Interviews: Geschreven media / Een column van Jos Brink

Een column van Jos Brink

8 juli 1978

Momenteel ploeter ik aan een twaalfdelige hoorspelserie naar het schitterende boek “De porseleinen Spiegel” van Olaf J. de Landell. De AVRO vroeg mij het te bewerken en dat is een nostalgische bezigheid. Ik ben ooit hoorspelacteur geweest en hou van radio.

 

“Wordt er nog geluisterd naar hoorspelen?” vroeg een kennis van me. Nou en of! Geen miljoenen gekluisterden meer zoals vroeger, maar toch altijd nog enige honderdduizenden en hoeveel volle zalen is dat?

 

Tegenwoordig gaan de hoorspelen in stereo, en men is technisch natuurlijk veel verder dan in mijn tijd. Hoewel ik niet meer heb meegemaakt dat regen werd nagebootst door twintig erwten in een gymnastiektrommel te laten rollen. En ook hoefgetrappel per halve kokoksnoot is van voor de oorlog.

 

Maar juist die moderne verworvenheden maken het schrijven van zo’n serie behalve ingewikkeld, ook ongemeen boeiend. Alleen dwalen mijn gedachten wel eens af.

 

Als kind was ik niet weg te slaan bij de radio als er een Paul Vlaanderen-serie ging. “U hebt geluisterd naar het zesde deel van Paul Vlaanderen en het Z mysterie. De rolverdeling was als volgt: Paul Vlaanderen, Jan van Ees. Ina, zijn vrouw, Eva Janssen... En dan die tune: Pòm, pom, pom, pom, pòm, pom. Ik hoor hem nóg.

 

En dan dat afgrijselijke spannende “Sprong in het heelal” aan de andere kant, op de KRO, na het commentaar van J.M. Peters! De andere dag, op school, het gesprek.

Zinnen als “De spelleiding had Kommer Kleijn, zijn legendarisch geworden. Gek eigenlijk, Kommer Kleijn had de spelleiding. En S. de Vries Jr. de regie. Daar was wel-degelijk verschil in! S. had ook een eigen jingeltje, toen al.

 

Toen ik mijn eerste stappen zette in de hoorspelstudio, mocht ik al die stemmen als vleesgeworden aanschouwen. Dat viel natuurlijk reuze tegen. De wettige eigenaars léken eenvoudig niet op de voorstelling die ik me van hen gemaakt had.

 

Jan van Ees bleek een wat oudere, kalende, gezette heer met ondeugende grappen en een nauwelijks te onderdrukken slaap tegen drieën. Rien van Noppen was eens streng brillende, as morsende, zeer zorgvuldig werkende ambtenaar. Maar aardig waren ze, dat wel. En de eerste aardige woorden, die een jong acteur krijgt vergeet hij nooit.

 

Wiesje Bouwmeester was een schat voor me en ik hou nog van d’r. En Wam Heskes heeft me verschrikkelijk laten lachen. (Natuurlijk op momenten dat het niet mocht!)

 

Wat een klank hebben die namen! Het zegt de de 15-jarigen van vandaag niets meer. Maar voor mij is Tine Medema Tine Medema. En Dogi Rugani! En Huib Orizand, Rolien Numan, Daan van Ollefen, Piet ten Nuyl Sr., Jo Vischer Sr.. Gròten!

 

Fé Sciarone, Paul van der Lek, Jan Borkus noem maar op. Dat was de jongere garde. Maar ze vervulden mij met een heilig ontzag. Deze mensen maakten, alleen met hun stem, zonder hulpmiddelen andere mensen. Met makkes, hun ontroering, hun verdriet, hun onzekerheid. De echt gróte dagen van het hoorspel zijn misschien nu voorbij. Maar we houden genoeg luisteraars over. En dat zijn de liefhebbers.

 

“U hebt geluisterd naar het eerste deel van "Bloesems van vuur”, een hoorspelserie in twaalf delen door Jos Brink, naar de oorspronkelijke roman van Olaf J. de Landell, onder regie van Jacques Besançon...”

 

Ik word gek als ik er aan denk. En ik hoop dat Jacques gelijk had, toen hij mij belde...

 

Een fragment uit: Bloesems van vuur.