, hoef jij den kwajongen niet uit te hangen. Begrepen?

Wim (snikkend)

Ik kijk ‘m niet aan. Ik groet ‘m niet! Moet ik zeker nog houzee zeggen ook! En m’n poot omhoog steken!....

 

Ook Van Starrenburgh reageert opgewonden op de komst van De Ruyter. Rob wordt daardoor tot een krachtig optreden gedwongen.

 

Van Starrenburgh

Dat kan niet. Het zijn allemaal schoften. Moet ik daarmee aan tafel zitten?! Om morgen verraden en opgepakt te worden?! Ik begrijp niet....

Rob (krachtig)

Mijnheer van Starrenburgh, Moeder kon die kamer niet langer open laten staan. En als nu door niemand over politieke dingen wordt gepraat, hoeven we ons er toch niets van aan te trekken dat zoo iemand een of ander speldje draagt......

Van Starrenburgh (woest)

Ook dàt nog! Een speldje! Maar wàcht eens even! Waar is mijn kruisje? Zoo! En mijn mond houden? Dàt kan ik niet beloven. Dat tuig moet maar eens merken, dat er nog menschen zijn, die zich niet bang laten maken door hun branie.

 

Van Starrenburgh is niet tot bedaren te brengen. Door zijn optreden verschaft hij De Ruyter wel de mogelijkheid zijn politiek standpunten naar voren te brengen, want de jonkheer kan zich niet intomen en hij is degene die de politieke conversatie in Pension ’t Stekeltje aanzwengelt. Een van zijn opmerking biedt De Ruyter de gelegenheid zich te positioneren. Als juffrouw Tack ook naar beneden komt, kan Van Starrenburgh het niet laten haar te waarschuwen voor de nieuwe gast.

 

Ja, ja, juffrouw Tack! Past U maar op, hoor met Uw gevaarlijke experimenten (bedoeld wordt het luisteren naar de Engelse zender) ... Mientje heeft u al verraden.... Ik zie U nog wel eens achter de tralies!

Juffrouw Tack (vleiend)

Hè, nee, mijnheer de Ruyter! Zou U dàt heusch doen? Dáár ziet U toch heusch niet naar uit!
De Ruyter

Nou, juffrouw Tack, zoo’n vaart loopt het niet. Laat ik U en allemaal, voor eens en voor altijd zeggen, dat er héél wat moet gebeuren, voordat ik een Nederlander bij de Duitsche bezetting zou aangeven. Dan zou het al heel zware sabotage moeten zijn, waardoor de Nederlandsche belangen het meest in gevaar zouden komen. En dan zou ik nóg probeeren het op een of andere manier te voorkómen.

 

Alleen prof. Knap is bij de eerste gezamenlijke maaltijd niet vooringenomen. Op zijn vraag waarom nu opeens al die nieuwigheden worden doorgevoerd, krijgt hij van De Ruyter een keurig antwoord:

Dat is tòch niet tegen te houden, professor! De wereld staat nu eenmaal niet stil. Je kùnt het leven immers niet vastleggen. De menschen probeeren steeds maar het in hun netje te vangen maar het ontplooit zich tòch. Het leven is eeuwig en de mensch niet. Mag ik even het zout, alstublieft?

 

Het gesprek aan tafel ontwikkelt zich steeds meer tot een politieke vergadering, waarbij De Ruyter, met steun van Rob en prof. Knap, uiteindelijk kan uitleggen waarom er niet aan de nieuwe orde valt te ontkomen.

 

Omdat het (het nationaalsocialisme) een doorbreken van de levende werkelijkheid is! Het gaat niet om dit of dat punt van een program uit te voeren, het is een aanpassen in de wéreld!...... Het gaat om je kijk op het léven, een nieuwe levensbeschouwing. We moeten gaan denken in heel andere waarden, en van heel andere begrippen uitgaan. Die waarden zijn er al lang, maar de menschen moeten er zich van bewust worden!

 

In het begin van de tweede aflevering is Rob om. In een gesprek met prof. Knap antwoordt hij op diens opmerking dat hij goede maatjes met De Ruyter is geworden:

Ja, - ik ... ik vind ‘m een fijne vent. Ik heb eens een heelen avond op z’n kamer met ‘m zitten boomen. Maar die man is wèl overtuigd, hoor. Die weet precies wat ie wil. Dat lijkt me juist zoo prettig... Ik zit zelf altijd zoo te twijfelen....

 

Ook de andere pensiongasten hebben hun aanvankelijke felle antihouding laten varen. Dat betekent niet dat ze het vanaf nu eens zijn met de nationaalsocialistische standpunten van De Ruyter. Hun aversie tegen de idealen van de NSB blijft bestaan, maar er wordt in de tweede aflevering een poging ondernomen om met elkaar in gesprek te geraken en te blijven. Een voorbeeld hiervan is onderstaande discussie over de historische noodzakelijkheid van het nationaalsocialisme.

 

Prof. Knap

Wat zegt U ervan, mijnheer van Starrenburgh?

Van Starrenburgh

Ik?! Ik zeg goedenmiddag!

De Ruyter
Goedenmiddag, mijnheer!

Rob
Dag, mijnheer van Starrenburgh.

Van Starrenburgh

Had U het over noodzaak en historische ontwikkeling? Daar is toch geen sprake van! Als een of ander proces zich over eeuwen uitstrekt, ja, dan kun je ’t historische ontwikkeling noemen. Maar nu?! Omdat er helaas!, de laatste paar jaar een paar van die Strebers, van die machtswellustelingen naar voren zijn gedrongen, die de heele wereld naar hun pijpen willen laten dansen ... moet dàt voor historische noodzaak doorgaan? Kom, professor, dat zult U toch niet meenen!

De Ruyter

Dat die machtswellustelingen, zooals U ze noemt, in een paar jaar tijds al zulke veranderingen tot stand hebben kunnen brengen en zulk een aanhang hebben verworven, bewijst al, dat hun optreden op de juiste tijd gekomen is. Dat de tijden er rijp voor zijn! Dàt is al eeuwen aan den gang, die ontwikkeling. Hitler en Mussolini en hun medestanders zijn echter degenen, die hun tijd begrépen hebben en zich daarom als leiders kunnen opwerpen.

Van Starrenburgh (sarcastisch)

Nee, maar ... gaat U nou beweren dat die groote helden van Uw nieuwen tijd al eeuwen lang bezig zijn geweest?

De Ruyter

Nee, dat heb ik niet gezegd, maar wel dat zij gestalte geven aan een ideaal, dat de menschen al heel lang voor oogen heeft gezweefd, misschien onbewust en nooit duidelijk omschreven.

Van Starrenburgh

Zoo!? ... En wat voor ’n ideaal is dat dan wel?

De Ruyter

Van een politieke eenheid!
Van Starrenburgh

Ha, prachtig! Zeker zooals nu: één politieke partij waar vijf en negentig van de honderd Nederlanders op spuwen!....

De Ruyter

Nee, zoo niet. Maar zoo blijft het niet! Maar de politieke eenheid, die ik bedoel, hangt heelemaal samen met de opvattingen over het gezag van de overheid. En zoo was het altijd!

Rob

Ja, dàt is waar, daar was altijd en eeuwig de ruzie over tusschen de menschen!

 

Door het rustige optreden van De Ruyter is er een situatie ontstaan voor een goed gesprek. Want na deze clausen stelt Van Starrenburgh de vraag of de verhouding tussen overheid en volk een van de centrale punten is in de nationaalsocialistische ideologie, wat De Ruyter beaamt. Dat biedt hem de mogelijkheid nader op dit onderwerp in te gaan. Een les Europese staathuishoudkunde volgt. Van Starrenburgh blijft echter de kritische opponent, die van De Ruyter alle gelegenheid krijgt zijn kritische vragen te stellen, die door hem met geduld en op empathische wijze worden beantwoord.

 

De Ruyter

Er was iets gezonds in het principe van die groote Revolutie (bedoeld wordt de Franse Revolutie, AvdL) om het gezag, de overheidsidee dus, binnen het volk te brengen. Dat was zeer zeker een stap op den weg naar politieke eenheid. Maar toen werd de fout gemaakt van het individualisme. Toen kwam de democratie. Ieder wilde wàt te vertellen hebben, en zoo werd het heele gezagsapparaat een doode constructie. We hebben hier in ons land toch genoeg geleerd over de partijenbeweging, de verkiezingen en al wat daarbij kwam .... Alles werd gebaseerd op de waarde van het individu maar niet op het volk, als geheel, als gemeenschap! Die daar in de regeering zaten, waren geen regeerders uit het volk, maar uit individuen, of groepen individuen, partijen voortgekomen. Men was met veel geharrewar tot een soort rechtsconstructie gekomen. Maar daardoor werd het nog geen levend, geen natuurlijk, geen organisch systeem! Het bleef knutselwerk!

Van Starrenburgh

Maar al die individuen vormden toch het volk! Wat is dàt nou! Het Parlement was toch de Volksvertegenwoordiging!

De Ruyter
Nee, nee, dààr zit ‘m juist de fout. Als U ging stemmen, deed U dat niet als volksgenoot, als Nederlander. U stemde als lid van een partij! Als anti-revolutionair, of als Katholiek, of als plattelander... in elk geval, als één individu uit een groep individuen. Zoo werden de Kamerleden vertegenwoordigers van volksgroepen, maar niet van het volk. Niet van DE Nederlanders! En dàt was de fout!

Van Starrenburgh

Nou, daar ben ik het nog lang niet mee eens.
De Ruyter

Dat kan ik me indenken.(...)

 

Dit soort discussies wordt afgewisseld met voorvallen die op een heel ander niveau aangeven dat er nieuwe tijden zijn aangebroken en dat iedereen daarin zijn weg moet vinden. Aan het slot van deze aflevering vertelt Mientje dat Wim op zijn bed ligt te huilen. Hij heeft ruzie gemaakt met zijn vriendje Jan omdat die zich had aangemeld bij de Jeugdstorm. Wim heeft hem voor verrader uitgescholden en ze hebben elkaar afgerost. Dat krijg je ervan als de jeugd zich met politiek gaat bemoeien, merkt Van Starrenburgh nog op voordat de pensiongasten aan tafel gaan.

 

Vanwege de felle meningsverschillen is prof. Knap zo verstandig de anderen in de volgende aflevering mee te nemen naar zijn kamer. Aan het gesprek nemen prof. Knap, De Ruyter, Van Starreburgh en Rob deel. De professor verwoordt dat er heel veel Nederlanders zijn die de goede ontwikkelingen niet willen zien en altijd blijven klagen over de minder goede kanten van het nationaalsocialisme. De discussie over de uitgespeelde rol van het parlement is een herhaling van zetten. De parlementariërs in de Eerste en Tweede Kamer zijn geen vertegenwoordigers van het volk, maar van partijen. De vraag of dat ook niet geldt voor de kamerleden van de NSB wordt door De Ruyter ontkennend beantwoord. De NSB probeerde langs de toen bekende weg invloed te krijgen en moest dus daarom wel in de Kamer. Maar zij ging daar niet naar toe als partij, maar als Beweging die geworteld was in het volk.

 

Uit de discussie blijkt dat prof. Knap in de richting van De Ruyter is opgeschoven. Hij beweert dat er veel meer aandacht moet worden besteed aan het enthousiasme van de jeugd en dat zet hij af tegen de oude mentaliteit van voor de oorlog.

 

Illustratie uit de Luistergis van 2 oktober 1942

Illustratie uit de Luistergis van 2 oktober 1942.

Ter illustratie van de luisterspelserie 't Stekeltje.

 

Interpretatie

Na drie afleveringen zijn de posities van de personages voor de luisteraars duidelijk. De Ruyter is de centrale figuur in de luisterspelreeks. Hij is het sympathieke personage, de held, die in de loop van de serie zal worden gesteund door Rob, het symbool van de verstandige Nederlandse jeugd, en prof. Knap, die op basis van zijn naam bij de luisteraars de indruk moet wekken dat iedere verstandige Nederlander zich aldus dient op te stellen in deze veranderende tijden. Steeds opnieuw is De Ruyter de winnaar van de discussies. Hij heeft nu de meeste tekst en zijn rol bestaat voornamelijk uit het expliciteren van nationaalsocialistische standpunten.

 

Dit betekent niet dat Rob en prof. Knap dezelfde standpunten innemen als De Ruyter, ze wegen de standpunten van De Ruyter en Van Starrenburgh tegen elkaar af en moeten vaststellen dat de ambtenaar van DVK bijna altijd gelijk heeft. De rol van de adellijke criticaster bestaat er vooral in de kritiek van de Nederlandse bevolking ten aanzien van de nieuwe orde te verwoorden. Hij is als het ware de aangever geworden die De Ruyter de mogelijkheid biedt het onderwerp haarscherp uit te leggen aan de luisteraars. Van Starrenburgh kan af en toe rekenen op de steun van juffrouw Tak.

 

De Ruyter wordt aan de luisteraars gepresenteerd als een NSB’er. Tegelijkertijd wordt duidelijk benadrukt dat hij ook Nederlander is en geen handlanger van de Duitse bezetter! Zijn positionering komt hierin overeen met de houding van de NSB in het begin van de bezetting. De anti’s worden bij hun eerste optreden te kijk gezet. Het enige waartoe ze in staat zijn, is het plaatsen van algemeenheden – ‘nieuwe orde ... lege borden’ – waardoor ze eerder zichzelf te kijk zetten dan kritiek leveren op de politieke overtuiging van De Ruyter. Door hun opstelling en clichéopmerkingen ten opzichte van de ambtenaar van het DVK worden ze door de auteur neergezet als typen en niet als karakters, die een ontwikkeling doormaken.

 

De nationaalsocialistische propaganda wordt als het ware via een achterdeur in het luisterspel betrokken. In eerste instantie verstoort de komst van De Ruyter het gezapige leventje van de pensionbewoners. Zij krijgen alle gelegenheid hun scepsis tegenover de nieuwe gast te ventileren. De Ruyter houdt zich keurig aan de huisregels. Hij start de politieke discussie niet, de anti’s nemen hierin het voortouw. Daardoor krijgt hij steeds meer de gelegenheid zijn nationaalsocialistische standpunten te verwoorden. Door deze geleidelijke dosering en de quasi onschuldige manier waarop de boodschap is verpakt, beoogt dit spel van grote propagandistische betekenis te zijn voor de nieuwe orde.

 

 

Paul Hardy. Jodocus

 

Van de oorspronkelijke uitgave van Robert van Genechten bleven twee adaptaties bewaard. Een jaar na het verschijnen van het boek werd deze tekst door Paul Hardy tot een luisterspel bewerkt dat in een regie van Adriaan van Hees op 7 juli 1942 op Hilversum II werd uitgezonden.

 

Weer een jaar later had Paul Held het verhaal als uitgangspunt gebruikt voor een tekenfilm, die echter nooit in roulatie is gekomen. Hier wordt vooral gelet op de verschillen tussen het origineel en de beide bewerkingen. Wat verandert er in dit verhaal als het wordt bewerkt voor radio en film? Welke propagandistische motieven voeren in het luisterspel en de film de boventoon? Kunnen deze verschillende accenten, indien aanwezig, ook verklaard worden?

 

Inhoud Van den Vos Reynaerde, ruwaard Boudewijn en Jodocus

Het verhaal van Robert van Genechten is een vervolg op het Middelnederlandse Reinaertverhaal. De verwijzing naar de oorspronkelijke tekst wordt inhoudelijk, maar ook qua vormgeving aan de lezer duidelijk gemaakt:

 

Willem die de Madoc maakte, heeft in krachtige taal de geschiedenis van den vos Reynaerde aan het Dietsche volk verteld. Dit is nu reeds eeuwen geleden. Maar met spijt heeft een boerenjongen uit het Kempenland, aan wien de verdere geschiedenis van den vos bekend is geworden gemerkt, dat die nooit in gepast verband is mede gedeeld. Van genechte op genechte heeft hij er op gewacht, dat iemand in meer gebonden taal dan hij vermag, het verdere verloop van Reynaert’s leven zou vertellen. Maar waar dit nimmer is geschied, wil hij niet langer talmen, het zijn bentgenooten te verhalen.

 

Na de dood van koning Nobel ontbrandt de strijd om de macht. Boudewijn de ezel met hulp van Belijn de ram en Lietpit de aap staan tegenover Nobels trouwe vazallen Firapeel het luipaard, Bruin de beer en Izegrim de wolf. Nobels zoon Lionel is al naar verre streken getrokken omdat hij niet de kracht heeft of wijs genoeg is om het dierenrijk te regeren. Plotseling duikt Jodocus het neushoorndier op, die zich al snel als intrigant ontpopt. Van hem komt het plan een parlement in te stellen, want als de dieren met elkaar gaan vechten, zo vertelt hij aan Grauwe, delft haar man Boudewijn het onderspit. De aap Lietpit maakt dit plan aan alle dieren bekend.

 

Voor het tot een stemming komt, wil Boudewijn verlost worden van Firapeel en Izengrim, want die dieren zijn sterker dan hij. Door het optreden van Jodocus – hij vertelt Belijn de ram, de secretaris van koning Nobel, dat de grensgebieden beschermd moeten worden tegen de tiran Lionel – vertrekken het luipaard en de wolf naar de grenzen van het dierenrijk in de veronderstelling dat ze daar op een heleboel herten, hazen en ander wild kunnen jagen. Boudewijn kondigt daarop de regels van vrijheid, gelijkheid en broederschap af. Lietpit en Belijn worden gekozen tot raadsman van ruwaard Boudewijn. Alleen Reinaert de vos onthoudt zich van stemming. Hij begrijpt niet waarom de dieren zo versuft zijn, teleurgesteld vertrekt hij naar de Achterhoek.

 

Ondertussen worden de raadslieden van Boudewijn geadviseerd door Jodocus. Zijn woorden praten ze kritiekloos na met als resultaat dat geen van de dieren zich aan de gedragsregels van zijn geslacht houdt. Ook op een andere manier probeert Jodocus zijn invloed te vergroten, hij zendt geheime bodes naar het oosten om al zijn neven en nichten op te roepen naar het land van Waes te komen waar ze als belastingophalers worden aangesteld. Alleen in het noorden en het oosten dringt de nieuwe wetgeving niet door, omdat daar de wegen moeilijk begaanbaar zijn en omdat in dat gebied Firapeel en Izengrim heersen.

 

De neven van Jodocus moeten er voor zorgen dat de dieren achterop raken met het betalen van hun belastingen. Ze moeten de dieren dan een gunst vragen die tegen hun natuur ingaat. Het gevolg van al deze veranderingen is dat de dieren wreedaardiger tegenover elkaar worden en geweld gebruiken waardoor hun aantal afneemt.De dieren in de buitengewesten gaat het echter goed en als een keer een haas verdwaald is in het rijk van Boudewijn, roept hij geen aversie maar juist bewondering op bij de dieren. Dat kunnen Boudewijn en consorten niet uitstaan en zij bedenken een plan om de dieren in de buitengebieden over te halen weer terug te komen naar het rijk van Waes. Belijn zal daarvoor naar Reinaert reizen om hem met een list terug te brengen.

 

Reinaert stelt Belijn voor Firapeel en Izegrim ook te benaderen. Zonder het zelf te beseffen wordt Belijn als een zoenoffer naar de wolf gezonden. Izegrim doodt hem en Reinaert en hij peuzelen de ram op. Daarop wordt Lietpit uitgezonden. Deze is daar echter niet op gebrand en laat dat ook aan Jodocus en Boudewijn weten. Als zelfs zijn vrouw liever voor Jodocus kiest dan voor hem – hij is slechts kapper gebleven en derhalve een knecht – is Lietpit van plan zich te wreken op de ezel en de neushoorn. Ook hij wordt door Reinaert in het ootje genomen en belandt in een kuil waar de dieren hem af en toe van eten voorzien.

 

Nu beide raadslieden zijn verdwenen, vindt Jodocus het tijd om zijn biezen te pakken. Hij dwingt een groot aantal dieren om hem op zijn reis te verzorgen. Bruin de beer draagt hem en Rosseel de eekhoorn moet de vlooien die Jodocus kwellen opeten. Nog een aantal andere dieren (onder andere Limpaard het everzwijn en Tybaert de kater) helpen hem in de hoop een hoger aanzien te verwerven.

 

Bij de IJssel neemt Jodocus afscheid van de dieren en trekt alleen verder. Ondertussen is Lionel teruggekeerd in de Achterhoek. Als Izegrim en Firapeel hem zien naderen, brengen zij hem hulde. Zij overreden hem ook Reinaert te vragen mee op te trekken naar het land van Waes. Zo gezegd, zo gedaan. Nadat een groot aantal boden zijn weggestuurd en bericht hebben over Jodocus’ tocht, besluit Reinaert hem tegemoet te reizen. Wanneer hij Jodocus ontmoet stelt hij zich voor als Grimbeert de das en hij weet Jodocus om de tuin te leiden. Deze wil daarop ‘Reinaert’ ontmoeten en als hij na een bezoek aan de vergeetkuil van Lietpit te horen krijgt dat Reinaert te weinig belasting heeft geïnd, draait Jodocus als een blad aan de boom om. Hij wil ‘Sire Reinaert’ dienen en voor hem de belastingen innen. Reinaert neemt hem mee naar Lionel en stelt deze voor als Reinaert. Lionel speelt het spel mee en als Jodocus nog meer belastingen kan innen dan bij Boudewijn, keert hij blij terug naar het land van Waes om al zijn neven en nichten te informeren over Reinaerts intocht.

 

Uiteindelijk wordt Jodocus gestraft, eerst door Boudewijn nadat hem de ware reden van Reinaerts komst is verteld. Kort daarop doodt Lionel Jodocus, waarna zeer veel neven en nichten van Jodocus worden afgemaakt. Slechts een aantal van hen gelukt het naar het buitenland te ontkomen. Boudewijn wordt door de dieren ‘uitgeleend’ aan de mensen waar zijn nageslacht nog steeds voor hen moet zwoegen. Reinaert houdt zich niet langer op aan het hof, onderweg heeft hij een kippetje gedood en zo zal het altijd wel blijven, schrijft Van Genechten als slotzin.

 

Interpretatie

Bij de introductie van Jodocus het neushoorndier speelt Van Genechten met het archetype van de wandelende Jood, die vanuit Oost-Europa als vertegenwoordiger van en on-Europees ras met een ‘straathondenmoraal’ deze landen was binnengevallen. In de roman benadrukt van Genechten vooral het lelijke uiterlijk van het neushoorndier, waarbij de dikke lippen steeds als Leitmotiv op de voorgrond treden.

 

Jodocus speelt de rol van intrigant, een negatief personage dat we al tegenkwamen bij de analyse van het nationaalsocialistische drama . Naarmate het verhaal vordert, trekt hij steeds meer aan de touwtjes. Hij beperkt zich daartoe tot het terrein van de economie: vergezeld van zijn neven en nichten staat Jodocus symbool voor de joodse maffia. De rol van Reinaert wordt door Van Oostrom omschreven als ‘de duidelijke zelfprojectie van een intellectueel die koketteert met zijn beschouwend individualisme en zijn afkeer van massabewegingen,’ waardoor hij de personificatie is van Robert van Genechten.

 

Reinaert is dus niet de fascistische held die een einde maakt aan de macht van Jodocus, hij is eerder een buitenstaander die Lionel het idee van de rolwisseling aan de hand doet. Bij de definitieve overwinning heeft hij zich afgekeerd van het overwinningsfeest en hij is weer op jacht gegaan naar een aantal kippetjes.

 

Inhoud van het luisterspel

Hoe deze antisemitische tekst tot een luisterspel van 45 minuten bewerkt werd, kan ons een inzicht geven in de manier waarop de propaganda gestalte kreeg. Een aankondiger en een vrouwenstem delen de luisteraars mee dat er iets historisch, iets actueels, iets nationaals, ja zelfs iets sensationeels zal worden uitgezonden. De aankondiger vertelt de luisteraars dat koning Nobel na een trap van Boudewijn is gestorven. De hele discussie over democratie en de rol van Lietpit is geschrapt en al vrij snel komt Rosseel de eekhoorn met de mededeling dat een zonderling dier is gearriveerd dat ruwaard Boudewijn wenst te spreken. Over Lionel wordt met geen woord gerept.

 

De eerste vraag van Boudewijn na de mededeling van Rosseel luidt:

Ja? En hoe ziet het er uit?

Rosseel
’t Is zeker wel zo groot als Bruin de Beer, maar veel dikker. Het waggelt op zijn korte dikke poten en zijn vel hangt in plooien over zijn buik. ’t Is belachelijk om aan te zien.

Boudewijn

Ja ...... zoo ......... da’s wat nieuws! En ... is ’t gevaarlijk?

Rosseel
Gevaarlijk! Niks gevaarlijk. ’t Is heel vriendelijk en ’t knippert met zijn oogjes...... En op zijn neus ... ’n formidabele neus, staat een groote hoorn, recht naar omhoog. Plezierig! Echt plezierig!

Boudewijn

Ja ... dat ziet er lief uit!

Grauwe

Laat hem ’ns hier komen, Eekhoorn.
Rosseel

‘k Zal hem ’ns roepen! Hé, neus! Neuzevent, kom ’ns hier

(Gekraak van takken en plompe tred. Lietpit krijgt ’n hysterische lachbui).

Belijn

Stel je niet zoo dwaas aan, apekop! Lietpit

Heb je ... hi-hi ... heb je ... hi-hi ... heb je die ...... Hi-i-i.......

 

Lietpit speelt hier veeleer de rol van een middeleeuwse hofnar, het belachelijk maken van anderen is per slot van rekening zijn vak.

 

Het onderwerp van de rasvermenging wordt in het luisterspel op de voorgrond geplaatst. In een dramatische scène worden Lietpit en Belijn door Jodocus overreed om een wijfje uit een ander geslacht tot vrouw te nemen. Daarna wordt onder verwijzing naar het mondaine Parijs door een omroeper een proclamatie voorgelezen waarin de rasvermenging wordt uitgevaardigd. Deze wordt echter gevolgd door een aantal uitspraken waarin kritische kanttekeningen worden geplaatst bij deze maatregel. Tot welke gevolgen deze rasvermenging leidt, wordt geïllustreerd met een verwijzing naar de gedrochten op de schilderijen van Jeroen Bosch.

 

De beschrijving van het einde van Jodocus nam in de roman een bladzijde in beslag, in het luisterspel heeft Hardy dit gevecht opgenomen in het akoestisch decor, waardoor er een gegil, gehuil en gebalk over de luisteraars wordt uitgestort. Deze klanken worden na verloop van tijd overstemd door een triomfmars die weer wordt gevolgd door twee bazuinstoten, waarna Lionel het spel met een korte toespraak tot zijn onderdanen besluit.

 

Luisterspelen roman vergeleken

Dat het uiterlijk van Jodocus bij dit luisterspel sterker is aangezet dan in het originele verhaal, moge duidelijk zijn. Op andere momenten in het spel is het uiterlijk van Jodocus eveneens onderwerp van spot: in een intermezzo wordt hij door de aankondiger omschreven als ‘het Zuidersche neusgedrocht’. De toespraak van Boudewijn over de drie democratische beginselen wordt door het gebruik van de contaminatie gelijkschap – een samentrekking van gelijkheid en gemeenschap – tot een regelrechte kritiek op de democratie.

 

Sommige dieren zoals de aap Lietpit en de ezelin Grauwe doorzien in het luisterspel de intriges van Jodocus scherper dan in de roman. Als Boudewijn besluit Lietpit naar Reinaert te sturen, scheldt de aap Jodocus uit voor vreemde luis. Op een gegeven moment stelt Grauwe haar man de vraag waarom hij het zo ver heeft laten komen. Ze heeft Jodocus altijd al een vervelende papzak gevonden met zijn maniertjes waar hij niets van meent. Op het einde van het luisterspel is Grauwe degene die Boudewijn overhaalt Jodocus dood te trappen, omdat deze verraad heeft gepleegd jegens de ruwaard.

 

In tegenstelling tot de roman heeft Paul Hardy voor een snelle dramatische ontknoping gekozen. De besprekingen tussen Reinaert en Lionel over de te voeren strategie wordt tot een minimum beperkt. Jodocus’ reis naar de Achterhoek in het gezelschap van een groot aantal dieren wordt vervangen door een flash forward waarin de dramatische handeling meteen bepaald wordt door de ontmoeting tussen Reinaert en het alleen reizende neushoorndier. Meer dan in de roman wordt toegewerkt naar de confrontatie tussen Reinaert en Jodocus. Het idee om zich voor Grimbeert de das uit te geven is in het luisterspel onderdeel van een weloverwogen strategie. In de roman was het te danken aan een ingeving. Reinaert had niet gemerkt dat Jodocus ineens naast hem liep en moest op diens vraag wie hij was spontaan een antwoord bedenken.

 

Reinaert

Heer koning, ik wil me meten met dat gedrocht. Ik wil weten wie de sluwste is van ons beiden, Jodocus of ik!

Lionel
Hoe zal je ’t aanleggen, Reinaert?

Reinaert
Laat me betijen. Eén ding mogen we niet over ’t hoofd zien: wij zijn vreemden voor hem. Hij heeft ons nooit gezien. En één ding moet u onthouden, Sire, U kunt dus voor hem evengoed Reinaert zijn als ik, en ik ... Wel als U Reinaert bent, ben ik het niet...... Wie ben ik dan wel? Wel, dan ben ik, laten we zeggen: Grimbeert de das. Juist! Uitstekend! De zegepraal nadert, Sire. Bereid U er op voor!

Lionel

Het lijkt me erg gecompliceerd, Reinaert!

Reinaert

Sst, Sire.... ’t Is heel eenvoudig, U bent Reinaert... gegroet Reinaert.... En ik ben Grimbeert, de das! Vergeet het niet.

Lionel
Een zonderlinge kerel ben je toch, Reinaert... hm, hm, (schalksch) ... Grimbeert, bedoel ik!

Reinaert

Dank U, Sire!

 

De Reinaertfilm

Op zondagmorgen 25 april 1943 bezochten een groot aantal NSB-genodigden, waaronder Tobie Goedewaagen en de auteur Robert van Genechten de besloten voorpremière van de animatiefilm Van den vos Reynaerde in het Asta theater in Den Haag. De bezoekers waren erg enthousiast over het werk van producent Egbert van Putten, scenarist Henk Plaizier en componist Leo Ruygrok.

 

Werd de film in 1941 nog begroot op fl. 15.000, eind 1942 was dit bedrag opgelopen tot fl. 97.167 en bij de afwerking in 1943 zullen de totale kosten waarschijnlijk nog hoger zijn geweest. De reden waarom zo’n groot bedrag voor een dergelijk doel werd uitgegeven lag waarschijnlijk in het feit dat de Duitsers niet tevreden waren over de kwaliteit van de tekenfilms in nazi-Duitsland. Zij prefereerden films in de trant van Walt Disney.

 

Nadat verschillende pogingen waren mislukt om het werk van Disney te kopiëren, besloot Goebbels de productie van tekenfilms – ook die in het buitenland – onder te brengen in de GmbH Deutsche Zeichenfilm. Hans Held, de maker van de propagandistische tekenfilm Einigkeit macht Stark, werd door hem naar Nederland gestuurd om samen met Hans Fischerkösen de tekenfilmindustrie voor dat doel in te zetten. De twee in Nederland opgerichte Arbeitsgruppen: Bavaria Filmkunst en Fischerkösen Film Produktion namen de tekenfilmstudio Nederland Film over, waar juist de Reinaertfilm werd gemaakt. Naast deze vanuit Berlijn geregisseerde aanpak was de roman van Robert van Genechten in nationaalsocialistische kring een groot succes. In 1941 waren van deze in 1937 in het nationaalsocialistische tijdschrift Nieuw Nederland gepubliceerde roman al twee drukken verschenen.

 

Het scenario van de film is wel bewaard gebleven en telt 26 scènes. In de proclamatie van ruwaard Boudewijn gaat het afkondigen van de democratische principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap vergezeld van de aankondiging van de belastingplicht voor alle dieren. Reinaert is de enige die zijn verzet laat blijken doordat hij de proclamatie van de boom scheurt, zich daarna omdraait en zich met een knipoog tot het publiek wendt. In scène 12 wordt de rasvermenging zichtbaar als talloze vreemde paartjes feest vieren rond de vrijheidsboom. Scène 14 geeft een caleidoscopisch beeld van de vreemdsoortige echtparen.

 

De daarop volgende scène is speciaal voor de film geschreven en komt dus niet in boek en luisterspel voor. Hierin gaat Reinaert als dokter verkleed op kraamvisite bij het echtpaar Gans-Struisvogel. Het eerste ei dat hij uit de wieg neemt, stemt beide ouders gelukkig: een struisvogel-gans. Daarna volgen achtereenvolgens: een struisvogel-haas, een struisvogel- kikker en een struisvogel-neushoorntje. Vader Gans raakt bij elke ‘geboorte’ steeds opgewondener en aan het eind van deze scène loopt hij woest op de ingelijste proclamatie af en gooit deze op de grond.

 

Dezelfde gans is ook het slachtoffer in de belastingscènes. Hij kan de belastingheffing niet meer betalen en wordt daarom uit zijn huis gezet. Als hij wil vertrekken, wordt hij door de neushoorns helemaal uitgekleed. Aan de buitenkant van zijn woning timmert Jodocus een bord met de mededeling dat het huis in het openbaar wordt verkocht.

 

Aan het einde van de film komen grote groepen dieren luid brullend op de feestvierende neushoorns af. Alle neushoorns vluchten, Jodocus blijft vanwege zijn dikke lijf in een raam steken. De op de vlucht gejaagde neushoorns worden door een woedende menigte dieren de zee ingedreven. Opvallend is dat er voor de leeuw Lionel in deze film geen rol van betekenis is weggelegd. Alle aandacht gaat uit naar Reinaert; in de laatste shot ziet het publiek de silhouetten van Reinaert en zijn vijf zoontjes op een duintop in het licht van de ondergaande zon.

 

Interpretatie

Ondanks de lovende kritieken van de NSB-top werd de film toch niet in roulatie genomen. Naar de redenen kan slechts worden gegist. Wellicht was het toch niet zo’n goed idee om de vos als fascistische held te laten optreden. Voor de meeste Nederlanders was de vos een ontrouw dier en hij kon niet door een film in een held worden getransformeerd. Held zelf had dat negatieve imago van de vos flink opgepoetst in zijn film Einigkeit macht Stark – oorspronkelijke titel Der Störenfried (1940) – waarin de vos door de goede samenwerking van de dieren uit het bos werd geliquideerd.

 

Misschien speelde ook mee dat de film zijn doel voorbij was gestreefd. In 1943 waren de meeste Joden vanuit Nederland gedeporteerd en was het dus niet meer nodig een sterke antisemitische film te vertonen om de Nederlandse bevolking te ‘overtuigen’ van de noodzaak van deze maatregelen. Held zag er ook geen brood in om een remake van de film te maken. Van de film werd in 1991 een deel teruggevonden in de archieven van het Bundesarchiv-Filmarchiv in Berlijn. Na de vondst van de ontbrekende delen in Duitsland is de film nu volledig gereconstrueerd.

 

In vergelijking met de roman en het luisterspel bevat de film de meest sterke vorm van antisemitisme. Naast het feit dat Reinaert als een fascistische held wordt gepresenteerd, hij is de organisator van het verzet tegen de neushoorns, wordt in de film de rasvermenging (drie scènes) en het innen van de belastingen (vijf scènes) breed uitgemeten. Het heldhaftige karakter van Reinaert wordt ondersteund door zijn outfit: hij is getekend met een jagershoedje dat doet denken aan Robin Hood.

 

Het antisemitisme wordt nog versterkt door de tekening van het personage Jodocus. In de roman tekent Maarten Meuldijk hem als een plomp dier met een grote hoorn op de neus. In de film krijgt Jodocus een keppeltje waardoor zijn jood zijn wordt geaccentueerd. Zijn uiterlijk herinnert in sommige fragmenten aan de afbeelding op het affiche voor de film De eeuwige Jood. Net als in de tekenfilms van Walt Disney heeft het personage Jodocus grote begerige ogen waarmee zijn hebzucht wordt gekarakteriseerd.

 

De verschillende adaptaties van de roman laten duidelijk zien dat de propaganda steeds grovere vormen aanneemt. In die zin zijn ze een goede illustratie van de verschillende fasen van propaganda zoals die door Van den Toorn zijn verwoord.

 

 

Steven Barends en Jef Popelier. Maar het bloed stroomt verder

 

Dit luisterspel naar een gegeven van Steven Barends en bewerkt door Jef Popelier begint met het geluid van een marcherende colonne zingende soldaten. Nadat het gezang is opgehouden richt een spreker zich tot de luisteraars. Hij vertelt over de heldendood van SS-man Herman van Stoutenburg die bij de gevechten om en bij Rostov (dat op 22 november 1941 door het III Panzer Korps was ingenomen) door een bomscherf is getroffen.

 

In een prospectief actiemoment wordt aangekondigd dat de spreker, zelf een SS-man, iets onverklaarbaars heeft meegemaakt na Hermans dood, iets dat niet overeenkomt met meetbare en tastbare feiten en waarover hij de luisteraar wil inlichten:

In de onmetelijke velden van de Oekraïne, kan ik veel meer over hem vertellen, omdat de feiten anders wegen en omdat andere feiten van gewicht zijn geworden, omdat wij, die samen voor Gomel lagen en die samen in geforceerde marschen van 50, 60, 70 kilometer per dag den ring bij Briansk gesloten hebben, met elkaar tienduizenden kameraden tot één lichaam en geest, één hart en ziel, zijn geworden. Wij van den Waffen-SS.

 

Meteen vanaf het begin van het luisterspel wordt de dood van Herman, de zoon van een oud Saksisch boerengeslacht, in een mythisch en ideologisch perspectief geplaatst. De individuele SS-man is onderdeel geworden van één geheel en strijdt op de grote vlaktes in de Oekraïne in een andere werkelijkheid. Wat daar gebeurt, is voor de luisteraars onvoorstelbaar en toch, zo legt de spreker uit, is datgene wat in het luisterspel wordt verteld echt gebeurd, althans zo heeft hij het ervaren.

 

Want wat is hem in een van die laatste nachten van het midwinterzonnewende overkomen? Als de spreker ’s avonds instructie krijgt zich weer naar een post te begeven, loopt Herman ineens lachend naast hem.

 

Spreker

Zeg Herman, hoe kan dat nu, je leeft toch niet meer.

Herman van Stoutenburg

Ik ben niet dood, mijn volk leeft immers
Spreker

Maar je bent dood, vergeef me, dat ik het je zo bruut zeg en Tellegen heeft het gezien en die is regiments-arts

Herman van Stoutenburg

Ik ben niet dood, ik leef in zoovele dingen voort, in mijn eigen ras en volk, in mijn eigen Saksenstam, in den grond, die ik bebouwde, in den grond, die ik mee veroverde, in den grond die ik bemeste met mijn lichaam en op alle plaatsen waar ik werkte, in de hersens van al diegenen, waarmee ik ooit sprak, in de schoot van de vrouw die ik heb liefgehad, en in de kinderen en kleinkinderen van mijn eigen kond. Ik was klein en ben weer veel geworden. Ik was klein en ben weer opgenomen in het groote geweld van het blonde bloed. Dood denkt ge mij, terwijl ik slechts een tijdelijke zeer gebrekkige uiting was van één zijde van mijn volk, kan ik nu weer geheel zijn en oneindig. Alleen, wanneer mijn volk zijn toekomst geheel vergeet, zal ik kunnen sterven, tot dien dag echter zal ik achter den man gaan, die de ploeg door de akkers scheurt, ik zal hem helpen en de paarden aanzetten tot hevige krachtsinspanning. Ik zal meebouwen aan alle goede boerenwoningen en boerderijen, ik zal de steenen aangeven en de balken sjouwen, ik zal de slooten graven, en het land bemesten... Ik leef, geloof me, ik leef, omdat ik ben in de mythe van mijn volk en mijn ras.

 

Als de spreker op zijn veldbed gaat slapen, trekken alle stamhouders van het geslacht Van Stoutenburg in een droom aan hem voorbij en uiteindelijk ziet hij de oervader van het geslacht, die ongeveer vijfduizend jaar geleden leefde en met zijn stamgenoten en hun vrouwen een nieuw land zocht. Net zoals Herman in 1941 is hij er op uitgetrokken om Europa een nieuwe voedingsbodem te geven en het Noordras te herstellen. Om Rusland te veroveren heeft Barends of Jef Popelier, de bewerker, in het manuscript doorgestreept en vervangen door voornoemde woordgroepen. De SS-helm van Herman met de runentekens zorgt voor de verbinding met de oervader. De cirkel is rond: na vijfduizend jaar valt zijn gelaat samen met dat van de eerste van zijn sibbe.

 

Context

Dat gesneuvelde soldaten in dramatische teksten tot leven komen, is afgekeken van Duitstalige auteurs. In het pacifistische Wunder vor Verdun van de Oostenrijkse auteur Hans (von) Chlumberg constateerden de opnieuw tot leven gewekte frontsoldaten dat de wereld na de Eerste Wereldoorlog veranderd was in een corrupte maatschappij waarin genotzucht en haat de boventoon voerden. Ze kwamen tot de conclusie dat ze voor niets waren gesneuveld.

 

Ook nationaalsocialistische auteurs hadden dit gegeven in hun teksten verwerkt. Een soldaat die de dood vond bij Langemarck, riep in Rehbergs Preußischer Komödie (1932): ‘Wir waren die ersten der neuen Zeit... Kameraden! Sprung auf, marsch, marsch!’, en ‘Deutschland muß leben. Ihr Toten herauf!’ was een claus van een onbekende soldaat in Richard Euringers stuk Deutsche Passion. In Das groβe Wandern. Ein Hörspiel vom Aufbruch der Nation van Kurt Eggers is het spreekkoor van de gesneuvelde soldaten richtinggevend voor de hoofdpersonen:

Wir fielen in Polen und Flandern,

mitten im Leben.

Doch unser Weg geht weiter ins Land

Wir müssen wandern und wandern

Durch euer Leben

Durch euer Land.

 

Wir ziehen über euch her

Wie Wolke und Wind
Wie Wolke und Wind.

Unser Blut ist ein groβes Meer.
Alle, die erschlagen sind,

Sind ein Tropfen im Meer.

 

Het tot leven komen van de doden is een christelijk motief, een herinnering aan de opstanding van Christus, dat ook terug te vinden is in Duitse luisterspelen. In Deutsche Passion 1933 van Richard Euringer verzucht een moeder:

Vierzehn Jahre lang vermiβt.

Ich weiβ, daβ er nicht gefallen ist.

Ich weiβ, daβ er tot ist und wird doch erstehen.

Ich weiβ, daβ wir uns wiedersehen.

Het christelijke motief wordt in het spel van Euringer verder doorgevoerd: de soldaat komt weer tot leven, zijn helm heeft hij ingeruild voor een doornenkroon van prikkeldraad. Zo ver gaat Popelier niet.

 

In Maar het bloed stroomt verder.... wordt deze traditie voortgezet, alleen wordt ze hier ingebed in de SS-ideologie. Dat moeten de luisteraars ook gemerkt hebben aan motieven als de Lebensraum, de oervader, bloed en bodem, volk en ras. Ook het voortleven na de dood, zoals door Herman in de bovenstaande claus wordt uitgelegd aan de spreker, is een onderdeel van die ideologie, waaruit de nabestaanden en in dit geval de luisteraars de moed kunnen putten dat de gevallenen aan het Oostfront op een of andere manier voortleven te midden van hun Germaanse voorouders.

 

Uit het onderzoek van andere antibolsjewistische luisterspelen blijkt dat Steven Barends niet de enige was die de Oostfrontstrijders als de laatste representanten van de Oostkolonisatie beschouwde. Ook in Nederlanders ter Heirvaert, een anoniem, niet uitgezonden luisterspel wordt de strijd tegen de Sovjet-Unie voorgesteld als een natuurlijk historisch gegeven.

 

Zoo is het geweest, te allen tijde, door alle eeuwen heen. Steeds wanneer het goede optrok tegen het kwade, stonden Hollanders stonden Nederlanders in de voorste gelederen. Hollands boeren, Frieslands burgers, Zeelands edelen, zij hebben reeds voor vele honderden jaren hun land, hun dorp, hun slot verlaten om ver weg, in West en Oost, in Noord of Zuid op te trekken ten Kruisvaart, ter heirvaart, mét de krachten en machten van Europa, mét het licht tégen de duisternis.

 

Hoewel de Nederlandse voorouders op vele fronten strijd leverden, wordt in dit luisterspel langzamerhand ingezoomd op de Sovjet-Unie. Via de oproep van Magister Olivier van Keulen in 1214, de heldendaden van de Nederlandse Tempeliers en Johaniterorde, graaf Floris IV en zijn strijd tegen de ketterse Stadlinger in 1234 wordt de lijn doorgetrokken naar de mennonieten die in de veertiger jaren van de negentiende eeuw naar de Oekraïne waren getrokken.

 

Zij (de mennonieten) hebben er Hollandsche dorpen en hoeven, molens en kerken gebouwd... zij hebben er gewerkt en geleefd... tot de bolsjewiki kwamen.
Tot de Hollander Gerard Willems uit Molotschna bij zijn thuiskomst van het land, de afgesneden hoofden van zes kinderen op tafel vond staan....tot de Hollandsche boer van Kampen in Chortitza zijn vader doodgeschoten vond; een schot door iedere hand, één door het voorhoofd... Bolsjewistische spot met den kruisdood... (...)

 

Tegen die gruwelen, tegen die verfoeilijke beestachtigheden strijdt nu Europa.... en wilt gij Hollanders dan thuis blijven?

 

Voortdurend wordt gepoogd de luisteraars te doordringen van de noodzakelijkheid van de strijd in het oosten. Als argumentatie wordt naast de historische Oostkolonisatie ook een vergelijking gemaakt met de kolonisatie van Indië. Dat was echter een kapitalistische onderneming en deze vulde alleen de zakken van de geldschieters, zo wordt de luisteraars verteld, deze vorm van Oostkolonisatie komt het gehele volk ten goede.

 

 

Jos den Brabander. De zwarte handel lokt

 

Op 24 juli 1942 berichtte de vaderlandse pers dat Cornelis Nicolaas de Vries, Augustus Theodorus van Batum, Abraham Pots en Petrus Albertus van Dieren wegens zwarte handel in gestolen bonkaarten waren geëxecuteerd. Twee andere verdachten, Alexander Theodorus Thüring en Louis Kesseler, hadden van rijkscommissaris Seys-Inquart gratie gekregen en waren veroordeeld tot 15 jaar cel.

Op 5 augustus 1942 werd het eerste deel van De zwarte handel lokt uitgezonden, dat op deze rechtszaak was gebaseerd. Dat het luisterspel zo snel na het einde van de rechtszaak werd uitgezonden, toont wellicht aan dat de actualiteitswaarde van dit delict zo belangrijk werd gevonden om er in een luisterspel aandacht aan te besteden.

Eind 1941, begin 1942 waren ongeveer 150 Nederlanders gearresteerd in verband met een inbraak waarbij een groot aantal distributiekaarten was buit gemaakt. Van die 150 werden er drieëntwintig veroordeeld, de zes hiervoor genoemden kregen de doodstraf opgelegd.

 

Manipulatiestrategieën

De reden waarom dit spel hier wordt besproken ligt aan de manier waarop de verschillende personages aan de luisteraars worden voorgesteld of beter gezegd antipathiek worden gemaakt. Alex Thüring, de gemeentelijke distributieambtenaar, wordt in de eerste aflevering gepresenteerd als een ontevreden, asociale, egoïstische en brute man, die zijn vrouw afblaft.

 

Thüring

Wat vreten we nou weer? Wéér bevrore rooi kool? Dank je wel.

Mevrouw Thüring
Ik heb ’t ook gegeten en de kinderen ook.

Thüring

Moeten jullie weten, ik pas ’r voor. Ik ga wel ergens anders eten. Waar ze niet zo veel vragen ook.......

Mevrouw Thüring

Och man, wees toch kalm. Zal ik dan brood voor je koken in melk?

Thüring
Broodpap! Taptemelk! Dank je. Doe geen moeite.... Ik ben al weg.

(stoel schuift)
Mevrouw Thüring

Maar Alex toch. Wat doe je tegenwoordig toch vreemd. En waar haal jij al dat geld vandaan om altijd ergens anders te eten. Zeg dan dat je hier niet meer eet, dan reken ik niet meer op je. (huiliger) ... Nou ... Alex.... Zeg dan ’s wat.

Thüring

Zeur toch niet
Mevrouw Thüring

Dat is alles wat je tegenwoordig ... Zeur toch niet .... Naar mij kijk je niet om... en de kinderen....

Thüring

Barst

Mevrouw Thüring
O, Alex, wat heb je toch? Wat is er toch er is de laatste tijd......

Thüring

Besjoer

(deur slaat dicht – voetstappen – klok slaat acht slagen – deurbel)

 

De frauduleuze Thüring heeft niet genoeg aan zijn luxe leventje. Hij wil meer, veel meer geld. Bonnen en stempels verdonkeremanen en doorverkopen aan anderen leveren slechts een habbekrats op. Daarom wordt een plan beraamd om in één keer een grote slag te slaan. Op instigatie van Thüring zullen een paar criminelen bonnen en stempels stelen uit het distributiekantoor waar hij werkt. Hoe de luisteraars het personage Thüring dienen te beoordelen, wordt in een commentaar aan het eind van de eerste aflevering verwoord: ‘Rijk worden zonder te werken is het ideaal van zwakkelingen en degeneré’s, dat ten koste der gemeenschap wordt nagestreefd.

 

Het plan van de grote slag wordt verder uitgewerkt. In een louche café raadplegen Thüring en Dingenouts Lowie Kesseler, waarna ter plekke Meyer, De Vries en Van Batum worden geronseld. De inbraak slaagt en de buit wordt in kleine pakjes opgeslagen in een pakhuis in de Leliedwarsstraat.

 

Daarna zoeken de dieven contact met anderen om de bonnen verder door te verkopen. Om het verderfelijke van hun handelwijze aan de luisteraars te verduidelijken hanteert Jef Popelier een tweede strategie. De benaderde helers, Bram Pots en Salomon Brilleslijper, blijken joden te zijn die zelf ook weer geld verdienen aan deze gemeenschapsvijandige praktijken.

 

Na de transactie wordt het luisterspel onderbroken door een paar stemmen die de gevolgen van de bonnendiefstal bespreken. Bepaalde producten zoals kindermelk en boter zijn niet meer op de bon verkrijgbaar.

 

Om de schuldigen aan de bonnendiefstal nog verder zwart te maken typeert Jef Popelier hen als dom. Na de plotselinge arrestatie van Meyer blijkt nu dat er meer mensen op de hoogte zijn van de diefstal en wie die heeft gepleegd. Zo duikt ook een zekere Rooie Hein op die voor hem en zijn maat fl. 2.000 zwijggeld vraagt. Wanneer twee dieven in een krant lezen dat sabotage voortaan met de dood wordt bestraft, blijkt uit hun bespreking dat ze zo stom zijn geweest om gedateerde bonkaarten te stelen. Die moeten ze nu in grote getale van de hand doen, want ze zijn bang dat ze spoedig gearresteerd zullen worden. Ze besluiten zich van de bonkaarten te ontdoen door ze in het water te gooien.

 

Als de politie distributiebescheiden heeft gevonden in het tuinhuisje van een van de dieven, zoekt deze crimineel contact met advocaat Geertens in een poging iemand anders de schuld in de schoenen te schuiven. Hij wil met behulp van de advocaat een nieuwe koopakte opstellen waaruit moet blijken dat een of andere jood de eigenaar is. Die jood moet dan in de buurt van het huisje gearresteerd worden. De advocaat weigert zijn medewerking, maar voelt zich niet te min om met de dieven het geld in een café te verbrassen.

 

Door de grote hoeveelheid geconsumeerde drank verkondigt een distributiezwendelaar in het openbaar dat hij over een heleboel bonkaarten beschikt. Een arrestatie door de politie kan dus niet uitblijven. In het laatste deel vindt de rechtszitting plaats. Er worden zes doodstraffen uitgesproken en zestien tuchthuisstraffen opgelegd.

 

Het spel wordt afgesloten met een tweetal sprekers die vertellen hoe de vonnissen zijn voltrokken. De autotocht in de vroege ochtend naar de executieplaats wordt weergegeven in het akoestisch decor.

 

Interpretatie
In zijn aanklacht verwijt de Staatsanwalt de verdachten dat ze de orde en rust op het thuisfront in gevaar hebben gebracht en dat in een tijd waarin de Duitse soldaat aan het Oostfront op leven en dood voor het wel en wee van Europa strijdt. De misdaad van de verdachten wordt opgevat als een dolkstoot in de rug. Bij de onderbouwing van zijn eis stelt hij:

Twee vergrijpen hebben de veroordeelden die terecht stonden gepleegd. In de eerste plaats hebben ze gehandeld tegen de belangen van de bezettende overheid, hetgeen hun uiteraard zeer zwaar werd aangerekend.En daarnaast hadden zij het Nederlandsche volksbelang geschaad, door den goeden gang van de distributie van levensmiddelen te verstoren en daardoor het leven en de gezondheid van anderen in gevaar te brengen.

 

Het luisterspel is ogenschijnlijk met grote haast in elkaar gezet. De naamgeving van de personages wordt niet consequent toegepast. In het eerste deel opereren de criminelen onder de namen: Alex Thüring, Piet Dingenouts en Lowie Kesseler. Bij het voorlezen van de lijst van verdachten in het laatste deel worden deze namen niet meer genoemd. Thüring is nog wel te traceren als Alexander Kousing, maar van de anderen ontbreekt ieder spoor, totdat ze bij het vonnis weer opduiken onder hun eigen naam.

 

In het vijfde deel zijn de luisteraars de draad kwijtgeraakt wie wie is, want daar worden de personages met een voornaam aangesproken die tot dan toe nog niet is genoemd. Deze verwarrende naamgeving is waarschijnlijk te danken aan de censuur vanuit het Rijkscommissariaat. Jef Popelier had van de Duitse en Nederlandse justitiële autoriteiten toestemming gekregen de echte namen te gebruiken. Maar na de eerste uitzendingen moet de serie worden stopgezet en opnieuw opgenomen.

 

Advertentie uit het Drentsch dagblad van 1 september 1942

Advertentie uit het Drentsch dagblad van 1 september 1942.

 

De bewaard gebleven manuscripten kunnen dus afkomstig zijn van de originele reeks of van de gecensureerde tweede. De dagtekening op de documenten maakt deze oplossing echter onmogelijk. De manuscripten twee tot en met vijf dateren weliswaar van augustus en september 1942, maar zijn voorzien van een plakker met daarop de data van de uitzendingen in november. De verwarrende naamgeving blijft een raadsel.

Vijf van de zes afleveringen beginnen niet-chronologisch. Elke keer wordt in het begin van deze afleveringen een of ander voorbeeld van zwarte handel als openingsscène gebruikt, waarna een zware en nadrukkelijke stem de optredende bijfiguren medeschuldig verklaart. Een rechter spreekt daarop meteen een doodvonnis uit, waarna de stem aankondigt: ‘hoe het begon’ of ‘hoe het verder ging’. Een vrij eenvoudige vertelwijze.

 

In dit luisterspel wordt de slechte voedseldistributie gekoppeld aan de zwarte handel. De luisteraars ervaren de voedselschaarste aan den lijve en door in te spelen op hun gevoel wordt de schuld daardoor afgeschoven op anderen: joden en criminelen. Deze termen moeten als synoniemen worden opgevat. Door deze vertegenwoordigers van de joodse bevolkingsgroep zo te portretteren, moeten de luisteraars wel tot de conclusie komen dat de joden niet thuishoren in de nieuwe volksgemeenschap.

 

 

M.J.Delbaere-Prins. Het geheim van den bronzen armring

 

In de jaargang 1941-1942 publiceerde Nieuw Nederland dit sprookjesluisterspel voor grote mensen. Maria Delbaere-Prins was partijfunctionaris bij de Nationaal-Socialistische Vrouwen Organisatie (NSVO), ze was bevriend met de oprichtster van die organisatie: freule Julia op ten Noort (1910-1996).

Samen met haar man, de arts Louis Delbaere had ze contact met de Oxfordgroep, die beschouwd kan worden als de voorloper van de Geestelijke en Morele Herbewapening. Samen met Elisabeth Keers-Laseur en Geertruida Monsees-van der Veen vormde Maria Delbaere-Prins de opstelraad (redactieraad) van De Nationaal Socialistische Vrouw, het sinds 18 september 1940 verschijnende tweewekelijkse blad van de NSVO. In 1943 publiceerde zij bij uitgeverij De Schouw een drietal nationaalsocialistische sprookjes onder de titel Het geluk is overal.

In dit luisterspel wil een koningszoon weten hoe hij zijn volk het best kan regeren. Om die vraag te beantwoorden onderneemt hij een queeste die enkele jaren in beslag neemt en hem het antwoord ‘liefdevol’ oplevert. Voor hij echter tot dit inzicht komt, is de kroonprins een aantal nationaalsocialistische themata op zijn zoektocht tegengekomen.

 

Omdat zijn moeder is gestorven, ontvangt hij zijn opvoeding van Petemoei, een sprookjesfiguur. Op zijn vraag neemt zij hem mee naar een grote toren. Daar vertelt zij:

Om tot de hoogste top van menschelijke kunde en begrip te stijgen zijn moed en volharding alleen niet voldoende, mijn Petekind.... Deze trap, die in een al smaller en steiler wordende spiraal boven den peilloozen afgrond cirkelt, kan door een mensch alleen dan beklommen worden, als deze mensch bezield is door een verheven ideaal. Dit alleen geeft hem de onbreekbare kracht en het zuivere gevoel van richting, waardoor hij als het ware blindelings den weg vindt naar het hoogste doel.

Kroonprins

En als hem dit ideaal ontbreekt?

Petemoei

Dan is hij verloren.

 

In het begin van het stuk wordt de lezer al gewezen op het heroïsche karakter van de kroonprins. Hij moet vervuld zijn van een verheven ideaal, want slechts weinigen zijn uitverkoren. De kroonprins wil de trap in de toren bestijgen om:

tot de hoogste top van kunde en begrip te stijgen om te ervaren hoe ik mijn volk moet regeren, om het in vrede en geluk te doen leven; hoe ik moet handelen om een goede koning te zijn. Dit is het verheven ideaal, dat mij de kracht zal geven om tot het laatst toe vol te houden.

 

Uit de lessen van Petemoei heeft de kroonprins begrepen ‘dat de eer van een vorst gelegen is in de trouw aan zijn volk. Na een gevaarlijke klauterpartij bereikt hij de top van de toren. Via een regenboogbrug belandt hij bij Kaleia, de koningin van de schoonheid. In haar land wonen de Lichtdragers, de nakomelingen van Prometheus. In het eerste kasteel dat ze bezoeken, zien ze hoe mooie meisjes zich overgeven aan muziek en dans. Bij de Lichtdragers staat de lichaamscultuur in hoog aanzien. De atleten lijken de kroonprins marmeren godenbeelden die tot leven zijn gekomen.

 

Om de kroonprins te helpen bij zijn toekomstige taak, krijgt hij van Kaleia een bronzen armband, die versierd is met oude runen, die het geheim van het geluk op aarde verbergen. Petemoei kent het geheim van de armband wel, maar zij verklapt het de kroonprins niet. Wel vertelt ze dat er nog een tweede armband bestaat, die precies gelijk is aan degene die hij al heeft. Als hij deze heeft gevonden, heeft hij het geheim opgelost.

 

Het tweede bezoek betreft het land van de Duisterlingen, waar Ouria regeert, vastgekluisterd aan haar gouden troon. Haar onderdanen zijn daar terecht gekomen nadat een boer een klomp goud op zijn land had gevonden. In zijn hebzucht groef hij voort zonder verder waarde toe te kennen aan het zonnegoud: velen zijn hem gevolgd. In eerste instantie wil de kroonprins Ouria bevrijden, maar zij vraagt niet om de vrijheid, maar om meer goud.

 

Het tweede deel speelt een jaar later. De koning laat een aantal schepen te water, die voor de welvaart van zijn volk zullen zorgen. Hoewel hij hard heeft gewerkt, heeft hij toch het gevoel dat hij niets heeft bereikt. Zoals afgesproken met Petemoei mag de koning een keer per jaar een wens doen. Daarom wil hij weten wat zijn voorouders voor zijn volk hebben gedaan. Petemoei geeft hem een tovermantel om zodat hij naar een nauwe kloof in het Noorden kan afreizen om zo zijn voorouders te bezoeken.

 

In het land van het Verleden ontmoet hij Chronos, de stuurman van een bootje op de rivier de Tijd, die van de Boom des Levens naar de Oceaan van de Eeuwigheid stroomt. Na een ontmoeting met zijn moeder ziet hij, enigszins tot zijn verbazing, een edelman de boeren helpen de dijken te versterken. Op de vraag van de jonge koning of hij zijn waardigheid niet verliest als hij zich zo onder het volk begeeft, antwoordt Chronos:

geen vorst zetelt op een hoogen troon dan hij, die door zijn volk op handen wordt gedragen.

 

In de nationaalsocialistische ideologie vormt de verbondenheid tussen leider en volk een onlosmakelijke band. De verbazing van de jonge vorst duidt erop dat hij er nog niet in is geslaagd deze band tesmeden.

 

Verder teruggaand in het verleden van de Germaanse voortijd, ontmoet de koning wederom een edelman, Everhart genaamd. Hij blijkt de stamvader van zijn sibbe te zijn en in een gevecht heeft deze de vijanden van het rijk verdreven. Maar op de dag van de overwinning is hij verraderlijk in de rug aangevallen en gedood. Zijn onderdanen brengen hem naar een boot die op weg zal gaan

naar hemelsch Walhalla

Waar Wodans dochters

Schenken schuimende mede.

 

Nadat ook de echtgenote van Everhart aan boord is gegaan, voltrekt zich een Germaans begrafenisritueel. De boot vat vlam, maar de vrouw heeft zichzelf al gedood met de dolk die elke Germaanse vrouw als teken van vrijheid aan haar gordel draagt. Steeds verder gaat de reis terug, de rendierjagers uit de ijstijd maken ook deel uit van de voorouders van de koning.

Door de sterk ziftende werking van de zeer harde levensomstandigheden istenslotte na afloop van vele tienduizenden jaren uit deze menschen het blonde blauwogige, Noord-Europeesche menschenras ontstaan, waartoe ook jij behoort.

Nog verder in de tijd teruggaande, ziet de koning de Almoeder. Hij mag haar van Chronos niet dicht naderen, omdat er dan geen terugkeer meer mogelijk is.

 

Weer een jaar later, hij is nu twee jaar koning, heeft hij het geheim van de bronzen armband nog steeds niet opgelost. Dit keer bezoekt hij alle landen ter wereld, maar helaas. In de jaarlijkse bijles van Petemoei komt hij erachter dat hij in het Land van de Toekomst moet zoeken. Op zijn reis daarheen ontmoet hij het Sterrenvrouwtje, dat de runen op zijn armband kan ontcijferen. Ook zij geeft hem de oplossing niet, want deze is alleen begrijpelijk voor degene die de oplossing zelf heeft gevonden. Zij geeft hem echter wel de aanwijzing bij de grenzen van zijn land te zoeken.

 

Daar ontmoet hij een herder die hem uitlegt dat er overdag zeer veel mensen uit het land wegtrekken. Ze vinden het verschrikkelijk om hun geboorteland te verlaten, maar de koning blijkt onbereikbaar te zijn voor het gewone volk, omdat hij zich heeft omringd met geleerden en kunstenaars. Als hij daarna een oud vrouwtje bijna ziet bezwijken onder een last van armoede, zorgen en verdriet, neemt hij het kloeke besluit haar pak te dragen. Terstond verandert zij in een bekoorlijke vrouw. De koning heeft geluisterd naar de stem van zijn hart en hij heeft zo alle lasten van het volk op zich genomen. De oude vrouw is niemand minder dan het volk, dat een heilig recht heeft op de liefde van de koning.


Interpretatie
Dit sprookjesluisterspel stond Ger H. Knap voor ogen bij zijn artikel in de Luistergids. Een vermenging van het aloude sprookje met diverse nationaalsocialistische ideologemen, waardoor de luisteraars of in dit geval de lezers de ideologie met de paplepel toegediend kregen. Om een eigen nationaalsocialistische cultuur te creëren werd de interpretatie van bestaande sprookjes als Roodkapje en Hans en Grietje dienovereenkomstig aangepast. Daarnaast werden er sprookjes(luisterspelen) geschreven, waarin nationaalsocialistische themata als de Germaanse voortijd, ras en sibbe de verhaallijn vormden. Martin Beversluis was de voornaamste auteur van dit type luisterspel, dat voornamelijk bestemd was voor de jeugd. Maria Delmaere-Prins was een van de weinige auteurs die zich tot een publiek van volwassenen richtte.

 

Hoewel de hoofdpersoon een jongeman van koninklijke bloede is, verdient het aandacht nader in te gaan op de rol van de vrouw in dit luisterspel. De harmonie tussen man en vrouw in het land van de Lichtdragers is nagenoeg volmaakt omdat de vrouwen het welzijn van haar man en kinderen als haar hoogste taak in het leven beschouwen.

 

Met deze bewoordingen refereert Delbaere-Prins gedeeltelijk aan het nationaalsocialistische ideaalbeeld van de vrouw, een reactionaire en onemancipatoire visie op de rol die de vrouw in de nieuwe orde moest spelen: moeder en echtgenote. Dat zij ook een potentiële bron van arbeid is, wordt aan de orde gesteld in een volgende claus van koningin Kaleia:

In het land der Lichtdragers wordt misschien harder gewerkt dan ergens anders ter wereld! Weet dan, mijn Prins, dat wij de bouwers zijn van al datgene, wat het leven waard maakt geleefd te worden. Wij zijn de scheppers en dragers van de cultuur op aarde en wij doen dit, omdat wij de ongebonden krachten der natuur in harmonie en schoonheid dienstbaar maken aan den mensch. Dat beteekent harde, moeizame arbeid, maar hij is ons een vreugde en geen last, die met weerzin gedragen wordt. Integendeel: het vorm geven aan de in ons levende goddelijke scheppingsdrang is voor ons het allerhoogste geluk.

 

Personages als het Sterrenvrouwtje en vooral Petemoei laten door hun optreden merken dat zij het geheim van de bronzen armring kennen. Ze geven de jonge koning adviezen en opereren zo als zieneres en staan hem ten dienste in zijn speurtocht. Zij zijn het ook die de handeling naar een mythisch niveau tillen omdat zij aan de ene kant de schakel zijn tussen heden, verleden en toekomst, aan de andere kant vormen ze de verbindingsschakel met mythisch personages als de stuurman Chronos.

 

 

Vermenigvuldiging of verspreiding van de hele of gedeeltelijke inhoud van deze pagina, is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet toegestaan.
© A.P.A.M. van der Logt

 

Met dank aan Ad van der Logt.