Index: Luisterspelen 1940-1945 / De Nederlandse radio in oorlogstijd

2: De Nederlandse radio in oorlogstijd

Dat de Duitsers veel belang hechten aan de gelijkschakeling van pers en radio hebben De Jong, Verkijk en vooral Van den Heuvel uitgebreid beschreven. Als propagandamiddel was de radio volgens Goebbels belangrijker en effectiever dan de schrijvende pers. Deze laatste beschouwde hij als een exponent van de liberale geest, als een product van de Verlichting. Hij zag de radio als een autoritair communicatiemedium en daarom was het een passend geestelijk wapen in handen van de totalitaire staat.

 

De nationaalsocialistische propaganda op de radio berustte enerzijds op drie pijlers, die Hoffmann en Van den Toorn reeds hebben beschreven: het antisemitisme, het anticommunisme en het antikapitalisme. Anderzijds werden positieve elementen uit de nazi-ideologie in de propaganda verwerkt: de kameraadschap, het behoren tot één volk, het leidersbeginsel, het Germaans gedachtegoed, de NSB als redmiddel voor problemen die democratische, politieke partijen niet hadden kunnen oplossen en het burgerlijk fatsoen van de Beweging.

 

Na de instelling van het Rijkskommissariaat (29 mei 1940) viel de omroep onder de verantwoordelijkheid van Fritz Schmidt, de Generalkommissar zur besonderen Verwendung. Op last van de Rundfunkbetreuungsstelle (RBS), een controle-instantie van de Duitse Reichsrundfunkgesellschaft (RRG), waren politieke uitzendingen niet toegestaan. Het was dus ook voor de NSB en haar leider Mussert onmogelijk het Nederlandse volk via de ether toe te spreken. De NSB had daarom op 22 juni 1940 haar eigen ‘Nationale Omroep’ opgericht met aan het hoofd ds. L.C.W. Ekering en J.M. Veldhuis, de vroegere souschef van de administratie van de AVRO. Van Freudenberg en diens plaatsvervanger Taubert kregen ze nul op rekest: er mocht niet worden uitgezonden.

 

Op 24 oktober 1940 besliste Berlijn dat de Nederlandse omroepverenigingen moesten worden opgeheven en dat daarvoor in de plaats naar het voorbeeld van de RRG de Nederlandsche Omroep (NO) kwam. Na de instelling van het DVK (25 november 1940) werd daar een onderafdeling Radio & Film met aan het hoofd J. de Kloet opgericht.

 

De omroep had volgens de leiding van het DVK de taak ‘ons volk op te wekken tot een natuurlijk Germaansch en Europeesch besef’ en de Nederlanders enerzijds bewust te maken van de ‘zuivering en de versterking van de inwendige Nederlandsche Volksgemeenschap, anderzijds van de bewustwording van den Germaanschen aard van onze Nederlandsche cultuur en mede daardoor op onze Germaansche en Europeesche taak’.

 

Door deze beslissingen viel de NO dus onder Goedewaagens DVK én de Besondere Verwendung onder leiding van F. Schmidt met uiteindelijk als hoogste baas Seyss Inquart. In de dagelijkse praktijk lag de verantwoordelijkheid bij de Duitsers in het bijzonder bij E.K.F.Th. Taubert, de opvolger van Freudenberg, die de NO als een Aussenstelle van de RRG beschouwde. Op 28 november deelde Goedewaagen aan de omroepvoorzitters mee dat de NSB’er ir. W.L.Z. van der Vegte tot voorzitter van de Radioraad was benoemd en ir. A. Dubois tot ‘gemachtigde voor de concentratie van de omroepvereenigingen’. Op 12 december werd dit besluit voor de buitenwereld bekrachtigd.

 

 

Fragmenten

 

ir. A. Dubois op 12 december 1940.

 

ir. W.L.Z. van der Vegte op 23 december 1940.

 

Zenderindentificatie vanaf 9 maart 1941.

 

ir. W.A. Herweijer in augustus 1942.

 

 

Eind 1940 en in de eerste maanden van 1941 werden er steeds meer programma’s uitgezonden met een propagandistisch karakter. Ger H. Knap beet op 12 december 1940 de spits af met een hoorspel Landman’s lust dat door de AVRO werd uitgezonden. De naam zou de gehele oorlog garant staan voor een serie luisterspelen met een hoog bloed-en-bodem-karakter. Max Blokzijl startte op 2 februari 1941 met zijn radiopraatjes.

 

Op zondag 16 februari 1941 hadden niet minder dan negen programma’s een propagandistisch karakter. Steeds waren een viertal kenmerken te onderscheiden:

  • het uitdragen en veelvuldig herhalen van een simpele boodschap,
  • het geven van een tendentieuze voorstelling van zaken,
  • het bepleiten van de eigen zaak,
  • het bestrijden van de tegenstanders.

 

 

De eerste twee kenmerken hadden betrekking op de inhoud van de propagandistische boodschap; ze stonden ten dienste van de laatste twee, die veeleer vanuit strategisch oogpunt werden gehanteerd en het doel van de propaganda betroffen.

 

Op 9 maart 1941 was de nazificering van de NO een feit. Ir. A. Dubois had zijn ontslag ingediend, omdat hij begreep de NO slechts een marionet van het Duitse propaganda-apparaat was. Op 1 mei 1941 werd hij opgevolgd door de NSB’er ir. W.A. Herweijer. De indirecte propaganda had tot doel de sympathie van het Nederlandse volk te winnen. Later maakte ze steeds meer plaats voor een directe vorm van propaganda met het doel de nationaalsocialistische ideologie te verspreiden. Dit betekende niet dat de indirecte vorm van propaganda verdween.

 

Het aantal uitzendingen van nationaalsocialistische organisaties zoals NSB, WA, NAD (Nederlandsche Arbeidsdienst) en SS nam toe. Daarnaast besloot de leiding van de NO dat naast de directe propagandavoering ook steeds meer programma’s moesten worden uitgezonden waarin sprake was van indirecte propaganda.

 

Omdat de Nederlandse nationaalsocialisten mei 1940 als het begin van een nieuw revolutionair tijdperk beschouwden, werd de nieuwe cultuur van dat tijdperk op alle mogelijke manieren gepromoot. In het najaar en de winter van 1942 werden de programma’s gekoppeld aan een historische culturele periode. In september startten de programmamakers met een serie uitzendingen over de Renaissance, in oktober werd deze gevolgd door een serie over de barok. November en december waren gewijd aan rococo en de Biedermeiertijd. In januari 1943 stonden de Verlichting en de vroege romantiek centraal; voor het behandelen van de romantiek waren zelfs drie maanden uitgetrokken.

 

 

Omslag Luistergids 8 januari 1943.

Omslag Luistergids 8 januari 1943.

 

 

Luisterspelen over grote kunstenaars en geleerden, muziekprogramma’s gewijd aan beroemde componisten en lezingen over proza en poëzie uit een bepaalde periode moesten de luisteraars laten horen ‘hoe de Nederlanders in het verleden cultureel antwoordden op de strooming des tijds van die dagen’. Het moest de luisteraars duidelijk worden ‘hoe het geestelijk leven en de uitingen van de cultuur in een bepaald tijdperk volkomen op elkaar afgestemd waren’. Door de goede aspecten van een bepaald tijdperk te behandelen zouden kunstenaars geprikkeld moeten worden om een nieuwe nationaalsocialistische kunst te ontwikkelen en deze aan de luisteraars te presenteren. Zo sneed het mes aan twee kanten: het probleem van de persoonlijke vrijheid van de kunstenaar kon zo worden aangepakt. Door zijn individualisme te laten varen, zou hij kunnen bijdragen aan de geboorte van een nieuw menstype. De dienende taak van de kunstenaar aan de volksgemeenschap stond daarbij voorop, alhoewel er ruimte mocht blijven voor gezond idealisme. Tegelijkertijd raakten de luisteraars op een indirecte manier vertrouwd met de ideologie van de nieuwe orde.

 

Ondanks deze programmatische opzet en het hoge aantal nationaalsocialisten in de leiding van de omroep was de RBS niet erg tevreden over het propagandistisch karakter van de uitzendingen. Eind 1942 werd een grote reorganisatie doorgevoerd. In december 1942 kondigde Herweijer aan dat men op een nieuw stelsel zou overstappen.

 

Uitgangspunt van het omroepbeleid was niet meer het programmaschema, maar het programmavoorstel en de programmaopdracht. De inhoud van de programma’s werd vanaf dat moment bepaald door programmadirecteur J.C. Plate en vier referenten: G.H. Knap (algemeen referent), Dirk van de Bospoort (referent ‘Land en Volk’), J.A. van Kersbergen (literair referent) en Wybrands Marcussen (referent voor actuele uitzendingen).

 

Hilversum I werd bestemd ‘voor de opbouw naar buiten’, hetgeen betekende dat op die zender programma’s werden uitgezonden met een specifiek Europese of Germaanse inhoud.

 

Hilversum II was meer bedoeld ‘voor de opbouw naar binnen’, daar werden alle programma’s ondergebracht die specifiek Nederlands waren en waarbij de propaganda voor de NSB een grote rol speelde.

 

Deze reorganisatie kwam niet uit de lucht vallen. Zij viel nauw samen met de oorlogstoestand van dat moment. Van den Toorn heeft in navolging van G. Hoffmann aangetoond welke drie fasen de vorm en mate van propaganda waren te onderscheiden. De eerste fase (mei 1940-midden 1941) kenmerkte zich door voorzichtige benadering van de bezetter, door Van den Toorn de fase der beloften genoemd. De verbroedering tussen de beide Germaanse broedervolken vormde het speerpunt: foto’s van verbroedering tussen Nederlandse en Duitse soldaten werden gepubliceerd en Seyss-Inquart ging er in zijn installatierede van uit dat de samenwerking tussen Duitsers en Nederlanders geen problemen zou opleveren. Grote aandacht kreeg het slecht functionerende democratische stelsel van voor de oorlog. Het doel was de Nederlandse bevolking te laten zien hoe goed de Duitsers hun zaakjes voor elkaar hadden.

 

De tweede fase (medio 1941-eind 1942) kende een verscherping van de propaganda. Fel werd uitgehaald naar de communisten, die na de aanval op de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 van bondgenoten gebombardeerd werden tot het grootste gevaar dat Duitsland en dus Europa bedreigde. Daarnaast werd het vizier van de propaganda na de Februaristaking steeds meer gericht op de joden. Er was sprake van een openlijk antisemitisme in de media.

 

De derde fase begon met de val van Stalingrad (begin 1943) en liep tot het einde van de oorlog. Hoe verder de oorlog vorderde, des te meer nam de propaganda de vorm van terreur aan. Vooral na de invasie in Normandië en de spoorwegstaking werd de schuld voor de slechte voedselvoorziening in de schoenen van de geallieerden en de regering in Londen geschoven.

 

Viel de oprichting van de NO samen met de overgang van de eerste naar de tweede fase van propagandavoering, de reorganisatie van de omroep in de winter van 1942 kwam overeen met de overgang van de tweede naar de derde fase.

 

Ook binnen de NO veranderde bij de reorganisatie het een en ander. De afdeling Ontwikkeling en Voorlichting werd opgeheven en viel voortaan onder de nieuwe afdeling Dramaturgie onder leiding van Henri van Hoof en na een onderverdeling in verschillende dramaturgieafdelingen midden 1943 onder dr. W. Jansen. Achterliggende bedoeling van deze maatregelen was dat er nog meer dan voorheen ‘ingebroken’ kon worden op momenten en met onderwerpen die volgens de nationaalsocialistische leiding van de NO op dat moment opportuun waren.

 

Ondanks deze reorganisatie vonden de Duitsers in de loop van 1943 dat beide zenders als propaganda-instrument voor hen van weinig waarde waren. In mei en juni 1943 werden drie maatregelen genomen die in feite de doodsteek voor de NO betekenden:

Op 11 mei werden alle radiotoestellen verbeurd verklaard. Vanaf 1 juni viel Hilversum II rechtstreeks onder de RRG en werd dus in feite losgeweekt van de NO. De Luistergids zou vanaf 1 juli wegens papierschaarste niet meer verschijnen.

 

Herweijer probeerde deze maatregelen door een veranderde programmering nog op te vangen. Hij ontwierp een systeem dat enigszins vergelijkbaar was met de nieuwe zenderindeling die de publieke omroepen vanaf 1 september 2006 en de commerciële omroepen al veel langer toepasten. Elke avond kreeg zijn eigen specifieke karakter, zodat de luisteraars wisten wat voor soort programma’s wanneer werd uitgezonden.

 

Het weekprogramma kwam er in grote lijnen als volgt uit te zien:

  • Zondag vocaal-dramatische kunst
  • Maandag ‘ernstige’ kunst: programma’s met muziek of gesproken woord
  • Dinsdag bonte programma’s: revues, bonte avonden
  • Woensdag lichte muziek
  • Donderdag ‘ernstige’ kunst: programma’s met muziek of gesproken woord
  • Vrijdag programma’s over het volksleven
  • Zaterdag amusementsmuziek en cabaret.

 

De programmering in de jaren 1941-1943 kende weinig schommelingen: 45% van de zendtijd werd besteed aan lichte muziek, cabaret en bonte programma’s; 28% aan ernstige muziek, 18% aan gesproken woord. Nieuwsuitzendingen en commentaren op het nieuws maakten 9% van de programmering uit. Na Dolle Dinsdag hield de NO in feite op te bestaan.

 

Cultuur en politiek waren de belangrijkste pijlers van het radiobestel. De NO stond voor de opgave die twee met elkaar te combineren en te overgieten met een nationaalsocialistische saus. De omroeporganisaties hadden voor de oorlog hun propagandistische boodschap in hun programmering verweven met elementen uit de amusementsindustrie in de hoop de luisteraars te kluisteren aan de zuil. Omdat deze strategie in de jaren dertig zijn vruchten had afgeworpen, nam de NO deze over. Cabaret, luisterspelen en causerietjes waren daarom de meest geschikte verpakkingsvormen voor het verspreiden van het nationaalsocialistische ideeëngoed.

 

 

Omslag Luistergids 15 januari 1943.

Omslag Luistergids 15 januari 1943.

 

 

Vermenigvuldiging of verspreiding van de hele of gedeeltelijke inhoud van deze pagina, is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet toegestaan.
© A.P.A.M. van der Logt

 

Met dank aan Ad van der Logt.