Home / Drijfjacht

Drijfjacht

De rechter van instructie heeft twee jonge echtparen gedagvaard, die elkaar ervan beschuldigen de dood van hun bijna even oude kinderen veroorzaakt te hebben. In de loop van een lang verhoor lijkt duidelijk te worden, dat wraakzucht en ontgoochelde liefde, nijd en verkeerd begrepen hulpvaardigheid een ongeval tot een misdaad willen ombuigen. De vraag naar de schuld blijft evenwel onbeantwoord.

Rolverdeling.

Constant van Kerckhoven Thommen, de rechter van instructie
Frans Somers Franz Brügger
Nel Snel Nelli Brügger
Johan Wolder Rolf Klausner
Fé Sciarone Silvia Klausner

Aanvullende gegevens.

Auteur: Manfred Schwarz
Vertaling: Paul van der Lek
Regie: Léon Povel
Omroep: KRO
Uitzending: 06-11-1964
Speelduur: 42 minuten
Categorie: Psychologisch

De bron van deze productie.

Die Hetze, 20-12-1963 Bayerischer Rundfunk.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

(Nelli en Frans komen de rechtszaal binnen)

Thommen: Komt u binnen alstublieft... Eh... neemt u plaats... (deur dicht). De anderen kunnen ook ieder ogenblik hier zijn... Ach, maar dat weet u nog helemaal niet. Ik heb uw buren ook gevraagd te komen. Ja, dat is toch niet bezwaarlijk voor u om hen hier te ontmoeten?

Nelli: Nee, dat niet, maar eh... we hebben d'r alleen niet op gerekend.

Frans: Als de Klausners gevraagd zijn, is daar niets aan te veranderen.

Thommen: Ja, het is niet makkelijk voor u alle vier, dat weet ik, maar ik geloof dat het belangrijk is dat we de hele kwestie van 't begin af aan samen bespreken.

Frans: Ja, ik weet niet in hoeverre u op de hoogte bent van mijn auto-ongeluk...?

Thommen: Ja, ik weet ervan. U werd vrijgesproken.

Nelli: Ja, op twee september en op de derde hebben we onze Estie verloren.

Frans: Nelli!

Nelli: Is het dan niet waar?

Frans: Natuurlijk is het waar, maar dat heeft niets met elkaar te maken.

Nelli: Dat zeg jij!

Frans: Maar je kunt toch niet... Edelachtbare, al drie weken lang probeer ik mijn vrouw uit d'r hoofd te praten dat ons kind een gewelddadige dood zou gestorven zijn. Begrijpt u?

Thommen: Jazeker... Ja, ja ja... Uw vrouw heeft er tegenover mij al op gezinspeeld dat er misschien verband bestaat tussen uw auto-ongeluk, waardoor het kind van het echtpaar Klausner om het leven kwam, en de dood van uw eigen kind. Dat is toch wat u vermoedt, nietwaar mevrouw Brügger?

Nelli: Ik vermoed niets.

Frans: Edelachtbare...

Thommen: Dat wil ik liever laten rusten tot de anderen er ook zijn. Ik wil er u alleen op wijzen dat het bij dit onderhoud uitsluitend om een formaliteit gaat. Zoals u waarschijnlijk wel weet, is het voorschrift dat ieder ongeluk met dodelijke afloop door de justitie grondig wordt nagegaan. Het lijkt mij voor alle betrokkenen prettiger als ik hen maar één keer hoef lastig te vallen. Ook om die redenen heb ik de Klausners vandaag hier laten komen. Het is dus niet mijn bedoeling een verhoor af te nemen, maar om te proberen zakelijk en zo mogelijk vriendschappelijk over de betreurenswaardige gebeurtenis te spreken. Ja, wilt u mij een ogenblik verontschuldigen? (verlaat de rechtszaal)

Frans: Eh... edelachtbare, ik... (deur dicht) Ik zeg je nog eens met klem: bedenk goed wat je zegt.

Nelli: Ik zal zeggen wat waar is.

Frans: Maar dat zijn toch hersenschimmen! Je kunt niets bewijzen. Als jij beweert dat ze Estie met opzet van het balkon geduwd heeft terwijl het niet waar is, word je aangeklaagd wegens laster.

Nelli: Dat weet ik.

Frans: Nee, je realiseert je niet wat de gevolgen kunnen zijn. Jij bent veel te zeker van je zaak.

Nelli: Ik dacht dat het niet alleen mijn zaak was. Estie was ook jouw kind.

Frans: Dat vergeet ik niet.

Nelli: Waarom wil je dan vergeten wat ze met d'r gedaan heeft?

Frans: Wat kan mevouw Klausner er aan doen dat Estie van het balkon gevallen is?

Nelli: Estie is niet zomaar naar beneden gevallen.

Frans: Hoe wil je dat bewijzen? Met dat verhaal van die slakken misschien? Met het keukenmes en alles wat je erbij gefantaseerd hebt?

Nelli: Ik heb er niets bij gefantaseerd.

Frans: Alles heb je gefantaseerd om een wapen tegen hen in handen te hebben. Sinds ik dat ongeluk heb gehad, leg je alles wat zij doet als vijandigheid uit tegenover jou. Maar je weet heel goed dat je je die zogenaamde wraakgevoelens van haar inbeeldt.

Nelli: Mijn God, waarom neem je haar toch altijd in bescherming? Jij ziet in haar alleen maar de treurende moeder. De stille verwijten die ik moest voelen, iedere dag, daar heb jij nooit iets van gemerkt.

Frans: Ik heb ook nooit gemerkt dat jij moeite deed om je in haar toestand te verplaatsen.

Nelli: Vind je misschien dat ze het recht had Estie dood te maken?

Frans: Dat heeft ze niet gedaan.

Nelli: En als ze het wel gedaan heeft, wat dan? (deur open)

Silvia: O!

Rolf: Goeiendag.

Frans: Goedemorgen. (deur dicht)

Frans: Het spijt me dat u ook lastiggevallen moest worden. Dat wisten we niet. Anders...

Silvia: Het verbaast me niet dat wij ook opgeroepen zijn.

Frans: De rechter van instructie was zo-even hier. Hij zei dat het alleen om een formaliteit ging.

Silvia: Daar hebben we al enige ervaring mee.

Rolf: Silvia!

Silvia: Ja Rolf, ik weet het. Als het aan jou lag, zou ik hier heel timide in een hoekje moeten gaan zitten en afwachten dat ze voor mij met verzachtende omstandigheden komen aandragen. Maar dat doe ik nu eenmaal niet. Mevrouw Brügger, ik wil u alleen dit zeggen: ik weet dat u mij mijn gedrag na de dood van mijn kind van de eerste dag af kwalijk genomen hebt. Ik kon geen vergiffenis veinzen. Ik wilde van geen verzoening weten. En toen werd u bang van mij en tenslotte ging u mij haten. In stilte snakte u naar de dag dat u mij mijn oprechtheid en mijn onmacht om te vergeten en te vergeven betaald kon zetten. Nu is die dag gekomen en gaat u zich wreken, maar ik zal mij verdedigen. Ik zal mij verdedigen tegen de honden die mij opjagen.(rechter komt weer binnen)

Thommen: O, mag ik mij even voorstellen? Thommen, rechter van instructie. Gaat u zitten alstublieft. (dat doen ze) Ik dank u dat u gekomen bent. Zoals u gemerkt hebt, ben ik zo vrij geweest een samenkomst voor vier personen te arrangeren, omdat het bij dit onderhoud alleen nog maar om een formaliteit gaat.

Silvia: Voor u!

Thommen: Ja... eh.. hoe bedoelt u?

Silvia: Ik zei: voor u, edelachtbare, is het alleen een formaliteit.

Thommen: Ik begrijp u niet goed.

Silvia: U weet toch heel precies waarvan ik verdacht word?

Thommen: Mevrouw Klausner, ik wil u voorlopig alleen dit zeggen: het is niet op aandrang van mevrouw Brügger geweest dat men u gevraagd heeft hier te komen. U zou in ieder geval opgeroepen zijn, daar het betreurenswaardige ongeluk in ùw woning is gebeurd. Daarom is het op dit ogenblik niet aan de orde of iemand eh... de één of andere verdenking koestert. Laten we daarom de zaak niet nodeloos opschroeven of dramatiseren. Mevrouw Brügger?

Nelli: Edelachtbare?

Thommen: Ik zal helaas wonden moeten aanraken die nog niet genezen kunnen zijn. Ik verzoek u dringend mij dit niet als harteloosheid aan te rekenen. Ons beroep dwingt ons vaak natuurlijke gevoelens buiten beschouwing te laten. Ik hoop dat u mij begrijpt?

Nelli: Ja, edelachtbare.

Thommen: Dank u.

Silvia: Mag ik, voordat u gaat beginnen, mevrouw Brügger iets vragen?

Thommen: Eh... gaat uw gang.

Silvia: Gelooft u dat ik schuldig ben aan Esties dood?

Thommen: Mevrouw Brügger, u hoeft die vraag niet te beantwoorden als u dat niet wilt.

Silvia: Ik zou graag willen dat ze 't wel deed.

Thommen: 't Is beter dat we deze vraag voorlopig buiten beschouwing laten. Mevrouw Brügger heeft haar kind verloren.

Silvia: Ik heb ook mijn kind verloren, een halfjaar geleden.

Thommen: Dat weet ik en juist daarom moest u begrip hebben voor haar toestand.

Silvia: Moet ik er begrip voor hebben dat ze mij van moord verdenken?

Thommen: Maar dààr is toch helemaal geen sprake van? Gelooft u werkelijk dat wij volstaan hadden met een eenvoudige dagvaarding als wij een moord moesten veronderstellen? Dat woord had ik dus liever niet gehoord. Ik ben er ook van overtuigd dat meneer en mevrouw Brügger nooit in ernst aan die mogelijkheid gedacht hebben.

Frans: Natuurlijk niet. Het was een ongeluk. Het was niet te voorkomen. Het had iedere andere dag net zo goed kunnen gebeuren.

Thommen: Dank u, meneer Brügger. Ik geloof dat het het beste is dat we even kort samenvatten wat er op die morgen van de derde september gebeurd is. Mevrouw Klausner, vertelt u ons alstublieft het verloop van die ochtend zo nauwkeurig als u zich kunt herinneren. U... u zat met uw man aan het ontbijt en praatte met hem, daarna ging uw man naar zijn werk, mevrouw Brügger kwam en bracht haar kind Estie bij u, zoals wel vaker gebeurde, nietwaar?

Frans: Het was de eerste keer sinds lange tijd.

Silvia: Om precies te zijn: de eerste keer sinds Suzies dood.

Nelli: Ja! En u had het voorgesteld.

Silvia: Mijn man had het voorgesteld, omdat hij u de verzekering had gegeven dat ik niet zo gevaarlijk was als ik er uitzag.

Thommen: Ja, alstublieft, zo komen we niet verder... Mevrouw Brügger, u ging de stad in om boodschappen te doen, is het niet? En u, mevrouw Klausner?

Rolf: Mijn vrouw zette het kind op het balkon om rustig het huishouden te kunnen doen.

Thommen: En toen u op een gegeven ogenblik weer naar het balkon ging om naar het kind te kijken, was het er niet meer. Estie was naar beneden gevallen in de tuin. Mevrouw Klausner, kunt u zich herinneren hoe laat ongeveer het ongeluk gebeurde?

Silvia: Nee.

Nelli: Het moet bij half twaalf geweest zijn, want toen ik thuiskwam, was het precies half twaalf, dat weet ik nog heel goed. Ik keek op de klok of het al tijd was om voor het eten te gaan zorgen. Ik wilde Estie gaan halen, ik belde bij Klausner. Er kwam niemand, maar de deur stond open. Toen ging ik naar binnen, de gang door... de woonkamer en... toen ik in de kinderkamer kwam... lag Estie daar... precies zoals ik gedroomd had... een paar dagen eerder.

Silvia: Wat kan ik er aan doen dat u zulke dromen hebt?

Rolf: Silvia!

Thommen: Mevrouw Klausner. Om half twaalf kwam mevrouw Brügger terug. Hoe lang daarvoor was het ongeluk gebeurd? Vijf minuten? Een kwartier?

Rolf: Hoogstens tien minuten.

Thommen: Dus om ongeveer om tien minuten voor half twaalf had u gemerkt dat Estie niet meer op het balkon speelde, klopt dat?

Silvia: Ja.

Thommen: Hoe stelt u zich voor dat het ongeluk zich heeft afgespeeld, mevrouw Klausner?

Silvia: Het kind moet op de stoel geklommen zijn... en van daar op de tafel en is toen blijkbaar over de leuning naar beneden gevallen.

Thommen: Maar had u dan niet gezien dat die meubelen gevaarlijk konden zijn voor het kind? Een kind van twee jaar klimt toch overal op?

Silvia: Mijn kind zou nu drie zijn als het nog leefde en nooit is er ook maar iets gebeurd. En wist hij misschien niet dat mijn Suzie altijd in de tuin speelde op de tijd dat hij met zijn auto thuiskwam. Toch heeft hij haar overreden en de rechtbank heeft hem vrijgesproken!

Thommen: Mevrouw Klausner, het ligt niet op onze weg om aan de juistheid van een gerechterlijke uitspraak te twijfelen... Dat was het dus zo ongeveer wat u te zeggen hebt over het verloop van het ongeluk, neem ik aan? Of eh... hebt u daar nog iets aan toe te voegen?

Silvia: Nee.

Thommen: Dank u... Mevrouw Brügger, nou moet ik u een paar vragen stellen. Als ik u indertijd bij mijn korte bezoek goed begrepen heb, is het volgens u niet uitgesloten dat bij het ongeluk van uw kind misschien nog een andere persoon betrokken is.

Nelli: Nou, het...

Thommen: Nee nee, geeft u nog geen antwoord. Ik zou u graag eerst nog een paar dingen onder ogen willen brengen. Ziet u, mevrouw Brügger, ik heb al een vrij groot aantal van dit soort onderzoekingen geleid. De helft van deze onderzoekingen - misschien zelfs wel meer - werd na korte tijd gestaakt. En wilt u weten waarom? De verdenking in kwestie bleek onhoudbaar. Ik moet u zeggen: het was bepaald geen verheffende aanblik deze aanklagers, die zo opeens in beklaagden veranderd waren, omdat ze een onschuldige verdacht gemaakt hadden. En dat zou ik u graag willen besparen, mevrouw Brügger. Begrijpt u wat ik zeggen wil?

Nelli: Ja, edelachtbare.

Thommen: Als u er werkelijk van overtuigd bent dat mevrouw Klausner uw kind met opzet van het balkon geduwd heeft, dan moet u dat zeggen natuurlijk, maar dan moet u zich ook goed realiseren dat u zelf evenmin ontzien zult worden. Wij zullen het onderzoek dan grondig moeten aanpakken. Daarom: bedenkt u zich tweemaal voor u antwoord geeft op mijn vraag. Blijft u bij uw beschuldiging of niet?

Frans: Edelachtbare?

Thommen: Ja?

Frans: Edelachtbare, mag ik even iets zeggen?

Thommen: Ja... eh, hebt u daar bezwaar tegen, mevrouw Brügger?

Nelli: Nee, edelachtbare.

Thommen: Nee, goed, gaat uw gang.

Frans: Ik wil alleen dit zeggen: voor mij is het geval volkomen duidelijk. Maar als mijn vrouw werkelijk meent aan haar beschuldiging te moeten vasthouden, dan kan ik dat alleen zo verklaren: sinds mijn ongeluk op de zeventiende maart... sinds dat ongeluk... ja, hoe moet ik dat zeggen... is er een muur van wantrouwen, haat en schuld ontstaan tussen de Klausners en ons. Ja, hoe gedraag je je tegenover een mens die je z'n kind hebt afgenomen, al was het ook zonder het te willen. Mijn vrouw durfde bijvoorbeeld niet meer aan mevrouw Klausner te vragen of zij op Estie wilde passen als ze boodschappen ging doen. Zij was bang om door ons kind mevrouw Klausner aan haar verlies te herinneren.

Silvia: Alsof het nodig was om mij daaraan te herinneren.

Frans: Nu is het heel goed mogelijk, edelachtbare, dat mijn vrouw - juist doordat ze Estie van mevrouw Klausner weghield - precies het tegendeel veroorzaakte. Mevrouw Klausner ging allicht denken dat mijn vrouw haar niet meer vertrouwde en zo werd de spanning steeds groter, iedere dag. En ten slotte wisten we geen van allen meer hoe we ons moesten gedragen tegenover elkaar. Misschien had het geholpen als we alles openhartig besproken hadden. Maar ik wilde niet de indruk wekken dat ik probeerde mijzelf vrij te pleiten of de uitspraak van de rechtbank te beïnvloeden. Ik had ook zeker geen vrijspraak verwacht.

Thommen: De uitspraak was zonder twijfel rechtvaardig.

Frans: Ja, maar die uitspraak werd gedaan één dag voor Esties dood en waarschijnlijk is het zo dat mijn vrouw verband ziet tussen mijn vrijspraak en het ongeluk zo vlak daarna. Ik kan het niet anders verklaren.

Thommen: Dank u, meneer Brügger. Hoe was het eigenlijk voor het ongeluk met uw auto? Ik bedoel: hoe was de verhouding tussen u en meneer en mevrouw Klausner vóór de zeventiende maart? Bestond er een nauw contact tussen u? Meneer Klausner, wilt u dat eens beschrijven?

Rolf: Edelachtbare, eh... ik meen te mogen zeggen dat we met elkaar omgingen als goeie buren. De vrouwen hielpen elkaar als er in de keuken eens wat nodig was. We gaven de sleutel als een van beiden 's avonds uit wilde, dan paste de ander op de kinderen. Alles was in orde.

Thommen: Bent u het daarmee eens, mevrouw Brügger?

Nelli: Mm, ja...

Thommen: Toch niet helemaal, geloof ik?

Nelli: Ach, het is niets belangrijks.

Thommen: Nee, nou moet u ook alles zeggen.

Nelli: Nou, goed... de Klausners keken eigenlijk een beetje op ons neer, omdat hij architect is en mijn man maar vertegenwoordiger.

Silvia: Oh!

Nelli: Ja, dat is zo! U hebt mij ook dikwijls laten voelen dat u meer ontwikkeling hebt dan ik.

Thommen: U hebt gestudeerd, mevrouw Klausner?

Silvia: Ik heb eindexamen gymnasium, dat is alles.

Thommen: Juist, ja. Maar van werkelijk ernstige spanningen was voor de zeventiende maart geen sprake, nietwaar?

Rolf: Nee nee, beslist niet.

Thommen: En sinds de zeventiende maart is dat allemaal veranderd. Mevrouw Brügger, wilt u nu mijn vraag beantwoorden? Blijft u bij uw beschuldiging of niet?

Nelli: Ik wil eerst graag weten waarom meneer Klausner die ochtend na het ongeluk zei... eh... nou ja... wàt ie toen zei. Als hij mij kan overtuigen dat dat niet op de dood van mijn kind sloeg, dan... dan heb ik er vrede mee.

Thommen: Wat zei meneer Klausner dan?

Nelli: Dat weet ie heel goed. En waarom heeft mevrouw Klausner tot nu toe verzwegen dat haar man thuiskwam voordat de dokter er was? En dat Estie van het balkon gevallen is terwijl zij met haar man telefoneerde?

Frans: Dat heeft toch niets met de zaak te maken?

Nelli: Natuurlijk wel, want zonder dat telefoongesprek zou meneer Klausner niet naar huis gekomen zijn, omdat ie dan niks van dat ongeluk had geweten.

Thommen: Meneer Klausner, wàt zei u toen u thuiskwam?

Rolf: Ik kan zoveel gezegd hebben... Ik was natuurlijk opgewonden. Ik weet werkelijk niet wat mevrouw Brügger bedoelt.

Nelli: U bent het niet vergeten! U stond achter uw vrouw toen u het zei. Ze staarde u verschrikt aan en toen ze mij zag, werd ze doodsbleek.

Rolf: Het spijt me, maar ik herinner het me niet.

Thommen: Mevrouw Brügger, herhaalt u dan zelf die woorden die u zo belangrijk toeschijnen.

Nelli: Ik kan er op zweren dat ie die woorden gezegd heeft.

Thommen: Welke woorden dan?

Nelli: Meneer Klausner stond achter zijn vrouw die nog steeds in het telefoonboek naar een dokter zocht en... en zei... eh...

Thommen: Wat zei hij?

Nelli: “Dus je hebt het tòch gedaan?”

Thommen: Wat hebt u daarop te antwoorden, meneer Klausner?

Rolf: Ik kan alleen herhalen wat ik al gezegd heb. In mijn opwinding zei ik natuurlijk dingen die ik nu niet meer weet. Maar het is toch heel goed mogelijk dat mevrouw Brügger zich vergist, dat ze iets meende te verstaan wat in werkelijkheid nooit is gezegd. Ik wil mevrouw Brügger beslist niet van leugens betichten, maar... dat is toch niet uitgesloten?

Nelli: Hij heeft het gezegd, hij hééft het gezegd! Ik zweer dat ie het gezegd heeft.

Thommen: Mevrouw Brügger, we mogen ons niet laten meeslepen... Meneer Klausner, mevrouw Brügger heeft verklaard haar beschuldiging te zullen intrekken als u een plausibele verklaring kunt geven voor de woorden die u toen gesproken heeft.

Rolf: Ik kan me werkelijk niets van dien aard herinneren.

Thommen: Mm, goed, dan zullen we deze vraag voorlopig laten rusten. Mevrouw Klausner, u hebt Estie dus op het balkon gezet en u ging naar de keuken. Probeert u zich te herinneren wat er gebeurde tot het ogenblik waarop het ongeluk door u ontdekt werd.

Silvia: Mijn man belde op.

Thommen: Verder niets?

Silvia: Nee.

Thommen: En over dat telefoongesprek hebt u niets gezegd, omdat het volgens u niets met de zaak te maken heeft?

Silvia: Ja.

Thommen: Meneer Klausner, waarom belde u uw vrouw op?

Rolf: Zomaar. Ik... eh...

Thommen: Gebeurde het wel meer dat u uw vrouw zomaar opbelde?

Rolf: Ja... eh... af en toe.

Thommen: Ook deze keer was er geen speciale reden voor?

Rolf: Nee, eigenlijk niet... Ik vroeg hoe het met Estie was en...

Thommen: En?

Rolf: Anders niets.

Thommen: Mevrouw Klausner, waarom denkt u dat het kind tijdens uw telefoongesprek van het balkon gevallen is, zoals mevrouw Brügger zo-even opmerkte?

Silvia: Ik was even naar voren gaan kijken en toen was alles in orde.

Thommen: Waarom ging u dan nog 'ns kijken tijdens het telefoongesprek als u dat net gedaan had?

Silvia: Vraagt u 't maar aan mijn man. Ja, jij hebt mij gevraagd te gaan kijken.

Rolf: Sinds Suzies dood weet ik hoe gauw d'r iets gebeuren kan. Daarom belde ik ook op. En omdat je zo opgewonden was, vroeg ik hoe het met Estie was.

Silvia: Natuurlijk was ik opgewonden na die venter aan de deur.

Rolf: Ja, dat zei je tegen mij ook.

Thommen: Wat was dat voor een venter, mevrouw Klausner?

Silvia: Ach, zo'n marskramer zoals er honderden zijn. Ik zei hem dat ik niets nodig had, maar hij liet zich niet afschepen.

Thommen: Jammer dat u dat nu pas vertelt. Het verklaart in ieder geval uw opwinding. Ik begrijp alleen niet, meneer Klausner, waarom u die opwinding dadelijk in verband bracht met het kind.

Rolf: Ja, maar dat was ook voordat ze mij van die venter vertelde. Sinds Suzies dood ben ik nu eenmaal een beetje angstig geworden. Als je zelf zoiets hebt meegemaakt, kom je gauw op zulke gedachten.

Thommen: Dat bergrijp ik, ja... Mevrouw Klausner, op verzoek van uw man ging u kijken. Estie was er niet meer. U begreep meteen wat er gebeurd was, u rende naar beneden in de tuin en bracht het kind naar boven. U legde haar in de kinderkamer, nietwaar? En toen? Belde u een dokter op?

Silvia: Nee... ik wou mijn man zeggen wat er gebeurd was, maar hij had al opgehangen.

Rolf: Ik hoorde haar vreselijk geschrokken schreeuwen en omdat ze zo lang wegbleef, was ik bang dat er iets gebeurd was en daarom reed ik zo snel mogelijk naar huis. Wat er precies gebeurd was, wist ik natuurlijk niet.

Thommen: Maar u dacht onmiddellijk aan de mogelijkheid dat het kind een ongeluk overkomen was?

Rolf: Ja, natuurlijk, ook dat.

Thommen: Meneer Klausner, beschrijft u de situatie eens die u vond toen u thuiskwam.

Rolf: Mijn vrouw zat aan de tafel in de woonkamer. Ze was volkomen in de war en... zocht in de telefoongids. Ik hoorde in de kinderkamer de stem van mevrouw Brügger die intussen thuisgekomen was en...

Thommen: Ja, gaat u verder, meneer Klausner.

Rolf: Mevrouw Brügger huilde. Ik vroeg: “Wat is er gebeurd?”. En toen hoorde ik het. En ik eh... ik belde een dokter op. Dat is alles.

Thommen: U ging dus niet de kinderkamer in?

Rolf: Nee. Dat wil zeggen: ik wou daar juist naar binnen gaan toen mevrouw Brügger er uit kwam.

Nelli: Toen ik van de kinderkamer de woonkamer inging, stond meneer Klausner achter zijn vrouw en... en zei die woorden. Dat zweer ik.

Thommen: Mm. Meneer Klausner, u ontkent dus zeer beslist die morgen gezegd te hebben: “Dus je hebt het toch gedaan?”.

Rolf: Ik ontken niets. Alleen...

Thommen: Ontkent u het, ja of nee?

Rolf: Ik weet niet precies meer wat ik gezegd heb.

Silvia: Geef het toch toe! Hij heeft het gezegd.

Thommen: Uw vrouw schijnt het zich wèl te herinneren, meneer Klausner.

Rolf: Ja, ik heb het gezegd, maar ik bedoelde alleen dat ze niet goed op Estie gepast had.

Thommen: Meneer Klausner, u gelooft toch niet in ernst dat ik met deze verklaring genoegen neem?

Silvia: Zeg het nou maar. Je vertrouwde me niet meer sinds Brügger je dat verhaal van die slakken verteld had.

Thommen: Waarom zei u dat, meneer Klausner?

Rolf: Het staat heus volkomen buiten de zaak. Het heeft geen enkele zin dat ik het zeg.

Thommen: Maar als het buiten de zaak staat, is er ook geen reden om er een geheim van te maken, integendeel. Het zou misschien uw vrouw kunnen ontlasten. U zult moeten toegeven dat de woorden die u op dat kritieke ogenblik zei, zeer verdacht klonken. Het is mevrouw Brügger werkelijk niet kwalijk te nemen dat zij precies wilde weten waarom u dat zei.

Rolf: Het zou onvermijdelijk nieuwe misverstanden veroorzaken.

Thommen: Tja, zoals u wilt. Mevrouw Klausner, u zei daarnet iets over slakken. Heeft dat ook met deze...

Nelli: Ach, daar hoeven we toch niet over te praten?

Thommen: Die slakken hebben toch blijkbaar iets met de zaak te maken?

Nelli: Ik heb altijd gezegd dat dat niet te bewijzen was.

Rolf: Maar je bent ervan overtuigd dat mevrouw Klausner de slak aan de knop van de kelderdeur heeft gedaan om jou aan het schrikken te maken.

Nelli: Waar zouden die slakken anders vandaan gekomen zijn in deze droge zomer?

Thommen: Ik zou graag wat meer daarover willen weten. Meneer Brügger, hoe zit dat precies met die slakken?

Frans: Nou, het zat zo... Een dag tevoren...

Thommen: Een dag voor wàt?

Frans: Voor de derde september.

Thommen: Dus op de dag van uw vrijspraak?

Frans: Ja.

Thommen: Oh.

Frans: Het was avond, kort voor het eten. Ik was nog even gaan liggen, maar ik kon niet slapen.

Thommen: Waarom kon u niet slapen?

Frans: Nou, ik lag nog steeds over de uitspraak te denken.

Thommen: Ja, goed. Eh...gaat u verder, meneer Brügger.

Frans: Na een poosje stond ik weer op en toen ik uit de slaapkamer kwam, hoorde ik opeens mijn vrouw schreeuwen. Ik ging de keuken in, want het geluid kwam daar vandaan. Ik zag m'n vrouw. Ze hield zich vast aan het aanrecht. Ze staarde naar de grond. Daar lagen de scherven van een slakom. Ik vroeg wat er aan de hand was. Ze zei: “Een slak”. Ik raapte de boel op en vond inderdaad een slak op één van de scherven. Toen vroeg ik wat daar voor verschrikkelijks aan was en waarom ze om een slak de hele kom uit haar handen moest laten vallen. Ze vertelde dat ze de laatste tijd in de kelder steeds slakken vond. Ze durfde bijna niet meer naar beneden te gaan uit angst iedere keer te schrikken van die beesten.

Thommen: Omdat ze blijkbaar geloofde dat mevrouw Klausner, met kwaadaardig opzet, die slakken in de kelder had gebracht? Mm... gelooft u dat nòg, mevrouw Brügger?

Nelli: Ik zeg niets.

Frans: Dat praat u haar niet uit het hoofd, edelachtbare. Ik heb het al zo vaak geprobeerd.

Thommen: Maar u geloofde het in ieder geval niet?

Frans: Natuurlijk niet. Maar ik merkte dat de spanning in huis ondraaglijk werd. Er móest iets gebeuren. Daarom ging ik naar meneer Klausner en vertelde hem alles.

Thommen: Dat was het eerste gesprek tussen u en meneer Klausner sinds uw ongeluk van zeventien maart?

Frans: Ja

Thommen: Mm. Meneer Klausner, wat vond u ervan, van wat meneer Brügger u vertelde?

Rolf: Ik?

Thommen: Ja, u.

Rolf: Eerst was ik stomverbaasd.

Silvia: Daarna wist hij niet hoe gauw ie zich bij mevrouw Brügger moest verontschuldigen voor zijn geniepige echtgenote.

Rolf: Dat is niet waar! Ik ging naar mevrouw Brügger om te proberen haar van die gedachte af te brengen en om de werkelijke oorzaken van het wederzijdse wantrouwen te vinden.

Thommen: En, slaagde u daarin?

Rolf: Ja, dat zat namelijk zo: kort na Suzies begrafenis zijn er een paar woorden gevallen die volkomen verkeerd uitgelegd zijn. Mevrouw Brügger vertelde mij dat toen ze een keer met haar kind praatte en lachte in het trappenhuis, mijn vrouw ongemerkt dichterbij gekomen was en gezegd had dat ze maar moest lachen zolang het nog kon, want er zou wel eens een dag kunnen komen dat ook mevrouw Brügger geen reden tot lachen meer zou hebben. Zoals mevrouw Brügger tegenover me toegaf, voelde ze in die opmerking van mijn vrouw een... een bedekte bedreiging. En sinds dat ogenblik leefde ze voortdurend in angst dat mijn vrouw op een gelegenheid wachtte om zich voor Suzies dood te wreken op haar kind. En zoals meneer Brügger al gezegd heeft: daardoor groeide het wantrouwen over en weer met de dag. Natuurlijk probeerde ik de verhouding te verbeteren. Daarom stelde ik mevrouw Brügger voor om - als ze boodschappen ging doen - haar kind weer bij mijn vrouw te brengen... En dat is dan ook gebeurd, helaas.

Thommen: Ja, helaas... Dus voor u, meneer Klausner, is dat voorval in het trappenhuis het eigenlijke uitgangspunt van alle spanningen die daarna ontstaan zijn?

Rolf: Ja, daar ben ik zeker van.

Thommen: En volgens u is het uitgesloten dat uw vrouw ook maar iets te maken heeft met het ongeluk dat Estie is overkomen?

Rolf: Absoluut uitgesloten.

Thommen: Waarom zei u dan op de derde september, dus een dag daarna, tegen uw vrouw: “Dus je hebt het toch gedaan?”

Silvia: Ik heb nu lang genoeg m'n mond gehouden. Nu zal ik zeggen wat er werkelijk gebeurd is. We hadden ruzie de avond tevoren. Dat wil jij verdoezelen, omdat je maar al te graag de schijn wilt ophouden dat alles zo prima in orde was. Niets was er in orde. Allang niet meer.

Rolf: Nee, nee... zeker niet. Toen ik 's morgens op drie september naar mijn werk ging, dweilde je nog rond in je rouwkleren: zwarte kousen, zwarte sloffen, half gekamd als een vijftigjarige weduwe. En opeens, toen ik thuiskwam: hoge hakjes, je dunste kousen, strakke jurk, nauwelijks tot aan je knie en opgedirkt als voor een modeshow.

Silvia: Ik begrijp niet waarom je je zo opwindt. Een half jaar lang heb je me bezworen dat ik me er overheen moest zetten. “Ga onder de mensen, dat helpt om te vergeten”. Iedere dag heb je me bepreekt: “Doe die zwarte kousen uit en trek andere aan, je moet proberen te geloven dat alles wat op de wereld gebeurt een zin heeft. Doe wat rouge op, dat je niet zo bleek ziet. Trek eens een aardige jurk aan dan lijk je niet zo mager”. Al je wijze raad heb ik zo goed mogelijk opgevolgd.

Rolf: Ja, ja... van de ene dag op de andere. Om Brügger te laten voelen dat je z'n vrijspraak niet accepteert. “Hij is vrijgesproken, dus kan hij Suzie niet overreden hebben. Er is niets gebeurd en ik zie niet in waarom ik nog langer in rouwkleren zou rondlopen”. Krankzinnige redenering! Eigenliefde is dat, niets dan eigenliefde. Een ander gevoel heb je nooit gekend. Van Suzie hield je ook alleen maar om jezelf. Om van mij maar niet te spreken.

Silvia: Waarom zeg je dat allemaal tegen mij?

Rolf: Dat je eindelijk zult inzien waarom en waarvoor we Suzie verloren hebben.

Silvia: Die opvatting is niet nieuw voor me. Toen we indertijd ruzie hadden, heb je het ook al gezegd: opdat we er over zullen nadenken en leren inzien wat we verkeerd gedaan hebben en... dat we opnieuw kunnen beginnen. Zo was het toch, is het niet? En meneer Brügger, die Suzie doodgereden heeft, was alleen het werktuig in Gods hand om onze ogen te openen.

Rolf: Suzies dood moet toch een zin hebben?

Silvia: Dit aanvaarden, edelachtbare, deze instelling van mijn man om in de dood van ons kind een zin te willen ontdekken, heeft mij verschrikkelijk opgewonden. En toen heb ik gezegd: “Ik maak Estie dood, dan gaan misschien ook de Brüggers de ogen open”. Hun huwelijk was, voor zover ik weet, ook niet zo best.

Thommen: En toen de volgende morgen het ongeluk gebeurde, dacht u, meneer Klausner, onwillekeurig aan die ruzie van de vorige avond en zei u: “Dus je hebt het toch gedaan?” Woorden, die de begrijpelijke en noodlottige verdenking van mevrouw Brügger veroorzaakte. Hoewel u natuurlijk heel goed wist dat uw vrouw het niet werkelijk gedaan kon hebben, nietwaar?

Rolf: Ja, zo is het precies.

Thommen: En, mevrouw Brügger, wat is uw mening? Meneer en mevrouw Klausner hebben u een verklaring gegeven, het is uw zaak of u daar genoegen mee neemt of niet. Ik wil u natuurlijk niet beïnvloeden, maar zou het niet mogelijk zijn dat u in de eerste opwelling van uw grote verdriet te veel gewicht hechtte aan de woorden van meneer Klausner?

Nelli: Ik... ik weet het niet.

Silvia: Doet u geen moeite, edelachtbare, u schiet er niets mee op.

Thommen: Mevrouw Brügger, u hoeft daar niet vandaag op te antwoorden. Gaat u nu naar huis en als u denkt dat u het met uzelf eens bent geworden, belt u mij op. Goed?

Silvia: Nee! Daarvoor ben ik niet hier gekomen. Òf mevrouw Brügger geeft...

Thommen: Mevrouw Klausner, wilt u de zaak met alle geweld op de spits drijven?

Silvia: Mevrouw Brügger weet precies wat ze wil. Ze heeft helemaal geen bedenktijd nodig. En denkt u soms dat ik het zou accepteren als ze achter mijn rug rondvertelt dat ik eigenlijk achter de tralies hoorde? Ook al zou ze officieel haar beschuldiging intrekken?

Thommen: Mevrouw Klausner...

Silvia: Nu wil ik weten of zij de moed heeft om in mijn gezicht te zeggen dat ik haar kind heb vermoord.

Nelli: Moed heb ik genoeg.

Thommen: Mevrouw Brügger...

Silvia: Nee, laat het hààr zeggen.

Rolf: Silvia!

Silvia: Nu? Mevrouw Brügger?

Nelli: Ja, ik ben er zeker van dat ze Estie met opzet van het balkon geduwd heeft.

Thommen: Mevrouw Brügger, beseft u welke gevolgen deze woorden voor u zullen hebben?

Nelli: U hebt nou lang genoeg geprobeerd me bang te maken en me in mijn schulp te laten kruipen.

Thommen: Ik protesteer tegen dergelijke verwijten.

Nelli: U zult de zaak verder moeten uitzoeken. U zult wel zien wie er gelijk heeft, want er is nog iets anders. Iets waarover ik tot nu toe nog niet gesproken heb en ook de anderen hebben gezwegen in de hoop dat ik er niet over durfde te beginnen. Maar nou wil ik dat alles uitgezocht wordt. Ook het geval met het keukenmes bijvoorbeeld.

Silvia: Eindelijk.

Thommen: Goed, we gaan verder. Mevrouw Brügger, hoe zat dat met dat keukenmes? Kom, vertelt u het.

Nelli: Het was eind juni...

Thommen: Welke datum?

Nelli: Dat weet ik niet precies meer.

Thommen: Nou goed, eind juni. Verder?

Nelli: Ik had Estie in de box achter het huis op het grasveld gezet. Ikzelf zat ernaast te breien. Na een poosje ging ik naar de keuken en ik haalde een bak en een mes om... om groenten te snijden voor het middageten. Toen ik in de tuin terugkwam, merkte dat ik mijn sloffen nog aan had. Daarom ging ik weer naar binnen om schoenen aan te trekken, maar eerst zette ik de bak, met het mes erin, op de stoel naast de box. Toen ik terugkwam, stond de bak nog op de stoel, maar het mes was er niet meer. Ik ging zoeken en ik vond het aan de andere kant van de box, er vlakbij. Estie wou het juist pakken. Ik schrok natuurlijk en opeens - ik weet zelf niet waarom - keek ik omhoog, naar het balkon van Klausner, en ik zag nog net dat mevrouw Klausner vlug haar hoofd terugtrok. En toen wist ik dat zij het mes daar neergelegd had. En... en waarom? Nou, dat zal iedereen wel duidelijk zijn.

Rolf: Je moet alleen vertellen wat werkelijk gebeurd is.

Silvia: Ik heb er niets bij gefantaseerd.

Thommen: Mevrouw Klausner, wat hebt u te zeggen over deze uiteenzetting van mevrouw Brügger?

Silvia: Niets

Thommen: U geeft dus toe dat u het mes op de plaats hebt gelegd waar mevrouw Brügger het gevonden heeft?

Silvia: Ik ontken niet dat het mes op de plek lag waar mevrouw Brügger beweert het te hebben gevonden, maar ik heb het daar niet neergelegd.

Thommen: Hoe is het daar dan terechtgekomen, denkt u?

Silvia: Het moet uit de bak gevallen zijn.

Thommen: Wanneer dan?

Silvia: Toen ik de bak van de stoel genomen had.

Thommen: Waarom nam u de bak van de stoel, mevrouw Klausner?

Silvia: Ik had boodschappen gedaan en liep door de tuin naar het huis. Ik zag Estie daar spelen in de box, met die stoel daarnaast. En omdat ik moe was, ging ik even zitten om uit te rusten.

Thommen: Maar hoe kwam het mes nou aan de andere kant van de box?

Silvia: Het moet, zonder dat ik het merkte, uit de bak gevallen zijn. Estie had namelijk een stuk speelgoed uit de box op het gras gegooid. Ik liep er heen en raapte het op. Terwijl ik dat deed, had ik waarschijnlijk de bak nog in mijn hand.

Thommen: Was het niet eenvoudiger geweest de bak naast de stoel op de grond te zetten?

Silvia: Misschien wel.

Thommen: Het mes lag in de lege bak. Het klinkt niet erg geloofwaardig dat het er uit viel zonder dat u het gemerkt zou hebben, vindt u ook niet?

Silvia: Ik kan de bak toch scheef gehouden hebben? Wie bewijst trouwens dat dit hele verhaal niet verzonnen is? Ik kan evengoed alles ontkennen.

Thommen: Dan zou u ook moeten ontkennen dat mevrouw Brügger u er op betrapte dat u uw hoofd zo plotseling terugtrok toen zij naar boven keek.

Silvia: Ik kan op mijn balkon doen en laten wat ik wil.

Thommen: Ja, u kunt ook net zoveel stoelen en tafels op uw balkon zetten als u zelf wilt, zolang u daarmee niet het leven van een kind in gevaar brengt.

Silvia: U wilt dus zeggen dat ik die stoel en die tafel daar met een bedoeling heb neergezet?

Thommen: Ik wil alleen maar zeggen dat u uw hoofd misschien om een bepaalde reden terugtrok.

Silvia: Waar is nu die beroemde mannenlogica? Maar ik begrijp het wel: het verhaal over dat mes is helemaal niet nieuw voor u.

Thommen: (spotlachje) Mevrouw Klausner...

Silvia: Ze heeft u allang alles verteld!

Nelli: Dat is niet waar.

Silvia: U was vanaf het begin al overtuigd van mijn schuld en aan dat mes wilde u uw bewijzen vastknopen.

Thommen: Dergelijke opmerkingen verkies ik niet! Ik hoor dit vandaag voor het eerst en ik heb alle reden om aan te nemen dat ik in deze zaak de enige ben die men met nieuwe gezichtspunten kan verrassen. Tot dusver ben ik alleen maar met onbenulligheden afgescheept. Mevrouw Brügger, heeft meneer Klausner, toen hij die avond bij u kwam, ook over dat mes gesproken?

Nelli: Ja.

Thommen: Maar waarom hebt u daar tot nu toe niets over gezegd?

Frans: Omdat ik haar verboden had het onderzoek met lege vermoedens te bemoeilijken.

Thommen: Het is mijn zaak om uit te maken wat lege vermoedens zijn en wat niet... Mevrouw Brügger, kunt u zich herinneren wat meneer Klausner u toen over dat keukenmes vertelde?

Nelli: Ja, hij zei dat zijn vrouw het hem zo verteld had dat ze plotseling aan dat mes dacht toen ze alweer bijna in d'r woning was, dus op de trap. Ze was bang dat er iets zou kunnen gebeuren en daarom was ze vlug naar het balkon gelopen om te kijken, maar dat ik toen alweer terug was.

Thommen: Klopt dat, meneer Klausner?

Rolf: Ja, ongeveer wel.

Thommen: Mevrouw Klausner, dus op de trap dacht u aan dat mes. Waarom ging u dan naar het balkon? Waarom ging u niet terug naar de tuin? Hoe had u van bovenaf kunnen ingrijpen als Estie het mes werkelijk te pakken had gekregen?

Silvia: Ik dacht er pas aan toen ik alweer in huis was.

Thommen: Dat u terug had moeten gaan naar de tuin?

Silvia: Dat ook, ja.

Thommen: Mm, ik dacht dat u toen op de trap was?

Silvia: Op de trap of in huis, dat weet ik niet meer.

Thommen: Mevrouw Klausner, u draait en ik zal u zeggen waarom. Omdat u met opzet het mes op de plaats hebt gelegd waar mevrouw Brügger het gevonden heeft.

Silvia: Dat is niet waar.

Thommen: Waarom trok u dan uw hoofd zo snel terug op het balkon? U had toch een goed geweten? Of niet?

Silvia: Natuurlijk wist ik dat het verkeerd was om mijn hoofd terug te trekken, maar toen was het immers al te laat. Bovendien, ik had me honderd keer kunnen verontschuldigen, ze zou me toch niet geloven.

Thommen: Waarvoor had u zich dan willen verontschuldigen?

Silvia: Voor eh.... voor mijn onvoorzichtigheid. Ik had het mes toch daar laten liggen? Maar ik heb Estie nooit kwaad willen doen, nooit!

Thommen: “Ik maak Estie dood”, dat hebt u tegen uw man gezegd.

Frans: Gezégd! Wat een mens doét, daar gaat het om. Juist omdat mevrouw Klausner er misschien ooit aan gedacht heeft zich te wreken, heeft ze het niet gedaan. Dat kòn ze niet meer, ook al had ze het gewild.

Silvia: Hij moet ophouden mijn advocaat te spelen. Hij heeft me mijn kind afgenomen.

Thommen: Bent u zich eigenlijk bewust hoe erg u deze man haat, mevrouw Klausner?

Silvia: Hebt u kinderen?

Thommen: Nee.

Silvia: Dan weet u ook niet wat het betekent als ik zeg “mijn kind”.

Thommen: Ik heb het geval grondig bestudeerd.

Silvia: Ja, voor u is het een geval.

Thommen: Het gaat toch tegen ieder gezond verstand in om meneer Brügger voor moordenaar uit te maken?

Silvia: Wie zeg dat ik het geval verstandig bekijk? Met verstand is tenslotte alles goed te praten. Maar ik geef niets om dat verstand.

Thommen: Als de waarheid u boven alles gaat, mevrouw Klausner, waarom bekent u dan niet dat u er allang over gedacht hebt u te wreken? Toen al, toen u dat mes zag, kwam u op die gedachte en u kreeg de gelegenheid op drie september toen Estie bij u in huis was. U zette het kind op het balkon en wachtte af dat ze op de stoel en van daar op de tafel zou klimmen. Misschien hebt u haar zelfs een beetje geholpen, wie weet. Dus heel begrijpelijk dat u opgewonden was toen uw man opbelde. Toen de telefoon ging, lag Estie Brügger al zwaar gewond in de tuin.

Silvia: Dat is niet waar. Op het moment dat ik in de woonkamer kwam, zag ik nog dat Estie viel.

Nelli: Dat zegt ze nu pas!

Thommen: Waarom zei u dan eerst dat Estie gevallen is terwijl u met uw man telefoneerde? Hebt u gezien dat Estie viel of hebt u het niet gezien?

Silvia: Ik heb het gezien.

Thommen: Wat moet ik nou geloven?

Silvia: Gelooft u wat u wilt, ik heb Estie niets gedaan.

Thommen: Maar u hebt er over gedàcht om het te doen

Silvia: Ik heb die gedachte altijd weggeduwd.

Thommen: Ja, maar die gedachte kwam steeds weer bij u terug... Zegt u nou eindelijk de waarheid, mevrouw Klausner.

Silvia: Ja, ik heb er vaak aan gedacht, maar tegelijk wist ik dat ik het nooit zou kunnen. Ik ben onschuldig, en al komt u met tienmaal zoveel bewijzen en ook al legt u alles wat ik zeg verkeerd uit, ik heb het niet gedaan... Ik geef toe dat ik er over gedacht heb.

Nelli: Dat heeft ze tot nu toe ontkend.

Silvia: Iedere vrouw in mijn plaats zou daaraan gedacht hebben.

Thommen: Waarom geeft u dat nu pas toe, mevrouw Klausner?

Silvia: Omdat ik van het begin af aan wist dat niemand mij zou geloven. U bent er net zo zeker van als de anderen dat ik het gedaan heb. Het gaat er allang niet meer om de zaak op te helderen. Het gaat erom mij op de knieën te krijgen, omdat ik na de dood van mijn kind niets wilde weten van vergeving of verzoening.

Thommen: Dat verbeeldt u zich maar.

Silvia: Zou er iemand op het idee gekomen zijn dat ik schuldig was aan Esties dood als ik mijn kind nìét verloren had?

Thommen: U geeft toch toe eraan gedacht te hebben? In juni al, toen u dat keukenmes zag liggen.

Rolf: Alleen omdat dat mes naast de box lag, wilt u aannemen dat mevrouw Klausner Estie van het balkon geduwd heeft?

Thommen: Meneer Brügger!

Frans: Dat mevrouw Klausner er meer dan eens over gedacht heeft zich te wreken, bewijst nog niet dat ze het ook gedaan heeft.

Thommen: Meneer Brügger!

Frans: En ook die meubelen op het balkon bewijzen niets, anders hadden ze mij ook geen vrijspraak mogen geven op twee september. Ik kon er natuurlijk niets aan doen dat Suzie onder mijn auto kwam, maar dat ze zomaar uit de tuin de straat op kon lopen, dàt was mijn schuld... Ik had 's morgens, toen ik wegging, vergeten het hek dicht te doen.

Nelli: Maar Frans, dat is toch heel iets anders?

Frans: Nee, dat is niet iets anders, al probeer je me dat steeds maar aan te praten. Als het hek dicht was geweest zoals altijd, dan zou Suzie nog leven.

Nelli: Suzie had het hek zelf ook open kunnen maken.

Frans: Natuurlijk, dat had gekund, maar nu was het al open. Ik had vergeten het dicht te doen toen ik 's morgens wegging.

Nelli: En de melkboer dan? En de postbode? Die gingen toch allemaal ook door het hek? En meneer Klausner, die na jou naar z'n werk ging? En mevrouw Klausner? En ik? We gingen allemaal het hek in en uit, de hele ochtend. En geen van allen zou het dicht gedaan hebben?

Frans: Omdat ik het verzuimd heb, heeft ook niemand na mij het gedaan. Neemt u de proef maar, edelachtbare. Als u een deur opendoet, trekt u hem ook altijd weer achter u dicht. Dat is zo, dat doet iedereen. Maar als u een deur al open ziet staan, let u er niet op. Dan laat u het zo. En omdat ik het hek open liet, toen ik 's morgens wegging, bleef het open, al die tijd, en is het mijn schuld dat Suzie op staat kon gaan.

Nelli: Hij is volkomen in de war, edelachtbare. Steeds begint ie weer over...

Frans: Maar ik wil daar alleen maar mee zeggen: begrijp je me dan niet, als ik voor mijn nalatigheid met dat hek niet verantwoordelijk gesteld word, dan kun je ook niet zeggen dat mevrouw Klausner Estie kwaad gedaan heeft, alleen omdat ze zo onvoorzichtig is geweest dat mes te laten liggen, of omdat er een tafel en een stoel op het balkon stonden toen het ongeluk gebeurde. Een half jaar geleden had ik waarschijnlijk net zo geredeneerd als jij, maar nu weet ik wat het zeggen wil om schuldig te zijn aan de dood van een ander.

Nelli: Daarom ben je toch nog geen misdadiger?

Frans: Vraag dan aan haar of Suzie nog leeft.

Nelli: Aan ons eigen kind denk je niet.

Frans: Juist omdat ik aan ons kind denk, kan ik hen niet veroordelen.

Thommen: Meneer Brügger, ik vrees dat u lijdt onder een schuldcomplex. Uw zaak is met de uitspraak van twee september afgedaan. U hebt geen enkele reden u te kwellen met zelfbeschuldigingen. Het getuigt zonder twijfel van een door en door fatsoenlijke...

Silvia: Zijn we hier gekomen om hem te troosten?

Thommen: Mevrouw Klausner!

Silvia: Hij gelooft net zo goed als jullie allemaal dat ik Estie vermoord heb.

Frans: Nee, mevrouw Klausner, ik zweer het, dit is werkelijk mijn eerlijke overtuiging. U kùnt het niet gedaan hebben.

Thommen: En waarop baseert u deze overtuiging?

Frans: Maar ze kàn het niet gedaan hebben, het màg niet. Begrijp je me dan niet? Als ik het hek niet open gelaten had, dan had ik haar kind niet kunnen overrijden en iedereen zou nu alleen maar denken dat Estie van het balkon gevallen is. Dat wij hier zitten te praten over opzet en verdenking, komt doordat ik het kind van mevrouw Klausner overreden heb. Eigenlijk is het mijn geval dat we hier weer ophalen. Als zij het werkelijk gedaan heeft, als het waar is dat zij zich heeft gewroken, dan deed ze dat alleen omdat ik haar ertoe heb gedreven en dan ben ik ook schuldig aan de dood van mijn eigen kind.

Nelli: Frans!

Frans: Begrijp je het nu eindelijk? Als ze het werkelijk gedaan heeft, als ze bekent, dan... dan weet ik niet meer wat ik doen moet. Ik weet alleen dat ik niet verder kan leven.

Silvia: Moet ik medelijden met u hebben? U bent schuldig na alles wat er gebeurd is, van het begin af aan. U en niemand anders! Edelachtbare...

Rolf: Silvia! Ik weet dat je onschuldig bent, maar ik weet ook wat je nu denkt. Ik weet dat je Brügger haat, maar wees verstandig. In godsnaam, luister naar me!

Thommen: Mevrouw Klausner, u wilt bekennen dat u Estie Brügger opzettelijk van het balkon geduwd hebt?

Nelli: Mevrouw Klausner!

Rolf: Silvia, hij heeft Suzie toch niet met opzet... Je kunt toch niet alles op het spel zetten? Je toekomst, ons hele leven... Hoor je me? Zèg dan wat.

Thommen: Mevrouw Klausner, bega geen domheden.

Nelli: Mevrouw Klausner, vergeef me. U hebt Estie niet gedood, dat weet ik toch? Toen ik in de kinderkamer kwam, lag al het speelgoed er nog. U... u hebt met 'r gespeeld. Je maakt toch geen poppenhuis met een kind als je haar wilt vermoorden? U hebt haar Suzies speelgoed gegeven, zelfs haar pop.

Silvia: Waarom komt dat nu pas in u op, mevrouw Brügger? U was er juist zo van overtuigd dat ik Estie gedood had? Ja of nee? Maar de prijs is u nu opeens te hoog.

Nelli: Mevrouw Klausner, vraag alles... alles van me wat u wilt, maar... maar neem me m'n man niet af.

Silvia: Edelachtbare, arresteert u mij. Ik beken.

Rolf: Je bent krankzinnig. Krankzinnig van haat.

Nelli: Nee, dat mag ze niet doen. Mevrouw Klausner, alstublieft... alstublieft... (Frans rent de rechtszaal uit) O, Frans! Helpt u me toch! Helpt u me toch! O, Frans! Frans!

Thommen: Meneer Brügger! Meneer Brügger!