Interviews / Een interview met Jan Borkus

Een interview met Jan Borkus

5 september 1978

 

Jan Borkus, een naam die onverbrekelijk met het begrip “hoorspel” is verbonden al decennia lang, evenals die van bijvoorbeeld Frans Somers en oer-hoorspelspeler Huib Orizand. Namen die er altijd bij waren in de afkondiging. En zoals je je een beeld vormde van de figuren in zo’n hoorspel, zo bewaar je eveneens een beeld van de hoorspelacteur zelf.

 

Eigenlijk zou je zo’n man dan ook niet moeten opzoeken. Neem Jan Borkus. De naam roept in mijn verbeelding een statige, ernstige, enigszins strenge man op, gekleed in een donker kostuum met omslagen in de broekspijpen en met een gezicht als mijn leraar Nederlands.

 

En nu zit ik op een zonovergoten balkon in een rustige stadswijk en ben ik in een uiterst genoeglijk gesprek gewikkeld met een vlotte, jong ogende en joviale Hagenaar, gestoken in moderne, spierwitte vrijetijdskleding. Weer een nostalgisch beeld naar de bliksem.

 

Hoe zit het met dat lijk? Jan Borkus lachend: “Nou bij Paul Vlaanderen werd ik altijd gebombardeerd tot slachtoffer. Ik ben heel wat keren doodgegaan. Ik hield het zelden langer dan drie afleveringen uit. Ik was het notoire lijk, haha”.

 

Een fragment uit: Paul Vlaanderen en het Margo mysterie.
Jan Borkus speelt Larry Cross.

 

 

Rode oortjes

Behalve aspirant-lijken heeft Jan Borkus, nu 58 jaar oud, zo ongeveer alles gespeeld wat er maar te spelen is op het gebied van hoorspel. Via KRO-regisseur Herbert Perquien, die hij nog kende van de toneelklas op het Haags Conservatorium, rolde hij begin 1947 het radiovak in. “Op 10 januari”, preciseert Jan Borkus, “ en mijn eerste stuk was “Als het kindje binnenkomt” van Ben Bunders.

 

Toen dat werd uitgezonden, zat de hele familie met rode oortjes om de radio. Ikzelf heb het stuk achteraf op een grammofoonplaat beluisterd. Ik hoorde voor het eerst mijn stem. Ik vond hem afschuwelijk”.

 

Via enkele cabaretprogramma’s waaronder het vermaarde “Negen heit de klok” met Jan de Cler, Alexander Pola en Nico van der Vliet, kwam hij in 1950 bij de toen vier jaar bestaande vaste hoorspelkern terecht en daar zit hij nu nog. Het enige verschil is dat de hoorspelkern toen onderdeel uitmaakte van de NRU (Nederlandse Radio Unie) en nu, na de fusie met de NTS (Nederlandse Televisie Stichting), van de NOS.

 

In het begin van de jaren vijftig bestond de hoorspelkern uit 45 man in vaste dienst. Nu zijn dat er nog maar acht. De opkomst van de televisie heeft het genre in feite platgewalst, maar uit de luistercijfers blijkt dat het zich de laatste tijd weer wat aan het oprichten is. Hoe komt dat?

 

Belangstelling

Jan Borkus: “Nou, de uitzendtijd van de hoorspelen is aangepast aan de televisie. Het heeft geen zin om een hoorspel tussen acht en elf ‘s avonds uit te zenden. Nu zijn de hoorspelen geprogrammeerd in de middaguren en ‘s avonds na elven. Maar er komt volgens mij bij, dat de belangstelling voor televisie toch wat aan het teruglopen is, wat de radio ten goede komt.

 

Ik geloof dat de mensen toch iets denken in de trant van: we zetten dat oude ding weer aan, we draaien de knop van die televisie om, we geloven het nou wel, dat gelul. Na de grote inzinking komen er ook weer steeds meer hoorspelen en daar is belangstelling voor”.

 

Het leuke van een hoorspel zit hem in de mogelijkheid je fantasie te laten gaan. Jan Borkus: “Een hoorspel is prettig omdat de luisteraar zijn eigen figuren voor zich ziet, in een eigen decor. Als je tien mensen op een rij zet en die naar hetzelfde hoorspel laat luisteren - het geeft niet welk - dan heeft ieder van de tien de volmaakte “cast” in zijn hoofd, en die is voor alle tien anders”.

 

Dat gegeven legt regisseurs beperkingen op in de keuze van de stukken. De populaire reeks detectives van Havank bijvoorbeeld, is door de wijze waarop de verschillende figuren zijn beschreven - en zijn gaan leven - in wezen uitgesloten. Toch zijn er boeken van Havank tot hoorspel bewerkt.

 

Jan Borkus: “Ik weet het. Ik heb zelfs in een van die spelen meegedaan, hoewel ik het een volstrekt heilloze onderneming vond, Ik ben een groot liefhebber van Havank, ik ken al zijn boeken. En nu moest ik ineens de Schaduw (de zeer tot de verbeelding sprekende hoofdpersoon) spelen. Nou, ik heb dat maar zo goed mogelijk geprobeerd te doen - ik heb dat Bourgondische sterk naar voren gehaald - maar eigenlijk was ik er tegen.

 

Een fragment uit: Er klopt iets niet.
Jan Borkus speelt hoofdinspecteur Charles Carlier, de Schaduw.

 

 

Jan Borkus reageert verbaasd op de vraag waarom hij het doet, waarom hij juist hoorspelacteur is. “Ja, waarom? Ik vind het leuk. Waarom beklimt een bergbeklimmer een berg? Omdat die berg er is. Hij ziet die berg en denkt: daar moet ik opklimmen. Ik denk dat hetzelfde voor mij geldt. Ik ben hoorspelacteur omdat het hoorspel er is, tja noem het een toevalstreffer, een geluksfactor. Ik rolde erin en het beviel me”.

 

Vak

“Kijk, het is een vak. Hoorspelacteur, het is een klein vak, maar het is een vak. Een toneelacteur kan het bijvoorbeeld niet zonder meer. Die wil iets met gebaren aandragen, iets over het voetlicht brengen. Als je toneelervaring hebt, wil dat nog niet zeggen dat je dit meteen kunt. Je moet je de microfoontechniek eigen maken. Het zijn twee totaal verschillende media”.

 

“En in het hoorspelvak veranderen ook dingen. Ik heb er zelf de hand in gehad, dat we steeds meer dingen, acties, in de studio zelf doen. De klassieke methode is alles wat geen stem is te laten doen. Daar heb je geluidsbanden voor. Ik vind dat onzin. Als je iets zelf kunt doen, zoals de deur sluiten, telefoon opnemen, lopen dan moet ik dat ook zelf doen. Daar ben ik heel eigenwijs in. Ja, haha. Ik ben een lastig baasje”.

 

In de reacties van luisteraars op hoorspelen is er één onderwerp dat de spelers erg dwars zit: het verwijt dat de acteurs een “hoorspeltoon” hebben. Jan Borkus: “Dat horen we wel eens ja, vooral van radio- en televisiecollega’s. Die zeggen: oh, dat is rotzooi, dat zal de hoorspelkern wel weer geweest zijn. Dat gebeurt. Ik geloof het niet. Als het zo zou zijn, betekent het dat we ons vak niet verstaan. Het is een oud zeer. Maar nogmaals, ik geloof er niets van. Ik ben het er niet mee eens”.

 

 

Provinciale Zeeuwse Courant.
5 september 1978, door Kees Tops.