Interviews: Geschreven media / Een interview met Dick de Vree

Een interview met Dick de Vree

Cor Wijbenga sprak met Dick de Vree
KRO Studio 17 november 1984

 

Al voor het zevende jaar reconstrueert Dick de Vree wekelijks voor de KRO-radio een grote misdaadzaak uit binnen- of buitenland. Onlangs verscheen er zelfs een boek met een groot aantal misdaadverhalen. Dinsdagmiddag kunt u de 250ste misdaadreconstructie horen (Hilversum 2, 15.00 uur).

 

Voordat Dick de Vree (61) bij de KRO kwam als verslaggever werkte hij tien jaar bij de politie in Tilburg. Eerst in de uniformdienst, later als rechercheur. De laatste jaren van zijn carrière houdt De Vree zich weer volop met de misdaad bezig. Maar nu als programmamaker en auteur. De cirkel is gesloten.

 

Zijn eerste radioreportages doen hem achteraf denken aan een procesverbaal. "In het begin sprak ik erg afstandelijk," zegt hij. "Afstandelijk. Er zat niets vriendelijks in."

 

Zo van alles wat u zegt kan tegen u gebruikt worden?

 

"Ja, zoiets en de manier van ondervragen. Ik noem maar voor een voorbeeld. Als je toen tegen me gezegd had: "Ik was gisteren nog in Haarlem", dan zou ik onmiddellijk hebben gevraagd "Waar?" En dat was niet wantrouwend, maar een aangeleerde gewoonte uit de politietijd.

 

Toch denk ik dat je als rechercheur heel goed in staat was om kortstondige vertrouwelijke contacten te leggen.

"O ja hoor. Dat was nier zo moeilijk. Maar ook daar waren foefjes voor. Kijk, als jij verdachte bent en je hebt de zaak op een liederlijke manier besodemieterd, dan zeg ik tegen jou: "Ga zitten Cor, dan gaan wij eens even een beetje praten." (Zijn stem buigt en wordt zachter, hij kijkt me vertrouwelijk aan.) "Hoe kan dat nou, hoe kon dit gebeuren?" Enfin, jij geeft niet veel krimp, maar langzamerhand komen er toch wel wat bewijsjes op tafel. En als ik in de gaten heb dat jij daar vatbaar voor bent - en dat is niet zo moeilijk om in de gaten te krijgen - dan zou ik zeker tegen je zeggen: "Moet je eens luisteren, wat vindt je moeder daar nou van?" Dat is nou een van die foefjes.

 

Als jongen had De Vree eigenlijk priester willen worden of naar de toneelschool, maar daarvan was zijn vader, die treinmachinist was, niet gecharmeerd. Hij probeerde zijn zoon maar de geheide vaste baan te sturen, de overheidsdienst, het uniform. "Ik ben uitermate streng opgevoed. Daar krijg je toch iets van mee. Ik had op een gegeven moment een soort instelling van "De orde handhaven", wat mij zo geweldig was bijgebracht in het gezin."

 

Achteraf vindt hij dat politiemensen niet worden geboren. Dick de Vree stompte af bij de politie. Hij constateerde bij zichzelf dat wat hij eerder als gruwelijk en zeer afwijkend had beschouwd langzamerhand bijna zag als "normaal menselijk". "Er ware excessen waar ik niet tegen kon. De gewelddadige dood van kleine kinderen. Dat bleef op het netvlies zitten. Daarvan ben ik af en toe thuisgekomen en heb tegen mijn vrouw gezegd: "Niks zeggen. ik hoef niets te hebben, laat mij nou maar." En dat duurde dan twee dagen.

 

Zeg je nou dat je niet hard genoeg was?

"Ja, in bepaalde opzichten niet. Je leert de foefjes van de zelfverdediging en het pantsertje. Je leert je niet te vereenzelvigen met alle ellende die je tegenkomt. Maar toch had ik niet de goede mentaliteit. Zoals een arts. Je werk en datgene wat je erin in meemaakt volkomen losmaken van je privé-leven. Met al mijn zelfdiscipline en bepantsering kon ik er niet tegenop. Later in de verslaggeverij kon je bij hele trieste omstandigheden je gevoelens wel laten blijken".

 

Wat vond je vader daarvan?

"Mijn vader vond het verschrikkelijk dat ik bij de politie wegging. Heel erg vond ie het. Het was een vrij rechtlijnige, simpele man. Ik heb het diepste respect voor hem. Ook zo'n man die z'n gevoelens niet tot uiting liet komen. De appel valt niet ver van de boom, in dit opzicht. Ik heb hem maar één keer in mijn leven zien huilen. En dat heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt".

 

Wat trekt je nu als programmamaker en auteur nog zo in de fatale, foute stappen van je medemens?

"Dat is het boeiende in afwijkingen. Naarmate je er meer van weet ga je je er voor meer interesseren. Gaande weg ben ik tot de conclusie gekomen dat er eigenlijk nauwelijks of geen echt slechte mensen zijn. Er zal er eens één tussendoor lopen.

 

Het boeiende is om in het leven te duiken van iemand, te bekijken hoe een afwijking is ontstaan. Het boeiende is om te ontdekken dat er vreemde kronkels zijn in een mensenleven, die dan toevallig leiden tot een doodslag, tot een moord of tot zware mishandeling, of zo. Die zijn dan vaak terug te voeren tot een stuk jeugd, omstandigheden, armoe en al die dingen meer. Dat is een kant. De andere kant is het groot respect dat ik heb voor het politie- en deskundigenwerk".

 

Nou mag Dick de Vree dan wel vinden dat er geen echt slechte mensen bestaan; toch houdt hij al vanaf zijn politietijd zorgvuldig een lijstje bij van tien mensen die hij gaarne zou willen vermoorden. Een soort macaber privé-genoegen, noemt hij dat. Als er iemand van dat lijstje dood gaat, dan wordt er een nieuwe naam aan toegevoegd. Niet dezelfde dag, er wordt behoorlijk over nagedacht en er is geen wachtlijst. Hoger beroep is niet mogelijk. De lijst is onverbiddelijk. Al verbetert iemand zijn leven, hij gaat er niet meer af.

 

In het meer dan dertigjarig bestaan van het lijstje hebben er in totaal, schat Dick de Vree zo'n veertig tot honderd namen op gestaan. Namen werden nimmer onthuld en dat zal ook nooit gebeuren.

 

"Er staan twee soorten mensen op." legt De Vree uit. "Mensen die ik persoonlijk ken en mensen die ik niet persoonlijk ken. Het zijn allemaal mensen waar ik persoonlijk een grote hekel aan heb. Maar het feit dat ik er een hekel aan heb maakt niet dat die mensen slecht zijn." We moeten er vooral niet te lang en te diep op doorgaan, vindt De Vree. Het is een gegroeide bezigheid, redelijk onschuldig. "En waarom zou ik ermee stoppen?"

 

Zit je nou toch stilletjes zo een beetje de orde te handhaven?

Hij lacht. "Nee hoor, hoogstens de orde handhaven in mijn eigen achterhoofd".