Home / Antigone

Antigone

Versie van de KRO.

Antigone wil hoe dan ook haar dode broer begraven, al is het de koning zelf die het haar verbiedt. Zij stelt de wetten van de goden hoger dan de decreten van een heerser. Hoewel ze weet dat haar ongehoorzaamheid haar het leven kan kosten, volgt ze haar geweten en probeert ze haar broer een waardige begrafenis te geven.

Voor Creon geldt geen enkele verzachtende omstandigheid. Voor hem gaat het staatsbelang voor alles en hij houdt, tegen beter weten in, vast aan zijn principes. Wie de staat genegen is, is zijn vriend; wie dat niet is, is zijn vijand. Antigones broer vocht tegen de stad, dus moet hij gestraft worden.

Voor deze wet moet alles buigen, zelfs de oeroude wetten van de goden. Dat zijn onbuigzaamheid onvermijdelijk tot godslastering leidt, kan hem niet vermurwen. Dat kunnen de goden onder geen beding toestaan. Ze slaan erg hard terug. Gewaarschuwd door de ziener Tiresias komt Creon uiteindelijk op zijn besluit terug, maar hoe hij zich ook rept om de begrafenis toch nog te laten doorgaan en Antigone uit haar kerker te bevrijden, hij komt te laat.

Antigone is dood en zijn zoon Haemon, verloofd met Antigone, berooft zich van het leven. Als zijn vrouw Eurydice dat hoort, slaat ook zij de hand aan zichzelf, nadat ze eerst haar man om de moord op haar zoon heeft vervloekt. Creon stort in elkaar bij zoveel leed en zucht: "Ik kan niet meer!" Hij heeft de goden getart door hen een dode te ontfutselen en hun wraak is onverbiddelijk.

Rolverdeling.

Diane Lensink Antigone
Sacha Bulthuis Ismene
Rudi Van Vlaenderen Creon
Rob Fruithof Haemon
Fé Sciarone Eurydice
Eric van Ingen Tiresias
Wim Kouwenhoven koor van Thebanen
Bert Dijkstra koor van Thebanen
Kees Broos soldaat
René van Asten bode

Aanvullende gegevens.

Auteur: Sophocles
Vertaling: Pé Hawinkels
Regie: Louis Houët
Omroep: KRO
Uitzending: 11-11-1980
Speelduur: 75 minuten
Categorie: Klassiek drama
Herhaling in twee delen op : 18-07-en 25-07-1992
Alternatieve productie: De versie van de AVRO.

De bron van deze productie.

Antigone, 441 jaar voor onze tijdrekening.

Hoorspel.

Beluister de twee delen en lees eventueel het script mee.

Deel 1

Deel 2

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Deel 1 van de heruitzending op zaterdag 18 juli 1992.

(Voor het Koninklijk Paleis te Thebe - Proloog, verzen 1-99)

Antigone: Ismene, mijn bloedeigen zus, voor zover jij de nasleep kent van de slag die Oedipus heeft getroffen, heeft Zeus ons tweeën in ons leven soms ooit iets bespaard? Verdriet of verschrikking, schande of vernederingen? Op dat gebied ken ik niets dat wij niet hebben meegemaakt. Ook nu weer, want welk bevel is er zo-even van de hoogste instanties uitgegaan naar heel de bevolking van de stad? Heb je erover horen spreken? Of ben je onbekend met de vernedering die wie je lief zijn bedreigt alsof je ze zou haten?

Ismene: Die mij lief zijn... Antigone, mij heeft over hen geen enkel bericht bereikt, niet positief en ook niet negatief, sinds wij onze beide broers moeten missen die op de dag van gisteren door wederzijdse doodslag omgekomen zijn. Het leger uit Argos is afgelopen nacht vertrokken. Sinds dat moment is mij niets nieuws bekend, niets wat mijn verdriet had kunnen verlichten of verergeren.

Antigone: Dat wist ik wel en daarom heb ik je ook mee naar buiten genomen. Hier hoort niemand mij dan jij alleen.

Ismene: Wat is er dan? Zo te zien kost het je moeite mij te zeggen wat jou dwarszit.

Antigone: De begrafenis van onze beide broers! Kreon overlaadt de een met eerbewijzen en de ander met postume beledigingen. Ze hebben me verteld dat hij Eteokles zoals het hoort, zoals de ongeschreven wet dat voorschrijft, ter aarde heeft besteld. Hij staat daar bij de doden hoog in aanzien. Maar Polyneikes, die aan de verkeerde kant stond toen hij sneuvelde... Kreon moet officieel hebben laten afkondigen dat niemand hem aan het graf mag toevertrouwen of om 'm rouwen. Hij moet doodgezwegen worden, onbegraven blijven, een welkome prooi voor de vogels die het oog op deze kostelijke traktatie laten vallen. Tot zoiets, zeggen ze, heeft Kreon in de goedheid van zijn hart jou en mij - ook mij, zeg ik - willen verplichten. Hij zou zelfs hierheen op weg zijn om het iedereen die het nog niet weet duidelijk in te prenten. Hij moet het hoog opnemen, want als iemand toch doet wat hij verboden heeft, dan zal die in het openbaar gestenigd worden. Je weet dus nu waar je aan toe bent. Nu zul je spoedig kunnen laten zien of je uit het goede hout gesneden bent, dan wel een ontaard kind van ouders op wie je trots kunt zijn.

Ismene: Arme, arme zus van mij... Wat kan ik, als de zaken zo staan, nog doen? Ik kan er niets aan veranderen, niet direct, ook niet indirect.

Antigone: Wil je niet meewerken? Denk toch na!

Ismene: Meewerken? Aan wat voor waagstuk dan?

Antigone: Of je de helpende hand wilt toesteken als ik z'n lot verlichten wil?

Ismene: Je wilt 'm begraven ondanks een officieel verbod?

Antigone: Mijn broer, ja! De jouwe trouwens ook, of je wilt of niet. Niemand zal van mij ooit kunnen zeggen dat ik mijn plicht niet kende.

Ismene: Heb jij je verstand verloren? En het uitdrukkelijk verbod van Kreon dan?

Antigone: Dit is de laatste keer geweest dat hij zich in mijn persoonlijke aangelegenheden gemengd heeft.

Ismene: O nee! Ben jij soms vergeten, zus, hoe vader aan z'n eind gekomen is, verafschuwd en veracht, nadat hij zelf z'n eigen wandaden aan het licht gebracht had en zich met z'n eigen hand beide ogen uitgestoken? Hoe z'n moeder, of z'n echtgenote - dat zijn twee namen voor dezelfde vrouw - daarna het leven liet in een zelf geknoopte strop? Hoe, ten derde, die twee broers van ons gisteren nog elkaar vermoordden, elkaar wederzijds de dood aandeden in een gruwelijk handgemeen? Alleen wij twee zijn nog over en als we nu de autoriteit van de dictator gaan aantasten door zijn verordening te overtreden, zoals jij voorstelt... Zie je niet dat zoiets ons einde zou betekenen? Met ons zou het nog slechter aflopen dan met hen. Vergeet niet dat we vrouwen zijn en dus niet al te best in staat ons tegen mannen te verzetten. Tenslotte zijn we in de macht van de sterksten en hebben we ons niet alleen hierin te schikken, maar zelfs in nog onmenselijker bevelen. Ik zou dan ook de gestorvene om begrip willen verzoeken, nu ik op dit punt gedwongen wordt voor overmacht te buigen. Het heeft namelijk geen enkele zin om meer te willen dan je kunt.

Antigone: Ik doe geen moeite meer. Al zou je alsnog willen meedoen, dan zou ik er toch niet meer voor te vinden zijn. Je kunt ervan denken wat je wilt, ik ga 'm begraven. 't Zal me een voorrecht zijn om bij een dergelijke bezigheid het leven te verliezen. In dat geval kom ik in wederzijdse genegenheid naast 'm te liggen, als straf voor mijn integriteit. Per slot moet ik daar beneden langer in de smaak vallen dan hier. Als ik daar eenmaal lig, is het voorgoed. Maar jij kunt als je wilt je schouders ophalen voor dingen die de goden hoog in ere houden.

Ismene: Ik haal nergens mijn schouders voor op, maar ik ben nou eenmaal niet de aangewezen persoon om tegen officiële verordeningen in te gaan.

Antigone: Als voorwendsel niet slecht. Ik ga erop uit, een grafheuvel opwerpen voor mijn geliefde broer.

Ismene: Arme lieveling... Ik ben zo bang voor jou.

Antigone: Maak je om mij geen zorgen, denk liever om jezelf.

Ismene: Pas in elk geval op dat niemand te weten komt wat je van plan bent. Zwijg erover, dat zal ik ook doen.

Antigone: Helemaal niet! Praat er wel over. Ik zal je nog meer verafschuwen als je 't niet van de daken schreeuwt!

Ismene: Wat loop jij warm voor zoiets kils...

Antigone: Ik bewijs in elk geval een gunst aan wie ik dat het meest verschuldigd ben.

Ismene: Als het lukt. Maar wat jij wilt, is onmogelijk.

Antigone: Als mijn krachten mij in de steek laten, zie ik ervan af, maar eerder niet.

Ismene: Aan iets onmogelijks moet je helemaal niet beginnen.

Antigone: Als je zo praat, ga ik je nog haten. Dan zal de overledene je haten, met recht. Probeer niet mij in al m'n onbezonnenheid van mijn tragische bestemming af te houden. Wat mij ook overkomen mag, eerloos sterven zal ik nooit.

Ismene: Als je d'r zo over denkt, dan moet je gaan... Je doet er niet verstandig aan, weet dat wel, maar je dierbaren ben je d'r niet minder dierbaar om.

(Parodos, verzen 100-162. Het Koor brengt een ode waarin de recente victorie van het Thebaanse leger wordt geprezen.)

Thebaan 1: Zonsopgang... Schitterend licht sinds lang dat Thebes zeven poorten kwam omzweven.

Thebaan 2: Oogopslag van deze gouden dag, met golvende tred ben je gekomen, over Dirkes stromen, en heb je afgezet op de wapenrustingen van de vluchtelingen op weg naar Argos met hun zilveren schilden.

Thebaan 3: En op die halve wilden sloeg je zweep nu feller los dan toen hun leger kwam, aanviel op ons land om Polyneikes' dubieuze aanspraken waar te maken, onder veel gerucht, geschreeuw en hoon als een adelaar in duikvlucht, op vleugels wit als vers gevallen sneeuw, met veel militair vertoon, en met paardenstaarten op hun helm.

Thebaan 2: Zij kozen hoog en droog positie rondom onze transen, een en al moordlust en ambitie, wezen hun lansen naar de mond der zeven poorten, maar niet lang.

Thebaan 1: Voor zij zich konden vergasten aan ons bloed, voordat het vuur onze trotse torens aan kon tasten, waren zij al weg, naar huis gestuurd door het onoverwinnelijke monster, en achter hun ruggen gromde angstaanjagend nog de oorlog na.

Thebaan 3: Zeus heeft namelijk een gruwelijke hekel aan onbetamelijk aanmatigend gezwets en toen hij hen dan ook in brede stromen, bovenmatig zelfverzekerd, naar Thebe had zien komen, liet hij hem die op een vooruitgeschoven post met arrogante stem al op zijn overwinning stond te snoeven eens wat bliksem proeven.

Thebaan 1: Met een klap sloeg die toen neer tegen de grond en de fakkel die voor ons bestemd was en waarmee meneer brooddronken aan was komen stormen, viel uit zijn hand.

Thebaan 2: Het liep anders dan hij had gedacht. Ook de anderen werden afgestraft. De grote oorlogsgod, die stond aan onze kant.

Thebaan 3: Zo lieten de zeven, geposteerd bij even zovele poorten, geconfronteerd met hun gelijken, hun wapenrusting aan Zeus, bij wie alleen de overwinningen berusten, behalve dan die twee verschoppelingen, zoons van één enkel ouderpaar, die in het gevecht tegen elkaar beiden wonnen en ten onder gingen.

Thebaan 2: In elk geval, nu lacht de overwinning en gezegend zij haar naam onze stad, befaamd om haar wagenpark, weer goedertieren toe.

Thebaan 1: Laat ons daarom de verschrikkingen van de oorlog uit ons geheugen bannen en dit gaan vieren in de tempels heel de nacht. Dansen en zingen en Bacchus volgen dat de aarde ervan dreunt.

Thebaan 2: Maar hier komt Menoikos' zoon Kreon, die op grond van de recente ontwikkelingen beschikt is tot de troon.

Thebaan 1: Wat heeft hij in de zin, dat hij heeft geëist dat wij, in ons burgerschap vergrijsd, hier bijeen zouden komen?

Thebaan 2: Waar was die algemene oproep voor?

(Eerste episode, verzen 163-331.)

Kreon: Mijne heren. Met onze stad is alles, goddank, weer terechtgekomen na deze stormachtige episode. Daarvoor heb ik u dan ook niet op deze besloten bijeenkomst uitgenodigd. Die heeft een dubbele reden. Om te beginnen weet ik dat u zich altijd loyaal betoond heeft jegens de legitimiteit van het gezag sinds dat in het verleden door Laios werd gevestigd. En vervolgens, dat er in uw gevoelens geen verandering is opgetreden na Oedipus' wederopbouw van ons staatsbestel, en evenmin na zijn val, tijdens de regering van zijn zoons. Nu deze op één en dezelfde dag allebei noodlottig omgekomen zijn, elkaar van man tot man tot hun schande hebben bevochten en gedood, erf ik, als naaste troonopvolger, onverminderd de soevereiniteit van de gevallenen. Het is echter onmogelijk iemands mentaliteit, ideeën en standpunten te taxeren vóór hij van zijn opvattingen op bestuurlijk en wetgevend terrein heeft blijkgegeven. Ik nu ben van mening dat iemand die een vooraanstaande positie bekleedt zich aan de meest hoogstaande uitgangspunten dient te houden en zijn tong in geen geval door vrees mag laten kluisteren. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik zo iemand veracht. En iemand die zijn relaties hoger stelt dan zijn vaderland, daar heb ik helemaal geen woorden voor. Ik wil dan ook - dat weet Zeus die alles ziet - er niet het zwijgen toe doen als ik zie dat onze burgerij in plaats algemeen welzijn een noodtoestand te wachten staat. En nooit zal ik mijn genegenheid schenken aan een vijand van de staat, omdat ik heel goed weet dat alleen van de staat heil te verwachten is. Genegenheid schenken is uitsluitend mogelijk als dat het landsbelang niet schaadt. Volgens deze richtlijnen denk ik de vooruitgang van de stad te dienen. En wat ik zo-even aan de bevolking heb laten bekendmaken met betrekking tot de zonen van Oedipus stemt hiermee dan ook overeen. Eteokles, die als voorvechter van deze stad gevallen is, die zich gewapenderhand in alle opzichten heeft onderscheiden, heeft recht op een begrafenis en verder alle rituelen waarmee bij onze beste doden uitgeleide doen. Maar diens bloedverwant - Polyneikes dus - die uit zijn ballingschap terugkwam met het plan z'n geboortegrond en alles wat daar heilig is plat te branden, bloed van zijn bloed te drinken en de bevolking te deporteren, zal - zo is officieel bekend gemaakt - dit recht op een begrafenis ontzegd worden. En niemand mag om hem rouwen. Laat zijn lijk maar onbegraven liggen, als aas voor vogels en honden, een belediging voor het oog. Dat is mijn standpunt. Zolang ik het voor het zeggen heb, zal een schurk nooit beter behandeld worden dan fatsoenlijke mensen en wie het goed meent met onze stad kan altijd van mijn gunst verzekerd zijn, onverschillig of hij nog leeft dan wel reeds is gestorven.

woordvoerder: Als het u, zoon van Menoikos, behaagt een dergelijke maatregel te treffen ten aanzien van een vijand en een vriend van deze stad, uw woord is wet. Dat geldt evengoed voor de gestorvenen als voor ons die nog in leven zijn.

Kreon: Zie u er dan op toe dat mijn verordening wordt nageleefd.

woordvoerder: Zoudt u niet liever de jeugd hiermee belasten?

Kreon: Er staan bij het lijk soldaten op wacht.

woordvoerder: Wat is er dan verder nog van uw dienst?

Kreon: Dat u geen overtreding door de vingers ziet.

woordvoerder: Wie is er nu zo dom... dat hij sterven wil?

Kreon: Dat zou zo iemand inderdaad te wachten staan. Winstbejag is trouwens al vaak genoeg iemands ondergang geweest. (een bode komt binnen)

bode: Majesteit, ik wil geenszins beweren dat ik buiten adem ben, of dat de tocht hierheen mij licht gevallen is... Ik ben onderweg vaak blijven staan om na te denken en heb me meer dan eens omgedraaid om terug te gaan. Een innerlijke stem hield maar niet op me toe te voegen: “Ongelukkige, waarom ga je ergens naartoe waar je een afstraffing staat te wachten? Stakker die je bent! Sta je stil? En als Kreon het van iemand anders hoort, hoe denk je er dan heelhuids van af te komen?” Terwijl ik zo van het ene uiterste in het andere verviel, ben ik dan ten slotte toch gekomen waar ik zijn moet. Het heeft de korte afstand lang gemaakt. Uiteindelijk heeft de doorslag gegeven dat ik naar u toe komen zou en u zeggen wat ik zeggen moet, ook al zou het van geen betekenis zijn. Ik klamp mij maar vast aan de verwachting dat mij niets ergers overkomen kan dan wat mijn lot voor mij in petto heeft.

Kreon: Wat is er dan dat je zozeer van je stuk heeft kunnen brengen?

bode: Eerst wat mijzelf betreft: ik heb het niet gedaan en ik weet niet wie het wel gedaan heet, en als er dus represailles tegen mij genomen zouden worden, dan zou dat onrechtvaardig zijn.

Kreon: Je draait wel erg lang om de zaak heen. Het schijnt dat je iets ongehoords te melden hebt?

bode: Het is ontzettend. En dan bedenk je je wel een paar maal voor je het onder woorden brengt.

Kreon: Zou je niet eindelijk 'ns zeggen wat er is? Dan ben je er van af.

bode: Dan zal ik het maar vertellen... Zojuist is iemand bij het lijk het begrafenisritueel komen vervullen. De huid is met droog zand bestrooid, alle voorschriften zijn in acht genomen en de dader is verdwenen.

Kreon: Wat zeg je? Wie is de man die dat heeft durven doen?

bode: Onbekend... Nergens was de houw van een houweel te zien, nergens aarde opgeworpen door een hak of zo. De grond was ongeschonden en keihard. Geen sporen ook van wagenwielen. De dader heeft geen sporen nagelaten! Toen vanmorgen één van ons dit het eerst gezien had en de anderen d'r bij riep, vonden we 't allemaal even onbegrijpelijk. De dode was aan het oog onttrokken, wel niet begraven, maar vluchtig toebedekt met stof, alsof de dader achteraf voor z'n daad was teruggeschrokken. Ook geen spoor verder van een wild beest of van een hond die er z'n tanden op was komen beproeven. Toen werd de lucht vervuld van wederzijdse verwijten. De soldaten beschuldigden elkaar om het hardst en het had heel goed op een vechtpartij uit kunnen lopen. Dat zou niemand verhinderd hebben, want iedereen was medeplichtig - al kon er dan niemand iets bewezen worden en gebruikte iedereen de uitvlucht dat hij van niets wist. Wij waren bereid om gloeiend ijzer met onze handen aan te pakken, door brandend vuur te lopen en de hemel tot getuige te roepen dat wij het niet gedaan hadden en ook geen relatie onderhielden met degene die deze daad bedacht had of uitgevoerd. Ten slotte, toen er niets meer te onderzoeken was, zei iemand iets waarom iedereen vol angst de ogen neersloeg, want niemand wist wat hij daarop zeggen moest of hoe wij deze kwestie in het reine moesten brengen. Hij zei dat wij u van deze daad op de hoogte moesten stellen, dat wij het in geen geval verzwijgen mochten. Deze opvatting kreeg de overhand. En ik, rampzalige, werd door het lot aangewezen om deze benijdenswaardige taak op mij te nemen. Hier ben ik dan. Tegen mijn zin, want ik weet dat iemand die slecht nieuws komt brengen nooit op welwillendheid mag rekenen.

woordvoerder: Majesteit, ik sta mij de hele tijd al af te vragen of er achter deze daad geen goddelijke beslissing schuilgaat.

Kreon: Schei uit, of je woorden maken mij nog kwaad! Zo lijk je wel tegelijk een oude wijze man en een melkmuil. Ik kan niet dulden dat je met je woorden goden suggereert die deze dode goedgunstig gezind zouden zijn. Ze hadden zeker reden om iemand die een heel eind op weg was om brand te stichten tussen hun tempelzuilen en de offers die voor hen bestemd waren, hun grondgebied onder de voet te lopen en hun wetten te verkrachten, met speciale eerbewijzen te overladen en hem te begraven als iemand die hen ten zeerste had verplicht? Hebt u soms ooit gezien dat bandieten door de goden worden gerespecteerd? Dat bestaat niet! Ik heb al lang gemerkt dat er onder onze stedelingen lieden zijn die de bewuste maatregel maar moeilijk kunnen verteren, die er hoofdschuddend op reageren en zich niet voor mij buigen zoals mij toekomt. Volgens mij is het bewakingsdetachement door deze elementen met geld benaderd om deze wandaad te begaan. Geen instelling heeft over de mensen zulke catastrofale gevolgen gebracht als het geld. Hele steden heeft het te gronde gericht. De mensen laten d'r hun huis voor in de steek. Het heeft de onschuld van de mensen gecorrumpeerd en aangetast, zodat ze tot verderfelijke praktijken kwamen. Het heeft ze geleerd om van het rechte pad af te wijken en overal iets laags in te ontdekken. 't Zal degenen die in dit geval zichzelf verkocht hebben vroeg of laat betaald gezet worden. Dat hebben ze er dan van! Maar, één ding, soldaat, moet je goed in je oren knopen: op m'n woord - of Zeus betekent niks meer voor mij - ik zeg je: of jullie vinden de aanstichter van deze begrafenis en zorgen ervoor dat hij vóór mij wordt geleid, of de dood zal voor jullie nog te goed zijn. Eerst zullen jullie, levend opgehangen, kennis maken met de gevolgen van deze insubordinatie en dan zullen jullie zien waar in het vervolg winst te halen valt, en eindelijk leren niet altijd en overal op voordeel belust te zijn. Want, weet je: het merendeel van wie zich met corrupte praktijken inlaten vaart er niet wel bij, maar geraakt in diepe ellende.

bode: Mag ik iets zeggen of moet ik me meteen omdraaien en vertrekken?

Kreon: Heb jij niet in de gaten dat je gepraat mij nu al tegen de borst stuit?

bode: Een belediging voor uw oren of... diep van binnen?

Kreon: Wou jij mijn ergernis lokaliseren!?

bode: De dader heeft uw trots gekwetst en ik alleen uw oren pijn gedaan.

Kreon: Je bent een geboren kletskous! Onverbeterlijk!

bode: Misschien, maar waar het hier over gaat, zoiets heb ik nooit gedaan.

Kreon: Wel waar! En je hebt je ziel nog verkocht voor geld ook.

bode: Wat is het toch verschrikkelijk als iemand die een oordeel vellen moet de zaken vals beoordeelt.

Kreon: Je zoekt het maar uit! Als jullie er niet in slagen de daders bij me voor te geleiden, dan zal je merken dat vuig gewin geen winst oplevert.

(de bode verlaat het vertrek)

bode: Het is te hopen dat ie gevonden wordt. Maar of ie gegrepen wordt of niet - en dat zal de toekomst uitwijzen - één ding is zeker: hier zien ze me niet meer. Nu ben ik er nog buiten verwachting goed vanaf gekomen. Daar mag ik de goden wel voor bedanken!

(Eerste stasimon, verzen 332-383. Ode die de vele verwezenlijkingen van de mensheid oproept, doch eindigend met de overweging dat de dood uiteindelijk het lot is van iedereen. Een van de beste en bekendste lyrische passages van Sophocles.)

Thebaan 1: Op de wereld is er veel waar je verstand bij stilstaat, maar niets dat meer verbijstert dan... de mens. Dat trotseert 's winters de stormen uit het zuiden op de schuimbekkende zee. Dat laveert bedreven tussen huizenhoge golven door. De meest verheven godheid van allemaal, de aarde, snijdt hij van jaar tot jaar aan repen. Hoe onsterfelijk en onvermoeibaar zij ook moge zijn, hij krijgt haar klein, met het rusteloze heen en weer van zijn ploegen en het zwoegen der paardachtigen.

Thebaan 2: Het luchthartige gevederde volkje weet hij te bemachtigen met net en strik. De beesten uit de wildernis en in de zee de zilte vis, alles wordt in de listen van de mens gestrikt. Hij temt met behulp van zijn raffinement het wild uit bergen en uit dalen. Hij dwingt de hengst met de wapperende manen in het gareel en de dappere bergstier onder het juk.

Thebaan 1: Hij heeft zich de taal eigen gemaakt en vervolgens het denken, snel als de wind. Hij heeft zich tot een groter verband leren organiseren, de aanvallen weren van het guurste vriesweer en de venijnigste stortbui. Hij weet zich altijd weer te behelpen, hij kan elke toekomst recht in de ogen zien. Alleen op de dood zal hij nooit een uitweg weten, hoe uitzichtloze ziektes hij ook kan genezen.

Thebaan 3: Maar al is hij dan in zoverre een redelijk wezen, dat hij verstandelijk meer dan voldoende uit de voeten kan, toch komt hij nu eens tot hoogstaand handelen, dan weer tot slecht. Nu eens maakt hij zijn land groot, door de wet en de eed en het recht te respecteren, dan weer zal ie het saboteren als hij zich met wellust overgeeft aan een negatieve trant van denken. Maar voor wie het laatste geldt blijft mijn huis gesloten. Zo iemand wordt nooit een geestverwant.

(Tweede episode, verzen 384-581.)

(wachter komt binnen, met Antigone)

Thebaan 1: Wat gebeurt er nu?

Thebaan 2: Wat moet ik denken van dit onwerkelijk tafereel?

Thebaan 3: Dat is ontegenzeggelijk Antigone! Ik zie het toch goed?

Thebaan 1: Rampzalig kind van Oedipus, een al even rampzalig vader.

Thebaan 2: Dat jij hier voorgeleid wordt, moet dat betekenen dat je de decreten van de koning overtreden hebt en domme dingen hebt gedaan?

bode: Zij is het! Zij heeft het gedaan. We hebben haar op heterdaad betrapt terwijl ze weer met het begrafenisritueel bezig was. Maar waar is Kreon?

woordvoerder: Daar komt ie al uit het paleis naar buiten. Precies op tijd.

Kreon: Wat is er aan de hand? Waarom kom ik te juister tijd?

bode: Majesteit, een mens moet nooit zweren dat ie iets nooit meer zal doen. We kunnen ons wel iets voornemen, maar komen dan achteraf bedrogen uit. Zo beweerde ik dat het al gek zou moeten lopen als ik hier ooit terug zou komen, toen u mij daarstraks uw dreigementen had toegebulderd. Maar geen geluk is zo groot als wanneer het onverwachts komt. Dus hier ben ik weer. M'n eed getrouw, al had ik nog zozeer het tegendeel gezworen. Het meisje heb ik bij me. Ze werd gegrepen terwijl ze de begrafenis verzorgde. Deze keer is er niet geloot, dit buitenkansje is voor mij en niemand anders. Welnu, majesteit, neemt u haar nu zelf van me over en ondervraag haar naar eigen goeddunken, totdat ze bekent. Ik ben er nu van af. Met deze netelige kwestie heb ik gelukkig niets meer te maken.

Kreon: Hoe en waar heb je haar betrapt dat je haar nu hierheen brengt?

bode: Zij heeft die man begraven. Daarmee weet u alles wat er te weten valt.

Kreon: Besef je wel wat je zegt? Is dat de waarheid?

bode: Ik heb haar bezig gezien het lichaam te begraven van degene aan wie u een begrafenis ontzegd had. Praat ik zo begrijpelijk genoeg? Duidelijk?

Kreon: Hoe werd zij gezien? Precies op heterdaad betrapt en gearresteerd?

bode: De feiten zijn als volgt. Zodra we daar aangekomen waren, zwaar onder de indruk van uw vreselijke dreigementen, hebben we al het stof van het dode lichaam, dat reeds in beginnende staat van ontbinding verkeerde, afgeveegd en het helemaal schoongemaakt. Toen zijn wij uit de wind aan de voet van een heuvel gaan zitten, buiten bereik van de stank die het verspreidde. We spoorden elkaar in heftige bewoordingen aan voor het geval dat één van ons z'n plicht zou verwaarlozen. Dat duurde zo een hele tijd, tot de lichtende zonneschijf midden aan de hemel stond, blakend van de hitte. Opeens jaagt een wervelwind een stofwolk op, recht in de ogen van de hemel. De vlakte is er vol van en het kapsel van de bomen daar raakt in de war. De lucht werd over grote afstanden vertroebeld. Door deze bovennatuurlijke beproeving gedwongen deden wij onze ogen dicht en toen ze lang daarna was afgedreven, zagen we dit meisje hier. Ze zat te jammeren, met een schril geluid, zoals dat uit de strot komt van een vogel die in haar nest de plaats leeg vindt waar haar jongen lagen. Precies zo brak zij in jammerklachten uit toen ze zag dat van het lijk het stof verdwenen was. En vervolgens uitte ze verschrikkelijke verwensingen aan het adres van hen die haar dit hadden aangedaan. Met haar handen veegde ze droog stof bijeen, waarna ze een fraaie aarden kruik nam en driemaal met een ruim gebaar plengde ter ere van de overledene. Toen wij dat zagen, gingen we er snel op af en arresteerden haar. (lachje) Ze schrok niet eens. We stelden haar zowel verantwoordelijk voor wat die eerste keer als voor wat nu gebeurd was. Ze ontkende niet, ze stond daar maar... Ik ben blij dat het zo gegaan is en toch doet het me ook ergens pijn. Het is erg prettig als je zelf aan een groot gevaar ontsnapt, maar iemand op wie je zeer gesteld bent in gevaar te moeten brengen is ellendig. Maar alles bij elkaar moet ik toch in de eerste plaats om m'n eigen welzijn denken.

Kreon: En nu jij, zoals je daar naar je tenen staat te kijken, zeg je ook 'ns wat? Ontken je dat je 't gedaan hebt?

Antigone: Ik heb het gedaan, ja. Dat ontken ik niet.

Kreon: Soldaat, dan ben jij vrij om te gaan waar je wilt. Die ernstige verdenking rust niet langer op je... En jij, zeg op, zonder uitvluchten, kort en bondig: wist je dat ik een verbod had laten afkondigen ten aanzien van wat jij gedaan hebt?

Antigone: Dat wist ik. Hoe zou ik niet? Een misverstand was uitgesloten.

Kreon: En toch heb je 't gewaagd deze verordening te overtreden?

Antigone: Het was Zeus niet van wie dit bevel was uitgegaan. En evenmin zijn ons, mensen, ooit dergelijke instructies gedicteerd door het recht dat voor de doden geldt. Verder was ik van mening dat uw decreten niet zoveel kracht van wet bezaten dat zij ongeschreven, tijdloze, goddelijke wetten met voeten konden treden. U bent ook maar een mens. En die wetten zijn niet van vandaag of gisteren, maar van alle tijden, en niemand weet waar ze vandaan komen. Ik voelde d'r weinig voor om ze te overtreden uit vrees voor de wil van een willekeurig mens, en zo de wraak van de goden te riskeren. Dat ik ooit sterven zou, dat wist ik toch. Waarom zou die regel voor mij niet opgaan? Dat had u niet van tevoren hoeven te verkondigen. Sterf ik nu vóór mijn tijd, dan noem ik dat alleen maar winst. Want hoe zou iemand die, zoals ik, in zijn leven met velerlei ellende kampt d'r op achteruit gaan als hij sterft? Daarom betreur ik in geen enkel opzicht dat alles zo gelopen is. Maar had ik toegelaten dat de zoon van mijn eigen moeder na zijn dood onbegraven zou gebleven zijn, dan zou dat mij veel wroeging berokkend hebben. Wat er nu gebeurd is, laat me koud. En wilt u mij verwijten dat ik erg dom gedaan heb, dan zou het wel 'ns kunnen zijn dat hier de pot de ketel z'n onverstand verwijt.

woordvoerder: De weerbarstige aard van een tegendraadse vader verraadt zich in dit kind. Zij weet van geen wijken als haar iets tegenzit.

Kreon: Als u maar weet dat een dergelijke, al te onbuigzame mentaliteit des te sneller gebroken wordt! Zo zie je ook dat het hardste metaal, in het vuur verhit totdat het niet meer buigen kan, het eerst in duizend stukken breekt. Ik weet dat de overmoedige paarden met een korte teugel snel getemd zijn. Iemand die ondergeschikt is aan zijn omgeving kan maar beter geen al te hoge dunk van zichzelf erop na houden. En overmoedig was zij genoeg toen zij de geldende voorschriften overtrad. Maar daar komt dan nu na haar daad nog een tweede staaltje van hoogmoed bij: zij waagt het zich met een lachend gezicht erop te beroemen! Niets verfoei ik meer als wanneer iemand die ergens op betrapt is dan ook nog probeert zijn misdaad goed te praten. Als een dergelijk stout stukje ongestraft zou blijven, dan zou hier ik geen man meer zijn, maar zij. Daarom, al is zij dan de dochter van mijn zuster, al is zij nog zozeer familie van ieder die in ons huis Zeus' bescherming geniet, daarom zal haar noch haar zuster het ergste bespaard blijven. Die ook, ja. Haar beschuldig ik er evengoed van bij deze begrafenis in het complot gezeten te hebben. Ga haar roepen. 'k Heb haar zo-even binnen gezien, één en al verwarring, alsof ze helemaal buiten zinnen was. Iemand die op steelse plannen broedt vertoont wel meer de neiging zichzelf te verraden als hij troebele oogmerken nastreeft.

Antigone: U hebt mij toch in uw macht? U kunt mij laten terechtstellen? Wat wilt u dan nog meer?

Kreon: Niets! Ik ben daar volkomen tevreden mee.

Antigone: Waar wacht u dan nog op? Wat u ook zegt, ik zie er toch niets in, nu niet en nooit. En wat ik te zeggen heb, kan u ook moeilijk bevallen. Toch zou niets mijn naam meer goed kunnen doen dan dat ik m'n eigen broer een begrafenis gegeven heb. Al deze mensen zouden het goedkeuren, als hun tong maar niet door vrees verlamd was. Maar dictatuur mag zich nu eenmaal onder andere ook verheugen in een groot aantal jaknikkers, en zelf kan ze doen en zeggen wat ze wil.

Kreon: Zo zie jij het, maar daarin sta je alleen onder de inwoners van Thebe.

Antigone: De anderen zien het ook zo, maar uit vrees voor u hebben zij hun tong ingeslikt.

Kreon: En je schaamt je niet dat jij er anders over denkt dan de rest?

Antigone: Niemand hoeft zich te schamen als hij z'n eigen broer de laatste eer bewijst.

Kreon: En de andere van de beide gevallenen? Was dat soms geen familie van je?

Antigone: Zeker, een kind van dezelfde ouders.

Kreon: En beledig je zijn nagedachtenis dan niet door de ander te eren?

Antigone: Daar zou de overledene zijn hand niet voor in het vuur durven steken.

Kreon: Als je hem hetzelfde behandelt als een afvallige?

Antigone: Het slachtoffer in kwestie was geen willekeurige ondergeschikte, maar mijn broer.

Kreon: Gevallen tijdens een daad van agressie tegen dit land, terwijl de andere aan onze kant stond.

Antigone: Om het even. Het hiernamaals laat z'n eisen door zoiets niet beïnvloeden.

Kreon: Dat betekent toch niet dat een verdorven sujet dezelfde behandeling verdient als een hoogstaande persoonlijkheid?

Antigone: Wie zal zeggen of daar beneden integriteit met onze maatstaf wordt gemeten?

Kreon: Een vijand wordt nooit een medestander, ook niet na zijn dood!

Antigone: Ja, ik ben nu eenmaal niet geboren voor vijandschap, enkel om genegenheid te schenken.

Kreon: Jij gaat nu onder de grond en als je genegenheid wilt schenken, kun je die daar kwijt. Zolang ik leef, zal geen vrouw mij de wet voorschrijven.

(Ismene wordt binnengebracht)

Thebaan 1: Waarachtig, daar komt Ismene door de poort naar buiten.

Thebaan 2: Je kunt zien hoeveel zij om haar zuster geeft. De tranen stromen langs haar wangen.

Thebaan 1: Haar gezichtje gloeit en is op een ontsierende manier betrokken.

Kreon: Jij, als een adder ben je mijn huis binnengeslopen om heimelijk mijn bloed te zuigen. En ik, dat ik niet gemerkt heb dat ik twee serpenten huisvestte en zodoende de troon liet ondermijnen. Zeg op, was zij ook bij dit begrafenisplan betrokken? Of durf je te zweren dat je er niets van af weet?

Ismene: Als zij schuldig is, dan ik ook. Ik beken. Ik ben erbij betrokken en ik deel de verantwoordelijkheid.

Antigone: Dat laat de gerechtigheid niet toe. Jij wou niet en ik heb je dan ook niet bij mijn onderneming betrokken.

Ismene: Maar nu het je zo slecht vergaan is, schrik ik niet terug en ik wil delen in jouw beklagenswaardig lot.

Antigone: Daar in de diepte weet ieder wie het gedaan heeft. Ik geef niets om genegenheid die tot woorden beperkt blijft.

Ismene: Maak nu je eigen zuster niet te schande! Ik mag toch wel met jou samen sterven en mijn verplichtingen aan de overledene alsnog nakomen?

Antigone: Jij sterft niet samen met mij! Je eigent je niet toe waar je geen vinger voor hebt uitgestoken. Als ik sterf, is dat genoeg.

Ismene: Als je mij in de steek laat, wat heb ik dan nog aan mijn leven?

Antigone: Dat moet je Kreon vragen. Je maakte je toch om hem zoveel zorgen?

Ismene: Wat heb je d'r aan om mij zo te kwetsen?

Antigone: 'k Moet zeggen dat het niet van harte gaat, als ik zo sarcastisch doe.

Ismene: Kan ik nu soms nog iets anders voor je doen?

Antigone: Zorg jij nu maar voor jezelf. Ik ben niet jaloers als jij er heelhuids vanaf komt.

Ismene: Ongelukkige die ik ben... En ik mag jouw lot niet delen?

Antigone: Jij hebt gekozen voor het leven, ik voor de dood.

Ismene: Mijn beweegredenen heb ik niet verzwegen.

Antigone: Volgens jou heb jij de juiste beslissing genomen. Ik ook, in mijn ogen.

Ismene: Maar nu krijgen wij allebei de schuld.

Antigone: Troost je. Jij leeft, maar ik ben in m'n hart al lang gestorven aan de dienst die ik onze broer bewezen heb.

Kreon: Die kinderen zijn niet goed bij hun hoofd, de ene sinds zo-even, en de ander is van begin af aan al zo geweest.

Ismene: Majesteit, zelfs het gezonde verstand dat ons eventueel aangeboren is, laat ons in onze ellende in de steek. En hoe!

Kreon: Jou is dat overkomen toen je samen met ongure elementen snode plannen smeedde.

Ismene: Wat betekent dit bestaan nog voor mij als ik zonder haar verder moet leven?

Kreon: Over wie heb je 't? Zij bestaat al niet meer.

Ismene: U wilt dus de verloofde van uw eigen zoon ter dood laten brengen?

Kreon: Andermans akker kan nog heel goed beploegd worden.

Ismene: Maar zij passen zo goed bij elkaar!

Kreon: Ik gruw bij de gedachte aan een slechte echtgenote voor mijn zoon.

Ismene: Haemon, lieve jongen, wat doet jouw vader je onrecht...

Kreon: Je verveelt me met je gezwets over het huwelijk!

Ismene: U wilt haar dus uw eigen zoon afnemen?

Kreon: De dood heeft een stokje gestoken voor deze trouwerij, niet ik.

Ismene: Blijkbaar moet zij sterven... Mij lijkt niet dat ik er nog iets aan kan veranderen.

Kreon: Dat kun je niet. Ik evenmin. Daarom, nu niet langer getreuzeld. Laten de bedienden hen naar binnen brengen. Deze vrouwen moeten opgesloten worden. Zij mogen niet langer op vrije voeten zijn, want hoeveel moed ook iemand bezit, als het einde van zijn leven naderbij komt, slaat hij steevast op de vlucht.

(Tweede stasimon, verzen 582-630. Een ode die het verhaal vertelt van de oude vloek waarmee alle afstammelingen van Labdakus behept zijn geweest: Laios, Oedipous, en nu de kinderen van Oedipus.)

Thebaan 2: Wat zijn zij, wier leven vrij blijft van elke vorm van lijden toch enorm te benijden. Maar als ooit je familie van Godswege een schok te verduren heeft gekregen, dan blijft ook nooit het verdriet meer achterwege, maar het zal dat huis achtervolgen tot de laatste man. Het heeft iets van springtij op zee, dat zich buiten adem op het onderzeese donker stort door het razende van de noordenwind aangeblazen, en het vuile zwarte zand van de bodem opwoelt, terwijl het strand murw wordt geslagen en stormvlagen om de rotsen huilen.

Thebaan 1: Ik zie hoe vanaf het eerste begin onder kinderen en kindskinderen van Labdakus keer op keer ellende heeft geheerst. Geen enkele generatie heeft de vorige kunnen bevrijden van hun lot, maar een god zonder enige consideratie blijft hen belagen. Wat in deze dagen nog een laatste sprankje licht bracht in het huis van Oedipus, de laatste loot is dus nu ook gezwicht voor de bebloede zeis van de dood, voor fatale spraakverwarring en de verdwazing van 't hoofd.

Thebaan 3: Zeus, wie van de mensen kan ooit ingaan tegen uw wensen? De slaap waarin elk sterfelijk wezen verzinkt heeft er geen vat op, en evenmin de verontrustende invloed van de maan. U zetelt als meester van de tijd op de Olympus die van marmer blinkt. En tot in eeuwigheid zal alles zoals thans verlopen volgens instructies die in de voortijd zijn gegeven. Het menselijk leven zal nooit lang achter elkaar voor onheil blijven gespaard.

Thebaan 2: De hoop die telkens weer iets anders vindt om zich aan vast te klampen, heeft iemands lot al vaak verlicht. Maar voor anderen is zij meer ijdele hoop gebleken, die nietsvermoedenden besloop tot zij aan haar gloed hun vingers brandden. In een geïnspireerd moment heeft ooit iemand deze gedachte uitgesproken: “Wil een god een mens innerlijk in het verderf storten, dan gaat ie goed en slecht verwarren. Het verderf laat dan niet lang meer op zich wachten.”

Deel 2 van de heruitzending op zaterdag 25 juli 1992.

(Derde episode, verzen 631-780.)

woordvoerder: Daar komt Haemon aan, uw jongste zoon. Zo te zien heeft hij verdriet om het lot van Antigone, zijn meisje, en omdat zijn huwelijk verijdeld is.

(Haemon komt binnen)

Kreon: Dat is voorlopig een slag in de lucht. We zullen het gauw genoeg weten... Hoe is het, jongen? Je was toch niet kwaad op je vader toen je hoorde dat je toekomstige vrouw ter dood veroordeeld was? Je kunt toch van harte instemmen met alles wat ik gedaan heb, neem ik aan?

Haemon: Vader, ik ben u met hart en ziel toegedaan, en uw rechtvaardige beslissingen zijn een leidraad, waar ik mij graag aan houd. Nooit zal ik aan een huwelijk meer waarde hechten dan aan uw wil, wanneer die het beste met mij voorheeft.

Kreon: Dank je, jongen. Zo hoort het. Vaders wil moet altijd het zwaarste wegen. Daarom gaan de diepste verlangens van een man ook uit naar een huis met volgzame zoons die zijn vijanden met gelijke munt terugbetalen en zijn vrienden respecteren naar het voorbeeld van hun vader. Maar wat denk je dat iemand die waardeloze kinderen verwekt zich anders op de hals haalt dan zorgen en het hatelijk gelach van z'n vijanden? Daarom, jongen, zorg dat nu je gezonde verstand je niet in de steek laat omwille van je tedere gevoelens voor een vrouw. Je weet heel goed dat het een kille verhouding zou worden met zo'n serpent in huis. Geen grotere kwelling dan iemand die je lief is en niet deugt. Laat die verfoeilijke meid nu maar ergens in de hel een man gaan zoeken. 't Is mij gebleken dat zij als enige in de hele stad een afwijkende mening erop na hield. En omdat zij daar openlijk voor is uitgekomen, moet ik haar wel laten liquideren, wil ik de mensen recht in de ogen kunnen blijven zien. Zij kan de god van onze familie aanroepen zoveel als ze wil, als ik in mijn eigen huis al dulden zou dat mijn gezag wordt ondergraven, dan stond de anarchie voor de deur... Alleen wie in zijn gezin de teugels strak houdt, zal naar buiten als onkreukbaar gelden. Zo'n man zou ik persoonlijk kunnen toevertrouwen dat hij zowel een goed regeerder als een goed onderdaan kan zijn. Als het oorlogsgeweld woedt, zal hij op zijn post blijven als een betrouwbaar medestander. Maar iemand die zich nergens iets van aantrekt, de voorschriften aan z'n laars lapt en meent dat hij het gezag de wet kan voorschrijven, daar heb ik geen goed woord voor over. Wie door de gemeenschap is aangesteld, die moet gehoorzaamd worden, ook in kleine dingen, rechtvaardig dan wel problematisch. Niets is fataler dan de anarchie. Daar zijn hele steden aan kapot gegaan tot er geen steen meer op de ander stond, hele legers zijn erdoor uiteengevallen en op de vlucht geslagen, terwijl discipline onder goede leiding de mensen bij elkaar houdt. Het is dus zaak erover te waken dat wet en orde gehandhaafd blijven, en nooit of nimmer te zwichten voor een vrouw. Het is beter, als het dan moet, te buigen voor een man dan dat men van ons zou kunnen zeggen dat we onder de plak zitten.

woordvoerder: Onze leeftijd zou ons al parten moeten spelen, maar het komt ons voor dat uw woorden van een reële visie blijk geven.

Haemon: Vader, een mens z'n oordeelskracht wordt hem door hogere machten ingegeven. Dat is ons kostbaarste bezit. Ik kan niet zeggen dat u geen gelijk hebt. Daarvoor weet ik nog te weinig. Toch kan ook bij iemand anders wel eens een waardevolle gedachte opkomen. U kunt nu eenmaal niet altijd voorzien dat de een zegt, een ander doet en een derde aan te merken heeft. De man uit het volk is bang om u onder ogen te komen en zal dan ook nooit iets tegen u zeggen wat u niet graag hoort. Maar tegenover mij wordt wel - al is het dan niet openlijk - uitgesproken hoe de stad dit meisje beklaagt, nu zij - de meest onbesproken vrouw van allemaal - met haar leven boeten moet voor iets dat eigenlijk de hoogste lof verdient. “Nadat haar eigen broer in een bloedbad omgekomen was, heeft zij hem niet onbegraven laten liggen, zodat honden en roofvogel hem hadden kunnen verscheuren. Is dat niet waard met goud bekroond te worden?” zo wordt gefluisterd... Maar ik, vader, zou niets liever hebben dan dat het u goed gaat. Niets siert een kind meer dan wanneer zijn vaders goede naam zich in een bloeiperiode mag verheugen, en hetzelfde geldt voor vaders als het om hun kinderen gaat. Daarom zoudt u er goed aan doen uw opvatting niet als alleenzaligmakend te beschouwen en niet alle andere te verwerpen. Want wie van mening is dat hij alleen - en niemand anders - beschikt over verstand en inzicht, en dat alleen zijn woorden tellen, die blijkt van binnen vaak volkomen leeg. Niemand, hoe verstandig hij ook is, hoeft zich te schamen voor de gedachte dat hij nog veel moet leren en niet te hoog moet willen grijpen. Je ziet het als het regenwater onstuimig het dal instroomt: zolang een boom meegeeft, zijn z'n takken veilig, maar zet hij zich schrap, dan gaat ie d'r aan met wortel en al. En wie de tuigage van zijn schip te strak gespannen houdt, zonder ooit een duimbreed toe te willen geven, die zeilt algauw de diepte in, met de kiel in de lucht. Daarom, laat uw woede varen en verander uw besluit. Als iemand wil horen hoe ik erover denk, al ben ik dan nog minderjarig, ik voor mij vind dat een mens zich pas ten volle verwezenlijkt als zijn geestelijke vermogens aan geen enkele beperktheid meer onderhevig zijn. Maar zolang het nog niet zover is - en dat geldt voor de meeste gevallen - kunnen alle mensen nog heel wat leren door naar de goede raad van anderen te luisteren.

woordvoerder: Majesteit, als zijn woorden de kern raken, is het niet meer dan billijk dat u ze ter harte neemt. (tot Haemon) Hetzelfde geldt voor jou. Voor beide standpunten is veel te zeggen.

Kreon: (lacht) Dus, op mijn leeftijd zou een man zich nog de les moeten laten lezen door zo'n manneke!

Haemon: Alleen als ik gelijk heb. Goed, ik ben jong. Maar u kunt beter op mijn bedoeling letten dan op mijn leeftijd.

Kreon: En die bedoeling is verstoringen van de openbare orde rijkelijk te honoreren.

Haemon: Natuurlijk wil ik u niet aanraden om misdadigers te respecteren.

Kreon: En zij is niet door die kwaal aangetast?

Haemon: De voltallige bevolking van Thebe vindt van niet.

Kreon: De stad hoeft mij niet te vertellen hoe ik mijn gezag moet uitoefenen!

Haemon: Ziet u nu dat u zelf praat als iemand die pas komt kijken?

Kreon: Wie heeft het in dit land voor het zeggen? Ik, of iemand anders?

Haemon: De staat is nooit een aangelegenheid van één man alleen.

Kreon: Geldt de staat niet als persoonlijk eigendom van wie aan de macht is?

Haemon: O, u zou een uitstekend monarch zijn... voor een woestijn, zonder mensen.

Kreon: 'k Heb de indruk dat die jongen aan de kant staat van die vrouw.

Haemon: Die vrouw bent u dan wel. Om u maak ik mij zorgen.

Kreon: Door een beetje met je vader te gaan redetwisten, zeker. Ze zijn door en door verdorven!

Haemon: Omdat ik constateer dat u onredelijk bent en zo een fout begaat, ja!

Kreon: Dus ik bega een fout als ik mijn mandaat ernstig opvat?

Haemon: U vat het juist niet ernstig op als u uw verplichtingen aan de eeuwigheid met voeten treedt.

Kreon: Wat een verdorven mentaliteit! En dat alles om een vrouw!

Haemon: Misschien... misschien... Maar u kunt toch niet beweren dat ik door verraderlijke oogmerken wordt beheerst.

Kreon: Als jij die vrouw de hielen wil likken, bespaar me dan je irriterende wartaal.

Haemon: Wil u dan nergens naar luisteren, maar alleen zelf aan het woord zijn?

Kreon: Je verhaal was in elk geval van voor tot achter ingegeven door je bezorgdheid om die meid.

Haemon: En om u, mijzelf en de goden van het onderaardse rijk.

Kreon: Ze leeft in elk geval niet lang genoeg meer dat jij nog met haar zou kunnen trouwen.

Haemon: Goed, dan sterft zij. Maar als zij sterft, dan betekent dat de dood van nog iemand anders.

Kreon: Is 't al zo ver met je gekomen dat je me gaat dreigen?

Haemon: Sinds wanneer is het een dreigement als je tegen absurde opvattingen ingaat?

Kreon: Je pedanterie zal je nog berouwen. Jouw eigen opvattingen zijn absurd.

Haemon: Als u niet mijn vader was, dan... dan zou ik zeggen dat u... te kwader trouw bent.

Kreon: Nee toch? Als je maar weet dat je me niet ongestraft eerst voor schut gezet hebt en toen beledigd, ook al moet ik hemel en aarde bewegen... Breng hier dat creatuur! Kan ze meteen ditzelfde ogenblik terechtgesteld worden waar haar verloofde bij is!

Haemon: Zet dat maar uit uw hoofd. Dat zal mij niet gebeuren! Zij sterft niet waar ik bij ben! En u ziet mijn gezicht nooit meer terug. Dan kunt u zich uitleven te midden van vrienden bij wie zoiets in de smaak valt.

(verlaat het vertrek)

woordvoerder: Zijn woede gaf hem vleugels, majesteit... Op die leeftijd wordt zoiets zwaar opgenomen.

Kreon: Hij doet maar. Maar hij denkt zeker dat hij iets meer is dan een gewoon mens? Die meisjes zijn in elk geval ten dode opgeschreven, daar kan hij niets aan veranderen.

woordvoerder: Wilt u ze dan allebei ter dood brengen?

Kreon: Nee, dat is waar. Alleen degene die zich metterdaad schuldig heeft gemaakt.

woordvoerder: Wat voor dood wilt u haar doen sterven?

Kreon: Ik stuur haar waar nooit eerder een mens een voet gezet heeft en daar laat ik haar levend begraven in een grot, met genoeg voedsel om te voorkomen dat er smet op mij geworpen wordt, waar heel de stad in delen zou. Daar kan ze dan naar hartenlust de koning van het Onderaardse Rijk, de enige god die zij eerbiedigt, aanroepen, en wie weet brengt zij het er levend van af; maar wellicht komt zij dan eindelijk tot de bevinding dat het verspilde moeite is om te vereren wat daar, ondergronds, zich ophoudt.

(Derde stasimon, verzen 781-882. Een ode op de macht van de liefde.)

Thebaan 1: De Liefde is onoverwinnelijk in de strijd. De Liefde, die op tere wangen sluimert van jonge meisjes, kiest te gelegener tijd haar prooi uit. Liefde waar de zee voor huivert.

Thebaan 2: Zij houdt huis op landelijke erven, en van de goden kan er geen, evenals zij die moeten sterven, ongeschonden om haar waanzin heen.

Thebaan 3: Integere mensen voert zij ten verderf. Zij brengt hen de smaak bij van het kwaad. Zie hoe zij de verdienste kon verwerven vader en zoon te doordringen met haar haat.

Thebaan 1: Weer was het onbestemd verlangen dat uit de ogen van het bruidje staalt, oppermachtig, met eeuwige wetten gelijk in rang. En weer heeft de grillige liefde een zege behaald.

(Vierde episode, verzen 883-943.)

(Antigone wordt buitengeleid)

woordvoerder: Nu kan ik zelf niet anders dan Kreons bepalingen in de wind slaan, nu ik dit zie kan ik mijn tranen niet langer bedwingen. Daar gaat Antigone, op weg naar het bruidsbed waar voor alle mensen een plaats is.

Antigone: Burgers van mijn geboortegrond, hier ziet u mij nu voor het laatst op weg gaan en mijn ogen nemen voorgoed afscheid van de zon, voor altijd. Het Onderaardse Rijk, waar voor alle mensen plaats is, roept mij naar de oever van de Doodsrivier. Er heeft geen bruiloftslied weerklonken, er wordt geen huwelijk gevierd. Ik trouw nu met de dood.

Thebaan 1: Zie je niet dat je, alom geprezen en geëerd, je intrek bij de doden neemt?

Thebaan 2: Je bent niet bezweken aan een slopende ziekte.

woordvoerder: Je bent niet gestraft voor een halsmisdaad.

Thebaan 2: Jij daalt af in het Dodenrijk, omdat je geleefd hebt volgens je geweten, wat onder ons mensen uniek mag heten.

Antigone: Ik heb 'ns gehoord hoe Tantalus' dochter, een meisje uit Phrygië, in het gebergte van Sipylis jammerlijk aan haar eind gekomen is, hoe het gesteente haar als klimop overwoekerde, hoe zij - met sneeuw en regen, die onophoudelijk volgens het verhaal langs haar lichaam sijpelde - zelf een niet te stelpen tranenvloed vermengde, en de rotsen werden nat... Mijn laatste rustplaats lijkt op die van haar.

Thebaan 1: Dat was een goddelijke vrouw...

Thebaan 2: Zij stamde van de goden af...

Thebaan 3: Maar wij zijn gewone stervelingen, met mensen als voorouders.

Thebaan 1: Is het dan geen grote eer om, nu je sterven gaat, het lot te delen van iemand die met goden op gelijke voet verkeerde?

Thebaan 2: Kan je dat niet troosten, zolang je nu nog in leven bent, en op het moment straks van je dood?

Antigone: Wat een vernedering! Ze lachen me uit... Waarom - bij de goden van onze voorvaderen - waarom gaat u zich zo te buiten nu ik nog niet vertrokken ben, maar nog volop leef? Ik doe een beroep, op de stad, op de gegoede burgers, op Dirkes bronnen, op heel Thebe dat met haar wagenpark als een oase in de omringende wildernis ligt. Dan heb ik tenminste getuigen als ik, zonder dat er iemand een traan om me laat, op weg moet naar de kerker van dit ongebruikelijk graf. Op grond van wat voor wetten? Wat een lot!... Ik hoor niet thuis bij hen die reeds gestorven zijn, en niet bij wie nog sterven moeten, niet in het leven en niet in de dood.

Thebaan 1: Je bent, wat moed betreft, tot het uiterste gegaan, kindje.

Thebaan 2: Maar je hebt je aan de hoge drempel van het recht lelijk gestoten.

Thebaan 3: Je boet voor wat je vader heeft misdaan.

Antigone: Huh... U hebt de vinger gelegd op de ergste van mijn wonden: de veelbesproken beproevingen die mijn vader heeft doorstaan als onderdeel van het lot dat ons huis, roemruchte afstammelingen van Labdakus, in z'n geheel beheerst. Een volslagen verdwazing, dat huwelijk van mijn moeder, die omgang met haar eigen zoon, mijn vader...! Arme moeder... En aan deze mensen dank ik dit veelgeplaagd bestaan. Naar hen ga ik nu terug, zelf niet getrouwd, maar toch met nog een vloek erbij. En dan dat fatale huwelijk van mijn broer, waardoor hij bij zijn dood mijn leven meesleept in de vrouw.

Thebaan 1: Piëteit wekt piëteit, in zekere zin, maar wie de macht heeft, ziet nooit graag zijn gezag aangetast.

Thebaan 2: Jouw eigenzinnigheid heeft je ten val gebracht.

Antigone: Niemand huilt om mij... Niemand houdt van mij... Niemand wordt mijn weduwnaar. Zo ga ik, rampzalige, de weg die onontkoombaar voor mij is uitgezet. Voor mij, beklagenswaardige, is beschikt dat ik het oog van de zon daar nooit meer zal zien stralen. Zelfs dat mijn lot geen traan doet vloeien, is voor geen van mijn bekenden een reden tot een zucht.

Kreon: Als ten overstaan van de dood klaagliederen en jammerklachten niet zo nutteloos waren, zou niemand er ooit mee ophouden. Weet u dat niet? Vooruit nu, weg met haar. Sluit haar op in die grafspelonk, zoals ik gezegd heb. Laat haar daar achter, alleen en verlaten. Of ze nu sterven zal ofwel levend onder de pannen komt in een dergelijk thuis, zo laden wij wat haar betreft geen schuld op ons. Maar het recht van inwoning in ons midden is haar voorgoed ontzegd.

Antigone: O, graf... Bruidsvertrek... Onderaardse behuizing waar een mens voor altijd opgeborgen wordt... Nu kom ik dan om mijn familie op te zoeken, die voor het overgrote deel reeds in het dodenrijk verwelkomd is. Nu ben ik ten slotte aan de beurt om aan mijn eind te komen, vóór mijn tijd. Maar nu ik ga, heb ik één troost: de stellige verwachting dat vader blij is dat ik kom, en u ook, moeder, en jij, broer, want heb ik niet toen jullie stierven persoonlijk de lijkwassing van praalbed verzorgd en bij het graf geplengd zoals het hoort? Maar Polyneikes, deze keer heb ik dit lot verdiend aan jouw stoffelijke resten die ik de laatste eer bewezen heb, al heb ik daar redelijk beschouwd heel goed aan gedaan. Trouwens, als ik moeder geweest was of wanneer er een gestorven echtgenoot van mij de weg van alle vlees gegaan was, dan zou ik nooit de openbare mening hebben getrotseerd en mij al deze ellende op de hals gehaald. Getuigt het nu van weinig principes dat ik dit zeg? Als mijn man gestorven was, dan had ik weer een ander gevonden, en had ik een kind verloren, dan had een andere echtgenoot mij weer een nieuw kunnen schenken, maar een broer krijg ik nooit meer terug, omdat mijn vader en moeder dood en begraven zijn. Op grond van dat principe heb ik er zo grote waarde aan gehecht jou de laatste eer te bewijzen. Maar in Kreons ogen was dit onvergeeflijk, een naamloos vergrijp en buiten alle proporties. Hij heeft me laten opbrengen. En hier ga ik nu, zonder bruiloft gevierd te hebben, zonder dat ik ooit de genoegens van het huwelijk heb mogen smaken of kinderen grootgebracht. In de steek gelaten door m'n kennissen, eenzaam en verlaten treed ik levend binnen in het onderaardse reisdoel van de stervenden. Wat voor bovenaardse gerechtigheid heb ik eigenlijk geweld aangedaan? Wat heeft het voor zin dat ik in m'n ellende de blik naar boven richt? Wie moet ik te hulp roepen? Juist door de goden te respecteren heb ik me het verwijt van goddeloosheid op de hals gehaald. Als dit alles de hemelse machten allemaal om het even is, dan moet ik me daar maar bij neerleggen, erkennen dat ik fout geweest ben. Maar als de fout bij deze mensen ligt, dan hoop ik dat hun niets ergers zal overkomen dan wat mij wederrechtelijk is aangedaan.

woordvoerder: Het meisje staat innerlijk nog steeds aan dezelfde stormachtige opwellingen bloot.

Kreon: Daarom, als ze niet voortmaken met haar weg te brengen, staat hier dadelijk nog iedereen met tranen in de ogen.

Antigone: Nu is 't afgelopen met mij... Als ze zo gaan praten, betekent dat dat het uur van mijn dood vlakbij is. Kreon: Ik raad iedereen af erop te vertrouwen dat het anders met haar zal aflopen.

Antigone: Wel, vaderstad in het Thebaanse land, en u, goden op wie mijn stamboom teruggaat, ik moet nu gaan, het is mijn tijd. En u, Thebes adel, zie wat hier de laatste van onze dynastie wordt aangedaan, hoe ik word vernederd, en door wie, alleen omdat piëteit voor mij nog inhoud had. (Antigone wordt weggeleid)

(Vierde stasimon, verzen 944-987. Over welbekende figuren uit het verleden die eveneens verplicht werden wrede straffen te verduren.)

Thebaan 1: Ook Danae zag zich verplicht met lijf en leden een metalig verblijf te betreden waar het etherisch licht haar niet kon beschijnen. Zij moest verdwijnen in de doodse lethargie van een cel. En toch, mijn lieve kind, ook zij was thuis in hoogste aristocratie en koesterde zelf in haar schoot een gouden regen: het zaad van Zeus. Maar de macht van het lot is onuitsprekelijk... Geen geld en geen geweld, geen bastion, geen boot die zich stuurs op zee een doorgang baant kan die weerstaan.

Thebaan 2: Zo werd ook Dryas' zoon, de Edonenkoning, driftig en cynisch, altijd vol honende opmerkingen, door Dionysos gekerkerd in een stenen woning. Daar kan hij nu vervaarlijk en ruw zijn onzegbare hartstocht laten bedaren, tot het inzicht gekomen dat hij met zijn uitspattingen en cynische opvattingen die god tegen zich in heeft genomen. Had hij maar niet de fakkeloptocht moeten verstoren van extatisch zingende vrouwen. Had hij het maar niet moeten wagen de Muzen, die graag fluitspel horen, in het harnas te jagen.

Thebaan 3: Aan de als staal zo blauwe klippen die de tweelingzee doormidden knippen grenst het Bosporusche strand. En daar, in het onherbergzame land van Thracië ligt Salmydessus waar de Oorlogsgod, die deze stad na aan het hart ligt, getuige was hoe, op instigatie van een verdierlijkt wijf, Phineus' beide zonen op verfoeilijke wijze beroofd werden van hun gezichtsvermogen. Het was ten hemel schreiend hoe men hen blind maakte, hun ogen uit de kassen stak, met de scherpe kant van een spoel, in handen met bloed bespat.

Thebaan 1: En toen er van hen nog maar een armtierig overblijfsel restte, luchtten zij met luid misbaar hun beklagenswaardig lot: dat hun moeder hen ter wereld had gebracht in een heilloos huwelijk, terwijl zijzelf stamde uit het oeroude geslacht van Erechteus. Zij was in afgelegen grotten opgevoed, omringd door het razen van haar vader, de Noordenwind. Snel als een renpaard bewoog zich over de steile rotsen dat kind, dat de goden beminde. En toch, mijn kindje, wist ook haar ten slotte het Lot, ouder dan de tijd, te vinden...

(Vijfde episode, verzen 988-1114.)

Teiresias: Stadbestuur van Thebe, wij zijn getweeën langs dezelfde weg gekomen, maar met slechts één paar ogen om te zien. Een blinde houdt zich aan de weg die zijn geleide volgt.

Kreon: Hoogbejaarde Teiresias, wat voor nieuws is er?

Teiresias: Dat vertel ik u wel, als u de raad van een ziener maar opvolgt.

Kreon: Ik ben er in het verleden nooit van afgeweken.

Teiresias: Zo hebt u met uw bestuursbeleid voor deze stad de juiste koers gevaren.

Kreon: Ik kan getuigen dat ik met uw raad mijn voordeel heb kunnen doen.

Teiresias: Bedenk dan wel dat momenteel u op het scherp van uw lot balanceert...

Kreon: Hoezo? Uit uw mond doet zoiets mij huiveren.

Teiresias: U zult het kunnen opmaken uit de dingen die mijn ambt aan het licht heeft gebracht. Ik zat waar vogelwaarnemers sinds mensenheugenis hun vaste plaats hebben, bij het trefpunt van al wat veren heeft. Opeens hoor ik de stem van onbekende vogels die kwaadaardig en hysterisch allemaal door elkaar schreeuwen. En ik kon mij wel voorstellen hoe ze elkaar met moordlust in hun klauwen te lijf gingen. Het lawaai van al die vleugels liet weinig te raden over. De schrik sloeg om mijn hart! Meteen gingen mijn gedachten naar het verbranden van vleeswaar op de volop gloeiende altaren, maar de vlammen werden verstikt door het gebraad. Het vet smolt van de schenkelstukken weg en droop in de as. Het walmde en spetterde. De galblazen spatten fel naar alle kanten uiteen en het vlees waar vet omheen gewikkeld zat kwam bloot te liggen. Ik heb dat allemaal gehoord van deze jongen hier. Het ritueel was op niets uitgelopen... Op de gewijde handelingen was geen peil te trekken. Hij hier instrueert mij, zoals ik weer anderen instrueer. Welnu dan, dat de stad zich dit moet laten welgevallen, is aan uw beleid te danken, want onze altaren en brandhaarden zijn stuk voor stuk verstopt doordat de vogels en honden zich te goed hebben kunnen doen aan de ellendig omgekomen zoon van Oedipus!... De goden nemen offergebeden en hammen die aan de vlammen worden toevertrouwd al niet meer van ons aan. Geen vogel die ons nog een goed voorteken toe kwettert. Hun snavel zit nog vol klef bloed van een vermoorde man. Besef dat wel, m'n zoon. Alle mensen doen zonder uitzondering wel 'ns iets verkeerd, maar wie iets verkeerds gedaan heeft, is pas een onbezonnen leeghoofd als hij, éénmaal tot een fout vervallen, het erbij zitten laat en geen pogingen in het werk stelt om zijn fout te herstellen. Door koppig te blijven haalt u zich het verwijt van hersenloos te zijn op de hals. Verzet u dus niet tegen wie u waarschuwt en kwel de overledene niet langer. Is het zo heldhaftig om een dode andermaal de dood aan te doen? Ik heb het met deze woorden goed met u voor. Naar iemands goede raad te luisteren is juist het meest aantrekkelijk wanneer zijn woorden voordeel opleveren.

Kreon: Genoeg, oude... Ik ben mikpunt voor iedereen, net een schietschijf. Zelfs waarzeggerij zetten jullie in tegen mij. Dat soort heeft mij altijd verraden en verkocht. Woekeren jullie rustig verder. Drijf maar handel met zilver uit Sardis, of als u wilt, zelfs met het goud uit India, hem krijgen jullie zo niet in het graf. Al wilden de adelaars van Zeus hem als prooi oppikken en ermee tot diens troon vliegen, dan nog zou ik mij geen moment bekommeren om deze gruweldaad en hem daarom laten begraven. Ik weet namelijk best dat geen mens bij machte is de goden te beledigen. Maar mensen, Teiresias, oud en grijs als je mag zijn, komen vaak, ook de eerbiedwaardigste, schandalig ten val als zij om de winst schandalige dingen gaan vergoelijken!

Teiresias: Verschrikkelijk! Weet dan geen mens, begrijpt dan niemand...

Kreon: Wat is er aan de hand, wat staat u daar nou te leuteren?

Teiresias: ...dat de redelijkheid het kostbaarste is dat iemand kan bezitten?

Kreon: Zoals leeghoofdigheid, zou ik denken, het ergste is wat hem kan overkomen.

Teiresias: Dat is juist de ziekte waardoor u volkomen in beslag genomen wordt.

Kreon: Ik wil een ziener niet al te fel van repliek dienen...

Teiresias: Dat hebt u al gedaan. Door te beweren dat ik oplichterij verkondigd heb.

Kreon: Al die zieners zijn belust op geld.

Teiresias: En dictators zijn verslingerd aan corruptie, zolang zij d'r maar op vooruit gaan.

Kreon: Beseft u wel dat de mensen waar u het over heeft staatshoofd zijn?

Teiresias: Zeker. Dat u deze stad weer op de been hebt kunnen helpen, is aan mij te danken.

Kreon: U bent als ziener erudiet genoeg, maar uw mentaliteit deugt niet.

Teiresias: U brengt mij nog zo ver dat ik uit ga spreken wat ik tot nu toe zelfs in gedachten nog niet aangesneden heb.

Kreon: Ga uw gang. Zolang u maar niet spreekt met de bedoeling er munt uit te slaan.

Teiresias: U zult in elk geval, ben ik bang, niets opschieten met wat ik zeggen ga.

Kreon: Als u maar weet dat ik mij niet laat paaien.

Teiresias: En als u dan maar heel goed weet dat u niet vaak getuige meer zult zijn van de bezeten kringloop van de zon vóór u met een sterfgeval van uw eigen vlees en bloed geboet zult hebben voor de dood van anderen. Voor het feit dat u iemand levend naar beneden gestuurd hebt en de ziel eerloos in een graf gehuisvest, terwijl u een dode, die de goden van het Onderaardse toebehoort, hier houdt en belet dat graf en bijbehorend ritueel, waarop hij recht heeft, zijn deel worden. De doden vallen niet onder uw jurisdictie, en evenmin onder die van de bovengrondse goden aan wie u een en ander opgedrongen hebt. Om die reden rust het onheilspellend wraakgierig oog van de vergelding uitgaand van zowel de hemel als de hel op u, kil en onbeweeglijk, en beraamt voor u een even wrede ondergang. En nu, let op, of ik ben omgekocht voor ik zoiets zeg - dat zal blijken binnenkort uit het gekerm en gejammer van mannen en vrouwen in uw huis, een stad waar honden en wilde dieren zich mogen ontfermen over de resten van gestorven ingezetenen - of anders een vogel die met de heilloze stank nog in zijn veren tot in de bebouwde kom vliegt, tot bij de huisaltaren, zo'n stad zal vroeg of laat altijd door vijandelijkheden ontwricht worden. U hebt het ernaar gemaakt...! Dit waren dan de pijlen die ik in mijn verontwaardiging trefzeker in uw hart geschoten heb, als een volleerd boogschutter. Deze pijnscheuten kunt u niet ontlopen. Kom, jongen, zorg dat wij thuiskomen... Dan kan deze man zijn woede koelen op jongeren dan ik, en misschien leert hij z'n tong wel beter in bedwang te houden en zijn opvliegendheid wat tot bedaren te brengen..

(verlaat het vertrek).

woordvoerder: Majesteit, die man heeft, voor hij ging, verbijsterende dingen aangekondigd. Maar sinds mijn haar, dat lang geleden zwart geweest is, wit werd, heeft de stad uit zijn mond nooit onwaarheden vernomen. Dat weet ik wel....

Kreon: Ik ook... Dat heeft mij uit het veld geslagen. Er is bovenmenselijke kracht voor nodig om het hoofd te buigen, maar het is iets onvoorstelbaars om vernietigd te worden terwijl je je nog volop verzet..

woordvoerder: Zoon van Menoikeus, zorgvuldig overleg is nu geboden..

Kreon: Wat moet er gebeuren? Zeg iets, alstublieft... Ik zal mij eraan houden..

woordvoerder: Ga het meisje uit haar spelonk bevrijden en richt voor hem die daar open en bloot te kijk ligt een grafmonument op.

Kreon: Dus dat is uw advies... Het dunkt u het beste... om te zwichten.

woordvoerder: En wel zo snel mogelijk, Majesteit. De vergelding van de goden achterhaalt kwaadwilligen maar al te vlug.

Kreon: Het is wel erg moeilijk. Maar wat mijn hart me ook influistert, ik ga het doen. Het heeft geen zin om tegen het onvermijdelijke in te gaan.

woordvoerder: Ga nu. Doe wat u zich hebt voorgenomen en schuif het niet op anderen af.

Kreon: Ik vertrek op staande voet. Laat mijn personeel - ja, jullie, en jullie allemaal - meteen met bijl in de hand op weg gaan. Je kunt hem van veraf zien liggen. Ikzelf ga ook, nu ik van mening ben veranderd. Ik heb haar zelf in de boeien geslagen, dus ga ik persoonlijk haar bevrijden. Ik ben bang dat het het beste is je leven lang de overgeleverde wetten te eerbiedigen.

(Vijfde stasimon, verzen 1115-1152. Vreugdevolle ode die de god Dionysus looft.)

Thebaan 1: Bacchus, met zijn talloze benamingen, van wie Cadmus' dochter haar gratie had, die zelf een nakomeling van Zeus is bij wiens stemgeluid de wereld beeft, die zorg draagt voor het vermaard Italië, die over de valleien in Eleusis van Demeter de supervisie heeft! Bacchus. woonachtig in de moederstad van alle Bacchanten, Thebe, waar waterrijk de Ismenos vloeit, Thebe uit het zaaiveld van de draak gegroeid.

Thebaan 2: Op de toppen van de tweelingrotsen heeft het flakkerende vuur dat walmend door Corycische nimfen wordt rondgedragen bij de Bacchusdans, heeft ook Kastalia's bron zicht op u, en telkens als daar druiventrossen en klimop Nysa's bergen in dikke lagen overdekkend het goddelijk gezang begon, langs spitsen en flanken weergalmend, dan heeft daarvan de jubelende boventoon altijd tot een bezoek aan Thebe u verleid.

Thebaan 3: Evenals bij uw moeder die door de bliksem werd geslagen, staat deze stad bij u in hoger aanzien dan de andere. Laat dat niet veranderen nu deze beproeving ons grondgebied in alle hevigheid komt belagen, maar kom, kom met uw louterende tred, afdalend langs de Parnassus, of door de zeestraat waar de branding klotst.

Thebaan 1: Welkom bent u, die de liederen van 's nachts beschermt.

Thebaan 2: Vonkend vuur, hijgende dansmeester, wees zo goedertieren heer, wettig kind van Zeus.

Thebaan 1: Manifesteer u, tezamen met iedere volgeling die u omzwermt. Alle bacchanten die nachtenlang dansen, onvermoeibaar u ter ere.

Thebaan 3: Bacchus, die ons de vreugde komt leren!

(Exodos, verzen 1153-1353.)

bode: Stadgenoten van Amphion en Cadmus, nooit zal ik mij meer over iemands leven uitlaten, in positieve noch in negatieve zin, hoezeer ook alles in dat leven vast mag staan, want hoe slecht of hoe goed het ook mag gaan, het speelse lot houdt nooit z'n klauwen thuis, maar verheft de een en slaat de ander neer. En niemand kan voorzien wat mensen te wachten staat. Kreon bijvoorbeeld, die heb ik nooit benijd. Hij had dit land van Cadmus voor vijandelijke overheersing behoed, zich de alleenheerschappij erover toegeëigend, en oefende zijn gezag uit, in het gelukkige bezit van voorbeeldige zoons. En nu is ie alles kwijt, want een leven waaruit het geluk geweken is, dat noem ik geen leven meer, maar levende dood. Je kunt je huis omringen met zoveel luxe als je wilt, de dagindeling van dictators erop nahouden, als je daaraan geen plezier beleeft, dan is de rest mij - vergeleken met tevredenheid - niet de schaduw van een rookpluim waard.

woordvoerder: Wat voor slag heeft ons vorstenhuis nu weer getroffen? Wat kom je melden?

bode: Ze zijn dood! En wie de schuld zijn, leven.

woordvoerder: Wie is de moordenaar? Wie slachtoffer? Maak je woorden toch eens af!

bode: Haemon is dood. En wie z'n bloed vergoten heeft? Een vreemde is het niet.

woordvoerder: Heeft hij zelf de hand aan zich geslagen? Of heeft zijn vader de hand daarin gehad?

bode: Hijzelf, uit vertwijfeling om de moord die zijn vader heeft begaan.

woordvoerder: Nu zie ik hoezeer de woorden van die ziener zijn bewaarheid...

bode: Het is nu eenmaal zo. Aan u om nu de nodige maatregelen te treffen.

woordvoerder: Daar zie ik Eurydice al komen, Kreons ongelukkige gemalin. Misschien heeft zij het al gehoord van haar zoon, misschien is het toevallig dat zij haar huis uitkomt.

Eurydice: Ik heb uw woorden allemaal verstaan, stadgenoten. Ik was net op weg naar buiten om mij tot Pallas Athene te gaan wenden met mijn smeekbeden. Ik stond op het punt de grendel van de deur te schuiven toen dit bericht over de ramp die ons getroffen heeft mijn oor bereikte. Ontzet ben ik teruggeweken, in de armen van mijn kamermeisje, en bezwijmde ik daarbij. Hoe luidde dat bericht? Zeg het nog 'ns? Verdriet is voor mij niet ongewoon. Ik zal in alle kalmte naar u luisteren.

bode: Hoogheid, u kent de genegenheid die wij u toedragen. Ik ben erbij geweest en zal geen woord van de waarheid verzwijgen. Waarom zou ik u sparen, om achteraf als leugenaar te boek te staan? De waarheid is overal en altijd op haar plaats. Ik heb uw gemaal begeleid tot waar op de hoogvlakte nog altijd, door geen mens beweend en door de honden aangevreten, het stoffelijk overschot van Polyneikes lag. Eerst hebben wij gebeden tot de goden van de weg en van het Onderaardse, of zij zo welwillend wilden zijn hun toorn te onderdrukken, en vervolgens aan hem de lijkwassing verricht zoals het hoort, waarna wij gezamenlijk de overblijfselen verbrandden op een bed van verse takken. Toen hebben wij een hoge grafheuvel van Thebaanse aarde opgeworpen, en daarna gingen wij op weg naar het meisje in haar doodse stenen bruidsgewelf. Van veraf hoorde iemand al de schrille klachten van een stem uit de richting van dat ongewijde bruidsbed komen, en maakte koning Kreon er attent op. Toen deze dichterbij kwam, bereikten 'm ongearticuleerde kreten van verdriet en met een zucht stootte hij in zijn ellende uit: “Rampzalige die ik ben. Heb ik dit van tevoren kunnen weten? Is dit niet de meest noodlottige weg die ik ooit van m'n leven heb afgelegd? Ik herken de stem van mijn zoon. Haasten jullie je toch, mannen, erop af! En als je bij het graf bent, baan je dan een weg door de toegang die er in de grafheuvel is uitgespaard, tot bij de ingang zelf en kijk of ik werkelijk de stem van Haemon hoor, of dat ik lijd aan waanvoorstellingen!” Op dit bevel van onze radeloze leider zijn we gaan kijken en zagen haar achter in de grafkamer hangen aan haar nek, met een linnen sluier als strop. En hij zat er op z'n knieën bij, z'n armen om haar middel, terwijl ie klaaglijk zat te huilen om zijn bruid in het hiernamaals, om wat z'n vader had aangericht, en om zijn onfortuinlijke huwelijkskeus. En als zijn vader hem zo ziet. gaat ie zuchtend en steunend - het ging door merg en been - naar binnen en roept 'm met een gekwelde stem toe: “Ongelukkige, wat ga je doen? Wat ben je van plan? Wat heeft je zozeer buiten zinnen kunnen brengen? Mijn jongen toch, kom mee naar buiten, smeek ik je.” Maar zijn zoon keek 'm alleen maar aan, met een verwilderde blik en spuwde 'm zonder een woord te zeggen recht in het gezicht, waarna hij zijn tweesnijdend zwaard trok. Maar zijn vader rende weg, naar buiten, zodat ie miste. Toen keerde zijn woede zich tegen zichzelf, in zijn ontreddering. Hij dreef het zwaard uit alle macht tot voor de helft in z'n zij, en terwijl ie nog leefde, sloeg ie een krachteloze arm om het meisje en rochelend bespatte hij haar bleke wangen met een abrupte gulp rood bloed. Daar ligt ie nu met de doden. Dood. Om z'n huwelijk toch nog op lugubere manier ingezegend te krijgen in de tempel van de dood. En uit zijn lot kunnen de mensen opmaken dat het ergste dat iemand treffen kan, is: niet voor rede vatbaar te zijn.

(Eurydice gaat naar binnen)

woordvoerder: Wat moet je hiervan denken? Hare Koninklijke Hoogheid heeft zich teruggetrokken zonder in welke zin dan ook met één woord te reageren.

bode: Daar sta ik ook verstomd van. Ik hoop nu maar dat ze 't met haar waardigheid in strijd acht om in het openbaar uiting te geven aan haar gevoelens, nu ze heeft vernomen hoe ontzettend het met haar zoon is afgelopen, en er de voorkeur aan geeft om in haar eigen vertrekken bij haar hofdames haar verdriet uit te storten over de slag die haar huis getroffen heeft. Ze is niet zo ver heen dat ze de vormen zal verwaarlozen.

woordvoerder: Ik weet het nog niet. Volgens mij is geforceerd zwijgen even onheilspellend als een buitensporige uitbarsting van smart.

bode: We zullen gauw genoeg weten of ze in haar hart niet heimelijk iets voorheeft. Ze heeft het zwaar genoeg te verduren gehad. Ik ga naar binnen, u hebt gelijk: geforceerd zwijgen duidt soms evengoed een catastrofe aan.

Thebaan 1: Zie, Daar komt zijne majesteit zelf.

Thebaan 2: Uit wat hij in z'n armen draagt, spreekt duidelijk zijn schuld. Deze straf heeft hij, als ik mij zo mag uitdrukken, aan geen ander te danken dan zichzelf.

Kreon: Vervloekt... Vervloekt de halsstarrigheid die dood en misdaad zaait... Vervloekt beweegredenen die voor geen rede vatbaar zijn. Hier ziet u moordenaar en slachtoffer van hetzelfde bloed. Die onzalige beslissingen van mij ook... Mijn kind... Mijn kind... |o jong nog met je lot verenigd... Nee.. o, nee... dood... weggerukt... niet als gevolg van jou, maar van mijn eigen onverstand. Gruwelijk...

woordvoerder: Nu u uw dwaling inziet, is het te laat.

Kreon: Ontzettend... Wat heb ik niet moeten meemaken voor ik tot rede was gebracht? Er heeft een god in mijn hoofd gezeten dat het bijna barstte! Die heeft me op dwaalwegen geleid. Ontzettend... Mijn glorie is ten val gebracht, vertrapt... Wat een lot! Wat een mens al niet moet doorstaan om zich staande te kunnen houden.

bode: Hoogheid, u hebt al verdriet genoeg, maar er staat u nog meer te wachten. U draagt al genoeg in uw armen, maar als u naar binnen gaat, ziet u meteen dat u nog een ander verlies geleden heeft.

Kreon: Wat kan nog erger zijn dan deze ellende?

bode: De koninklijke gemalin is dood. Moeder tot het uiterste van uw dode zoon.

Kreon: Vervloekt...

bode: Zojuist is de zwaarbeproefde vrouw bezweken aan de wonden die zij zich heeft toegebracht.

Kreon: Vervloekt... Heeft de dood dan nooit genoeg? Dood.. o, dood... waarom heb je 't op mijn ondergang voorzien? En jij, wat een onheilstijding heb je me gebracht? Hoe kun je 't over je lippen krijgen? Jij hebt mij voor de tweede maal de doodssteek toegebracht! Wat zeg je, jongen? Na de dood van mijn zoon moet ik nu ook het bloedig lot van mijn vrouw nog torsen?

(de deuren van het paleis worden geopend en het lijk van Eurydice wordt zichtbaar)

woordvoerder: Zie, de besloten ruimte geeft haar geheimen prijs, en ieder kan het nu met eigen ogen zien.

Kreon: Verschrikkelijk... Ik zie nu zelf waar ik nog een verlies geleden heb. Wat heb ik nu eigenlijk nog te verwachten? Wat kan mij nu nog deren? Hier sta ik, in al mijn verworpenheid, nog met mijn zoon in m'n armen, en daar zie ik het tweede slachtoffer liggen. Arme moeder... Arme zoon...

bode: Bij het huisaltaar ineen gezonken, na zichzelf met een zwaard gestoken te hebben, heeft ze haar ogen waar het licht al uit begon te wijken nog éénmaal geopend en een klacht geuit... dat nu, na de dood een tijd geleden van Megareus, ook Haemons bed voor altijd onbeslapen blijft... en u het ergste toegewenst, nu uw boosaardige praktijken uw eigen zoon het leven hebben gekost.

Kreon: Nee... om nee... Er gaat een schok van afgrijzen door mij heen. Waarom stoot niemand mij een tweesnijdend zwaard in de borst? Ik ongelukkige, nee... Ik... ik ben een en al verdriet en ellende.

bode: U heeft ze haar eigen dood en die van haar zoons ten laste gelegd.

Kreon: Op... op welke manier is zij toen heengegaan?

bode: Eigenhandig heeft zij haar hart doorboord, toen ze vernomen had hoe jammerlijk haar zoon heeft moeten lijden.

Kreon: Ondraaglijk... Een schuld als die van mij zal een ander nooit op zich laden. Ik ben het, ik ben de moordenaar. Pijn...! Pijn...! Ik en niemand anders, dat is de waarheid. Vervloekt... Kom, adjudanten, breng me weg, weg van hier, weg... weg! Ik... ik ben niet meer dan niets.

woordvoerder: Dat is goed. Als er in uw ellende nog iets goed mag heten, zo gaat het vreselijkste leed het snelst over.

Kreon: Kom nu, kom nu toch, waarom aarzelt nu het lot dat ik het meest begeer? Waar blijft mijn laatste dag? Kom! Kom! Ik wil niets liever dan nooit, nooit meer de dag aanschouwen.

woordvoerder: Dat is de toekomst voorbehouden, maar voor het moment moet er gehandeld worden. De rest berust nu bij de goden.

Kreon: Ik heb alleen gebeden om wat ik verlang.

woordvoerder: Niet meer bidden! Er bestaat voor sterfelijke mensen geen uitweg uit het onheil dat ons getroffen heeft.

Kreon: Breng mij dan maar weg, dwaas die ik ben. Ik heb jouw dood, mijn jongen, en... en de jouwe, vrouw, niet bewust veroorzaakt. Ik rampzalige, ik weet niet meer waar ik moet kijken, niet waar ik heen moet. Mijn noodlot bonst ondraaglijk in mijn hoofd...!

Thebaan 1: Er is geen geluk dat het haalt bij een redelijk verstand.

Thebaan 2: Nooit mag men eeuwige wetten negeren.

Thebaan 3: Want wie te hoog grijpt, kan hoog stijgen, denkt hij dan, maar des te dieper valt hij ook. Wat zijn schuld delgt, en hem op hoge leeftijd leert zijn verstand te gebruiken.