Interviews / Een interview met Ad Löbler

Een interview met Ad Löbler

Een interview van Sjef van Rooij en René van Teylingen.
Synopsis, het laatste nummer, najaar 1988.

 

Ad Löbler begon zijn loopbaan bij de VARA op 1 mei 1960, met een feestdag. Op twee mei was er een uitstapje voor het personeel gepland. De derde en vierde mei waren een zaterdag en zondag, zodat hij pas op vijf mei echt begon.

 

"Ik ben een kok, die met de middelen die hij heeft tot een goed resultaat probeert te komen" zo luidt zijn omschrijving zichzelf te typeren. Ad Löbler ging op 62-jarige leeftijd met pensioen in 1986.

 

Mede onder druk van de omstandigheden, te weten: een strak financieel beleid, een enorme bezuinigingsdrift, die er mede toe heeft geleid, dat juist in de periode waarin hij vertrok er maandenlang geen hoorspel is uitgezonden.

 

Hij zet zichzelf niet graag in de schijnwerpers. Naar onze mening is Löbler een zeer ondergewaardeerd persoon. Een keihard werker, dat is ons wel duidelijk gebleken, in de jaren dat wij contact met hem hadden. Een man, die werkelijk altijd voor ons klaar stond.

 

Jarenlang realiseerde hij een productie van ruim vijftig hoorspelen per jaar, iets wat bij de meeste andere omroepen vrijwel niet voorkwam. Een prestatie te meer als je bedenkt, dat hij er, sedert het vertrek van Jan C. Hubert, helemaal alleen voor heeft gestaan. De man moet wel bezeten zijn van z'n werk. Wat betekent hoorspel voor hem? "Veel, maar niet alles."

 

Heb je een boosschap met je stukken?

Ach dat klikt zo beladen. Ik vind wel dat het ergens over moet gaan. Dat hoeft geenszins altijd serieus te zijn: we hebben ook lichtere stukken gebracht. Maar het is inderdaad zo, dat ik vind dat de stukken die door de VARA worden uitgebracht niet vrijblijvend mogen zijn.

 

Zijn er stukken waarin de techniek een belangrijke rol speelde?

 

Het allerleukste voorbeeld betreft naar mijn idee, het spel "Het duistere proces van meneer Menard" van de Fransman René de Dobalia. Een tiental jaren geleden heeft de EBU (Europese Radio Unie) een bijeenkomst gehouden in Hilversum, waarbij allerlei functionarissen uit het Europese hoorspelwezen bij elkaar kwamen. Als thema werd toen de technische mogelijkheden van het hoorspel gevoerd.

 

Alle deelnemende landen maakten het het genoemde hoorspel, ieder op zijn eigen wijze. Dat stuk bevatte alles wat er maar aan technische mogelijkheden en foefjes is uit te halen. Ik maakte toe het stuk voor Nederland. Ik heb daar heel lang aan gewerkt, samen met met super-technici: Beer Gertenbach en Ton Prudon en alle acteurs uit de hoorspelkern. En of het beleefdheid was tegenover de gastheer, of dat mijn product werkelijk in de smaak viel, met gepaste trots kan ik zeggen dat alleen mijn product integraal werd uitgezonden.

 

Een fragment uit: Het duistere proces van meneer Menard.

 

 

Vaak kun je putten uit de voorraad met geluidseffecten, maar we hadden bijvoorbeeld in de serie "De broeders van goede diensten" van Dick Walda, een scène waarin zwermen vogels in de aanval gaan. Een gigantische massascène. Dan ben je echt aangewezen op goede technici, die gelukkig altijd voor handen zijn.

 

Hoe doet het Nederlandse hoorspel het in het buitenland?

Niet echt goed. Men is in het buitenland slecht op de hoogte van het aanbod in Nederland. De taal is natuurlijk een belangrijke barrière. Promotie, bijvoorbeeld door het aanbieden van naar het Engels vertaalde stukken, kost nu eenmaal geld, en geld is het grote probleem in Nederland: geld, geld, geld. We hebben het gewoon niet.

 

Welke invloed hebben de luistercijfers?

"Natuurlijk zijn die van belang, alleen al omdat je er vanuit het bedrijf op wordt aangesproken. Luistercijfers zijn wapens die vaak tegen ons worden gebruikt, als er op het budget moet worden gekrompen, of als het om het vaststellen van de personeelsgrootte gaat. Anderzijds is het van geen enkel belang, omdat een programma vaak enkele personen maar echt iets zegt, terwijl de andere duizend het voor kennisgeving aannemen.

 

Het is wel zo, dat het hoorspelpubliek een zeer gemotiveerd publiek is. Een platenprogramma kan door vijfhonderdduizend mensen worden gehoord, maar misschien slechts door een tiende deel worden beluisterd. Het zogeheten "geluids-behang"-effect.

 

Maar mensen die op een hoorspel af stemmen, doen dat ook echt om te luisteren. Een hoorspel kun je immers niet als achtergrond aanzetten. S. de Vries jr. leek heel hovaardig toen die zei: "Ik maak een hoorspel voor die ene". Maar hij bedoelde dat elke luisteraar een individu is. En dat individu luistert, je kunt niet zeggen: Ik heb honderdduizend luisteraars gehad en daarmee heb ik honderdduizend luisteraars iets gezegd. Ieder neemt dat individueel waar.

 

Heb je weleens hoorspelen met publiek opgenomen?

Ik heb één keer in een schouwburg in Arnhem een toneelstuk opgenomen met publiek: "Buren". Meer stukken met publiek heb ik niet gemaakt.

 

Heb je weleens op locaties gewerkt?

Weinig. We hebben wel stukken buiten opgenomen, omdat ze moeilijk in de studio waren op te nemen. Zo heb ik een keer een stuk ("Uit het leven van een autorijschoolhouder" van Dick Walda) opgenomen in een auto, omdat de geluiden die in dat stuk zaten, niet goed in een studio waren te realiseren. We zijn toen met mijn auto gaan toeren in een rustig gedeelte van Hilversum. De acteurs achterin, de technicus naast me met de bandrecorder, en ik maakte waar de tekst dat vroeg, op het juiste moment de nodige schakelfouten en dergelijke. Dat was erg leuk om te doen. Maar echt op locatie in gebouwen hoorspelen gemaakt, heb ik nooit.

 

Wat voor regisseur ben je?

Ik denk dat ik een hele soepele regisseur ben, dat ik vooral de mogelijkheden van de mensen met wie ik werk zo goed mogelijk tot hun recht probeer te doen komen. Dat ik geen strakke regisseur ben die zegt: "zo en zo met het gebeuren", maar dat als ik als een kok met de middelen waarmee ik werk een zo goed mogelijk resultaat probeer te maken.

 

We kennen nu de samenwerkingsverbanden tussen de omroepen, onder andere de CIRAD en de Hoorspelwerkshop. Hoe lag dat in de jaren zestig?

Er is altijd samenwerking geweest tussen de omroepen, alleen al omdat de verschillende regisseurs met elkaar moesten beslissen of de contracten met de acteurs uit de hoorspelkern zouden worden gecontinueerd, of dat uitbreiding moet plaatsvinden. Daarnaast ontmoetten we elkaar regelmatig en beluisterden elkaars werk. Daar kon je profijt van hebben als je bijvoorbeeld een bepaald acteur voor een rol zocht, die al bij een collega had gespeeld.

 

Stond elke omroep een eigen genre voor?

Ja, dat gebeurde al vrij snel. De verzuiling in dit land werd min of meer geïllustreerd door de keuze van de stukken van elke omroep. De AVRO had de meer algemene stukken, ontspannende hoorspelen. De KRO en NCRV hadden de meer levensbeschouwelijke hoorspelen en de VARA zocht het in de maatschappij-kritische sociaal-dramatische stukken. Ook de VPRO bracht spelen uit: dat betrof overwegend het meer literaire genre.

 

De jaren zeventig...

Die jaren worden gekenmerkt door de ontwikkeling van de Nederlandse ateurs. Een naam die je toen voor het eerst hoorde was die van Dick Walda. Hij had een aantal sprookjes geschreven en vroeg of die voor de radio konden worden voorgedragen. Ik heb hem toen geschreven, dat dat niet ging, maar dat we vooral om hoorspelen verlegen zaten. Daarop schreef hij het stuk "Vrij van helm", dat ook werd uitgezonden.

 

En dat was het begin van een lange en goede samenwerking. Hij heeft ongeveer dezelfde instelling van de maatschappij als ik. Veel onderwerpen heeft hij zelf aangedragen, maar ook heb ik vaak gevraagd of hij een spel kon schrijven over een bepaald onderwerp, of thematiek.

 

Andere auteurs uit die tijd waren Frank Herzen en Anton Quintana. Van deze laatste is natuurlijk "Moordbrigade Stockholm" erg bekend geworden. Het was een gigantische klus om die serie te maken: ruim negen maanden hebben we daar aan gewerkt. Daardoor groeide er ook een speciale band tussen de medewerkers onderling, hetgeen enorm bevorderlijk was voor de echtheid van het spel. Een probleem bij deze serie was onder andere dat Quintana z'n stukken soms niet op tijd klaar had. Zo kon het gebeuren dat het spel werd uitgetikt en twee dagen later al werd opgenomen. Het was een erg fijne serie om te maken, met een glansrol van Jan Borkus als hoofdinspecteur Martin Beck.

 

Een fragment uit: Moordbrigade Stockholm.

 

 

Verder heb van Theun de Vries een aantal stukken gemaakt, onder andere "Stiefmoeder Aarde" in zestien delen, een stuk dat erg goed aansloot bij de principes van de VARA. Net als Moordbrigade Stockholm een enorme klus, maar erg fijn om te doen.

 

Hoe ziet een werkweek eruit, naast het regisseren in de studio?

Je leest natuurlijk veel stukken, daarnaast verzorg je de hele correspondentie daaromheen. Je bespreekt met het Hoorspelbureau wat je wilt gaan uitvoeren en welke acteurs je daarvoor nodig hebt. Zij kijken in welke weken er studioruimte beschikbaar is. Zo mogelijke, maar niet altijd, kun je vragen welke technici er beschikbaar zijn. De betaling van de acteurs wordt door het hoorspelbureau geregeld. Ik stel alleen de contracten op voor de acteur, maar dat is niet veel werk.

 

Hoe is de betaling geregeld?

Als we een stuk van een auteur willen uitzenden, dan betalen we de auteur en het uitzendrecht.

 

Met de vereniging van letterkundigen hebben de omroepen afspraken gemaakt inzake de tarifering, die aan minima en maxima is gebonden. Per vijf minuten geldt een bepaalt bedrag, met een bovengrens en een ondergrens.

 

Het uitzendrecht is een bedrag dat we betalen om stuk te mogen uitzenden. De technici en inspiciënten worden door de NOS betaald. Daarnaast is er een zogenaamde gastenpot, een budget dat door de regeringscommissaris aan de omroepen wordt toegekend, en wat beheerd wordt door het Hoorspelbureau. Daarbij geldt ook weer een bepaalde tarifering: voor een kleine rol wordt zoveel betaald, voor een grote rol zoveel, enzovoort.

 

Muziek in het hoorspel?

Speciaal voor een hoorspel geschreven muziek is erg kostbaar. Je moet het laten componeren en uitvoeren en dat kost handenvol geld, maar ik heb het in het verleden wel toegepast.

 

Bijvoorbeeld bij de serie "Stiefmoeder Aarde" van Theun de Vries. Een apart hoofdstuk wordt gevormd door muzikanten die een bestaand stuk muziek in een hoorspel spelen.

 

Zo had Ger Verrips het stuk "Een vrouw alleen" geschreven, over een vrouw die pianist had willen worden maar nooit geworden is. In dat stuk werd tekst geïllustreerd met stukken muziek, gespeeld door niemand minder dan Youri Egorov. Hij was toen pas uit Rusland naar Nederland uitgeweken en had op dat ogenblik niets te doen. Hans Kerkhof van de muziekafdeling attendeerde mij op dat feit en zei dat Egorov graag wilde meewerken. In dat stuk moest hij bepaalde stukken spelen en daarbij af en toe fouten maken en onderbreken. Maar hij speelde zo mooi, zo prachtig, dat we niet in durfden te grijpen, en de stukken eigenlijk te lang werden.

 

Een fragment uit: Een vrouw alleen.

 

 

Een ander spel waarin we muzikanten lieten opdraven was de serie "Overwintering op Nova Zembla", waarin op oude instrumenten werd gespeeld.

 

Had je steeds een bepaalde groep acteurs waar je mee werkte?

Ja. Ik heb met een betrekkelijk kleine groep acteurs gewerkt. Zeer ervaren mensen. Met die mensen raak je zo bekend, zo vertrouwd, dat je ook dingen durft te verlangen die met een onbekende veel moeilijker te realiseren zijn. Het hoorspel is een vluchtig gebeuren, een stuk moet snel worden opgenomen: je hebt nu eenmaal niet weken de tijd om een stuk of een rol op te bouwen. Ik heb een hoog tempo van werken, en heb dus behoefte aan acteurs die erg ervaren zijn en volledig vertrouwd zijn met het hoorspel. Natuurlijk heb ik wel acteurs van het toneel gebruikt, als ik een bepaalde stem voor een bepaalde rol zocht. Zo heb ik eens gewerkt met Guus Hermus. Dat was een echte toneel-acteur, die eigenlijk alleen gewend was in schouwburgen te spelen, met nogal wijdse gebaren en harde stem.

 

Hoorspelen buiten het officiële circuit.

Ik geloof dat die ontwikkeling gaat komen: hoorspelen die buiten de radio om worden gedistribueerd. In Duitsland en Amerika bestaat het al. Mogelijk kunnen ook hoorspelen worden gerealiseerd in particuliere studio's. Daar moet je dan professionele acteurs bij gebruiken, want de kwaliteit moet niet minder zijn dan die bij de omroepen. Er zijn veel amateurs met het hoorspel bezig, wellicht kan dat gestructureerd worden. Mogelijk kan dat van belang zijn voor besloten circuits zoals ziekenhuizen en bejaardentehuizen. Van belang is dat er een goede dramaturgie aanwezig is, die met name de schrijvers - want die zijn van groot belang - begeleiden. Ikzelf zou niet graag onder de kwaliteit van Hilversum willen werken.

 

Bezuinigingen.

De laatste jaren zijn we gewend geraakt aan bezuinigingen, maar plotseling bleek, dat we er slechter voor stonden dan we dachten. Daardoor moesten noodmaatregelen worden genomen, en kon niet echt beleidsmatig worden ingegrepen. Als je tijdig weet wat er boven je hoofd hangt, dan kun je daar rekening mee houden. Dan kun je met de weliswaar beperkte mogelijkheden toch je programmering redelijk opzetten. Dat kon niet meer, hetgeen met name voor het publiek slecht te begrijpen valt, maar het is niet anders. Als gevolg daarvan heer de VARA acht maanden lang geen hoorspelen kunnen uitzenden.

 

Andere regisseurs.

Toen ik begon waren we met vier man: Willem van Capellen, S. de Vries jr., Jan C. Hubert en ikzelf. Langzamerhand ging er steeds een regisseur weg. Toen Jan. C. Hubert langdurig ziek werd, zijn we er toe overgegaan om ook nu en dan gastregisseurs toe te passen: Hein Boele, heeft onder andere spelen voor ons geregisseerd, Later heb ik bijvoorbeeld ook Barry Bermange zijn eigen stukken laten regisseren, maar dat was meer om artistieke redenen.

 

De toekomst.

De leiding van het hoorspelwerk is voorlopig overgenomen door Ries Moonen. Er is tevens voor 1987 een budget, vastgesteld, waardoor een gedeelte van mijn stukken - ik heb namelijk nog vrij veel stukken op de "plank" liggen - ook kan worden uitgezonden.

 

Of er geld komt om nieuwe producties te maken, en wie dat zou moeten gaan doen, daarover kan ik op dit moment geen zinnig woord zeggen.

 

Wat betekent het hoorspel voor je?

Veel maar niet alles. Je moet zo nu en dan weleens afstand kunnen nemen daar heb ik geen moeite mee. Ik kan gemakkelijk relativeren. Ik heb het hoorspelwerk altijd met veel plezier gedaan, maar nu ik met pensioen ga, is het niet zo dat ik niets meer te doen heb. Ik heb voldoende hobby's om me te vermaken. En natuurlijk blijf ik af en toe binnen wandelen bij de VARA, want het is belangrijk dat er op wordt toegezien dat het hoorspel weer goed ter hand wordt genomen, door mensen die net als ik erg betrokken zijn bij het hoorspel.

 

 

Een interview van Sjef van Rooij en René van Teylingen.
Bewerking: René van Teylingen.
Synopsis, het laatste nummer, najaar 1988.

 

Vermenigvuldiging of verspreiding van de hele of gedeeltelijke inhoud van deze pagina, is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet toegestaan.
© Synopsis