Home / Hamlet, prins van Denemarken

Hamlet, prins van Denemarken

De geest van Hamlets echte vader spookt 's nachts rond het kasteel. Op een nacht vertelt de geest aan Hamlet dat hij werd vermoord en hoe dit gebeurde. Ook vertelt hij dat Claudius de moordenaar is. Hamlet weet niet wat hij moet doen. Spreekt de geest de waarheid of proberen duistere krachten hem tot slechtheid te verleiden? Moet Hamlet wraak nemen op Claudius?

Rolverdeling.

André van den Heuvel Claudius, de nieuwe koning van Denemarken
Eric Schneider Hamlet, de prins van Denemarken
Paul van der Lek Horatio, een goede vriend van Hamlet
Louis de Bree Polonius, een raadsman van Claudius
Jacques Commandeur Laertes, de zoon van Polonius
Johan Wolder Rosencrantz, hoveling
Willem Nijholt Wildenstern, hoveling
Jaap Hoogstraten Ozrik, hoveling
Frans Somers Bernardo, officier
Herman Lutgering Marcellus, officier
Hans Veerman Fancisco, een soldaat
Han König een Hopman
Herman van Eelen de Engelse gezant
Huib Orizand de geest van Hamlet's vader
Herman Lutgering een priester
Jaap Maarleveld Fortinbras, de jonge prins van Noorwegen
Henk Schaer eerste toneelspeler
Eva Janssen toneelkoningin
Leo de Rijks eerste doodgraver
Sacco van der Made tweede doodgraver
Fé Sciarone Geertruida, de moeder van Hamlet
Marie José Nysten Ophelia,dochter van Polonius

Aanvullende gegevens.

Auteur: William Shakespeare
Vertaling: L.A.J. Burgersdijk
Bewerking: Cees Buddingh
Regie: Willem Tollenaar
Omroep: KRO
Uitzending: 28-04-1964
Speelduur: 2 uur en 55 minuten
Categorie: Klassiek drama

Over de muziek.

Muziek van Géza Frid.

Uitgevoerd door het Promenade Orkest onder leiding van Benedict Silberman.

De bron van deze productie.

The Tragedy of Hamlet, Prince of Denmark, Jaggard & Blount, London 1623.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

I/1

(Elseneur - een terras voor het kasteel)

(huilende wind - naderende voetstappen)

Bernardo: Wie daar?

Francisco: Neen, antwoord mij! Blijf staan! Zeg wie ge zijt.

Bernardo: Lang leve de koning!

Francisco: Gij, Bernardo?

Bernardo: Ja.

Francisco: Ge komt precies op de afgesproken tijd.

Bernardo: Het sloeg juist twaalf. Ga naar uw bed, Francisco.

Francisco: Dank dat gij het overneemt. 't Is bitter koud, en ik ben ziek van hart.

Bernardo: Hadt gij een... stille wacht?

Francisco: Geen muis te horen.

Bernardo: Nu, goede nacht. Als gij Horatio en Marcellus ziet, mijn wachtgenoten, zeg hun zich te haasten. (naderende voetstappen)

Francisco: Ik geloof dat ik ze al hoor. Halt! Staat! Wie daar?

Horatio: Vrienden van 't land.

Marcellus: De Deense vorst getrouw.

Francisco: Nu, goede nacht!

Marcellus: O, vaarwel, braaf soldaat. Wie loste u af?

Francisco: Bernardo heeft mijn post. Wel, goede nacht! (verdwijnt)

Marcellus: Hédaar, Bernardo!

Bernardo: Zeg, hé, is Horatio daar?

Horatio: Een stuk van 'm.

Bernardo: Welkom, Horatio. Welkom, vriend Marcellus.

Horatio: Wel, is dat ding ook deze nacht verschenen?

Bernardo: 'k Heb niets gezien.

Marcellus: Horatio houdt het enkel voor verbeelding en weigert ronduit te geloven aan 't verschrikkelijk spook, tweemaal door ons gezien. Daarom heb ik 'm verzocht om samen met ons vannacht de trage uren te doorwaken, opdat, als de verschijning weer komt, hij onze ogen staven kan en het toespreken.

Horatio: Ach kom, 't verschijnt niet!

Bernardo: Ga 'ns even zitten en laat ons hier nog eens uw oor bestormen dat zich zo heeft verschanst tegen het verhaal van wat wij tweemaal zagen.

Horatio: Goed, laat ons gaan zitten en Bernardo het vertellen.

Bernardo: De afgelopen nacht, toen ginds die ster, ten westen van de pool, dat hemeldeel verlichtte in haar baan waar zij thans straalt, zagen Marcellus en ikzelf juist toen het één sloeg... (plots opstekende wind)

Marcellus: Stil! Zie... Daar komt het opnieuw!

Bernardo: Precies weer als de overleden koning.

Marcellus: Gij hebt gestudeerd. Spreek het toe, Horatio!

Bernardo: Lijkt het niet op de koning? Zie, Horatio!

Horatio: Sprekend! Het ontstelt me en verbijstert me.

Bernardo: Het wil dat men het toespreekt!

Marcellus: Vraag wat het is, Horatio!

Horatio: Wat zijt gij, dat dit nachtelijk uur steelt, samen met de edele krijgsmansleest waarmee destijds de vorst der Denen trok ten strijde? O, ik bezweer u bij de hemel, spreek!

Marcellus: Het is beledigd.

Bernardo: Zie, het schrijdt weer heen!

Horatio: Blijf! Spreek! Spreek! Ik bezweer u, spreek!

Marcellus: 't Is weg en wil geen antwoord geven.

Bernardo: Hoe is 't, Horatio? Gij ziet bleek en beeft. Is dit niet meer dan enkel maar verbeelding? Wat denkt ge ervan?

Horatio: Bij God, ik zou dit nooit hebben geloofd, maar nu mijn eigen ogen het duidelijk zagen: geen twijfel meer!

Marcellus: Lijkt het niet op de koning?

Horatio: Als gij lijkt op uzelf! Dat was hetzelfde harnas dat hij droeg toen hij de eergierige Noor bestreed. Zo fronste hij eenmaal, toen hij in zijn drift de Pool bij 't onderhandelen uit zijn slee op het ijs sloeg. 't Is vreemd...

Marcellus: Reeds tweemaal schreed hij op dit doodstil uur met fiere krijgsmanspas langs onze wacht.

Horatio: Ik weet niet in welke richting ik mijn gedachten moet laten gaan, maar in het algemeen en ook totaal zou ik toch van oordeel zijn dat dit voorspelt: vreemde beroering in de staat.

Marcellus: Kom, zet u neer en laat wie 't weet mij zeggen waarom toch deze strenge en scherpe wacht het volk van dit land nacht in, nacht uit bezwaart. Waartoe dat dagelijks gieten van geschut, dat krijgsbehoeften kopen in den vreemde? Waartoe al die scheepstimmerlui geronseld en bij 't zwaar werk geen zondag ooit gegund? Wat is op til dat deze bezwete haast de nacht maakt tot verlengstuk van de dag? Wie kan mij dit verklaren?

Horatio: Dat kan ik! Althans, zo gaat 't gerucht: de vorige koning, wiens schim zo-even hier aan ons verscheen, werd, als gij weet, door Fortinbras, de Noor, daartoe door trots en eerzucht aangezet, ten strijd gedaagd. Maar onze dappere Hamlet (want heel deze kant van de ons bekende wereld roemde hem zo) versloeg die Fortinbras, die bij verdrag, verzegeld en bekrachtigd door wet en kamprecht, met het leven tevens de overwinnaar heel zijn rijk verbeurde, waartegen onze vorst een billijk deel van 't zijne had verpand, dat Fortinbras, als hij gezegevierd had, zou ten deel gevallen zijn als nu geheel zijn land krachtens de zin en letter van 't verdrag aan Hamlet kwam. De jonge Fortinbras heeft, van ontoombare, vurige moed vervuld, thans aan de Noorse grenzen hier en daar een troep bandeloze schooiers saamgeraapt, die hij alleen de kost geeft, voor een stuk dat moed vereist en dat niets minder is, zoals ons staatsbestuur wel inziet, dan 't heroveren, door geweld en dwang van wapens, van 't genoemde land dat door zijn vader verloren ging. En dit, vermoed ik, is de ware grond van onze toebereidselen, de oorzaak van onze wacht en de hoofdbron van al die haast en onrust in ons rijk.

Bernardo: Mij dunkt, het kan niet anders zijn dan dit. En daarom komt dit schrikbeeld onze wacht bezoeken, dat zo lijkt op onze koning die de oorzaak was en is van deze krijg.

Horatio: 't Is een stofje dat ons geestesoog vertroebelt. In 't grootse, bloeiende Romeinse rijk, kort voordat de verheven Julius viel, stonden de graven leeg, kreten en krijsten de omhulde doden schril door Romes straten. Sterren met vurige staarten, vlekken voor 't gelaat der zon, in bloed verkeerde dauw voorspelden ramp op ramp, en het bleek gesternte dat door zijn macht Neptunus' rijk beheerst, kwijnde als voor de oordeelsdag en doofde uit. En juist zulk vreselijk voorspel van wat dreigt, als boden die het komend lot verkonden, en tekenen van naderend onheil, heeft aarde en hemel thans vereend getoond aan onze landstreek en ons eigen volk... (plots opstekende wind) Maar stil! Ziet toch, daar komt het weer! Ik kruis zijn weg, al is het mijn verderf! Sta, schijnbeeld! Als gij een stem heb of geluid kunt geven, spreek dan tot mij. Als er een goede daad verricht kan worden die u verlichting en mij gena kan schenken, spreek dan tot mij! Als gij 't verborgen lot weet van uw land en door uw kennis onheil af kunt wenden, o spreek! Of als ge bij uw leven afgeperste schatten vergaard hebt in de schoot der aarde, wat naar men zegt vaak geesten waren doet (de haan kraait), spreek daar dan van! Sta! Spreek! Weerhoud 't, Marcellus!

Marcellus: Zal ik er met mijn hellebaard naar slaan?

Horatio: Als het niet staan blijft, ja!

Bernardo: 't Is hier!

Horatio: 't Is hier?

Marcellus: Het is verdwenen. Wij doen het onrecht in zijne majesteit door het met wapens tegemoet te treden, want het is onverwondbaar als de lucht, en onze ijdele slagen, boze spot.

Bernardo: 't Wilde gaan spreken, toen de haan plots kraaide.

Horatio: En toen ontstelde het, als een schuldig wezen bij een dreigende oproep. 'k Hoorde dikwijls dat de haan, die de heraut van de ochtend is, met zijn schril klinkend, hoog gekraai de god wekt van de dag, en op zijn waarschuwing ijlt, hetzij in zee of vuur, in aarde of lucht, fluks elke geest die rusteloos rondwaart terug naar zijn bevolen plaats. En dat dit waar is, bewijst wat hier zo-even is geschied.

Marcellus: 't Verzwond eensklaps bij het kraaien van de haan. Men zegt dat steeds tegen die dagen dat wij hier de komst van onze Heiland vieren, de dageraadsvogel heel de nacht door kraait. Dan kunnen, zegt men, nergens geesten dwalen. De nacht is veilig, geen planeet brengt kwaad, geen elf verlokt, geen heks heeft tovermacht, zo heilig en genavol is die tijd.

Horatio: Zo hoorde ook ik, en ik geloof het ten dele. Maar ziet, de ochtend in zijn rosse mantel loopt door de dauw van gindse hoge heuvel. Laat ons de wacht opbreken, en ik raad aan wat wij vannacht hier zagen aan de jonge Hamlet te zeggen, want die geest die ons geen antwoord gaf, spreekt, wed ik, wel tot hem. Stemt ge erin toe, dat wij het hem mededelen, als onze vriendschap eist en plicht gebiedt?

Marcellus: Ja, laten wij dat doen. Ik vors wel uit waar wij hem deze morgen 't makkelijkst vinden.

I/2

(een zaal in het slot)

(fanfare)

koning: Schoon Hamlets, onze waarde broeders dood nog vers in ons geheugen ligt, en 't paste dat rouw ons hart vervulde en heel ons rijk 't gelaat samentrok tot 'n fronsblik van smart, bedwong het verstand toch zo ver de natuur dat wij, met wijze kommer hem indachtig, erkennen wat we onszelven zijn verplicht. Zo hebben wij de hoge troonbezitster van deze krijgshaftige staat, eens onze zuster, thans koningin, als 't ware met sombere vreugd, met één gelukkig en één schreiend oog, met rouwgejubel en met bruiloftsklachten, met even zwaar gewogen lust en leed, gehuwd. Maar daarbij werd uw rijpere wijsheid geenszins miskend en gans uit vrije wil stondt ge ons terzijde. Dank voor dit alles, dank! Thans verder. Weet: de jonge Fortinbras heeft, met miskenning onzer kracht of wanend dat door de dood van onze dierbare broeder ons staatsbestel verzwakt is en ontwricht, steunende op die droom dat hier zijn kans lag, niet nagelaten ons met de eis te plagen dat wij de landen wederom afstaan die zijn vader eens naar wet en recht verloor aan onze dappere broeder. Dit wat hem, thans wat onszelf en onze samenkomst betreft. De zaak ligt zo. We schreven hier de vorst der Noren, de oom van Fortinbras, die zwak, bedlegerig, nauwelijks iets van het plan van zijn neef weet, dat hij diens verdere voortgang verhindert, daar de werving van manschappen en kader uit zijn eigen volk geschiedt, en zenden hier thans als vertrouwde boden u, vriend Cornelius, en u, Voltimand, met onze groet naar de oude Noorse vorst. Doch verdere volmacht geven wij u niet om te onderhandelen met de koning dan de strekking dezer regelen gedoogt. Vaarwel, en laat uw spoed uw trouw aantonen.

Voltimand: Hierin, en altijd, tonen we onze trouw.

koning: Daar twijfelen wij niet aan. Hartelijk vaarwel! En nu, Laërtes, wat hebt gij op het hart? Gij spraakt van een verzoek. Wat is 't, Laërtes? Vraag wat de rede billijkt van uw koning en gij spreekt niet vergeefs. Wat kunt gij wensen dat ik u niet eerder aanbied dan gij het vraagt? Het hoofd is niet nader aan het hart verwant, de hand is niet dienstvaardiger voor de mond dan Denemarkens koning voor uw vader. Wat is uw wens, Laërtes?

Laërtes: Hoge vorst, uw toestemming om naar Frankrijk terug te keren, vanwaar ik graag naar Denemarken kwam om bij uw kroning u mijn plicht te tonen. Maar nu die is vervuld, streven , ik erken het, mijn wensen en gedachten weer naar Frankrijk, en smeken nederig buigend om verlof.

koning: Hebt ge uw vaders verlof? Wat zegt Polonius?

Polonius: Hij heeft, mijn vorst, door lang en dringend vragen mij het traag verlof ontwrongen, zodat ik zijn wil ten laatst schoorvoetend heb bezegeld. Ik smeek u, heer, geef hem verlof te gaan.

koning: Kies zelf het uur, Laërtes, neem de tijd, besteed haar als gij wilt en naar uw gaven... Doch thans, mijn Hamlet, waarde neef en zoon...

Hamlet: (terzijde) Wat meer dan neef, doch niet in het minst uw zoon.

koning: Waarom hangen nog steeds die wolken om u?

Hamlet: Toch niet, mijn vorst! Ik sta te veel in de zon.

Koningin: Mijn Hamlet, werp die nachtkleur van u af en laat uw oog de vorst als vriend aankijken! Zoek niet aldoor met neergeslagen blik uw edele vader in het stof. Gij weet, ons allen is het gemeen: wat leeft, moet sterven om via 't aardse de eeuwigheid te bewerven.

Hamlet: Zeker, mevrouw, het is gemeen.

Koningin: Welnu, waarom schijnt het dan zo ongewoon voor u?

Hamlet: “Schijnt”, mevrouw? Neen, het is! Ik ken geen “schijnt”! 't Is niet alleen mijn donkere mantel, moeder, noch die gewone, plechtig-zwarte dracht, noch 't hijgend zuchten uit beklemde borst, neen, noch die tranenrijke beek van 't oog, noch het somber naar de grond gekeerd gelaat, noch welk vertoon van rouw, leed, droefheid ook, die mij laat zien als ik ben. Ja, die zijn schijn! Want dat zijn dingen die men spelen kan. Wat meer is dan vertoon, draag ik in het hart. Dit is de tooi slechts en het gewaad der smart.

koning: 't Is goed en prijzenswaardig in u, Hamlet, dat gij zo om uw vader treurt en rouwt, maar weet: ook uw vader verloor een vader, die vader weer de zijne! Kinderplicht eist, voor wie achterblijft, voor zekere tijd gepaste rouw, maar te volharden in halsstarrig treuren wijst op goddeloze onbuigzaamheid. Het is onmannelijk leed. Het toont een wil die 's hemels wil trotseert, een hart dat kracht, een ziel die zelfbeheersing, een geest die oordeel en ervaring mist. Want wat wij weten dat geschieden moet, gewoon is als 't gewoonste wat wij zien, wat zouden wij vol wrok daartegen mokken? Foei, 't zou een vergrijp jegens de hemel zijn, een vergrijp jegens de doden, de natuur, een verloochening van de rede die steeds predikt dat vaders sterven, die steeds heeft geroepen, van 't eerste lijk tot hem die heden stierf: “Dit moet zo zijn”! Wij smeken u: werp af dit nutteloos leed en denk aan ons als aan een vader, want de wereld moge weten dat gij het naaste staat aan onze troon, en dat ik u niet minder liefde dan de beste vader ooit zijn zoon toedraagt betonen zal. Doch wat uw plan betreft om weer in Wittenberg te gaan studeren, dat is geheel in strijd met onze wens. Wij bidden dringend: schik u en blijf hier, waar ons oog u vreugde en troost kan schenken als onze eerste hoveling, neef en zoon.

Koningin: Laat niet uw moeders beê vergeefs zijn, Hamlet. Ik smeek u: blijf bij ons, ga niet naar Wittenberg!

Hamlet: Ik gehoorzaam gaarne aan uw wens, mevrouw.

koning: Voorwaar, dit is een mooi en vriendelijk antwoord! Leef als wijzelf in Denemarken! Kom, gemalin, dit zacht, toegevend woord van Hamlet streelt mijn hart. En daarom zal heden bij elke heildronk van de Deense vorst het zwaar geschut die aan de wolken melden, dat als de koning klinkt, het gedreun des hemels de aardse donder naspreekt. Kom, wij gaan. (fanfare)

Hamlet: O, dat dit al te vaste vlees kon smelten, vervloeien en vervluchtigen tot dauw! Of dat de Almachtige nooit zijn hoog gebod gericht had tegen zelfmoord! O, God, o, God! Hoe voos, vermoeiend, laag en troosteloos komt mij al het woelen van de wereld voor! Ik walg, walg van haar! Ze is een woeste tuin die in het zaad schiet. Geil, afschuwelijk onkruid woekert haar vol. Dat het zover moest komen! Twee maanden dood slechts! Neen, nog niet, geen twee! Een zo voortreffelijke vorst, naast deze een zonnegod bij een sater, zo teder voor mijn moeder dat hij niet toeliet dat de hemeladem te ruw haar in het gelaat blies. Aarde en hemel! Moet ik het mij herinneren? O, zij hing aan hem alsof door de bevrediging 't verlangen te groeien scheen. En toch, binnen een maand, weg die gedachten! Zwakheid, uw naam is vrouw! Een korte maand, eer het schoeisel sleet waarmee zij 't lichaam van mijn arme vader volgde, betraand als Niobe, o zij, juist zij! Mijn God, een beest, een redeloos beest had langer getreurd! Mijn oom getrouwd, de broeder van mijn vader, maar net zo lijkend op mijn vader als ik op Hercules. Binnen een maand! Eer het zout van die verdorven tranen ophield haar wondgewreven ogen rood te kleuren, was zij gehuwd! O, zondige haast, die zich zo slinks stort tussen bloedschendige lakens! Het is niet goed, en het wordt ook nooit meer goed. Maar breek, mijn hart, want zwijgen moet mijn mond.

Horatio: Uw hoogheid heil!

Hamlet: 'k Ben blij te zien dat gij het goed maakt. Horatio, als ik mij niet vergis?

Horatio: Dezelfde, heer, en steeds uw nederig dienaar.

Hamlet: Nee, beste vriend, zo zij het onder ons. En wat voert u uit Wittenberg, Horatio? Marcellus!

Marcellus: Edele prins.

Hamlet: 't Verheugt mij u te zien. Ook gij gegroet. Maar wat, in ernst, voert u uit Wittenberg?

Horatio: De zucht tot lediggang, mijn waarde prins.

Hamlet: Dat liet ik nog niet door uw vijand zeggen. Doe gij daarom mijn oor de dwang niet aan geloof te moeten slaan aan hetgeen ge uzelf te laste legt. Gij zijt geen ledigganger, weet ik. Maar wat zoekt gij in Elseneur? Voor gij vertrekt, leren we u stevig drinken.

Horatio: Mijn prins, ik kwam hier voor uw vaders uitvaart.

Hamlet: Kom, drijf de spot niet met mij, studiemakker! Ik denk dat ge voor mijn moeders bruiloft kwaamt.

Horatio: 't Is waar, mijn prins, die volgde kort daarop.

Hamlet: Zuinigheid, zuinigheid, Horatio! Het restje van het uitvaartmaal kon op de bruiloft dienst doen. Ik had liever mijn aartsvijand in de hemel ontmoet, dan ooit die dag gezien, Horatio! Mijn vader, 't is me of ik mijn vader zie.

Horatio: O, waar, prins?

Hamlet: Voor mijn geestesoog, Horatio.

Horatio: Ik zag hem eens. Hij was een waardig vorst.

Hamlet: Hij was een man, in woord, in daad, in alles! Mijn oog zal zijns gelijke nooit meer zien.

Horatio: 'k Geloof, prins, dat ik hem vannacht gezien heb.

Hamlet: Gezien? Wie?

Horatio: Wel, de koning, prins, uw vader.

Hamlet: Mijn vader?

Horatio: Prins, temper uw verbazing voor een wijl, door een aandachtig oor, tot ik u het wonder waarvan deze heren mijn getuigen zijn, ontvouwd heb.

Hamlet: Om Gods wil, laat mij horen!

Horatio: Twee nachten achtereen is deze heren, Marcellus en Bernardo, op hun post, in 't holst van de doodstille, lege nacht dit wedervaren: een gedaante als van uw vader rijst, van top tot teen geharnast, op voor hun blik en gaat langzaam en statig plechtig aan hen voorbij. Drie malen schrijdt hij langs hun ontzet, van schrik verbijsterd oog op korter afstand dan zijn staf kon reiken. Zij staan, door schrik schier tot gelei gestold, verstomd en spreken hem niet aan, maar delen het mij mee als diep en bang geheim. En ik betrok de derde nacht met hen de wacht, waar juist op het uur, precies in de gedaante als zij hadden gemeld het spook opnieuw verschijnt. Ik kende uw vader. Deze hand lijkt niet meer op de andere.

Hamlet: Waar gebeurde het?

Marcellus: Op het terras, heer, waar de wachtpost is.

Hamlet: Hebt gij het niet aangesproken?

Horatio: Ja, ik, heer, maar 't gaf geen antwoord. Toch hief het eenmaal, naar het mij voorkwam, het hoofd omhoog en maakte het een gebaar alsof het spreken wou, maar juist op dat moment kraaide de haan en bij dat ochtendsein deinsde het ineen, verbleekte en was verdwenen.

Hamlet: Vreemd, zeer vreemd,

Horatio: Zo waar ik leef, vereerde prins, 't is waar. Wij achtten 't onze voorgeschreven plicht het u te melden.

Hamlet: Goed, goed, mijn vrienden, maar 't verbijstert mij. Hebt gij vannacht de wacht?

Marcellus: Ja, edele prins.

Hamlet: Geharnast, zegt gij?

Marcellus: Ja, geharnast, heer.

Hamlet: Van top tot teen?

Marcellus: Ja, heer, van top tot teen.

Hamlet: Dan hebt gij zijn gelaat dus niet gezien?

Horatio: O ja, mijn prins, 't vizier was opgeslagen.

Hamlet: En was 't gelaat gefronst?

Horatio: Het drukte eerder droefheid uit dan toorn.

Hamlet: Was 't bleek of blozend?

Horatio: Zeer bleek.

Hamlet: En het hield zijn blik op u gevestigd?

Horatio: Onafgewend.

Hamlet: Ik wou dat ik het ook gezien had!

Horatio: Het had u stellig zeer ontzet.

Hamlet: Waarschijnlijk, zeer waarschijnlijk. Bleef het lang?

Horatio: Men had rustig tot honderd kunnen tellen.

Marcellus: Nee, langer, langer.

Horatio: Niet toen ik het zag!

Hamlet: Zijn baard was grijs?

Horatio: Nee, juist als ik bij zijn leven heb gezien: doorzilverd zwart.

Hamlet: Ik houd de wacht vannacht. Misschien verschijnt het weer.

Horatio: Daar sta 'k voor in.

Hamlet: Als het de gedaante van mijn edele vader aanneemt, spreek ik het toe, al gaapt de hel en legt mij 't zwijgen op. Ik bid u allen: als gij hetgeen gij gezien hebt tot dusver geheimgehouden hebt, zwijg dan ook verder. En wat er deze nacht gebeuren mag, leen het uw oplettendheid, maar niet uw tong. Ik zal u die vriendschap lonen. Nu, vaarwel! Ik bezoek u tussen elf en twaalf op wacht.

Marcellus: Uw hoogheid is ons plichtbetoon gewijd.

Hamlet: Neen, vriendschap, als ik voor u voel. Vaarwel! (ze verlaten de zaal) Mijn vaders geest, gewapend? Dat is niet pluis! 'k Vermoed een euveldaad. Was het maar reeds nacht! Tot zo lang, kalm, mijn ziel! Want iedere schuld, hoe diep verborgen ook, wordt eens onthuld.

I/3

(een kamer in Polonius' huis)

Laërtes: Mijn reisgoed is reeds ingescheept. Vaarwel! En, zuster, als de winden gunstig zijn en er een schip gaat, slaap dan niet, maar laat me iets van u horen.

Ophelia: Twijfelt gij daaraan?

Laërtes: Wat Hamlet en zijn minnepraatjes aangaat, beschouw het als hoffelijkheid, een gril van 't bloed, een viooltje in de eerste jeugd der lente, niet langlevend, lieflijk, niet bestendig, de geur en het genot van 't ogenblik. Meer niet.

Ophelia: Meer niet dan dat?

Laërtes: Tel het niet meer. De wasdom der natuur maakt niet slechts het lichaam groter en sterker: als die tempel groeit, stelt de eredienst ook meer en zwaarder eisen aan geest en ziel. Misschien mint hij u thans en wordt de reinheid van zijn wil door smet noch arglist nu besmeurd, maar ducht toch dat hij door zijn hoge staat geen vrije wil heeft, want hij is onderdaan van zijn geboorte: hij mag niet, als personen zonder rang,vrij kiezen voor zichzelf, want op zijn keus berust het heil en welzijn van de staat. En denk dan welke schade uw eer kan lijden zo ge al te willig naar zijn deuntjes luistert, uw hart verliest of gij uw kuise schat voor zijn onstuimig aandringen ontsluit. Ducht dat, Ophelia, ducht dat! Te vaak knaagt, eer hun knoppen zijn ontloken, de worm reeds aan de kinderen der lente, en in de frisse ochtenddauw der jeugd is giftige besmetting het meest te duchten. Wees dus voorzichtig! Vrees schenkt veiligheid. Jeugd wordt te dikwijls door zichzelf verleid.

Ophelia: Ik zal uw goede, wijze raad opstellen als wachter bij mijn hart. Maar, beste broeder, toon niet als menig goddeloos zedenpreker aan anderen het steil en doornig pad ten hemel, terwijl ge zelf als wufte en drieste losbol Cupido's dartele rozenpaden gaat, doof voor uw eigen leer!

Laërtes: O, vrees dat niet. Ik bleef al te lang... Maar daar komt mijn vader! Een dubbele zegen is een dubbel heil. Het toeval lacht mij toe met een tweede afscheid.

Polonius: Nog hier, Laërtes? Foei, aan boord, aan boord! De wind blaast ongeduldig in uw zeil. Men wacht u reeds! Hier, neem mijn zegen met u en zorg dat gij deze regels in uw geheugen grift: houd uw gedachten voor u en leg er geen ten uitvoer die nog hinkt; wees minzaam, maar vooral niet te gemeenzaam; hebt gij een vriend beproefd en trouw bevonden, klem hem dan aan uw ziel met een band van staal, maar maak uw hand niet hard door ze iedere nieuwe, onrijpe kameraad te reiken; mijd u in een twist te wikkelen; raakt ge er toch in. Weer u dan zo dat het uw vijand heugt; leen elk uw oor, doch weinigen uw stem; hoor ieders mening, doch bewaar uw oordeel; kleed u zo kostbaar als uw beurs gedoogt, doch niet opzichtig, rijk, niet overladen, want aan de kleren kent men vaak de man - en zij van Frankrijks hoogste rang en stand hebben op dit punt een verfijnde smaak; leen evenmin geld van als aan iemand, en waar men schulden maakt, wordt niet gespaard; maar bovenal: wees trouw aan uzelf en daaruit volgt, als op de dag de nacht, dat gij dan jegens niemand vals kunt zijn, Vaarwel, mijn zege moge dit doen rijpen.

Laërtes: Vol eerbied neem ik afscheid van u, heer.

Polonius: De tijd dringt. Ga, uw dienaars wachten reeds.

Laërtes: Vaarwel, Ophelia, en vergeet niet wat ik u gezegd heb.

Ophelia: Ik sloot het in mijn binnenst en geef uzelf de sleutel ervan mee.

Laërtes: Vaarwel!

Polonius: Wat heeft hij tegen u gezegd, Ophelia?

Ophelia: Met uw verlof, 't betrof prins Hamlet, vader.

Polonius: Voorwaar, dat was verstandig! Ik heb gehoord dat hij de laatste tijd zeer vaak vertrouwelijk met u sprak, en dat gijzelf zeer vrij en gul gehoor verleende. Als het zo is als men 't mij heeft verteld, en met het beste oogmerk, dan moet ik zeggen dat gij niet goed weet wat ge als mijn dochter verplicht zijt aan uzelf en aan uw eer. Wat is er tussen u? Zeg mij de waarheid.

Ophelia: De laatste tijd heeft hij mij vaak betoond dat hij mij liefhad, vader.

Polonius: U liefhad? Poeh! Daar spreekt gij als een groentje, als een onnozel, onervaren ding. Gelooft gij dit vertoon, zoals gij het noemt?

Ophelia: Ik weet niet, vader, wat ik denken moet.

Polonius: Denk dan maar namens mij dat ge een kind zijt, wanneer ge dat vertoon van klatergoud voor echte munt opneemt. Toon dat ge uzelf op prijs stelt, of ge toont mij - ik laat nu het spelen met woorden varen - dat ge een kuiken zijt.

Ophelia: Vader, hij heeft zijn liefde mij betuigd in alle eer en deugd!

Polonius: Deugd! Ja, maar het deugt toch niet. Loop rond! Loop rond!

Ophelia: En hij heeft zijn woorden nog bekrachtigd, vader, met eed op eed, bij al wat heilig is!

Polonius: Ja, kruimels voor klein wild. Ik weet te goed hoe gul, als het bloed kookt, de ziel de tong die eden leent. 't Is een geflikker, dochter, dat meer licht geeft dan warmte, en dat reeds uitdooft eer de geloften zijn gedaan. Houd het toch niet voor vuur! Wees voortaan wat kariger met uw maagdelijk gezelschap, en stel uw gunsten hoger dan u maar tot een onderhoud te laten commanderen. Wat Hamlet aangaat: ach, reken, hij is jong, zijn leiband laat hem groter vrijheid toe dan men u gunnen kan. Kortom, Ophelia, geloof zijn eden niet, want het zijn koppelaars, heel anders dan hun uiterlijk verkondt. Zij smeken om wat zondig is en schandelijk, maar lispelen vrome en heilige geloften om beter te verschalken. Kort en goed, voor eens en voor altijd: ik verlang van u dat gij voortaan geen ogenblik misbruikt voor een onderhoud of praatjes met prins Hamlet. Onthoud dit, het is mijn wil. En ga nu heen.

Ophelia: 'k Zal u gehoorzaam zijn, mijn heer en vader.

I/4

(op het terras)

(huilende wind)

Hamlet: De lucht bijt vinnig. Het is bitter koud!

Horatio: Het is een gure, snijdend-scherpe lucht.

Hamlet: Hoe laat is 't nu?

Horatio: Niet ver van twaalven, denk ik.

Marcellus: Neen, 't heeft al twaalf geslagen.

Horatio: Werkelijk? 'k Heb het niet gehoord. Dan is de tijd nabij waarop de geest gewoon is rond te waren. (trompetgeschal en paukenslagen) Wat wil dat zeggen, prins?

Hamlet: De koning nachtbraakt en houdt drinkgelag, en slempt en waggelt dansend, stampend rond. En als hij volle teugen Rijnwijn zwelgt, verkonden pauken en trompetten balkend zijn roem als drinker.

Horatio: Is dat een gebruik?

Hamlet: Ja, zeker. Doch naar mijn mening, schoon ik hier geboren ben en ermee opgegroeid, is 't een gebruik eervoller voor wie het schendt dan voor wie het volgt. Dit breinbenevelend drinken brengt ons alom de smaad en schimp van andere volken aan. Men noemt ons dronkaards, erger nog: scheldt ons voor zwijnen uit. En inderdaad, dit euvel ontneemt aan onze daden, hoe roemrucht ook, de pit en 't merg der welverdiende faam. (plots opstekende wind)

Horatio: Zie, prins, het komt! (de geest verschijnt)

Hamlet: O, engelen en genadeboden, hoed ons! Of gij een zalige of vervloekte geest zijt, hemelgeur met u brengt of helse stank, of uw bedoeling boos of liefderijk is, heel uw gestalte lokt mij zo tot vragen dat ik tot u spreken wil. Ik noem u Hamlet, vorst, vader, hoofd der Denen! O, geef antwoord! Laat mij niet door onzekerheid vergaan, maar zeg waarom uw diep vereerd gebeente, de aarde toevertrouwd, zijn lijkwa heeft verscheurd en waarom het graf waarin wij u rusten zagen zijn zware marmeren muil geopend heeft om u weer uit te werpen! Wat beduidt het dat gij, een lijk, in volle rusting de schemerschijn der maan bezoekt, de nacht afgrijselijk maakt, ons, met wie de natuur haar spel speelt, huiveren doet van angstgedachten die boven het bereik gaan onzer ziel? Spreek! Waarom dit? Waartoe? Wat wilt gij van ons?

Horatio: Het wenkt u toe dat gij het volgen moet, alsof het iets zou willen mededelen aan u alleen!

Marcellus: Zie hoe het u met een vriendelijk gebaar naar een meer afgelegen plek toe noodt. Doch ga niet mee!

Horatio: Nee, onder geen beding!

Hamlet: Het wil niet spreken. Daarom wil ik het volgen.

Horatio: Doe het niet, mijn prins!

Hamlet: Wel, wat heb ik te duchten? Ik acht mijn leven nog geen strohalm waard, en wat mijn ziel betreft, onsterfelijk als dit wezen zelf, wat zou het haar kunnen deren? Het wenkt mij opnieuw vanhier. Ik wil het volgen!

Horatio: Wat als het u naar de vloed zou lokken, prins? Of naar de gruwbare top van gindse klip die van haar voet voorover helt naar zee en daar een andere schrikgestalte koos die u de macht van het verstand ontroofde en u tot waarzin dreef? O, wees voorzichtig! De plaats alleen roept zonder verdere oorzaak reeds wanhoopsgrillen op in 't brein van elk die zoveel vadem neerziet in de diepte en 't golfgehuil verneemt!

Hamlet: Het wenkt nog steeds. Ga voor! Ik zal u volgen!

Marcellus: Gij moogt niet gaan, prins!

Hamlet: Neem uw handen weg!

Horatio: Hoor toch, gij moogt niet gaan!

Hamlet: Mijn noodlot roept en maakt de kleinste vezel van dit lichaam sterk als de spieren van Nemea's leeuw. Roept het nog altijd? Laat mij los, gij tweeën! Bij God, ik maak een geest van wie 't mij let. Weg, zeg ik, weg! Ga voor! Ik zal u volgen!

Horatio: Zijn overspannen geest maakt hem vertwijfeld.

Marcellus: Hem na! Hier mogen wij zijn wil niet doen.

Horatio: Hem na, ja! Tot welk einde zal dit voeren?

Marcellus: Er knaagt verderf aan Denemarkens staat.

Horatio: De hemel geve hier uitkomst!

Marcellus: Voort, hem na!

I/5

(een meer afgelegen deel van het terras)

(huilende wind)

Hamlet: Spreek! Waarheen voert gij mij? Ik volg niet verder.

geest: Hoor mij!

Hamlet: Ik hoor.

geest: Mijn uur is reeds nabij dat ik mij aan de wrede sulfervlammen moet overleveren.

Hamlet: Ach, arme geest!

geest: Beklaag mij niet, doch leen een ernstig oor aan wat ik ontvouwen zal.

Hamlet: Spreek! 't Is mijn plicht te luisteren.

geest: En ook te wreken, als ge 't hebt gehoord.

Hamlet: Wat?

geest: Ik ben uw vaders geest, gedoemd een zekere tijd 's nachts rond te waren en overdag te vasten in het vuur, tot iedere wandaad van mijn aards bestaan verbrand, gelouterd is. Als 't niet verboden was u 't geheim te onthullen van mijn kerker, kon ik u een verhaal doen waarvan het minste woord uw ziel zou openrijten, het bloed doen stollen, uw ogen als sterren uit hun kas doen schieten, uw dichte en saamgevlochten lokken scheiden, tot ieder haartje overeind stond als de pennen op 't verbolgen stekelzwijn. Maar zo'n relaas van de eeuwigheid is niet voor sterfelijke oren. Luister, Hamlet, luister! Als gij uw waarde vader ooit bemind hebt.

Hamlet: O, God!

geest: Wreek dan zijn snode, ongehoorde moord.

Hamlet: Moord?

geest: Een moord zo snood als geen. De minste is snood, (trompetten en pauken) doch deze allersnoodst, vreemd en onmenselijk.

Hamlet: Vlug, vlug, vertel het mij, dat ik met vleugels snel als gedachten of als liefdedromen op mijn wraak afstorm.

geest: 'k Vind u dus bereid. Ge zoudt ook trager zijn dan het vadsig kruid dat langzaam wegrot aan het strand der Lethe als dit u niet tot daden dreef. (wind) Hoor, Hamlet, er is rondgestrooid dat toen ik in mijn tuin te slapen lag een slang mij stak. Zo werd door een verdichtsel heel het oor van het land omtrent mijn dood misleid. Weet, edel jongeling: de giftslang die uw vaders leven nam, draagt thans zijn kroon!

Hamlet: O, mijn voorspellend hart! Mijn oom!

geest: Ja, dat bloedschendig, overspelig monster won voor zijn vuige lust mijn schijnbaar engelreine koningin! O, welk een diepe afval was dat, Hamlet, van mij, wiens liefde zo oprecht was dat ze hand in hand met de eed ging die ik haar aan het altaar zwoer, en dan gezonken tot een ellendeling, die bij mij vergeleken natuurs verstoteling was. (wind) Maar stil, ik ruik, me dunkt, de morgenlucht. 'k Moet kort zijn! Toen ik lag te slapen in mijn boomgaard, als ik 's middags steeds gewoon was, besloop uw oom mijn zorgeloze rust met een flesje met verdoemelijk ebbensap en goot dat van melaatsheid zwangere vocht in de ingang van mijn oor. Het werkt zo fel vijandig in op 's mensen bloed, dat het zich snel allerwegen als levend kwik verspreidt door de aderen van het lichaam en met plotseling geweld het gezonde bloed doet stollen, stremmen, zoals zure leb de melk verdikt. (wind) Zo ging het ook bij mij, en hetzelfde ogenblik omkorstte een uitslag alsof ik melaats was, vuil en walgelijk dik, m'n zuiver lichaam. Zo werd ik slapend, door een broederhand, opeens van leven, gade en kroon beroofd, in de bloei van al mijn zonden weggesneden en zonder biecht, ontheffing, sacrament, met ongesloten rekening, onder heel mijn schuldlast zuchtend, naar het gericht gezonden. O, gruwelijk, gruwelijk, boven alles gruwelijk! Als de natuur in u spreekt, duld het dan niet! Laat Denemarkens vorstelijk bed geen sponde voor bloedschande en vervloekte ontucht zijn. Maar hoe gij ook uw taak volbrengen wilt, bevlek uw ziel niet en hef nooit uw hand tegen uw moeder. Laat haar over aan de hemel en de scherpgepunte dorens die in haar boezem huizen. (wind) Thans, vaarwel! De glimworm toont dat de ochtend reeds nabij is. Zijn ijdel, gloedloos vuur wordt vaal en bleek. Vaarwel! Vaarwel! Blijf mij gedenken, Hamlet!

Hamlet: O, hemelmachten! O, aarde! Wat nog meer? Ook nog de hel! O, schande! Kracht, mijn hart! En gij, mijn spieren, wordt niet plotseling oud, maar houdt mij stevig staande! Ik u gedenken? Ja, arme geest, zolang herinnering huist in dit verbijsterd hoofd! Ik u gedenken? O, uit het boek van mijn geheugen veeg ik elk ijdel en dwaze herinnering, al wat gemeenplaats is, beeld en indruk, door jeugdige zucht naar kennis daar gegrift, slechts uw bevel staat voortaan heel alleen geschreven in mijn brein, en onvermengd met minder hoge dingen! Ja, bij God! O, diep verdorven vrouw! O, schurk, glimlachende, vervloekte schurk! Mijn opschrijfboek, ik teken het aan, dat iemand die steeds weer glimlacht toch een schurk kan zijn. Dat kan, weet ik, tenminste in Denemarken. Zo, oom, daar staat gij! Nu het wachtwoord nog. Het luidt: “Vaarwel, vaarwel, gedenk mij, Hamlet!” Ik heb het gezworen.

Horatio: Mijn prins, mijn prins!

Marcellus: Prins Hamlet!

Horatio: De hemel sta hem bij!

Hamlet: Moge 't zo zijn!

Horatio: Hallo, ho, ho, mijn prins!

Hamlet: Hola, ho, ho, mijn knaap! Kom, vogel, kom!

Marcellus: Hoe is het, edele prins?

Horatio: Welk nieuws, mijn prins?

Hamlet: O, wonderbaarlijk!

Horatio: Vertel het ons, prins.

Hamlet: Neen, gij zoudt het verraden.

Marcellus: Ik niet, prins, bij de hemel.

Horatio: Ik ook niet, prins.

Hamlet: Wat zegt gij? Mag een mensenziel dit denken? Doch gij zult zwijgen?

Horatio en Marcellus: Ja, wij zweren het, prins!

Hamlet: Er leeft niet één schurk in heel Denemarken,... die geen doortrapte booswicht is.

Horatio: Er hoeft geen geest, prins, uit het graf te rijzen om ons dat te vertellen.

Hamlet: Precies, ge hebt gelijk, en ik acht het daarom, zonder verder omhaal, het best dat we elkaar een hand geven en uiteengaan. Gij, waar uw bezigheid of lust u roept, want bezigheid of lust heeft iedereen, hoe dan ook; en wat mij betreft, mij arme, ik wil gaan bidden.

Horatio: Dat zijn maar wilde warrelwoorden, prins.

Hamlet: Het spijt me dat ze u krenken, ja, van harte; werkelijk, van harte.

Horatio: Ge hebt mij niet gekrenkt, prins.

Hamlet: Dat heb ik, bij Sint Patrick, wel, Horatio, en diep gekrenkt ook. Wat deze verschijning aangaat: het is een rechtschapen geest, geloof mij. Maar wat uw lust betreft om meer te weten, betoomt die, als gij kunt. En, goede vrienden, vervult als vrienden, krijgers, studiemakkers, één klein verzoek.

Horatio: Dat doen wij, prins. Wat is het?

Hamlet: Maak nooit bekend wat gij vannacht gezien hebt.

Horatio en Marcellus: Nooit, edele prins.

Hamlet: Goed, zweert het!

Horatio: Nooit, prins, op mijn woord.

Marcellus: Noch ik, prins, op mijn woord.

Hamlet: Hier, op mijn zwaard.

Marcellus: Wij hebben het reeds gezworen, prins.

Hamlet: Neen, op mijn zwaard hier, plechtig!

geest: Zweert!

Hamlet: (lacht) Vriend, spreekt gij mee? Zijt gij daar, aardgeest? Komt nu. Gij hoort, die kelderknaap verlangt het. Zweert het!

Horatio: Zeg ons de eed dan voor, mijn prins.

Hamlet: Nimmer te spreken van wat gij hier zaagt. Zweert op mijn zwaard.

geest: Zweert!

Hamlet: Hic et ubique? Komt, wat verderop. Hierheen, mijn vrienden, en legt uw handen wederom op mijn zwaard. Nimmer te spreken van wat gij hier zaagt. Zweert op mijn zwaard.

geest: Zweert!

Hamlet: Goed gezegd, oude mol. Graaft gij zo snel in de aard? Een wakker delver! Nog eens elders, vrienden.

Horatio: Bij al wat leeft, 't is wonderbaarlijk vreemd!

Hamlet: En heet het daarom als een vreemde welkom. In de aarde en hemel is er meer, Horatio, dan gij kunt dromen in uw wetenschap. Maar komt, zweert hier zoals daarnet, dat gij, zo waarlijk helpe u God, hoe raar en vreemd ik mij ook gedragen mag - daar het mij hierna wellicht nodig zal lijken mij grillig en fantastisch voor te doen - dat gij, wanneer gij mij dan ziet, nooit zo uw armen kruisen zult, of zo met uw hoofd schudden, of door een veelbetekenend woord als “Ja, wij weten”, of “O, als wij wilden, of “Als wij spreken durfden”, of “Er zijn er die, als het hun was toegestaan, wel zouden”, of zoiets dubbelzinnigs aan zult duiden dat ge iets van mij afweet, dat nooit te doen, zowaar ge op troost en heil in doodsnood hoopt, zij uw gelofte. Zweert!

geest: Zweert!

Hamlet: Rust, rust, gestoorde geest!

Horatio: Ik zweer het.

Marcellus: Ik zweer het.

Hamlet: En nu, mijn vrienden, vraag ik met al uw vriendschap om uw trouw, en wat een man, zo arm als Hamlet, doen kan om u zijn liefde en vriendschap te betuigen, blijft, als God wil, niet uit. Komt, laat ons gaan. En, ik bid u, steeds de vinger op de lippen! De tijden zijn ontwricht. Vervloekt bevel, dat mij als man aanwijst voor hun herstel! Nu komt, laten wij gaan. (ze verlaten het terras)

II/1

(een kamer in het huis van Polonius)

(Hier is het hoorspel onvolledig!! Polonius vraagt Reinoud in Parijs te informeren naar Laërtes' gedrag. Dan komt Ophelia die haar vader meedeelt dat Hamlet naar haar kamer is gekomen, blijkbaar waanzinnig van verliefdheid.)

Ophelia: (Hij greep me bij mijn pols en hield die vast, loopt toen tot op armslengte van mij af, legt zo zijn andere hand over zijn ogen en staart me aandachtig in 't gelaat, alsof hij 't uit wou tekenen. Lang bleef hij zo staan. Op 't laatst schudde hij zachtjes aan) mijn arm, bewoog driemaal zijn hoofd zo op en neer en slaakte toen zo'n droeve en diepe zucht dat het scheen of die zijn borst verbrijzelde den een eind aan zijn leven maakte. Toen liet hij mij los en scheen, over zijn schouder kijkend, de weg te vinden zonder ogen, want zonder hun hulp liep hij de deur uit en hield tot het laatst hun licht op mij gevestigd.

Polonius: Ga met me mee. Ik wil de koning spreken. Dit is de ware liefdewaanzin, wier heftige aard zichzelf te grond richt en de geest tot daden van vertwijfeling drijft, gelijk zo menige andere hartstocht die op aarde ons mensen schok. Het doet mij leed. Zeg, hebt gij hem onlangs soms hard bejegend?

Ophelia: Neen, vader! Ik heb alleen, zoals u beval, zijn brieven teruggestuurd en hem de toegang tot mij ontzegd.

Polonius: Dat heeft 'm gek gemaakt! Het doet mij leed dat ik 'm niet beter, fijner beoordeeld heb. Ik was bang dat hij maar speelde en uw verderf zocht. Och, ellendige argwaan! 't Schijnt dat het onze leeftijd eigen is, dat wij te ver gaan met onze achterdocht, zoals het jonge volkje meestentijds elk doorzicht mist. Kom met mij naar de koning. Hij moet dit weten! Zwijgen baart meer kwaad dan 't openbaren dezer liefde haat. Kom! (ze gaan)

II/2

(een kamer in het kasteel)

koning: Weest welkom, Rosencrantz en Guildenstern. Niet slechts ons groot verlangen u te zien, doch ook behoefte aan uw hulp was oorzaak dat we u met spoed ontboden. Gij hebt vast al gehoord hoe Hamlet gans veranderd is. In niets meer, uiterlijk noch innerlijk, lijkt hij op wat hij was. En wat het, naast zijn vaders dood, kan zijn, dat hem zo diepgaand vervreemd heeft van zijn eigen wezen, is voor ons een raadsel. Ik bid u daarom beiden, die van jongs af met hem zijt opgevoed en hem steeds na bleef door uw jeugd en inborst, dat gij voor enige tijd hier aan ons hof vertoeven wilt, om hem door uw gezelschap weer op te beuren en daarnaast te ontdekken, zover gij daar gelegenheid toe krijgt, of 'm soms een verborgen leed drukt dat, als het is bekend, door ons verlicht kan worden.

Koningin: Vaak, waarde heren, heeft hij u genoemd. Ik weet zeker dat er geen twee mensen leven aan wie zijn hart meer hangt. Zo het u behaagt ons zoveel warme vriendschap te betonen dat gij hier een poos wilt blijven aan ons hof, tot steun en tot versterking onzer hoop, zal onze dank voor uw verblijf zich uiten als het vorsten past.

Rosencrantz: Beide uwe majesteiten konden krachtens uw soeverein gezag ons veeleer al, wat u behaagt, gebieden dan 't ons verzoeken.

Guildenstern: Gaarne leggen wij gehoorzaam onze beste diensten aan uw voeten, opdat gij er, naar 't u goeddunkt, over beschikt.

koning: Dank, Rosencrantz en waarde Guildenstern.

Koningin: Dank, Guildenstern en waarde Rosencrantz. En ik bid u, bezoekt onverwijld mijn zoon, helaas te zeer veranderd. (tot dienaars) Een geleide brengt deze heren waar prins Hamlet is.

Guildenstern: De hemel make onze omgang en bemoeiing prettig voor hem en heilzaam.

Koningin: Amen, ja. (de jongelingen verlaten de kamer)

Polonius: (komt op) Edele vorst, uw Noorweegse afgezanten zijn zeer voldaan teruggekeerd.

koning: Gij zijt steeds weer de vader van goed nieuws.

Polonius: Meent ge dat echt? Ja, wees verzekerd, heer, dat ik mijn plicht, zoals mijn ziel, gelijkelijk aan God wijd en aan mijn genadig vorst. Ook meen ik thans, of anders jaagt dit brein niet meer zo zeker in het spoor van het inzicht als 't vroeger placht, dat ik de ware grond van Hamlets waanzin eindelijk heb ontdekt.

koning: O, zeg het mij. 'k Verlang het zeer te horen.

Polonius: Mijn vorst en mijn gebiedster, hier te ontvouwen wat majesteit moet zijn en wat plicht is, waarom dag dag, nacht nacht is en tijd tijd, ware niets dan nacht en dag en tijd verspillen. Daar kortheid steeds de ziel is van vernuft, en breedsprakigheid zijn lichaam en zijn opsmuk, zeg ik kortweg: uw edele zoon is dol. Dol noem ik het, want wat is dolheid, als men haar omschrijven wil, anders dan dol zijn? Doch dit terloops.

Koningin: Meer inhoud, minder kunst!

Polonius: Mevrouw, ik zweer, het is waarheid en geen kunst! Dat hij dol is, is waar; waar dat het jammer, en jammer dat het waar is. Een dwaze zin, maar weg ermee. Ik ga verder zonder kunst. Laat ons erkennen dat hij dol is. Blijft dus dat wij de oorzaak vinden van 't effect, of juister nog, de oorzaak van 't defect. Dit defectief effect toch heeft een oorzaak. Zo blijft het dus en wat ons blijft, is dus: denk na, ik heb een dochter - heb ze, ze is nog mijn - die mij in haar gehoorzaamheid, let wel, dit heeft gegeven. Luistert nu en oordeelt. “Aan de hemelse, de afgod mijner ziel, de schoonheidsrijkste Ophelia.” Dat is een lelijke uitdrukking, een slechte uitdrukking. “Schoonheidrijke” is een slechte uitdrukking. Maar luistert verder. Er volgt: “Voor haar uitnemend blanke boezem, dit.” Enzovoorts.

Koningin: Zond Hamlet dit aan haar?

Polonius: Een ogenblik, mevrouw, ik meld u alles. “Twijfel aan der sterren klaarheid, twijfel aan de zonneschijn, twijfel aan de waarste waarheid, maar onbetwijfelbaar moog' steeds mijn liefde u zijn. O, dierbare Ophelia, met de maat kan ik slecht overweg, Ik versta de kunst niet mijn zuchten te tellen, maar geloof mij dat ik, o innig lieve, u innig liefheb. Vaarwel! Voor immer, dierbaarste jonkvrouw, de uwe, zolang deze machine hem toebehoort. Hamlet.” Dit heeft mijn dochter mij naar plicht getoond en bovendien mij van zijn liefdebeden, geuit zo vaak hem tijd en plaats maar dienden, getrouw verslag gedaan.

koning: En hoe nam zit dit alles op?

Polonius: Heer, waarvoor houdt gij mij?

koning: Voor een getrouw en achtenswaardig man.

Polonius: 'Ik hoop dit te blijken, maar zat zoudt gij denken als ik die vurige liefde had zien vlammen - en ik zag dit reeds, geloof mij, eer mijn dochter het mij zei - wat hadt gij dan, of uw vorstin, mijn dierbare gebiedster, wel gedacht als ik voor opschrijfboek of lessenaar had gespeeld, mijn hart in slaap en stom en doof gesust, of werkeloos bij hun liefde toegezien? Wat hadt gij dan gedacht? Neen, ik ging ronduit te werk en sprak de jonkvrouw toe als volgt: “Prins Hamlet is een vorst, te hoog voor u. Dit mag niet zijn.” En toen schreef ik haar voor dat ze elke omgang met hem staken moest, geen boden of geschenken meer ontvangen. Zo sprak ik en zij nam mijn raad ter harte, en hij, teruggewezen, ik maak het kort, verviel tot droevig mijmeren, toen tot vasten, toen tot verstrooidheid, en daarna, verergerd, tot deze dolheid die hem thans bevangt en elk van ons bedroeft.

koning: Denkt gij dat dit het is?

Koningin: Het lijkt heel waarschijnlijk.

Polonius: Is het ooit gebeurd, dat zou ik graag van u weten, dat ik met overtuiging zei: “Zo is het,” en dat het anders bleek?

koning: Niet dat ik weet.

Polonius: Mijn hoofd eraf indien het anders is. Als ik één draadje in handen heb, vind ik de waarheid, waar ze ook schuilt, al schuilt ze ook in het middelpunt der aarde.

koning: Hoe gaan wij dit na?

Polonius: Gij weet, hij wandelt somtijds uren lang hier in de voorzaal.

Koningin: Inderdaad, dat doet hij.

Polonius: Op zijn tijd laat ik mijn dochter op hem los. Gij gaat met mij achter een wandtapijt staan en slaat hem gade. Als hij haar niet bemint en niet daardoor tot waanzin is vervallen, mag ik niet langer raadsman zijn der kroon, maar boer of karreknecht.

koning: Laat ons 't proberen.

Koningin: Zie, ginder komt de stakker lezend aan.

Polonius: Weg van hier, ik bid u, beiden weg van hier! Ik klamp hem dadelijk aan... Met uw verlof, hoe gaat het u, mijn prins?

Hamlet: Goed, goddank.

Polonius: Gij kent mij toch wel, heer?

Hamlet: Zeer goed zelfs, zeer goed. Gij zijt een visverkoper.

Polonius: Ik niet, mijn prins!

Hamlet: Dan wilde ik, dat ge zo'n eerlijk man waart.

Polonius: Eerlijk, prins?

Hamlet: Ja, heer, want een eerlijk man te zijn in deze wereld betekent één uit duizend te zijn.

Polonius: Dat is zeer waar, mijn prins.

Hamlet: Want als de zon maden verwekt in een dode hond, wat een aas is, goed om te kussen... Hebt gij een dochter?

Polonius: Jawel, mijn prins.

Hamlet: Laat haar dan niet in de zon wandelen. Ontvangen is een zegen, maar niet zoals uw dochter zou kunnen ontvangen. Pas daarvoor op, vriend.

Polonius: Wat wilt ge daarmee zeggen? Steeds weer malen over mijn dochter. Toch kende hij mij eerst niet en zei dat ik een visverkoper was. Hij is ver heen! En toch, waarlijk, in mijn jeugd leed ik ook ontzettende liefdessmarten, bijna zoals hij. Ik wil hem nog eens toespreken. Wat leest gij, prins?

Hamlet: Woorden, woorden, woorden.

Polonius: Maar waar handelt het over?

Hamlet: Wie met wie?

Polonius: Ik bedoel, waar het boek dat gij leest over handelt, prins.

Hamlet: Lasterpraatjes, heer, want die satirische schavuit zegt hier dat oude mannen grijze baarden hebben, dat hun gelaat gerimpeld is, uit hun ogen dikke boomhars en kersengom drupt en dat zij een overvloedig gebrek aan verstand paren aan uiterst zwakke dijen. En hoewel ik, heer, dit alles vast en zeker geloof, acht ik het toch niet betamelijk het zo neer te schrijven, want gijzelf, heer, zoudt even oud zijn als ik indien ge als een kreeft achteruit kondt lopen.

Polonius: Als is dit ook krankzinnigheid, toch zit er methode in. Wilt ge niet uit de tocht gaan, mijn prins?

Hamlet: Mijn graf in?

Polonius: Dat zou inderdaad uit de tocht zijn! Hoe gevat zijn soms zijn antwoorden! Dat is een gelukkige gave van de waanzin om soms dadelijk te treffen waar het gezonde verstand niet zo gemakkelijk op kan komen. Ik ga hem nu verlaten en onmiddellijk maatregelen nemen om hem mijn dochter te doen ontmoeten. Mijn hooggeëerde prins, ik neem thans alleronderdanigst afscheid van u.

Hamlet: Ge kunt niets van mij nemen, heer, waar ik liever afstand van zou willen doen, behalve mijn leven, behalve mijn leven, behalve mijn leven!

Polonius: Vaarwel, mijn prins. (gaat)

Hamlet: Die vervelende oude dwazen! (Rosencrantz en Guildenstern komen aan)

Polonius: Gij komt prins Hamlet zoeken? Ginder staat hij.

Rosencrantz: God hoede u, heer.

Guildenstern: Vereerde prins.

Rosencrantz: M'n dier'bre prins!

Hamlet: Mijn beste, goede vrienden! Hoe gaat het u, Guildenstern? Ah, Rosencrantz! Beste kerels, wat is er voor nieuws?

Rosencrantz: Niets, prins, dan dat de wereld eerlijk is geworden.

Hamlet: Dan is de dag des oordeels nabij. Doch is uw nieuws niet waar. Laat mij u wat meer op de man af vragen: wat hebt gij Fortuna toch gedaan dat zij u hier naar de gevangenis zendt?

Guildenstern: Gevangenis, prins?

Hamlet: Denemarken is een gevangenis.

Rosencrantz: Dan is de hele wereld er een.

Hamlet: En een goede ook, met vele afdelingen, cellen en kerkers, waarvan Denemarken een der ergsten is.

Rosencrantz: Wij denken er anders over, prins.

Hamlet: Nu, dan is het voor u niet zo, want niets is goed of kwaad op zichzelf. Eerst onze gedachten maken het zo. Voor mij is het een gevangenis.

Rosencrantz: Dan maakt uw eerzucht er een van. Die is te eng voor uw geest.

Hamlet: O, God, ik kon opgesloten zijn in een notendop en mij voor een koning van een onbegrensd gebied houden, als ik maar geen boze dromen had.

Guildenstern: Welke dromen inderdaad eerzucht zijn, want het eigenlijke wezen van de eerzuchtige is slechts de schim van een droom.

Hamlet: Een droom is zelf maar een schim.

Rosencrantz: Dat is waar, maar ik acht eerzucht zoiets vluchtigs en ijls, dat zij slechts de schim van een schim is.

Hamlet: Dan zijn onze bedelaars lichamen en onze koningen en wijdvermaarde helden de schimmen van bedelaars. Zullen wij ons bij het hof voegen? Want op mijn woord, redeneren kan ik niet.

Guildenstern: Wij zijn tot uw dienst.

Hamlet: Geen sprake van! Ik wil u niet onder de rest van mijn dienaars rangschikken, want eerlijk gezegd heb ik afschuwelijke bedienden. Maar om de vertrouwde weg der vriendschap te betreden: wat komt ge in Elseneur doen?

Rosencrantz: U bezoeken, prins, anders niets.

Hamlet: Ach, ik ben een bedelaar, en zelfs arm aan dank. Maar ik dank u, doch mijn dank, lieve vrienden, is geen halve stuiver waard. Heeft men u niet ontboden? Heeft uw eigen verlangen u gedreven? Is het een vrijwillig bezoek? Kom, weest oprecht tegen mij; toe, spreek ronduit.

Rosencrantz: Wat moeten wij daarop zeggen, prins?

Hamlet: Wel, wat gij maar wilt. Doch ter zake: gij zijt ontboden en in uw blikken lees ik een soort van bekentenis, die uw ongedwongenheid met al zijn knapheid niet verbergen kan. Ik weet dat de koning en de koningin u ontboden hebben.

Guildenstern: Met welk doel, mijn prins?

Hamlet: Dat moet gij mij juist vertellen. Maar laat ik u bezweren bij de rechten onzer kameraadschap, bij de eensgezindheid onzer jeugd, bij de verplichting onzer beproefde vriendschap en bij alle nog heiliger zaken waar een beter woordvoerder dan ik u zou kunnen nopen, zegt eerlijk en oprecht tegen mij of gij ontboden zijt of niet.

Rosencrantz: (tot Guildenstern) Wat zegt gij?

Hamlet: Zo, nu heb ik u door. Als gij mij liefhebt, draai er dan niet omheen!

Guildenstern: Mijn prins, wij zijn ontboden.

Hamlet: Ik zal u zeggen waarom. Dan zal mijn mededeling uw onthulling voor zijn en uw belofte van geheimhouding aan de koning en de koningin geen veertje laten. Ik ben sinds kort - maar waardoor weet ik zelf niet - al mijn opgeruimdheid kwijt, heb al mijn gewone bezigheden laten varen en mijn stemming is inderdaad zo zwaarmoedig dat dit schoon gewrocht, de aarde, mij voorkomt als een kale klip, dit heerlijke luchtgewelf, dit grootse, overkoepelend firmament, dit majestueuze dak met gouden vonken ingelegd, mij... Ah, mij schijnt dit alles niets dan een verderfelijke en giftige opeenhoping van dampen. Welk een meesterstuk is de mens! Hoe edel door zijn rede, hoe oneindig rijk in zijn vermogens, in vorm en beweging hoe doeltreffend en bewonderenswaardig, in houding hoe gelijk een engel, in begrip hoe gelijk aan een god! Het sieraad van de wereld, het volmaaktste van alle wezens. En toch, wat is mij de edelste vrucht van het stof? Ik schep geen behagen noch in de man noch in de vrouw. Al schijnt uw glimlach het tegendeel te zeggen!

Rosencrantz: Prins, zoiets kwam volstrekt niet in mijn gedachten op!

Hamlet: Waarom lachte gij dan toen ik zei dat ik geen behagen schiep in de man?

Rosencrantz: Ik dacht, prins: als gij geen behagen schept in de man, welk een schrale ontvangst de toneelspelers dan van u te wachten hebben? Wij reden onderweg hen achterop en ze zijn op reis hier naartoe om u hun diensten aan te bieden.

Hamlet: Hij die voor koning speelt, zal welkom zijn. Zijne majesteit zal schatting van mij ontvangen. Welke toneelspelers zijn het?

Rosencrantz: Dezelfden, prins, waarin ge vroeger zoveel genoegen schiept. De treurspelers uit de hoofdstad.

Hamlet: Hoe komt het dat zij rondtrekken? Een vaste standplaats zou veel beter zijn, zowel voor hun naam als voor hun inkomsten.

Rosencrantz: Ik denk dat hun schorsing een gevolg is van de jongstleden opstand. (muziek) Daar zijn de spelers!

Hamlet: Heren, gij zijt welkom te Elseneur! Geeft mij de hand, komaan, bij het verwelkomen horen manieren en plichtplegingen. Sta mij toe u op die wijze te begroeten, opdat niet mijn ontvangst van de toneelspelers, die - zeg ik u - naar buiten een goede indruk moet maken, meer op een vriendelijk onthaal lijkt dan mijn ontvangst aan u. Gij zijt welkom, maar mijn oom-vader en mijn tante-moeder hebben het glad mis!

Guildenstern: In welk opzicht, prins?

Hamlet: Ik ben alleen bij noord-noordwestenwind gek. Als de wind uit het zuiden is, kan ik een valk van een reiger onderscheiden.

Polonius: (komt binnen) God zegene u, heren!

Hamlet: Luister, Guildenstern, en gij ook! Aan ieder oor een luisteraar! Die grote zuigeling die gij daar ziet, is nog niet uit de windsels.

Rosencrantz: Misschien is hij er voor de tweede maal in gestoken, want oude mensen, zegt men, worden voor de tweede maal kind.

Hamlet: Ik voorspel u dat hij van de toneelspelers komt vertellen, let maar op. Gij hebt gelijk, heer, het was op een maandagmorgen. Het was zo, inderdaad.

Polonius: Mijn edel heer, ik heb u iets nieuws te vertellen.

Hamlet: Edel heer, ik heb u iets nieuws te vertellen. Toen Roscius toneelspeler in Rome was...

Polonius: De toneelspelers zijn aangekomen, prins!

Hamlet: Hoort, hoort!

Polonius: Op mijn eer.

Hamlet: ...toen kwamen de toneelspelers op ezels aan...

Polonius: De beste spelers ter wereld, hetzij voor treurspel, blijspel, historiespel, herdersspel, herders-kluchtspel, historie-herdersspel, treur-historiespel, treur-klucht-historiespel, ondeelbare handeling of onbeperkt stuk. Seneca kan hun niet te zwaarmoedig en Plautus niet te luchthartig zijn. In het spelen naar een geschreven rol en voor de vuist weg hebben zij huns gelijken niet.

Hamlet: “O, Jephta, Israëls richter (1) , welk een schat hadt gij!”

Polonius: Welk een schat had hij dan, prins?

Hamlet: Wel: “Een schone dochter, één, niet meer, die hij beminde, diep en teer.”

Polonius: Altijd weer over mijn dochter.

Hamlet: Is het niet zo, oude Jephta?

Polonius: Als gij mij Jephta noemt, prins, ja, ik heb een dochter die ik diep en teer bemin.

Hamlet: Nee, dat volgt niet.

Polonius: Wat volgt dan, mijn prins?

Hamlet: Wel: “Naar het lot en Gods gebod” en dan, zoals gij weet: “Is dra geschied, wat zich denken liet”. Zie het overige maar na in het eerste couplet van dit stichtelijk vers, want zie, daar komen anderen mijn aandacht vragen. (muziek - opkomst der toneelspelers) Gij zijt welkom, mannen, allen welkom. Het verheugt mij te zien dat gij gezond zijt. Welkom, goede vrienden. Ach, oude vriend, wel wel, wat een franjes om uw gelaat sinds ik u voor het laatst zag. Komt gij naar Denemarken om mij te laten zien dat gij haar op uw tanden hebt? Kijk, ziedaar mijn jonge dame en gebiedster. Bij onze lieve vrouw, vrouwtje, gij zijt wel een steltschoen dichter bij de hemel gekomen sinds ik u voor het laatst zag. God geve dat uw stem niet als een gebarsten goudstuk zijn heldere klank kwijt is! Mannen, gij zijt allen welkom. Wij zullen dadelijk, als Franse valkeniers, op het eerste het beste afvliegen. Laat ons eens fluks iets horen. Kom, geef eens een proefje van uw kunst, een roerende alleenspraak.

eerste toneelspeler: Welke verlangt gij, geëerde prins?

Hamlet: Ik heb u eens een alleenspraak horen voordragen, maar het stuk werd nooit opgevoerd, of als het wel gebeurde, niet meer dan eens, want ik herinner mij dat het de grote hoop niet beviel. Eén gedeelte ervan beviel mij bij uitstek goed. Het was het verhaal van Aeneas en Dido en vooral daar waar hij over de moord op Priamus spreekt. Als gij het nog in uw geheugen hebt, begin dan eens bij deze regel. Laat me eens kijken, laat me eens kijken. “De woeste Pyrrhus, als 't Hyrcaanse monster...” Nee, zo niet, maar 't begint toch met Pyrrhus. “De woeste Pyrrhus, hij wiens saab'lenrusting, zwart als zijn oogmerk, op de nacht geleek, toen hij in het onheilspaard verscholen lag, heeft nu zijn zwarte schrikgestalt' besmeerd met nog ijselijker wapenkleur. Van top tot teen is hij gans keel (2) , gruwelijk vermengd met bloed van vaders, moeders, dochters, zonen, gedroogd, verhard door 't schroeien van de straten die het bloedbad met een wreed, doemwaardig licht bestraalden. Zo, ontvlamd in woede en vuur en met geronnen bloed bedekt, zoekt Pyrrhus, die zoon der hel, met ogen als karbonkels, de oude Priamus.” Ga gij nu verder.

Polonius: Bij God, prins, schoon voorgedragen, op de goede toon en met veel klem!

eerste toneelspeler: “Hij vindt hem fluks, vergeefs 't aloude zwaard opheffend. 't Weigert zijn arm gehoorzaamheid, 't blijft liggen waar het valt, 't negeert zijn wil. Daar stort zich Pyrrhus op Priamus. Hoog heft zijn woede 't zwaard en reeds door 't suizen van zijn felle kling valt de oude neer. 't Gevoelloos Ilium voelt de slag mee en buigt zijn vlammend hoofd neer tot zijn voet, en boeit met ijselijk dreunen het oor van Pyrrhus, want zie, 't zwaard dat reeds de eerwaarde Priamus het melkwit hoofd dreigde te klieven, stokte in volle vaart. Zo stond daar Pyrrhus, als het beeld eens woestelings en roerde, als bij zijn wil en taak partijloos, zich niet. Maar evenals wij dikwerf voor een storm de hemel zwijgen zien, het zwerk in rust, de stoute winden spraak'loos en het aardrijk stom als de dood, tot plots vreselijke donder de lucht verscheurt, zo drijft na Pyrrhus' toeven de wraak, gewekt, hem weer tot gruwelen aan. En nimmer troffen der Cyclopen hamers Mars' oorlogstuig, gesmeed voor de eeuwigheid, met minder meelij, dan het bloedig zwaard van Pyrrhus Priamus verslaat. Fij , fij (3), Fortuna, veile (4) vrouw! Gij Goden, ontneemt haar in uw hoge raad haar macht, breekt vellingen (5) en spaken van haar wiel, en rolt de ronde naaf der hemelberg tot in het diepst der hel.”

Polonius: Dat is te lang!

Hamlet: Dan moet het naar de barbier, met uw baard. Ik bid u, ga verder. Hij moet zang- en danskluchten, of ontuchtige geschiedenissen hebben, anders valt hij in slaap. Ga verder, kom tot Hecuba (6).

1: Hier wordt in het hoorspel ten onrechte “dochter” gezegd.

2: heraldische kleur: rood

3: foei

4: gemeen, verdorven

5: velgen

6: de gemalin van Priamus

eerste toneelspeler: “Maar wie, o, wie de schaars bedoekte koningin gezien had...”

Hamlet: De schaars bedoekte koningin?

Polonius: Dat is goed! Schaars bedoekte koningin is goed!

eerste toneelspeler: ...die barrevoets rondliep en de gloed bedreigde met oogverdervend vocht, een lap om 't hoofd dat pas een kroon nog droeg, en voor gewaad rondom de magere en uitgeputte lenden een deken, in de haast van de angst gevat, die had met woorden vol venijn Fortuna geschandvlekt als een snood, gemeen verraadster. Ja, hadden zo de goden haar gezien, terwijl zij Pyrrhus' lage hoon aanschouwde, die 't lichaam van haar man in stukken hieuw, dan had de plotse uitroep die zij slaakte - tenzij niets menselijks ooit de goden roert - des hemels brandende ogen wis vertederd, henzelf tot verontwaardiging ontvlamd.”

Polonius: Kijk eens, is hij niet van kleur verschoten en staan de tranen hem niet in de ogen? Ik bid u, houd op.

Hamlet: Genoeg, gij zult mij de rest later wel voordragen... Mijn waarde heer, wilt gij de spelers een goed onderkomen verschaffen? Hoort gij, zij moeten goed behandeld worden, want zij zijn het kort begrip en de kronieken van hun tijd. Gij kunt beter na uw dood een slecht grafschrift hebben dan door hen een slechte naam bij uw leven.

Polonius: Mijn prins, ik zal hun naar hun verdiensten behandelen.

Hamlet: Hemel beware! Veel beter, man! Als ieder mens naar zijn verdienste behandeld werd, wie zou dan de geselstraf ontlopen? Behandel hen overeenkomstig uw eigen eer en waardigheid. Hoe minder zij het verdienen, des te meer verdienste steekt er in uw goedheid. Neem ze met u mee.

Polonius: Komt, mannen!

Hamlet: Volgt hen, vrienden, morgen willen wij een stuk horen. (ze gaan, op de eerste speler na) Hoort eens, oude vriend, kunt gij “De moord op Gonzago” spelen?

eerste toneelspeler: O ja, prins.

Hamlet: Dat willen wij morgenavond hebben. Gij zoudt toch wel, zo nodig, een regel of twaalf, zestien, als ik die op schrift stel, uit het hoofd kunnen leren en inlassen, niet?

eerste toneelspeler: O ja, prins.

Hamlet: Heel goed. Volg die heer, maar pas op dat gij niet de spot met hem drijft. (hij gaat - tot Rosencrantz en Guildenstern) Mijn goede vrienden, ik neem tot vanavond afscheid van u. Gij zijt welkom te Elseneur.

Rosencrantz: Mijn waarde prins!

Hamlet: Nu, God zij met u. (ze gaan) Thans ben ik alleen. O, welk een schurk en grove slaaf ben ik! Of is 't geen gruwel, die die speler hier in een verdichtsel, in een droom van hartstocht, zijn ziel zo dwingt naar wat hijzelf zich schiep, dat zijn gelaat bleek van ontzetting werd, zijn oog vol tranen, wanhoop in zijn trekken, zijn stem gebroken, heel zijn doen beheerst door zijn verbeelding? En dat al om niets! Om Hecuba? Wat is Hecuba voor hem of hij voor Hecuba, dat hij haar tranen plengt? Wat zou hij doen als hij de drijfveer had, het wachtwoord voor hartstocht, die ik heb? Hij verdronk het toneel in tranen, verscheurde ieders oor met gruweltaal. De schuldigen zou hij waanzinnig maken. Die vrij van schuld waren, sloeg hij met vrees. De argeloze werd verbijsterd en niet één wiens oog en oor niet dof werd en verdoofd. En ik, fut- en krachteloze ellendeling, gluip als een Hans de Dromer plichtvergeten rond en kan niets zeggen. Zelfs niet voor een koning die schandelijk werd beroofd van vrouw en kroon en allerdierbaarst leven. Ben ik een lafaard? Wie noemt mij schurk? Wie slaat mijn schedel in? Wie rukt mijn baard uit, werpt 'm me in 't gezicht? Verwringt mijn neus en noemt mij leugenaar, tot in mijn diepste binnenste? Wie doet dat? Ha! Vervloekt! Ik zou dat dulden. Ja, ik heb een duivenlever die geen gal afscheidt om het juk bitter te maken. Anders had ik reeds lang de gieren met het aas gemest van deze slaaf. Boeleerder, moordenaar, schurk! Verstokte, valse, geile, ontmenste schurk! O, wraak! Wat? O, ik ezel! Dit is dapper, dat ik, de zoon van een vermoorde, dierb're vader, door hel en hemel aangespoord tot wraak, mijn hart hier moet ontlasten als een hoer, met woorden, vloeken, .?. als een gemene slet, een allemansdel. Bah! Het roer om, mijn brein. Ik heb gehoord dat schuldigen, bij het zien van een toneelstuk, door de intrige en 't spel zo diep in het hart werden geschokt, dat zij terstond hun euveldaden luid verkondden. Want moord, al heeft hij ook geen tong, spreekt toch op wonderbare wijze. Ik laat die spelers iets spelen als het vermoorden van mijn vader, voor de ogen van mijn oom. Ik volg zijn blikken, peil 'm tot in het hart. Bloost of verbleekt hij, dat is voor mij genoeg. De geest die ik zag, kan wel de duivel zijn. De duivel kan zich in verleidelijke gedaanten hullen en tracht wellicht mij in het verderf te storten, want zwakte en melancholie geeft hem macht op de ziel. 'k Wil vastere gronden dan ik heb tot nu. Het toneelstuk is de val waarin ik 's konings geweten vangen zal.

III/1

(een voorzaal in het kasteel)

koning: En kunt gij langs geen omweg zelfs ervaren waarom hij zich zo vreemd-verward gedraagt en zich dag in dag uit zo martelend kwelt met die gevaarlijke, onstuimige waanzin?

Rosencrantz: Hij geeft zelf toe dat hij geheel uit het lood is, maar over de oorzaak laat hij zich niet uit.

Guildenstern: Hij laat zich evenmin gewillig polsen, maar ontwijkt iedere vraag met sluwe waanzin wanneer we hem zijn werkelijke gedachten trachten te ontlokken.

Koningin: Hoe ontving hij u?

Rosencrantz: Als een volmaakte edelman.

Guildenstern: Maar die met kracht zijn stemming moet bedwingen.

Rosencrantz: Karig met vragen, doch heel gul als hij ons antwoord gaf.

Koningin: Hebt gij hem ook nog omtrent het een of ander tijdverdrijf getoetst?

Rosencrantz: Vorstin, toevallig haalden we onderweg een troepje spelers in. We zeiden 't hem en met een soort van vreugde scheen hij 't nieuws te horen. Ze zijn hier aan het hof gehuisvest en hebben, meen ik, reeds bevel vanavond iets voor 'm op te voeren.

Polonius: Dat is waar. Hij droeg mij op aan uwe majesteiten het verzoek te doen het stuk te komen zien.

koning: Van ganser harte! Wel, 't verheugt mij zeer dat hij naar zoiets oren heeft. Spoort, edele heren, hem nog verder aan en wekt zijn lust tot zulke dingen op.

Rosencrantz: Volgaarne, heer. (ze vertrekken)

koning: Verlaat ons ook, Geertruide-lief. Wij hebben Hamlet met geheime opzet hierheen ontboden, dat hij - als bij toeval - Ophelia zal ontmoeten. Haar vader en wijzelf, spion uit plicht, verbergen ons hier zo, dat we ongezien zien kunnen hoe hij zich gedraagt bij hun ontmoeting en ons zekerheid verschaffen of het de smart is om zijn liefde of niet, wat hem zo kwelt.

Koningin: Ik gehoorzaam uw verzoek. Wat u betreft, Ophelia, ik wens van harte dat slechts uw schoonheid de gelukkige oorzaak van Hamlets vreemdheid is. Dan voeren, hoop ik, uw deugden hem weer in zijn vroeger spoor, tot beider eer.

Ophelia: Zo moge het zijn, vorstin. (de koningin vertrekt)

Polonius: Ophelia, loop hier op en neer... Als 't u behaagt, verbergen we ons, vorst... (tot Ophelia) Lees dit boek, opdat dit vroom vertoon uw eenzaamheid een schijnbaar doel geeft. Wij zijn dikwijls laakbaar, het is niet te loochenen. Met schijnheilig gelaat en kleur van godsvrucht oversuikeren wij de duivel zelf.

koning: O, al te waar! Hoe fel striemt hij met die paar woorden mijn geweten! De bijgeverfde wangen van een hoer zijn niet afzichtelijker naast het blanketsel dan mijn daad naast mijn fraaist geschminkte woord! O, zware last!

Polonius: Ik hoor hem! Laten we ons verbergen, heer! (ze gaan achter het wandgordijn staan - Hamlet komt binnen)

Hamlet: Te zijn of niet te zijn, dat is de vraag. Of het eervoller zou zijn voor ons te dulden in onze geest de schoten en de pijlen van het lot dat gewelddadig ons belaagt, of het hoofd te bieden aan een zee van plagen en ze te enden door verzet? Te sterven..., slapen..., meer niet. En dat een slaap het einde zijn zal van het hartzeer en de duizend angsten die 't erfdeel van het vlees zijn. Het ware een voleinding, met vroom gebed te wensen. Sterven... Slapen... Slapen! Wellicht dromen. Daar wringt de schoen, want wat wij in die doodsslaap kunnen dromen, als wij van de aardse worsteling zijn bevrijd, roept ons een halt toe. Dat is het waarom rampzaligheid het leven zo lang rekt. Want wie zou 's werelds smaad en slagen dulden, het onrecht van de tiran, de hoon der trotsen, het leed om verachte liefde, het getalm van het gerecht, bruutheid van de ambtenaar, 't gesmaal waarmee nietswaardigheid stille verdienste hoont, als hij zichzelf de kwijtbrief schenken kon met één priemstoot? Wie zou die lasten dragen, steunen en zwoegen onder het levensjuk, als niet de angst voor iets na onze dood, dat onontdekte land uit welks gebied geen reiziger ooit keert, de wil verwarde en ons liever het huidige kwaad doet dulden dan vluchten in een kwaad, ons onbekend? Zo maakt beschouwing lafaards van ons allen en wordt de aangeboren frisse blos van besluitvaardigheid verziekelijkt door het onechte bleek van het mijmeren. En ondernemingen van het hoogst gewicht raken door zo te denken uit de koers en verliezen de naam van handeling... Stil nu! De schone Ophelia. Nimf, gedenk in uw gebeden al mijn zonden.

Ophelia: Goede heer, hoe maakt uedele het sinds zovele dagen?

Hamlet: Ik dank u nederig. Goed... goed... goed.

Ophelia: Ik heb nog gedachtenissen van u, prins, die 'k u reeds lang terug heb willen geven. Ik bid u: neem ze van mij aan.

Hamlet: Ik niet! Nee nee, ik heb u nimmer iets geschonken!

Ophelia: Vereerde prins, gij weet heel goed van wel! En met zo zoete woorden dat hun waarde er hoog door steeg.

Hamlet: Vervlogen is die geur. Neem ze weer. Arm is, voor wie edel denkt, de rijkste gift, als ons de gever krenkt. Hier, neem ze, prins.

Hamlet: Aha! Zijt gij eerbaar?

Ophelia: Wat, prins?

Hamlet: Zijt gij schoon?

Ophelia: Wat bedoelt uwe hoogheid?

Hamlet: Dat als gij eerbaar zijt en schoon, gij uw eerbaarheid geen verkeer met uw schoonheid zoudt moeten toestaan.

Ophelia: Kan schoonheid, prins, beter omgang hebben dan met eerbaarheid?

Hamlet: Jazeker, want de macht der schoonheid zal spoediger de eerbaarheid in een koppelaarster veranderen dan de kracht der eerbaarheid schoonheid tot haar gelijke maken kan. Dit was vroeger een paradox, maar nu wordt het door de tijd bevestigd. Ik heb eenmaal van u gehouden.

Ophelia: Inderdaad, mijn prins, gij hebt het mij doen geloven.

Hamlet: Gij hadt mij niet moeten geloven, want de jeugd kan niet op zo'n oude stam geënt worden, dat wij daar de nasmaak niet van blijven proeven. Ik heb niet van u gehouden.

Ophelia: Des te meer was ik bedrogen.

Hamlet: Ga in een klooster. Wat zoudt gij zondaars ter wereld willen brengen? Ikzelf ben tamelijk deugdzaam, maar ik zou mij toch wel van dingen kunnen beschuldigen, wat beter zou zijn geweest dat mijn moeder mij niet ter wereld had gebracht. Ik ben zeer trots, wraakzuchtig, eergierig. Ik heb meer slechte neigingen binnen mijn bereik dan ik gedachten heb om ze te vatten, verbeeldingskracht om ze gestalte te geven of tijd om ze uit te voeren. Wat doen wezens als ik met rond te kruipen tussen hemel en aarde? Wij zijn doortrapte schurken, stuk voor stuk. Geloof niemand van ons. Ga weg, naar een klooster! Waar is uw vader?

Ophelia: Thuis, prins.

Hamlet: Laat de deuren achter hem op slot doen, opdat hij nergens anders voor nar spelen zal dan in zijn eigen huis. Vaarwel!

Ophelia: O, help hem, genadige hemel!

Hamlet: Als gij ooit huwt, geef ik u deze vloek als bruidsschat: wees zo kuis als ijs, zo zuiver als sneeuw, gij ontgaat toch de laster niet. Ga in een klooster! Ga! Vaarwel! Of als gij met alle geweld wilt trouwen, trouw dan met een zot, want verstandige mannen weten maar al te goed wat voor monsters gij van hen maakt. Ga in een klooster en gauw ook! Vaarwel!

Ophelia: O, hemelse machten, maakt hem weer beter!

Hamlet: Ik weet ook maar al te goed hoe gij u beschildert. God heeft u een gezicht gegeven en gij maakt u een ander. Gij huppelt en trippelt en lispelt en geeft aan Gods scheppingen verdraaide namen en laat uw wulpsheid voor argeloosheid doorgaan. Ga heen, ik wil d'r niets meer van weten! Het heeft mij gek gemaakt! Ik zeg u dat zij geen huwelijken meer willen hebben. Die reeds getrouwd zijn, mogen allen blijven leven, op één na! De overigen mogen blijven zoals zij zijn. Ga in een klooster! Ga! (verlaat het vertrek)

Ophelia: O, welk een edele geest werd hier verwoest! Oog, tong, zwaard van de hoveling, denker, krijgsman, de hoop en bloem van deze rijke staat, spiegel der zeden, het toonbeeld van beschaving, waar ieders oog op staarde, thans niet, niets! En ik, ik armste en ellendigste aller vrouwen, die uit zijn vleiende eden honing puurde, zie thans dat edel, vorstelijk vernuft vol scherpe wanklank, als ontstemde klokken, dit enig beeld van fris ontloken jeugd verwoest door waanzin. Wee mij, arme, die gezien heb wat ik zag, zie wat ik zie!

koning: (komt weer te voorschijn) Wat? Liefde? Neen, dat is het niet wat 'm drijft, noch leek hetgeen hij zei - al klonk het woest - op waanzin. In zijn ziel is iets waar zijn zwaarmoedigheid op broedt en ik ben bang, als het uitgebroed is en aan het licht komt, gevaarlijk zijn zal. Om het kwaad te keren is dit, na kort en goed beraad, mijn plan: hij moet met alle spoed naar Engeland, om de schatting, die het ons onthield, te vorderen. Misschien verdrijven zee en vreemde landen door de afwisseling die zij hem brengen datgene uit zijn hart dat er thans huist en zo zijn brein bevangt dat hij geheel veranderd is. Wat dunkt u van dit plan?

Polonius: Het zal 'm goed doen, maar toch blijf ik erbij dat het begin en de oorsprong van zijn leed versmade liefde is. Neen, neen, Ophelia, meld ons maar niet wat Hamlet u gezegd heeft. Wij hoorden alles. Volg uw wil, mijn vorst, maar hoor toch: laat de koningin, zijn moeder, hem, heel alleen, na het toneelstuk, smeken haar alles te vertellen wat hem kwelt. En als gij 't goedvindt, luister ik het af. Als 't haar mislukt, zend hem dan weg naar Engeland of sluit hem op waar het u 't verstandigst lijkt.

koning: Ja, zo moet het zijn, al werd het ook fel gelaakt: waanzin bij hooggeplaatsten dient bewaakt.

III/2

Hamlet: Ik bid u, spreek dit gedeelte zoals ik het u voorzeg, vlot en luchtigweg. Als gij het uitbulkt, zoals velen van uw collega's doen, had ik net zo lief dat de stadsomroeper mijn verzen galmde. En zaag ook niet te veel met uw armen in de lucht, maar doe alles met mate, want zelfs midden in de stortvloed, storm en - ik mag wel zeggen - wervelwind van hartstochtelijkheid moet gij u een beheerstheid vererven en eigen maken die haar vrij houdt van ruwheid. O, het ergert mij tot in mijn ziel wanneer ik een plompe, dikbepruikte kerel een hartstochtelijke scène in stukken, ja, in flarden zie scheuren om de oren van de engelenbak te doorkrijsen, die voor het grootste gedeelte voor niets anders vatbaar zijn dan voor onbegrijpelijke pantomimes en woest getier. Ik zou zo'n kerel kunnen laten geselen, omdat hij Termagant overbuldert. Dat overherodest Herodes. Ik bid u, vermijd dat.

eerste toneelspeler: Ik sta er uwe hoogheid borg voor.

Hamlet: Wees ook niet te tam, maar laat uw eigen oordeel uw leidsman zijn. Regel uw gebaren naar het woord en het woord naar uw gebaren, en houd daarbij in het bijzonder in het oog dat gij de gematigdheid der natuur niet overschrijdt, want alle overdrijving is in strijd met de bedoeling van 't toneel, welks strekking van oudsher tot vandaag aan de dag was en is aan de natuur als het ware een spiegel voor te houden, de deugd haar eigen trekken, de verworpenheid haar eigen beeld, en elke eeuw, zoals die in personen en zeden leeft, haar gedaante en afdruk te tonen. Als dit overdreven wordt of niet bereikt, dan moge het de leken doen lachen, doch de oordeelkundigen moet het verdrieten, wier mening naar uw schatting zwaarder wegen moet dan een schouwburgvol der anderen. O, er zijn spelers, die ik heb zien spelen en door anderen heb horen prijzen, en zelfs zeer hoog, die - het zij zonder heiligschennis gezegd - noch de uitspraak van een christenmens hadden noch de gang van een christen, heiden of welk mens ook, maar die zo verwaand heen en weer stapten en zo bulkten dat ik dacht dat de opperman der natuur mensen had willen maken en ze verknoeid had, zo afschuwelijk bootsten zij de mensheid na.

eerste toneelspeler: Ik hoop, heer, dat we dit bij ons tamelijk goed verbeterd hebben.

Hamlet: O, verbeter het volkomen! En nog iets: laat toch uw narren op het toneel niet meer zeggen dan in hun rol staat, want er zijn er onder die zelf in lachen uitbarsten om een hoop onnozele toeschouwers aan het lachen te brengen, al moet juist op dat ogenblik de aandacht gevestigd zijn op een onmisbaar deel van het stuk. Dat is schandelijk en toont een allerjammerlijkste eerzucht in de nar die zo pleegt te doen. Gaat, maakt u gereed. (ze vertrekken - Polonius, Rosencrantz en Guildenstern komen binnen) Hoe is het, heer, wil de koning de voorstelling aanhoren?

Polonius: Ja, en de koningin ook. Ze zullen dadelijk hier zijn. Zeg tegen de spelers dat ze zich haaste. (Polonius gaat) Wilt gij beiden helpen om ze tot spoed aan te zetten?

Rosencrantz: Gaarne, mijn prins. (Rosencrantz en Guildenstern gaan)

Hamlet: Gij daar, Horatio?

Horatio: (komt binnen) Hier, beste prins, en tot uw dienst.

Hamlet: Gij zijt de meest rechtschapen man, Horatio, die ik ooit - in welke kring ook - heb ontmoet.

Horatio: O, waarde prins...

Hamlet: Neen, denk niet dat ik u vlei! Zodra mijn ziel haar eigen keus kon doen en mens van mens kon onderscheiden, heeft zij u voor zich verkoren, want gij waart, als iemand die alles leed en wie niets deerde, een man die gunst en wangunst der fortuin met eendere dank aanvaardt. Gezegend zij wier rede en hartstocht zo juist zijn gemengd dat zij geen fluit zijn waar Fortuna's vinger op speelt naar haar belieft! Geef mij de man die geen slaaf van zijn driften is en ik sluit hem in het diepste van mijn hart. In het hart van het hart, zoals ik u... Doch reeds te veel hiervan. Er wordt straks voor mijn oom een stuk gespeeld. Eén scène ervan lijkt heel veel op hetgeen ik u verteld heb van mijn vaders dood. Ik bid u: als gij dit toneel ziet komen, let dan met het uiterst van uw zielskracht op mijn oom. Als zijn verborgen schuld zich niet bij één gedeelte uit zichzelf verraadt, dan was 't een hellegeest die wij toen zagen en mijn visioenen even roetzwart als Vulcanus' smidse. Geef nauwlettend acht. Ik ook hecht mijn blik strak op zijn gelaat. Daarna vergelijken wij ons beider indruk, om zijn geveins te testen.

Horatio: Goed, mijn prins. Als hij mij onbetrapt één blik ontsteelt tijdens dit spel, betaal ik voor die diefstal.

Hamlet: Daar komen zij voor 't stuk. Ik moet weer gek zijn. Ga ergens zitten! (koning, koningin, Polonius, Ophelia, Rosencrantz, Guildenstern en anderen komen binnen)

koning: Hoe staat het leven, neef Hamlet?

Hamlet: Voortreffelijk, op mijn woord. Ik leef als een kameleon van de lucht en word met beloften volgepropt. Kapoenen kunt ge zo niet vetmesten.

koning: Aan zo'n antwoord heb ik niets, Hamlet. Die woorden zijn de mijne niet.

Hamlet: En de mijne ook niet meer. (tot Polonius) Hebt gij mij niet verteld, heer, dat gij aan de hogeschool ook eens toneel gespeeld hebt?

Polonius: Ja, mijn prins, dat heb ik, en ik ging voor een goed acteur door.

Hamlet: Welke rol speelde gij toen?

Polonius: Ik had de rol van Julius Caesar. Ik werd omgebracht op het Capitool. Brutus bracht mij om.

Hamlet: Dat was een brutaal stuk van hem om daar zo'n kapitaal stuk om te brengen. (tot Rosencrantz) Zijn de spelers klaar?

Rosencrantz: Ja, mijn prins, zij wachten op uw verlof.

Koningin: Kom hier, beste Hamlet, kom naast mij zitten.

Hamlet: Nee, beste moeder, hier is een sterker magneet.

Polonius: (tot de koning) Aha, hebt gij dat gehoord?

Hamlet: Jonkvrouw, zal ik in uw schoot gaan liggen?

Ophelia: Nee, mijn prins.

Hamlet: Ik bedoel: met mijn hoofd op uw schoot.

Ophelia: Ja, mijn prins.

Hamlet: Denkt gij, dat ik iets onwelvoeglijks bedoelde?

Ophelia: Ik denk niets, mijn prins.

Hamlet: Het is een heerlijke gedachte, tussen de benen van een maagd te liggen.

Ophelia: Wat zegt ge, prins?v

Hamlet: Niets.

Ophelia: Gij zijt vrolijk, prins.

Hamlet: Wie? Ik?

Ophelia: Ja, prins!

Hamlet: O, God! Een aartsgrappenmaker! Wat zou een mens anders doen dan vrolijk zijn? Want zie 'ns hoe vergenoegd mijn moeder er uitziet, en mijn vader is nog geen twee uur geleden gestorven.

Ophelia: Nee, het is tweemaal twee maanden, prins.

Hamlet: Zo lang al? Nu, laat dan de duivel in het zwart gaan, want ik wil sabelbont dragen. O hemel, al twee maanden dood en nog niet vergeten! Dan is er hoop dat de nagedachtenis van een groot man hem wel een half jaar overleeft. Maar bij onze lieve Vrouwe, hij mag dan wel kerken bouwen, anders zal hij merken dat men niet meer aan hem denkt, evenals het meidanspaard, wiens grafschrift luidt: “Want o, want ach, vergeten is het meidanspaard!” (muziek van hobo's) Daar komt de proloogzegger op! We zullen van die knaap wel vernemen wat komen gaat. Toneelspelers kunnen geen geheimen bewaren. Zij flappen er alles uit.

Ophelia: Zal hij ons vertellen wat de vertoning betekent?

Hamlet: Ja, of iedere andere vertoning die gij hem vertonen wilt. Als gij u niet schaamt om iets te vertonen, zal hij zich niet schamen om u te vertellen wat het betekent.

Ophelia: Gij zijt ondeugend! Gij zijt ondeugend! Ik ga op het stuk letten.

proloogzegger:

Voor ons en het treurspel dat ge beidt,

Vragen we in alle nederigheid

Uw aandacht en goedgunstigheid.

Hamlet: Is dit een proloog of een rijmpje op een ring?

Ophelia: 't Is kort, prins!

Hamlet: Als vrouwenliefde.

toneelkoning:

Reeds dertig maal ging Phoebus' wagen rond

Om Nereus' troon en Tellus' vaste grond.

De volle maan heeft haar geleende stralen

Aan de aard bedeeld reeds twaalf maal dertig malen,

Sinds liefde ons hart en Hymen onze handen

Vereenden door de heiligste aller banden.

toneelkoningin:

En even vaak nog mogen zon en maan,

Eer onze liefde sterft, haar wegen gaan.

Maar ach, uw uiterlijk de laatste tijd,

Uw matheid, alles toont mij dat gij lijdt!

toneelkoning:

Ja, lieve, ik voel 't: mijn uur van heengaan naakt.

De band van ziel en lichaam wordt geslaakt.

Doch gij blijft in deez' schone wereld achter,

Geëerd, bemind, en eenmaal, wellicht, lacht er

U een tweede echtgenoot.

toneelkoningin:

O, zwijg! Niets meer! Ik deed mijn dode gade nogmaals sterven,

Mocht ooit een tweede een kus van mij verwerven.

toneelkoning:

Gij hebt, geloof ik, als gij denkt, gesproken,

Doch vaak, zeer vaak, wordt een besluit verbroken.

Denk vrij: nooit huw 'k een tweede echtgenoot,

Als de eerste sterft, vindt ook die waan de dood.

toneelkoningin:

Schenk mij geen voedsel, aarde, zon geen kracht!

Ontneem mij rust en vreugde dag en nacht.

Hier en hiernamaals volge me eeuwige pijn,

Zou ik eenmaal weduwe, ooit weer gade zijn.

Hamlet: Als zij nu die gelofte eens brak?

toneelkoning:

Een dure eed!... Verlaat mij, liefste, een poos.

'k Ben afgemat. De dag schijnt eindeloos.

's Snak naar wat slaap.

toneelkoningin:

Slaap zacht! Mogen wij beiden

Nooit door welk onheil ook worden gescheiden.

Hamlet: Wel, moeder, hoe bevalt het stuk?

Koningin: De koningin verzekert te veel, dunkt mij.

Hamlet: O, maar zij zal woord houden.

koning: Hebt gij de inhoud gehoord? Er komt toch niets in voor dat aanstoot kan geven?

Hamlet: Nee, nee, het is maar gekheid, vergiftiging uit gekheid! Geen sprake van enige aanstoot!

koning: Hoe heet het stuk?

Hamlet: De Muizenval. En waarom? Figuurlijk! Dit stuk is de voorstelling van een moord, in Wenen gepleegd. Gonzago is de naam van de hertog. (een toneelspeler komt op) Dat is een zekere Lucianus, neef van de koning. Begin, moordenaar! Voor den drommel, houd op met die afschuwelijke grimassen en begin. Komaan: De raaf schreeuwt somber krassende om wraak...

Lucianus:

Gedachten zwart, gif sterk, de juiste stond,

De hand gereed, geen loerend oog in 't rond.

Snood kruidensap, te middernacht vergaard,

Door Hecate driemaal met dood bezwaard,

Toon thans uw onheilvolle toverkracht

Op 't krachtigst leven snel uw overnacht!

Hamlet: Hij vergiftigt hem in zijn tuin, om zijn rijk. Zijn naam is Gonzago. Het is een bestaande geschiedenis en in uitnemend Italiaans geschreven. Gij zult zo dadelijk zien hoe de moordenaar de liefde van Gonzago's vrouw weet te winnen.

Ophelia: De koning staat op!

Hamlet: Wat? Door vals brandalarm verschrikt?

Koningin: Wat is er, mijn gemaal?

Polonius: Staakt de vertoning!

koning: Geef mij een licht!... Weg! Weg!

Allen: Licht! Licht! Licht! Weg!

Hamlet:'t Gekwetste hert zoeke hijgend rust en het ongedeerde spele, want de een heeft leed en de ander lust. Dat is zo 's werelds deel. O, mijn beste Horatio, ik verwed duizend pond op de woorden van de geest. Hebt gij 't gemerkt?

Horatio: Zeer goed, mijn prins.

Hamlet: Zodra er sprake was van vergiftigingen...

Horatio: Ik heb 'm scherp in 't oog gehouden.

Hamlet: Aha! Kom nu, muziek! Kom nu, de fluiten! Want als het spel de koning niet behaagt, komt dat misschien omdat het hem... mishaagt.

(Rosencrantz en Guildenstern komen weer binnen)

Guildenstern: Beste prins, vergun mij een enkel woord met u.

Hamlet: Een hele geschiedenis, man.

Guildenstern: De koning, prins...

Hamlet: Wel, vriend, wat is er met hem?

Guildenstern: Hij bevindt zich in zijn kamer, verbazend van streek.

Hamlet: Door de drank, heer?

Guildenstern: Neen, prins, veeleer door de gal.

Hamlet: Dan zoudt gij meer gezond verstand tonen door dit aan zijn geneesheer te melden, want als ik hem een zuiveringsdrank moest geven, dan zou de gal hem misschien nog veel meer plagen.

Guildenstern: Beste prins, houd uw antwoorden enigszins in toom en spring niet zo wild van hetgeen ik u zeggen moet vandaan.

Hamlet: Ik ben volkomen mak, heer. Spreek.

Guildenstern: De koningin, uw moeder, heeft mij in de diepste bekommernis van haar gemoed tot u gezonden.

Hamlet: Gij zijt welkom, heer.

Guildenstern: Neen, beste prins, deze beleefdheid is niet van de ware soort. Als het u behaagt mij een redelijk antwoord te geven, zal ik uw moeders bevel volbrengen. Zoniet, dan zal mijn taak met uw verlof en mijn heengaan ten einde zijn.

Hamlet: Ik kan niet, heer.

Guildenstern: Wat niet, prins?

Hamlet: U een redelijk antwoord geven. Mijn geest is in de war. Maar, heer, zulk een antwoord als ik geven kan, staat tot uw dienst - of liever, tot mijn moeders dienst, zoals gij zegt. Daarom niets meer. Maar ter zake. Mijn moeder, zegt gij...

Rosencrantz: Welnu, zij zegt dat uw handelwijze haar met verbazing en verwondering getroffen heeft.

Hamlet: O, verwonderlijk zoon die een moeder zo verbazen kan! Maar is er geen toegiftje die die moederlijke verbazing op de voet volgt? Voor den dag ermee!

Rosencrantz: Zij verlangt u te spreken in haar kamer voor gij u ter ruste begeeft.

Hamlet: Wij zullen gehoorzamen, al was zij ook tienmaal onze moeder. Hebt hij nog meer met ons te verhandelen?

Rosencrantz: Prins, eens hieldt gij veel van mij.

Hamlet: Dat doe ik nog, bij deze grijpers en stelers!

Rosencrantz: Beste prins, wat is toch de oorzaak van uw ontstemdheid? Waarlijk, gij sluit de deur voor uw eigen vrijheid als gij uw vriend uw kommer niet wilt mededelen.

Hamlet: Vriend, ik heb geen vooruitzichten in de wereld.

Rosencrantz: Hoe is dat mogelijk, terwijl gij toch de stem van de koning zelf hebt voor uw troonopvolging in Denemarken?

Hamlet: Ja, heer, maar “terwijl het gras groeit...” (lachje) Het spreekwoord is al wat beschimmeld. (enkele spelers komen op met fluiten) O, de fluiten! Geef mij er een. (tot Guildenstern) Een woordje onder ons: waarom draait gij zo om mij heen, om onder de wind van mij te komen, alsof ge mij in een net drijven wilt?

Guildenstern: O, mijn prins, als mijn ijver te ver gaat, dan is het mijn vriendschap die te onbescheiden is.

Hamlet: Dat begrijp ik niet goed. Wilt gij eens op deze fluit spelen?

Guildenstern: Dat kan ik niet, prins.

Hamlet: Ik bid u.

Guildenstern: Geloof mij, ik kan het niet.

Hamlet: Ik dring erop aan.

Guildenstern: Ik ken er geen enkele greep van, prins.

Hamlet: Het is even gemakkelijk als liegen! Regeer deze windgaten met uw vingers en duim, blaas erin met uw mond, en zij zal de welluidendste muziek voortbrengen. Kijk maar, hier zijn de kleppen.

Guildenstern: Maar ik heb ze niet in mijn macht om er welke harmonische klank ook aan te ontlokken. Ik versta die kunst niet.

Hamlet: Nu, zie toch eens welk een nietswaardig ding gij van mij maakt! Gij zoudt op mij willen spelen, gij doet net of ge mijn kleppen kent, gij zoudt mijn geheimen het hart willen uitrukken, gij zoudt mij van mijn laagste toon tot de hoogste noot van mijn register willen uithoren. En er zit veel muziek, een uitmuntend geluid, in dit kleine instrument, maar gij kunt het niet doen spreken. Bij God, gelooft gij dat ik gemakkelijker te bespelen ben dan een fluit? Noem mij welk instrument gij maar wilt, gij kunt mij wel ontstemmen, maar op mij spelen, neen! (Polonius komt binnen) God zegene u, heer!

Polonius: Mijn prins, de koningin wenst u te spreken, en wel dadelijk.

Hamlet: Ziet gij die wolk daar, die zoveel wegheeft van een kameel?

Polonius: Op mijn eer, zij lijkt op een kameel, inderdaad.

Hamlet: Mij dunkt, zij lijkt op een wezel.

Polonius: Zij heeft een rug als een wezel.

Hamlet: Of als een walvis.

Polonius: Sprekend een walvis.

Hamlet: Nu, dan zal ik bij mijn moeder komen, zo terstond. Zij drijven mij tot het uiterst met hun pogingen mij om de tuin te leiden. Ik kom zo terstond.

Polonius: Ik zal het gaan zeggen.

Hamlet: “Zo terstond” is gemakkelijk te zeggen. Verlaat mij, vrienden. (Rosencrantz, Guildenstern en Horatio vertrekken) 't Is nu het echte spookuur van de nacht, dat graven gapen en de hel haar pestwalm op aarde blaast. Nu kom ik warm bloed drinken en bittere gruwelen plegen die de dag met huivering zien zou. Stil, thans naar mijn moeder. O, hart, verloochen uw natuur niet. Laat nooit Nero's ziel mijn boezem binnendringen. Laat mij wreed zijn, maar nimmer onnatuurlijk. Ik wil dolken tot haar spreken, niet gebruiken. Mijn tong en ziel, toont hierin huichelkunst. Hoe scherp mijn woorden haar ook treffen mogen, ze te bezegelen, ziel, wil 't nooit gedogen!

III/3

(een kamer in het kasteel)

Polonius: Vorst, hij begeeft zich naar zijn moeders kamer. Ik verberg mij achter het wandtapijt, om wat daar voorvalt af te luisteren. Voor gij ter ruste gaat, ben ik terug en meld u wat ik weet.

koning: Dank. Ga, mijn vriend. (Polonius vertrekt) O, gruwelijk is mijn misdrijf. 't Schreit ten hemel. Op haar rust de eerste, alleroudste vloek: een broedermoord! En bidden kan ik niet, ofschoon ik het evenzeer verlang als wil. Mijn sterker schuld verlamt mijn sterke drang en als een man, voor een dubbele taak geplaatst, weifel ik wat ik het eerst zal doen, en doe noch 't een noch 't ander. Doch zelfs als deze hand dubbel zo dik van broederbloed was, had de hemel dan geen regen te over om haar sneeuwblank te wassen? Waartoe dient genâ, dan om de kracht der schuld te breken? En heeft het gebed niet de dubbele macht onze val te voorkomen en erna vergiffenis te schenken? Dus mijn blik omhoog en ik ben vrij van schuld. Maar welk gebed past mij? “Vergeef mijn snode moord”? Dat is onmogelijk, want ik bezit nog steeds de vruchten die mij tot de moord aanzetten: mijn kroon, mijn koningschap, mijn koningin. Is er genade voor wie het loon der zonde behoudt? In het boos gedwarrel dezer wereld schuift de vergulde hand der wandaad vaak het recht opzij en koopt de vrucht der misdaad de wetten om. Niet zo hierboven echter. Daar helpt geen kuiperij, daar ligt de daad in al haar naaktheid bloot, daar moeten wij zelf, oog in oog met ons vergrijp gesteld, getuigenis geven. Maar wat dan? Wat dan? Zien wat berouw vermag? Wat kan het niet? Maar wat kan het als men geen berouw kan hebben? O, diepe ellende! O, hart zo zwart als het graf! O, ziel, die spartelt aan de lijmstok en steeds weer vaster raakt! Helpt, engelen! Stugge knieën, beproeft 't, buigt u! En gij, hart van staal, word week als spieren van een pasgeborene. Misschien komt alles goed. (knielt neer - Hamlet komt binnen)

Hamlet: Nu kon ik het makkelijk doen, terwijl hij bidt. Nu zal ik het doen. En zo vaart hij ten hemel en heb ik mij gewroken. Is dat zo? Een schurk vermoordt mijn vader en daarvoor zend ik, zijn enige zoon, diezelfde schurk ten hemel. O, dat is loon en handgeld, maar geen wraak! Hij overviel mijn vader, na zijn maal, in de volle voorjaarsbloei van al zijn zonden, en hoe zijn rekening staat, weet slechts de hemel. Maar voor zover wij mensen 't kunnen nagaan, boet, lijdt hij zwaar. Zou dit dan wraak zijn als ik hem doodt bij het louteren zijner ziel, gereed en toegerust voor de overgang? Neen! Zwaard, in uw schede, en kies een wreder uur, als hij zijn roes uitslaapt of woedend is of zwijmt van lust in zijn bloedschendig bed, bij het dobbelen, vloeken of iets anders dat hem elke kans op zaligheid beneemt. Tref hem dan, met de verzenen (7) ten hemel, opdat zijn ziel zwart en vervloekt zij als de hel waarheen zij vaart... Mijn moeder wacht. Dit drankje rekt alleen uw zieke nacht. (gaat weer weg)

koning: Mijn woord stijgt op, doch aards blijft ziel en zin. Geen zielloos woord dringt ooit de hemel in.

7: hielen

III/4

(de kamer van de koningin)

Polonius: Hij komt zo dadelijk. Lees hem flink de les. Zeg dat zijn streken onverdraaglijk worden en dat gij tussen 's konings toorn en hem als schild gediend hebt. Ik verberg mij hier, maar ik bid u: zeg hem goed de waarheid!

Hamlet: (op de gang) Moeder! Moeder, moeder!

Koningin: Wees onbezorgd, ik sta ervoor in. Verberg u, 'k hoor hem komen.

Hamlet: (komt binnen) Nu, moeder, wat verlangt ge van mij?

Koningin: Hamlet, gij hebt uw vader diep gekrenkt.

Hamlet: Moeder, gij hebt mijn vader diep gekrenkt.

Koningin: Kom, kom, gij antwoordt met een drieste tong!

Hamlet: Ga, gij ondervraagt met boze tong!

Koningin: Wat moet dit, Hamlet?

Hamlet: Wat verlangt ge van mij?

Koningin: Weet ge niet meer wie ik ben?

Hamlet: Bij God, gij zijt de koningin, de vrouw van uw mans broer, maar ook mijn moeder. Ik wou dat het niet zo was!

Koningin: Dan mogen anderen u tot rede brengen.

Hamlet: Neen, neen, ga zitten en verroer u niet! Gij gaat niet heen eer ik u een spiegel voorhoud waarin ge uw diepste wezen zult aanschouwen.

Koningin: Wat wilt gij doen? Gij wilt mij toch niet doden? Help! Help!

Polonius: (achter het wandtapijt) Wat is er? Help! Help! Help!

Hamlet: Wat is dat? Een rat? Om een dukaat, ik dood 'm! (steekt met zijn degen door het wandtapijt)

Polonius: (pijnkreet) Wee mij, ik sterf! (valt neer)

Koningin: O, wat hebt gij gedaan?

Hamlet: Ik weet het niet. Is het de koning? (tilt het wandtapijt op en haalt Polonius tevoorschijn)

Koningin: O, welk een dolle, bloedig daad is dit!

Hamlet: Ja, bloedig. Even slecht haast, goede moeder, als koningsmoord en trouwen met zijn broeder.

Koningin: Als koningsmoord?

Hamlet: Zeker, dat zei ik, mevrouw! O, gij bemoeizieke oude dwaas, vaarwel. Ik hield u voor uw meerdere. Neem uw noodlot. Ge ziet: al te gedienstig brengt gevaar mee. Kom, staak dit handenwringen en ga zitten, en laat mij uw hart wringen, want dat doe ik, wanneer zijn stof doordringbaar is en het niet zo door vervloekte sleur verhard is dat het gestaald, verschanst is tegen elk gevoel.

Koningin: Wat heb ik toch gedaan dat gij het waagt mij zo ruw toe te bulderen?

Hamlet: Een daad die aan de schaamte schoon en blos ontsteelt, deugd huichelarij noemt, aan het edel voorhoofd der reinste liefde 't frisse waas ontrooft en er het brandmerk “hoer” schroeit, huwelijkseden vals maakt als dobbelaarsvloeken. O, een daad die aan het wezen van het echtverdrag de ziel ontrukt en godsdienst tot zinledig gebrabbel maakt. Het gelaat des hemels gloeit, ja, 't hechte samenstel der aarde ziet triest en somber, of de jongste dag nabij was, om zulk een daad.

Koningin: Wee mij, om welke daad word ik zo luid en donderend aangeklaagd?

Hamlet: Kijk hier, naar deze beeltenis, en naar die: twee broers, naar het leven afgeschilderd. Zie welk een adel zetelde op dit aanschijn, het voorhoofd van Jupiter, Apollo's lokken, het oog van Mars, tot dreigen en gebieden, de houding van de boodschapper der goden, juist neergedaald op een hemelhoge top, een bouw en een gestalte, ja, waarop elke god, naar het scheen, zijn stempel drukte, als om de wereld toe te roepen: “Ziet, een man!” Dat wàs uw gade. Let nu verder op. Hier is uw gade: een schimmelige aar, verderfelijk voor zijn broeder. Hebt gij ogen? Kondt gij, eens weidend op die schone berg, u in het moeras gaan mesten? Ha, hebt ge ogen? Liefde kunt ge 't niet noemen: mop uw leeftijd is de uitgelatenheid van 't bloed bedaard en luistert naar 't verstand. Maar welk verstand koos die voor deze? Gij hebt wis gevoel, anders hadt gij geen driften, maar 't is stellig verlamd, want zo zou waanzin nimmer dwalen en zinsbegoocheling nimmer zo 't gevoel in boeien slaan, of het hield bij zo'n verschil nog altijd enige keus. Spreek, welke duivel heeft u bij het blindekoe-spelen zo verdwaasd? Gevoelloze ogen en blind gevoel, oren zonder hand of oog, reuk zonder iets, een ziekelijk deel zelfs van één enkel zintuig kon zo niet suffen. O, schaamte, waar is uw blos? Opstandige hel, als ge in matronenbeenderen zo kunt muiten, dan is voor het vuur der jeugd de deugd als was die in haar eigen gloed smelt. Dan is 't geen schande als het hete jonge bloed ten aanval stormt, war vorst al even heftig brandt en rede voor wellust buigt.

Koningin: O, Hamlet, spreek niet meer! Gij richt mijn oog op het diepste van mijn ziel en daar zie ik zwarte en vuurrode vlekken die onuitwisbaar zijn.

Hamlet: Ja, doch te leven in het vunze zweet van een bezoedeld bed, doortrokken van verderf te kozen, kussen boven het vuil zwijnenkot...

Koningin: O, spreek niet meer! Die woorden dringen in mijn oor als dolken! Niet meer, mijn Hamlet!

Hamlet: Een moordenaar en een schurk, een slaaf, niet het tiende van het twintigste waard van uw eerste heer. Een vorst-hansworst, een beurzensnijder van het bewind en het rijk, die van een plank de kostb're kroon ontvreemdde en in zijn zak stak!

Koningin: O, niet meer!

Hamlet: Een bonte lappenkoning. (de geest komt binnen) Helpt mij en spreidt uw wieken over mij uit, gij hemelscharen! Edele schim, wat wilt gij?

Koningin: Helaas, hij is waanzinnig.

Hamlet: Komt gij niet om uw trage zoon te laken die tijd en toorn verspilt en het hoogst gewichtig volvoeren van uw vreselijke opdracht nalaat? O, spreek!

geest: Vergeet het niet. Ik kom slechts om uw schier verstompte opzet weer te wetten. Doch zie: uw moeder is geheel ontzet. Treed tussen haar en het worstelen van haar ziel. Verbeelding schokt het zwakst gemoed het sterkst. Spreek tot haar, Hamlet!

Hamlet: Moeder, wat beangst u?

Koningin: Helaas, wat is het dat u beangst, dat gij uw ogen richt op de lege ruimte en spreekt tegen de lichaamloze lucht? Woest staart uw geest uit uw verwilderde ogen en, alsof het leefde, springt uw gladde haar als slapende soldaten bij alarm omhoog en staat recht overeind. Mijn zoon, besprenkel toch met koel geduld de vlam en hitte van uw drift. Waar staart gij naar?

Hamlet: Naar hem, naar hem! O, zie, hoe bleek hij staart! Als dat gelaat zijn zaak aan stenen voorlei, riep hij hun deernis op. Zie mij niet aan, opdat mijn strenge wil niet door uw droef gebaar verweekt wordt. Dan verloor mijn taak haar ware kleur. Tranen misschien, geen bloed.

Koningin: Tegen we hebt gij het?

Hamlet: Ziet gij daar niets?

Koningin: Neen, niets, en toch zie ik alles wat er is.

Hamlet: En hebt ge ook niets gehoord?

Koningin: Niets dan onszelf.

Hamlet: Nu, zie dan ginds! Zie hoe het henensluipt! Mijn vader, daar, precies als bij zijn leven! Kijk, kijk, nu gaat hij juist de deur uit daar. (de geest verlaat de kamer)

Koningin: 't Is niets dan een verzinsel van uw brein. Waanzin is altijd sterk in het scheppen van het lichaamloze.

Hamlet: Waanzin? Mijn pols houdt even juist de maat als de uwe en klopt even gezond. Het is geen waanzin wat ik daar uitte. Neem de proef! Ik wil alles en woord voor woord herhalen. Waanzin zou zijsprongen maken. Bij uw eeuwig heil, strijk niet het vleiend zalfje op uw ziel dat niet mijn zonde, doch uw waanzin spreekt. Het zou de etterbuil slechts met een vliesje dekken, waaronder, alles aantastend, het boos verderf zou woekeren. Biecht uw schuld de hemel, beween wat is gebeurd, mijd verdere zonde en spreid geen mest op het onkruid, waarvan het nog geiler tiert. Vergeef deez' deugdzaamheid. In deze tijd van logge slemplust moet de deugd zelfs de ondeugd om verschoning smeken, ja, kruipen om verlof haar goed te doen.

Koningin: O, Hamlet! O, ge klieft mijn hart in twee!

Hamlet: O, werp er dan het slechtste deel van weg en leid met de andere helft een reiner leven! Nu, goedenacht, maar ga niet naar het bed van mijn oom. Veins deugd, als gij haar niet bezit. Beteugel u vannacht en daardoor zal een tweede onthouding u reeds lichter vallen, lichter nog de derde. Gewoonte kan onze inborst haast veranderen, de duivel boeien of voorgoed uitbannen met wonderlijke macht. Nogmaals, slaap wel, en als gijzelf verlangt naar zegen, zal ik om uw zegen smeken. Van die heer (wijst naar Polonius) doet mij het echt leed, maar de hemel wilde, om mij door hem en hem door mij te straffen, dat ik zijn gesel en zijn dienaar was. Ik zal hem bezorgen en verantwoord mij wel dat ik hem doodstak. Nogmaals, goede nacht. (terzijde) Uit liefde moet ik wreed zijn en verbolgen. Slecht was het begin, maar het slechtste moet nog volgen... Eén woord nog, moeder.

Koningin: Wel, wat moet ik doen?

Hamlet: Vooral niet wat ik u thans vraag te doen: laat de opgeblazen koning u opnieuw naar het bed meetronen, in uw wangen knijpen, zijn muisje noemen en u voor een paar kussen en wulps halsgekriebel met zijn vervloekte vingers alles haarfijn ontlokken: dat ik niet echt gek ben, maar slechts uit list. Het zou goed zijn als ge hem dat zei, want welke koningin, schoon, kuis en wijs, verborg haar hartsgeheimen ooit voor een pad, vleermuis of kater? Wie zou zoiets doen? Neen, open - rede en veiligheid ten spijt - hoog op het dak de kooi met vogels. Laat die vliegen. Kruip dan als de aap in de fabel, om het fijne na te gaan, zelf in de korf en breek beneê uw nek.

Koningin: Geloof mij, wanneer woorden adem zijn en adem leven, mis ik het leven om wat gij gezegd hebt uit te ademen.

Hamlet: Ik moet naar Engeland, weet gij dat?

Koningin: Helaas, ik was het weer vergeten, maar 't staat vast.

Hamlet: De brieven zijn verzegeld en mijn twee schoolmakkers, die 'k vertrouw als giftige adders, zijn de overbrengers, banen mij de weg en gaan mij voor in schurkerij. Het zij zo. Het is een lust wanneer de delver met zijn eigen mijn de lucht in vliegt, en het moet gek lopen als in niet één el dieper graaf dan zij, en hen aan flarden blaas. Wat is 't toch heerlijk list te kanten tegen list. (loopt naar Polonius' lijk) Die man zet mij aan het pakken. Ik sleep zijn vette lichaam naar hiernaast. Nu, moeder, goede nacht! Wat is die raadsheer - een zotskap bij zijn leven - een oud wijf, nu ernstig-deftig, zwijgzaam, strak en stijf. Kom, oude heer, laat ik er een eind aan maken. Goede nacht, moeder!

(IV/1 en IV/2 zijn weggelaten) IV/3

(een kamer in het kasteel)

koning: Welnu, wat meldt gij?

Rosencrantz: Waar hij het lijk verborgen heeft, vorst, is niet uit hem te krijgen.

koning: Maar waar is hij?

Rosencrantz: Hier in de voorzaal, heer, bewaakt en op uw orders wachtend.

koning: Laat hem hier verschijnen.

Rosencrantz: Hé, Guildenstern, geleid de prins hierheen ! (ze komen binnen)

koning: Nu, Hamlet, spreek, waar is Polonius?

Hamlet: Aan het avondmaal.

koning: Aan het avondmaal? Waar?

Hamlet: Niet wat hij eet, maar waar hij gegeten wordt. Een zekere rijksvergadering van wormen met veel staatsmanswijsheid gaat zich juist met hem bezighouden. Zo'n worm is toch de enige ware keizer, waar het zijn tafel betreft. Wij mesten alle andere schepselen om onszelf te mesten, en wij mesten onszelf voor maden. De vette koning en de magere bedelaar zijn slechts verschillende gerechten. Twee schotels, maar voor één tafel, dat is 't eind van het lied.

koning: Helaas, helaas!

Hamlet: Het kan gebeuren dat iemand met een worm vist die van een koning gesmuld heeft, en de van vis eet die zich met die worm heeft gevoed.

koning: Wat wilt gij daarmee zeggen?

Hamlet: Niets dan u aantonen hoe een koning een rondreis kan maken door de darmen van een bedelaar.

koning: Waar is Polonius?

Hamlet: In de hemel. Zend er maar iemand heen om te gaan kijken, en als uw bode hem daar niet vindt, ga dan zelf naar de andere plaats om hem op te sporen. Maar ik verzeker u: als ge hem niet binnen een maand vindt, zal uw neus hem bespeuren als ge de trap naar de voorzaal opgaat.

koning: (tot zijn dienaren) Gaat hem daar zoeken! (dat doen ze)

Hamlet: Hij zal wel wachten tot gij komt.

koning: Hamlet, 't is om uw eigen veiligheid , die ons evenzeer ter harte gaat als ons uw daad bedroeft, dat we u met snelle spoed heen moeten zenden. Maak u dus gereed. Het schip ligt klaar, de wind is gunstig, het geleide wacht en alles dringt tot de afreis naar Engeland.

Hamlet: Engeland?

koning: Ja, Hamlet.

Hamlet: Goed.

koning: Dat is het, wanneer ge ons doel maar inziet.

Hamlet: Ik zie een engel die het doorziet... Maar kom, naar Engeland dus. Vaarwel, mijn goede moeder!

koning: Groet ook uw liefdevolle vader, Hamlet.

Hamlet: Mijn moeder. Vader en moeder zijn man en vrouw, man en vrouw zijn één vlees, en dus: mijn moeder. Komaan, naar Engeland! (verlaat de kamer)

koning: (tot Rosencrantz en Guildenstern) Gij volgt hem op de voet en lokt hem snel aan boord. Talmt niet, hij moet vannacht nog weg. Voort! Alles is verzegeld en gereed wat hiermee samenhangt. Ik bid u, maak spoed! (ze verlaten de kamer) En, Engeland, als mijn vriendschap u iets waard is, dan legt ge ons hoog bevel niet koel terzij, dat u nadrukkelijk aanspoort tot Hamlets rasse dood! Volbreng dit, Engeland, want als een koortsvuur raast hij door mijn bloed. Genees me ervan, want tot dit is volbracht, is 't - hoe 't geluk ook straalt - in mijn hart nacht...

IV/4

(een vlakte in Denemarken - Fortinbras (prins van Noorwegen), een hopman en marcherende soldaten naderen)

Fortinbras: Ga, hopman, breng de Deense vorst mijn groet en meld dat Fortinbras - als was beloofd - thans om 't geleide voor zijn doortocht vraagt door 't koninkrijk. Gij weet waar we ons verzamelen. Indien zijn majesteit iets van ons wenst, zullen wij gaarne voor hem verschijnen. Breng hem dit over.

hopman: Het zal geschieden, prins.

Fortinbras: Gaat langzaam voorwaarts! (de soldaten verwijderen zich - Hamlet, Rosencrantz en Guildenstern naderen)

Hamlet: Vergun, wiens troepen zijn dit, heer?

hopman:'t Is 't Noorse leger, heer.

Hamlet: En waarheen gaat, als ik vragen mag, de tocht?

hopman: Tegen een deel van Polen, heer.

Hamlet: Wie voert hen aan?

hopman: De neef van de oude koning, Fortinbras.

Hamlet: Is het gemunt op het eigenlijke Polen of op een grensstreek, heer?

hopman: Om het kort en goed naar waarheid te vertellen: wij gaan een nietig lapje grond veroveren dat naast zijn naam geen enkele waarde heeft. Ik zou het nog niet voor vijf dukaten pachten en het bracht Noorwegen of de Polen vast niet meer op als 't voor erfpacht werd verkocht.

Hamlet: Dan zal de Pool het wel niet verdedigen.

hopman: Toch wel! Hij heeft het sterk bezet.

Hamlet: (terzijde) Tweeduizend man ben tienduizend dukaten beslechten het geschil nog niet om dit strootje! Dat is het gezwel van vrede en welvaart, dat van binnen doorbreekt en naar buiten geen doodsoorzaak toont. (tot de hopman) Ik dank u nederig, heer.

hopman: Vaarwel, heer! (gaat op weg)

Rosencrantz: Staat gij toe, prins, dat wij doorgaan?

Hamlet: Ik volg u dadelijk. Gaat maar vast vooruit. (ze gaan) O, hoe getuigt elk voorval tegen mij en spoort mijn trage wraak aan! Wat is de mens als het hoogste goed en doelwit van zijn leven slechts eten, slapen is? Een beest, meer niet! Hij die ons zulk ruim denkvermogen schonk dat én oorzaak én gevolg kan zien, gaf ons dit goddelijk scherp verstand niet om het nutteloos in ons te laten schimmelen. Of het nu dierlijk niet weten is, of bange schroom die te veel aan de afloop denkt, een denken dat, welbeschouwd, bestaat uit één kwart wijsheid en voor drie kwart uit lafheid... Ik weet niet hoe ik nog altijd zeggen kan: “Dit moet ik doen”, want ik heb grond en kracht en middelen om het te doen. Voorbeelden zo massief als de aarde manen mij daartoe: getuige dit leger, zo massaal en aanvalskrachtig, aangevoerd door een tengere jonge prins wiens geest, door goddelijke eerzucht aangeblazen, de dicht omsluierde afloop trots veracht en al wat sterfelijk is en ongestadig blootstelt aan lot, gevaar en zelfs de dood, voor slechts een eierschaal! Waarlijke grootheid is niet zich enkel voor iets groots te roeren, maar grond tot strijd te vinden in een strootje, zodra het gaat om de eer! En wat doe ik? Mijn vaders wrede dood, mijn moeders schande sporen mijn rede en bloed tot handelen aan, en ik laat alles in rust, terwijl ik beschaamd de ophanden zijnde dood van twintigduizend man zie, die voor een gril, een knipoog van de faam naar 't graf gaan als naar bed, om een stuk grond, te klein om er het pleit op uit te vechten, te eng voor een tombe om er de gevallenen te bergen. O, dorst voortaan naar bloed, gedachten, of wordt dwaas, voor niets meer goed!

IV/5

(Elseneur - een kamer in het kasteel)

Koningin: Ik wens haar niet te spreken.

Horatio: Zij dringt onstuimig aan, ja, wild en woest. Haar toestand is beklagenswaardig.

Koningin: Wat wil zij?

Horatio: Zij spreekt van haar vader en noemt de wereld vol boze streken, snikt, slaat op haar borst, wordt nijdig om een strootje, spreekt verward, half zin, half onzin. 't Houdt niets in, maar toch dwingt haar onsamenhangendheid haar hoorders tot aandacht, en als die de woorden, welke zij met een wenk en knik en vreemd gebaar begeleidt, met hun gedachten combineren, kon 't wel gebeuren dat men denken ging aan onbewezen, doch zeer boze dingen. 't Zou goed zijn eens met haar te spreken. Licht strooit ze argwaan in een geest die broedt op kwaad.

Koningin: Laat haar dan binnenkomen. (hij doet dat)

Ophelia: Waar is de schone majesteit der Denen?

Koningin: Hoe gaat het u, Ophelia?

Ophelia: (zingt) Jonkvrouw, hij is dood en koud. Hij is lang reeds heen...

Koningin: (tot de koning die binnenkomt) Ach, zie toch eens, mijn gemaal.

Ophelia: Aan zijn hoofd een groene zô, aan zijn voet een steen.

Koningin: Hoe gaat het, lieve jonkvrouw?

Ophelia: Goed. God lone 't u. Men zegt dat de uil een bakkersdochter geweest is. O, God, wij weten wat wij zijn, maar wij weten niet wat wij kunnen worden. God zegene uw maaltijd!

koning: Aan 't fantaseren over haar vader. Hoe lang is zij al zo?

Ophelia: Ik hoop dat alles weer goed zal komen. Wij moeten maar geduld hebben, doch ik kan niet anders dan wenen als ik bedenk dat zij hem in de koude aarde gelegd hebben. Mijn broeder moet het weten! En nu dank ik u voor uw goede raad. Kom, mijn koets! Goede nacht, dames, goede nacht, lieve dames, goede nacht, goede nacht. (verlaat de kamer)

koning: Horatio, volg haar en bewaak haar goed. (Horatio verlaat de kamer) O, dit is het gif van diepe smart. 't Spruit alles voort uit haar vaders dood. O, mijn Geertruide, nooit komen zorgen alleen, als spionnen, doch steeds in scharen. Eerst haar vaders dood, dan uw zoon balling, door zijn woestheid zelf oorzaak van die gerechte straf. Dan het volk in roerige verwarring, vol vermoedens en fluisterpraat over Polonius' dood, die we te heimelijk en te snel begroeven. Dan de arme Ophelia, van haar rede en oordeel gescheiden, zonder hetwelk wij dieren zijn. Ten laatste, en wat nog meer zegt dan dit alles, haar broeder in het geheim uit Frankrijk terug, van argwaan levend, zich in wolken hullend, ontzet door giftige vermoedens, hem omtrent zijn vaders dood in 't oor geblazen door lasteraars, die bij gebrek aan gronden alles verzinnen om ons aan te klagen van oor tot oor. O, mijn Geertruide, dit treft mij, als een kartetsschot, dodelijk op vele plaatsen. (lawaai op de achtergrond)

Koningin: Wee mij! Wat is dat? (een edelman komt binnen)

koning: Waar zijn mijn Zwitsers? Laat de deur bewaken! Wat is er gaande?

edelman: Red uzelf, mijn vorst! De oceaan, buiten zijn oevers tredend, verslindt het laagland niet met feller spoed dan nu Laërtes met een troep oproerkraaiers uw lijfwacht overmant. Het grauw noemt hem vorst en mutsen, handen, tongen jubelen luid: “Laërtes koning! Niemand dan Laërtes!”

Koningin: Wat slaan zij lustig aan op het valse spoor! Ha, gij jaagt averechts, valse Deense honden!

koning: De deuren zijn bezweken! (Laërtes en enkele mannen stormen binnen)

Laërtes: Waar is die koning? Mannen, blijft daarbuiten! O, gij laaghartige koning, geef mij mijn vader weer!

Koningin: Kalm wat, Laërtes!

Laërtes: Die druppel bloed die kalm blijft, scheldt mij uit voor bastaard, zet mijn vader hoorns en brandmerkt tot hoer, hier, op haar kuis en zuiver voorhoofd, mijn brave moeder.

koning: Zeg mij eerst, Laërtes, wat is de reden van uw woeste opstand? Laat hem, Geertruide, heb geen angst om ons, want zulk een goddelijkheid beschermt een koning, dat het verraad slechts gluren kan naar wat het wou, maar niets vermag. Zeg mij, Laërtes, wat heeft u zo verbitterd? Neen, Geertruide, laat hem begaan. Spreek, man!

Laërtes: Waar is mijn vader?

koning: Dood.

Koningin: Doch niet door hem.

koning: Laat hem mij al wat hij wil weten vragen.

Laërtes: Hoe kwam hij om? Ik laat mij niet bedotten! Naar 't zwartst der hel, eden van leenmanstrouw! Geweten, zachtheid, in de diepste poel! Ik tart verdoemenis, zo onverschillig laten het aards en 't hemels leven mij. Er kome van wat wil, maar wreken zal ik mijn vader, en goed ook.

koning: Wie houdt u tegen?

Laërtes: Mijn wil alleen, maar verder niets ter wereld. En ik zal mijn middelen zo beheren dat weinig toereikt voor veel.

koning: Beste Laërtes, als gij de waarheid weten wilt omtrent uw vaders dood, stelt dan uw wraak de eis dat ge, als een dobbelaar die alles opstrijkt, én vriend én vijand ten verderve sleurt?

Laërtes: Alleen zijn vijanden.

koning: Wilt gij die kennen?

Laërtes: Ik wil voor zijn vrienden wijd mijn armen openen en, als de pelikaan mijn leven offerend, hen voeden met mijn bloed.

koning: Voorwaar, nu spreekt gij als een goed zoon en waardig edelman. Dat ik geen schuld heb aan uw vaders dood, ja, dat zijn dood mij smartelijk heeft gegriefd, zal even rechtstreeks tot uw brein doordringen als het daglicht tot uw oog.

soldaten op de gang: Laat haar naar binnen!

Laërtes: Wat is dat voor rumoer? (Ophelia komt binnen)

Ophelia: (zingt) O, morgen is het Sint-Valentijnsdag...

Laërtes: O, hitte, droog mijn brein op, Tranen, zevenvoudig zilt, brandt uit mijn ogen alle licht! Bij God, uw waanzin zal zo zwaar worden geboet dat onze wraakschaal doorslaat! O, meiroosje! Ophelia, meisjelief, dierbare zuster! O God, kan dan het verstand van een jong meisje zo broos als het leven van een grijsaard zijn?

Ophelia: Daar is rozemarijn, dat is ter herinnering. Ik bid u, lief, blijf mij trouw, en daar zijn vergeet-mij-nietjes om aan mij te blijven denken. Daar hebt gij venkel en akelei.

Wijsheid in waanzin, trouw en herinnering aaneengeschakeld, (tot de koningin) en daar hebt gij wijnruit. Ik houd er ook wat van voor mijzelf. 's Zondags mogen wij 't genadekruid noemen. O, maar gij moet uw wijnruit anders dragen dan ik. Daar hebt ge een madeliefje. Ik had u wel wat viooltjes willen geven, maar ze zijn alle verwelkt toen mijn vader is gestorven. Men zegt dat hij een godzalig einde had. (gaat al zingend naar buiten) En komt hij nu nooit meer weer?...

Laërtes: Ziet gij dit, o mijn God?

koning: Laërtes, ik moet delen in uw smart, of gij zoudt mij onrecht doen. Ga nu, kies uit uw beste vrienden welke gij maar wilt. Zij mogen tussen u en mij berechten, en als zij ons schuldig vinden of hoe dan ook betrokken bij de moord, dan geven wij u rijk, leven, kroon, ja, al wat wij 't onze noemen, tot delging onzer schuld. Doch blijkt u niets, bezit uw ziel dan met me in lijdzaamheid tot het mij, met uw hulp, gelukken zal haar vrede te verschaffen.

Laërtes: Wel, zo zij het. Zijn vreemde dood, zijn heimelijke begrafenis, geen zwaard, geen schild, geen harnas op zijn baar, geen praal, geen plechtigheden bij zijn graf, dat alles roept me als uit de hemel toe het na te vorsen.

koning: Ga gerust uw gang en waar de schuld is, zal de strafbijl vallen. Ik bid u, volg mij.

IV/6

(een ander vertrek in het kasteel - Horatio ontvangt enkele matrozen)

eerste matroos: God zegene u, heer.

Horatio: En u ook, vriend.

matroos: Dat zal hij doen, heer, als het hem behaagt. Hier is een brief voor u, heer. Hij komt van de gezant die naar Engeland moest. Als tenminste uw naam Horatio is, zoals men mij verzekerd heeft dat hij luidt.

Horatio: (leest de brief) “Horatio, als ge dit gelezen hebt, verschaf deze lieden dan toegang tot de koning. Zij hebben brieven voor hem. Wij waren nog geen twee volle dagen op zee, toen een vrijbuiter met een zeer krijgshaftige uitrusting jacht op ons maakte. Daar wij te slecht bezeild waren, namen wij onze toevlucht tot gedwongen dapperheid en bij het enteren sprong ik bij hen aan boord. Op hetzelfde ogenblik raakten zij van ons schip los, zodat alleen ik hun gevangene werd. Zij hebben mij als barmhartige rovers behandeld, maar zij wisten wat zij deden: ik moet hun een goede wederdienst bewijzen. Zorg dat de brieven die ik zend aan de koning ter hand gesteld worden, en kom zelf naar mij toe met een spoed alsof uw leven ervan afhing. Ik heb u woorden in het oor te fluisteren die u zullen doen verstommen, maar zij zijn toch veel te licht voor een zaak van dit kaliber. Deze wakkere lieden kunnen u naar mij toe brengen. Rosencrantz en Guildenstern zetten hun tocht naar Engeland voort. Over hen heb ik u veel te vertellen. Vaarwel! Hij, die gij de uwe weet, Hamlet.” Kom, 'k wijs u waar ge uw brieven brengen moet, en doe het snel, opdat ge mij des te eerder naar hem die ze u meegaf kunt geleiden.

IV/7

(een ander vertrek in het kasteel)

koning: Nu moet uw oordeel mijn onschuld toch bezegelen en gij mij in uw hart sluiten als vriend, nu onweerlegbaar bleek dat hij die uw vader heeft vermoord niet hem, doch mij naar 't leven stond.

Laërtes: En zo verloor ik dus een edel vader, zie ik ten prooi aan razernij een zuster, wier waarde, als lof een blik terug mag slaan, met haar volkomenheden heel onze eeuw uitdaagde van haar top. Maar ik zal mij wreken!

koning: Laat dat uw slaap niet storen. Denk niet dat wij uit zo'n lome en laffe stof gevormd zijn dat wij het als scherts opnemen als 't gevaar ons aan de baard trekt. Weldra hoort gij meer. Wij hielden van uw vader en wij houden van onszelf. Leid hieruit, bid ik, af... (een bode komt binnen) Wat brengt gij daar?

bode: Heer, brieven van prins Hamlet. Deze voor u, die voor de koningin.

koning: Van Hamlet? Wie heeft die gebracht?

bode: Matrozen, heer, zegt men. Zelf zag ik ze niet. Claudio bracht ze mij. Hij kreeg ze van degene de ze bracht.

koning: Laërtes, gij zult horen wat hij schrijft. Laat ons alleen . (de bode verdwijnt) “Grootmachtig heer, weet dat ik naakt uitgeschud in uw rijk aan land ben gezet. Morgen zal ik verlof vragen onder uw koninklijke ogen te komen en dan zal ik, als het mij vergund wordt, de oorzaak mededelen van mijn plotselinge en nog vreemder terugkeer. Hamlet.” Wat kan dit zijn? Zijn allen weer terug? Of is 't bedrog en is er niets van waar?

Laërtes: Herkent gij 't schrift?

koning: 't Is stellig Hamlets hand. “Naakt,” zegt hij, en in 't naschrift hier “alleen”. Kunt gij mij raden?

Laërtes: Het is mij duister, vorst, maar laat hem komen. Het verwarmt mijn zieke hart dat ik het mag beleven hem in zijn gelaat te slingeren: “Dit was uw werk!”

koning: Als dit zo is, Laërtes - en hoe kan het anders zijn? - wilt gij dan doen als ik u raad?

Laërtes: Jawel, mijn vorst, als gij mij maar niet raad vrede te sluiten.

koning: Vree met uzelf. Als hij die reis zo plots heeft opgegeven en hij niet van plan is haar weer te ondernemen, zet ik hem aan tot een zaak, zojuist in mij gerijpt, die hem een wisse val bereidt, en zo dat van zijn dood geen briesje argwaan iets zal fluisteren, zelfs zijn moeder niets vermoeden dan dat het toeval is.

Laërtes: Ik volg uw leiding. Vooral, mijn vorst, als gij 't zo aanlegt dat ik uw werktuig ben.

koning: Dat komt goed uit. Men heeft u veel geroemd sedert uw reis, en dat in Hamlets bijzijn, om een kunst waarin gij uitblinkt, naar men zegt. De som van al uw gaven wekte niet zozeer zijn afgunst als die ene, die naar mijn begrip de minste is.

Laërtes: Welke gave, heer?

koning: Twee maanden geleden was hier aan het hof een Normandisch edelman. Ik ken de Fransen uit de oorlog en weet dat het goede ruiters zijn, maar die kon toveren. Hij scheen vergroeid met het zadel.

Laërtes: Een Normandiër, zegt ge?

koning: Ja, een Normandiër.

Laërtes: Wel, op mijn eer, dan was het Lamond.

koning: Ja, juist.

Laërtes: Die ken ik goed. Ja, hij is inderdaad het juweel en sieraad van geheel zijn volk.

koning: Hij heeft zich over u ook uitgelaten en roemde u als een meester in de schermkunst, en dan nog in 't bijzonder op 't rapier. Die lof werkte als vergif op Hamlets ziel, zodat hij in zijn afgunst enkel nog uw terugkeer wenste om met hem te trekken. En daarom zou...

Laërtes: Wat zou daarom, mijn vorst?

koning: Laërtes, hadt gij uw vader werkelijk lief? Of zijt ge slechts een beeltenis van droefheid, 't gelaat, zonder hart?

Laërtes: Waartoe die vraag?

koning: Hamlet komt terug. Wat wilt gij doen om u niet slechts in woorden, doch ook metterdaad uw vaders zoon te tonen?

Laërtes: Hem de strot afsnijden in de kerk!

koning: Juist. Nergens mag moord vrijplaats vinden, wraak geen grenzen dulden. Maar, vriend Laërtes, houdt, als ge dit wilt, uw kamer. Wanneer Hamlet terugkeert, hoort hij dra dat gij er ook weer zijt. Wij zorgen dan dat uw kunst geroemd wordt en de lof die u de Fransman schonk nog aangedikt. Kortom, gij komt bijeen. Er wordt gewed op u, op hem. Hij, achteloos, ridderlijk en zonder argwaan, keurt de degens niet. Gij kiest, als ge wat handig zijt, een scherpe, onafgestompte, doet een slinkse uitval en wreekt uw vader.

Laërtes: Ja, zo doe ik het. En tot dat doel zal ik mijn klink insmeren. Ik heb van een marktkwakzalver gif gekocht. Ik doop mijn wapen in dart vergif, opdat de minste prik zijn dood zal zijn.

koning: Laat ons nog nader wikken en wegen, hoe wij tijd en middelen kiezen die ons 't meest dienstig zijn. Als dit mislukt en onze opzet door de uitvoering heen gluurt, bleef het beter nagelaten. Daarom moet die aanslag in de rug gesteund worden door een tweede, die slaagt als de eerste falen mocht. Laat zien: wij wedden plechtig op uw beider schermkunst... Ik heb het! Als hij van het schermen warm en dorstig wordt - val daarom snel en heftig op hem aan - en drinken wil, heb ik een beker voor hem klaarstaan, die, als hij er slechts aan nipt, ons plan tot een goed einde brengt... Stil! (naderende voetstappen) Wat is 't, geliefde gade? (de koningin komt binnen)

Koningin: De ene ramp trapt de andere op de hielen, zo dicht volgen ze op elkaar. Laërtes, uw zuster is... verdronken!

Laërtes: Verdronken! Waar?

Koningin: Er groeit een wilg scheef over een beekje heen, dat in de vliet zijn grijze bladeren spiegelt. Daar komt zij, grillig bekranst met dovenetels, madeliefjes, koekoeksbloemen, standelkruid... Zij klom omhoog om aan de dunne twijgen haar kransen op te hangen. Plotseling brak een valse twijg en met haar schatten viel zij in het schreiend beekje. Haar wijd gespreid gewaad hield haar nog een poosje als een meermin boven, waarbij zij flarden zong van oude deuntjes, alsof haar leed niet tot haar doordrong of als een wezen, in dat element geboren en er vertrouwd mee. Doch lang duurde 't niet. Haar kleren zogen het water op en trokken het rampzalig wicht uit het rijk der liederen in een modderig graf.

Laërtes: Helaas, ze is dus verdronken?

Koningin: Verdronken, ach verdronken.

Laërtes: Reeds te veel water kreegt gij, arme Ophelia. Daarom dring ik mijn tranen terug. Maar toch, 't zit in ons. De natuur verlangt haar recht, wat ook de schaamte zeggen mag, maar is 't voorbij, dan uit met het vrouw zijn. Vaarwel, heer! Mijn woorden spoten vuur en vlammen als mijn dwaasheid ze niet doofde. (verlaat het vertrek) Kom, Geertruide. Hoe zwaar viel het mij om zijn toorn te sussen. Ik vrees dat zij hierdoor weer losbarsten zal. Laat ons hem daarom volgen.

V/1

(een kerkhof - twee doodgravers komen aan, met spaden en houwelen)

eerste doodgraver: Moet zo iemand een christelijke begrafenis hebben, die opzettelijk haar eigen zaligheid zoekt?

tweede doodgraver: Ik zeg je van ja. Maak daarom vlug d'r graf. De lijkschouwing heeft zitting over d'r gehouden en vindt dat het een christelijke begrafenis mag worden.

eerste doodgraver: Hoe kan dat wezen? Of ze moet zich uit zelfverdediging hebben verdronken.

tweede doodgraver: En hoe, zo is 't besloten.

eerste doodgraver: Het moet se offendendo geweest zijn.

tweede doodgraver: Hè?

eerste doodgraver: Het kan niet anders, want hier zit hem de knoop: als ik mijzelf opzettelijk verdrink, bewijst dit dat er een daad is, en een daad bestaat altijd uit drieën, namelijk doen, handelen en volbrengen. Ergel heeft ze zichzelf opzettelijk verdronken.

tweede doodgraver: Nee, maar luister nou 'ns even, kameraad delver...

eerste doodgraver: Laat mij uitspreken. Hier ligt het water. Goed. Hier staat de mens. Goed. Als nou de mens naar dit water toegaat en zich verdrinkt, dan doet hij dat willens of onwillens, maar hij gaat. Onthoud dat. Maar als het water naar hem toekomt en hem verdrinkt, dan verdrinkt hij zichzelf niet. Ergel, hij die niet schuldig is aan zijn eigen dood, verkort zijn eigen leven niet.

tweede doodgraver: Maar... maar is dat rechtspraak?

eerste doodgraver: Jazeker is het dat! 't Is de lijkschouwersrechtspraak.

tweede doodgraver: Wil je de waarheid weten? Als dit geen jonkvrouwe geweest was, dan zou ze nooit een christelijke begrafenis gekregen hebben.

eerste doodgraver: Nou zie je, daar hebt je het. En het ergste d'r van is dat op die manier de grote lui in deze wereld meer aangemoedigd worden om zich te verdrinken of zich op te hangen dan hun medechristenen. Kom, m'n spade! (begint te spitten) Nou, er zijn geen oude edellieden, behalve tuinlui, spitters en doodgravers. Zij zetten Adams bedrijf voort.

tweede doodgraver: Was dat ook een edelman?

eerste doodgraver: Hij was de eerste die een wapen voerde!

tweede doodgraver: Nou, kom, dat had 'm niet!

eerste doodgraver: Wat? Ben jij een heiden? Hoe leg jij dan de Schrift uit? De Heilige Schrift zegt: Adam spitte. Kon ie spitten zonder wapen? 'k Wil je een andere vraag stellen en als je me daar niet het juiste antwoord op geeft, kun je naar de pomp lopen.

tweede doodgraver: Kom d'r maar mee voor den dag!

eerste doodgraver: Wie is er die steviger bouwt dan de metser, scheepsbouwer of timmerman?

tweede doodgraver: De galgenmaker, want zijn bouwwerk overleeft duizend bewoners!

eerste doodgraver: (lacht) Jij bent een snuggere bol, dat moet ik zeggen! Die galg is goed, maar voor wie is ie goed? Hij is goed voor degenen die kwaad doen en daarom doe jij geen kwaad met te zeggen dat de galg steviger is gebouwd dan de kerk. Ergel zou de galg goed zijn voor jou. Je mag nog een keer raden, vooruit.

tweede doodgraver: Wie steviger bouwt als een metselaar, een scheepsbouwer of een timmerman?

eerste doodgraver: Ja, als je me dat vertelt, dan kun je afnokken.

tweede doodgraver: (lacht) Voor den duivel, nou weet ik het!

eerste doodgraver: Voor den dag ermee dan!

tweede doodgraver: Eh... alle duivels, ik weet het toch niet...

eerste doodgraver: Martel je hersens er maar niet langer mee, want een logge ezel is met stokslagen toch niet in draf te krijgen. Maar als iemand je een volgende keer die vraag nog 'ns stelt, zeg dan: een doodgraver. De huizen die hij bouwt, duren tot de jongste dag. (ze lachen) Vooruit, ga nou 'ns vlug naar de kroeg en haal een pint scharrebier voor me. (de tweede doodgraver verdwijnt - de eerste spit en zingt) “Ik minde al in mijn jeugd en vond dit o, zo zoet. Geen tijdverdrijf en geen geneugt deed mij ooit half zo goed.” (ondertussen zijn Hamlet en Horatio naderbij gekomen)

Horatio: Beseft die kerel niet wat hij doet, dat hij bij het delven van een graf staat te zingen?

Hamlet: Gewoonte maakt dat het hem luchtigjes af gaat.

Horatio: Zo gaat het, ja. De hand die weinig te doen heeft, is fijner van gevoel.

eerste doodgraver: “Maar de ouderdom kwam sluipend aan en...” (neuriet verder - hij werpt een schedel op)

Hamlet: Die schedel daar had eenmaal een tong en kon zingen, en die schavuit kwakt hem tegen de grond alsof het Kains bekkeneel (8) was waarmee hij de eerste moord beging! Dat kan wel de hersenpan wezen van een staatsman, wie die ezel nu te slim af is, zo een die onze lieve Heer zelf om de tuin zou leiden, nietwaar?

8: schedelpan

Horatio: Het zou kunnen, prins.

Hamlet: Of van een hoveling die kon zeggen: “Goedemorgen, genadige vorst. Hoe maakt gij het, edele koning?” Dat kon wel hertog Zo-en-Zo zijn die het paard van graaf Zus-en-Zo prees als hij het hem wilde aftroggelen, nietwaar?

Horatio: O ja, prins.

Hamlet: Ja, en nu het eigendom van de genadige vrouw Worm, ontvleesd en op de kaak geslagen met een doodgraversspade. Hier is een merkwaardige ommekeer, als wij er maar slag van hadden om hem gade te slaan. Hebben deze botten niet te veel aan onderhoud gekost om er nu mee te kegelen? De mijne doen mij pijn als ik er aan denk. (de doodgraver gooit nog een andere schedel op) Daar is er nog een. Waarom zou dit niet de schedel van een rechtsgeleerde zijn? Waar zijn nu zijn haarkloverijen, zijn drogredenen, zijn gewijsden, zijn rechtstitels en knepen? Waarom duldt hij dat die ruwe schavuit hem met zijn vuile schop op de kop tikt en vervolgt hij hem niet wegens het toebrengen van lichamelijk letsel? Ik wil die knaap eens aanspreken. (tot de doodgraver) Wiens graf is dit, vriend?

eerste doodgraver: Het mijne, heer.

Hamlet: Het zal het uwe inderdaad wel zijn, want gij bevindt u erin.

eerste doodgraver: Het uwe zal het niet zijn, want gij ligt er niet in. Maar ik lig er ook niet in, en toch is het 't mijne.

Hamlet: Gij liegt hierin dat gij er niet in ligt en het toch uw graf noemt. 't Is voor de doden en niet voor de levenden, dus liegt gij.

eerste doodgraver:'t Is een levende leugen, heer. Hij wil weer weg, van mij naar u.

Hamlet: Voor welke man graaft gij het?

eerste doodgraver: Voor geen enkele man, heer.

Hamlet: Voor welke vrouw dan?

eerste doodgraver: Voor geen enkele vrouw ook.

Hamlet: Wie moet er dan in begraven worden?

eerste doodgraver: Een gewezen vrouw, maar God hebbe haar ziel: ze is dood.

Hamlet: Wat is die schavuit gevat! We moeten op onze tellen passen of hij verslaat ons met een tweesnijdend gezegde. Waarachtig, Horatio, ik heb er al drie jaar lang acht op geslagen: onze tijd is zo spitsvondig geworden dat de boer de edelman dicht genoeg op de hielen volgt om op zijn blaren te trappen... Hoe lang zijt gij al doodgraver?

eerste doodgraver: Wel, krek sinds dat jaar en die dag waarop onze vorige koning Hamlet de oude Fortinbras versloeg.

Hamlet: Hoe lang is dat geleden?

eerste doodgraver: Weet gij dat niet? Iedere dwaas kan het u vertellen. Het was op dezelfde dag dat de jonge Hamlet geboren werd, dezelfde die nou gek geworden is en naar Engeland gestuurd.

Hamlet: Zo, werkelijk? Waarom is hij naar Engeland gestuurd?

eerste doodgraver: Wel, omdat ie gek is. Daar moet hij weer bij z'n verstand komen, en als dat niet gebeurt, komt het er daar niet erg op aan.

Hamlet: Waarom niet?

eerste doodgraver: Wel, ze zullen het daar niet eens van hem merken, want daar zijn alle lui even gek als hij.

Hamlet: Hoe is hij gek geworden?

eerste doodgraver: Op een heel vreemde manier, naar men zegt.

Hamlet: Hoe zo, vreemd?

eerste doodgraver: Bij mijn ziel, omdat ie z'n verstand verloor!

Hamlet: Op grond waarvan?

eerste doodgraver: Wel, hier op Deense grond. Ik ben hier als jongen en als man dertig jaar doodgraver geweest.

Hamlet: Hoe lang ligt een mens wel in de aarde voor hij vergaan is?

eerste doodgraver: Wel, als ie al niet half vergaan is voor ie stierf - en we hebben tegenwoordig vrij veel van die puisterige lijken die het nauwelijks kunnen verdragen dat ze in de kist gelegd worden - dan houdt ie het zowat acht of negen jaar uit. Een looier, die houdt het negen jaar uit.

Hamlet: Waarom die langer dan een ander?

eerste doodgraver: Wel, heer, door zijn beroep wordt zijn huid zo gelooid dat hij een hele tijd waterdicht blijft, en het water is een lelijke vernieler van die hondsvotten van lijken. Daar heb je nou een schedel. Die schedel heeft drieëntwintig jaar in de aarde gelegen.

Hamlet: Van wie is hij?

eerste doodgraver: O, van een verduiveld dolle hondsvot, heer. Van wie denkt gij wel?

Hamlet: Ik weet het echt niet.

eerste doodgraver: De duivel hale die dwaze rekel. Hij heeft mij eens een fles rijnwijn over mijn hoofd leeggeschonken. Deze eigenste schedel, heer, deze eigenste schedel was de schedel van Yorick, de koning zijn nar.

Hamlet: Deze?

eerste doodgraver: Ja, dezelfde.

Hamlet: Geef hem eens hier. (neemt de schedel) Ach, arme Yorick! Ik heb hem gekend, Horatio, een knaap van oneindig vernuft, vol van de kostelijkste invallen. Hij heeft mij wel duizend keer op zijn rug gedragen. En nu, welke afschuwelijke dingen komen er in mijn verbeelding op? Ik kokhals ervan. Hier zaten die lippen, die ik - ik weet niet hoe vaak - gekust heb. Waar zijn uw grappen nu, uw potsen, uw liedjes, uw kostelijke kwinkslagen die de hele tafel steeds deden schateren? Geen enkele zelfs nu om over uw eigen grijns te spotten, de wangen ingevallen en stijf? Ga eens naar de kleedkamer van de jonkvrouw om haar te vertellen dat haar gelaat, al beschildert zij het ook een duim dik, tot deze schoonheid vervallen zal. Breng haar daarmee eens aan 't lachen. Ik bid u, Horatio, zeg mij één ding.

Horatio: En dat is, mijn prins?

Hamlet: Denkt gij dat Alexander er in de aarde ook zo uitzag?

Horatio: Precies eender.

Hamlet: En ook zo rook? Bah! (gooit de schedel op de grond)

Horatio: Precies eender, mijn prins.

Hamlet: Tot welk een lage bestemming kunnen wij terugzinken, Horatio! Waarom zou onze verbeelding het edel stof van Alexander niet kunnen naspeuren, tot zij het gebruikt vindt om een spongat te stoppen?

Horatio: Die dingen zo te beschouwen, is ze wat al te spitsvondig beschouwen.

Hamlet: Neen, toch niet, in het minst niet! Met omzichtigheid en waarschijnlijkheid als gids kan men hem heel goed volgen. Zo ongeveer: Alexander stierf, Alexander werd begraven, Alexander keerde tot stof weder, stof is aarde, van aarde wordt leem gemaakt, en waarom zou men met dat leem - waarin hij veranderd werd - niet een biervat kunnen dichtmaken? (zucht) De grote Caesar stierf, verging. Wellicht dat hier of daar zijn stof een muurspleet dicht. Ach, dat het stof, eens als een god vereerd, thans als muurspecie wintervlagen keert! (de klokken luiden) Maar stil, maar stil, opzij! Daar komt de koning! De koningin, het hof! Wie volgen zij met zo geringe praal? Dit is een teken dat gindse dode zich vertwijfeld zelf het leven benam, maar het was iemand van aanzien. Kom, laten wij 't verholen gadeslaan. (ze gaan terzijde)

Laërtes: Wat meer voor plechtigheden?

Hamlet: Dat is Laërtes, een edel jonkman. Opgelet!

Laërtes: Wat meer voor plechtigheden?

priester: De lijkdienst is door ons reeds zover als 't mocht uitgebreid. Haar dood was twijfelachtig en had niet hoog bevel 't gebruik ontkracht, dan had ze tot de jongste dag gerust in ongewijde grond, geen vrome gebeden, maar scherven, gruis en stenen haar bedolven. Hier valt de maagdenkrans haar nog ten deel, de bloembestrooiing, 't heilig klokgebrom, de wijding van het graf.

Laërtes: Mag er niets méér geschieden?

priester: Neen, niets meer. De lijkdienst zou ontheiligd worden, zo wij haar met een requiem ter ruste zongen, als een vroom verscheiden ziel.

Laërtes: Leg haar in de aarde en mogen uit haar schoon en smetteloos lichaam viooltjes spruiten! Ik zeg u, priestervrek, mijn zuster is een dienende engel als gij in de hel huilt!

Hamlet: Wat? De schone Ophelia?

Koningin: (strooit bloemen) Het lieflijkste op de lieflijkste. Vaarwel! Eens hoopte ik dat ge Hamlets vrouw zoudt worden en dat ik uw bruidsbed zou bestrooien, niet, lief kind, uw grafkuil.

Laërtes: O, drievoudig wee, treft tienwerf driemaal dat vervloekte hoofd welks gruweldaad u heeft beroofd van uw heerlijk verstand. Halt! Wacht nog met die aarde, tot ik haar nog eenmaal in mijn armen sluit. (springt in het graf) Hoopt thans uw stof op levende en op dode, tot gij van deze vlakte een berg gemaakt hebt...

Hamlet: (treedt naar voren) Wie is hij, wiens leed zoveel misbaar maakt, wiens gejammerklaag de loop der sterren stremt, ze stil doet staan als luisteraars, van schrik verlamd? Hier ben ik, Hamlet, de Deen! (springt ook in het graf)

Laërtes: De duivel hale uw ziel! (worstelt met Hamlet)

Hamlet: Gij bidt niet goed! Ik verzoek u, neem uw vingers van mijn strot, want ook al ben ik niet lichtgeraakt en driftig, toch heb ik iets gevaarlijks in mij dat gij vreest wanneer gij wijs zijt! Weg die hand!

koning: Springt tussenbeide! Scheidt hen!

Koningin: Hamlet! Hamlet!

Horatio: Kom tot kalmte, prins! (enkele leden van het gevolg scheiden hen - zij komen uit het graf)

Hamlet: Ik wil met hem vechten, ja, om deze zaak, tot mijn oogleden niet meer kunnen trillen!

Koningin: Om welke zaak, mijn zoon?

Hamlet: Ik hield van Ophelia. Veertigduizend broeders brachten, met al hun liefde bij elkaar, mijn som niet op! Wat wilt gij voor haar doen?

koning: Hij is gek, Laërtes!

Koningin: Om Gods wil, wees lankmoedig.

Hamlet: Bij God, zeg mij wat gij zoudt willen doen? Wenen? Of vechten? Vasten? Zelfmoord plegen? Azijn verzwelgen? Krokodillen eten? En ik doe het ook! Komt gij hier enkel jammeren? Mij tarten door die dolle sprong in het graf? Laat u met haar begraven, ik doe het u na. Luister, heer, waarom behandelt gij mij zo? Ik heb mij steeds uw vriend getoond. Maar het hindert niet, als zegt Hercules zelf: vooruit, wees stil, de kat miauwt, de hond doet wat hij wil. (gaat weg)

koning: Ik bid u, Horatio, houd een oogje op hem. (Horatio gaat Hamlet achterna) Sterk uw geduld met ons nachtelijk gesprek, Laërtes. Wij gaan nu onverwijld tot handelen over. Lieve Geertruide, laat uw zoon bewaken. Dit graf krijgt een blijvend monument. Weldra breekt weer een uur van vrede aan. Tot zolang zacht, omzichtig voortgegaan!

V/2

(een zaal in het kasteel)

Hamlet: Genoeg hiervan! Nu over het andere, vriend. Herinnert gij u al het gebeurde nog?

Horatio:'t Mij herinneren, prins!

Hamlet: Er woedde in mijn hart een soort van strijd die mij niet slapen liet. Het was me of 'k erger dan een muiter in de boeien lag. Gehaast kwam ik uit mijn kooi en hulde mij in mijn scheepsgewaad en tastte in het donker naar hen toe, vond wat ik zocht, greep hun pakket en sloop terstond weer naar mijn hut terug, verbrak stoutweg het zegel van hun hoge lastbrief en ik vond, Horatio - o, koningsschurkenstreek! - het stipt bevel dat op die brief fluks, zonder tijdverlies voor 't scherpen van de bijl zelfs, mijn hoofd vallen moest.

Horatio: Is 't mogelijk?

Hamlet: Hier is de lastbrief, leest hem als gij tijd hebt. Wilt gij horen wat ik verder deed?

Horatio: Ik smeek het u zelfs.

Hamlet: Aldus rondom door schurkerij belaagd ging ik zitten, schreef in mijn mooiste hand een nieuwe lastbrief. En wilt ge weten wat ik geschreven heb?

Horatio: Heel graag, mijn prins!

Hamlet: Een dringende bezwering van de koning, zo waar hij Engeland kende als trouw vazal, dat hij na kennisneming van het geschrift de brengers onverwijld en zonder aarzeling, ja, zelfs zonder hun biechttijd toe te staan, moest doen onthoofden.

Horatio: Dus sterven Rosencrantz en Guildenstern?

Hamlet: Wel, waarom kuipten zij om deze zending? Om hen is mijn geweten niet bezwaard. Hun val is het loon van hun eigen bemoeizucht. Voor lagere wezens is 't gevaarlijk om hogere, die fel de degens kruisen, in de weg te komen.

Horatio: Hemel, welk een koning!

Hamlet: Vindt gij het nu niet mijn plicht hem, die mijn vader gedood heeft en mijn moeder schond, zich tussen de koningskeuze en mijn hoop indrong, de angel naar mijn eigen leven uitwierp met duivelse arglist, heeft niet deze arm het recht hem te doden? Zou het niet laag en laf zijn te dulden dat die kanker van ons wezen nog verder woekert?

Horatio: Hij verneemt stellig binnenkort uit Engeland wat de uitslag van zijn zending is geweest.

Hamlet: Ja, binnenkort. De tussentijd is mijn. Een mensenleven is slechts één tel lang, maar het doet mij innig leed, beste Horatio, dat ik mij met Laërtes zo vergat, want in de trekken van mijn rampspoed vind ik de zijne ook terug. Ik vraag hem om vergiffenis, doch werkelijk, de grootspraak van zijn leed dreef mij tot razernij.

Horatio: Stil! Wie komt daar? (Osrik komt naderbij)

Osrik: Recht welkom, hoogheid, weer in Denemarken.

Hamlet: Ik dank u nederig, heer. (tot Horatio) Kent gij die waterjuffer?

Horatio: Nee, waarde prins.

Hamlet: Des te beter voor uw zieleheil, want het is een ondeugd hem te kennen.

Osrik: Genadigste prins, als u hoogheid een ogenblik beschikbaar had, zou ik u een boodschap van zijne majesteit willen mededelen.

Hamlet: Ik zal hem in ontvangst nemen, heer, met al de aandacht van mijn geest.

Osrik: Korte tijd geleden, heer, is Laërtes hier aan 't hof gekomen.

Hamlet: Welnu, heer?

Osrik: Gij zijt niet onkundig hoe voortreffelijk Laërtes is.

Hamlet: Ik zou dit slechts dan durven erkennen als ik mij in voortreffelijkheid met hem zou willen vergelijken, doch een ander goed kennen, zou zichzelf kennen zijn.

Osrik: Ik bedoel, heer, op zijn wapen. Maar volgens de roep die er van uitgaat, is hij in dit opzicht zonder weerga.

Hamlet: Wat is zijn wapen?

Osrik: Rapier en ponjaard.

Hamlet: Dat zijn twee van zijn wapens, maar goed.

Osrik: De koning, prins, heeft om zes Barbarijse paarden met hem gewed, waartegen hij - naar ik gehoord heb - zes Franse rapieren en ponjaards gezet heeft, met hun toebehoren, zoals gordels, hangers en zo meer. Drie van de tuigen zijn inderdaad zeer strelend voor de goede smaak, geheel in overeenstemming met de gevesten en prachtig rijk afgewerkt.

Hamlet: Wat noemt gij de tuigen?

Osrik: De tuigen, prins, dat zijn de hangers!

Hamlet: De uitdrukking zou beter bij de zaak passen als wij kanonnen aan onze zijde konden dragen. Tot zolang zou ik ze liever hangers noemen. Maar ga voort: zes Barbarijse paarden tegen zes Franse degens met toebehoren en drie rijk bewerkte tuigen, dat is de Franse inzet tegen de Deense. Waarom heeft hij dit tegengezet, zoals gij het noemt?

Osrik: De koning, prins, heeft gewed, prins, dat hij in een dozijn uitvallen tussen u en hem niet drie treffers meer dan u zal plaatsen. Hij heeft er twaalf van gemaakt in plaats van negen, en het zou onmiddellijk uitgemaakt worden als uw hoogheid zo goed zou willen zijn hem van antwoord te dienen.

Hamlet: En als dit antwoord nu eens “neen” zou zijn?

Osrik: Ik bedoel, prins: als uw hoogheid de tegenstander van deze edelman zou willen zijn.

Hamlet: Ik blijf hier in deze zaal op en neer wandelen. Als het zijne majesteit behaagt: 't is nu juist de tijd voor mijn dagelijkse lichaamsoefeningen. Laat de rapieren brengen. Als de edelman bereid is en de koning in zijn besluit volhardt, zal ik voor hem winnen, als ik kan. Zo niet, dan win ik er niets bij dan mijn eigen schande en de treffers die ik meer krijg.

Osrik: Zal ik uw verklaring aldus overbrengen?

Hamlet: In deze geest, heer, met opsieringen naar uw eigen smaak.

Osrik: Ik beveel mij onderdanig bij uw hoogheid aan. (verwijdert zich)

Hamlet: Geheel de uwe.

Horatio: Gij zult deze weddenschap verliezen, mijn prins.

Hamlet: Ik geloof het niet. Sinds hij naar Frankrijk is gegaan, ben ik mij voortdurend blijven oefenen. Dankzij de treffers die ik voorkrijg, zal ik winnen. Maar gij kunt niet geloven, hoe wee het mij om het hart is. Doch dat doet er niet toe.

Horatio: Maar, beste prins...

Hamlet: Het is niets dan dwaasheid, maar het is toch een soort van voorgevoel dat een vrouw wellicht zou verontrusten.

Horatio: Als uw geest niet volkomen gerust is, gehoorzaam het dan. Ik zal verhinderen dat zij hierheen komen en zeggen dat gij u niet goed voelt.

Hamlet: Volstrekt niet. Ik lach om voortekens. Geen musje valt ter aarde of het is uitdrukkelijk voorbeschikt. Als het nu moet zijn, is het niet in de toekomst; als het niet in de toekomst ligt, moet het nu zijn; als het nu niet is, komt het toch. Bereid zijn is alles. Daar niemand van wat ook op aarde zeggen kan wanneer het ogenblik van sterven zal komen, waarom zich er dan over bekreund?

dienaar: De koning, de koningin en allen komen hierheen!

Hamlet: Ik vind het best.

dienaar: De koningin wenst dat ge 't geleid met koninklijke hoffelijkheid bejegent voor ge de strijd begint.

Hamlet: Een goede raad! (ze komen binnen)

koning: Kom, Hamlet, kom, neem Laërtes' hand.

Hamlet: Schenk mij vergiffenis, heer. Ik deed u onrecht. Vergeef het mij echter als een edelman. Een elk hier weet - en het is stellig ook u ter ore gekomen - hoe ik ben bestraft met smartelijke verstandsverbijstering. Wat ik heb gedaan wat uw gevoel, uw eer zo wreed gekwetst heeft, was, verklaar ik hier, waanzin. Was het Hamlet die Laërtes krenkte? Neen. Zo Hamlet aan zichzelf ontvoerd is, en als hij zichzelf niet is, Laërtes krenkt, is het Hamlet niet die het doet. Hamlet ontkent het. Wie doet het dan? Zijn waanzin. Als dat waar is, dan werd hij evenzeer als gij gekrenkt. De arme Hamlet zijn vijand is zijn waanzin. Laat deze openbare loochening, dat ik kwaad van zins was, heer, mijn in zoverre vrijspreken door uw edelmoedigheid, dat ik mijn pijl over het huis deed vliegen en zomijn broeder trof.

Laërtes: Ik ben voldaan voor mijn gevoel, ofschoon dit mij het sterkst tot wraak moest prikkelen, doch op het punt van eer houd ik voet bij stuk en wens ik geen verzoening eer ouderen, op dit punt beproefd, mij raden vrede te sluiten en uitdrukkelijk staven dat niets mijn naam bevlekt. Doch tot die tijd acht ik die vriendschap die gij biedt als vriendschap en schend haar niet.

Hamlet: Daar stem ik graag mee in en ik wil als broeder eerlijk met u strijden. Kom, de rapieren, kom.

Laërtes:Geef mij er een!

Hamlet: Gij boft met mij als tegenstander, Laërtes. Uw kunst zal naast mijn onbedrevenheid hel schitteren als een ster in donkere nacht.

Laërtes: Nu spot gij met mij, prins.

Hamlet: Neen, op mijn woord niet.

koning: De wapens, Osrik, kom! Gij kent, neef Hamlet, de weddenschap?

Hamlet: Volkomen! Uwe hoogheid heeft op de zwakste zijde 't meest gezet.

koning: Ik ben niet bang. Ik ken uw beider kracht, doch daar hij meer geoefend is, krijgt gij voor.

Laërtes: Deze is te zwaar. Laat mij een ander zien!

Hamlet: Deze staat mij wel aan. Zijn ze even lang?

Osrik: Jazeker, prins!

koning: Zet mij de flessen wijn op gindse tafel. Als Hamlet de eerste of tweede treffer plaatst of bij de derde uitval weer gelijk komt, laat dan het geschut van alle tinnen bulderen. Wij drinken dan op Hamlets langere adem en werpen een parel in de kelk, meer waard dan die welke vier vorsten voor mij in de kroon gedragen hebben. Geef de bekers. Laat de trommel de trompet dan melden, 't trompetgeschal 't geschut dat buiten staat, 't geschut de hemel, en de hemel de aarde: “Thans drinkt de koning Hamlet toe!” Vangt aan en gij, scheidsrechters, houdt een waakzaam oog.

Hamlet: Kom, heer.

Laërtes: Gereed, prins. (ze vechten)

Hamlet: Eén!

Laërtes: Neen, neen!

Hamlet: Beslissing!

Osrik: Een treffer, zeker, een treffer!

Laërtes: Kom, opnieuw!

koning: Wacht! Wijn hier! Hamlet, deze parel is voor u. Op uw geluk. Reik hem de beker. (kanonschoten)

Hamlet: Neen, eerst nog deze uitval. Zet hem neer! Komaan! (ze vechten) Opnieuw een treffer. Wat zegt gij?

Laërtes: Een treffer. Ik geef het toe.

koning: Onze zoon zal winnen.

Koningin: Hij is traag en kort van adem. Hamlet, hier, neem mijn zakdoek, veeg uw voorhoofd af. Uw moeder drinkt op u. Geluk, mijn Hamlet!

Hamlet: Dank, moeder, dank.

koning: Drink niet, Geertruide!

Koningin: Ik wil 't, mijn gade. Ik bid u, laat het toe.

koning: (terzijde) Het is de beker met vergif. Te laat!

Hamlet: Ik durf het nu nog niet, moeder. Dadelijk.

Koningin: Kom, laat mij uw gezicht afwissen.

Laërtes: Mijn vorst, nu tref ik hem.

koning: Ik denk van niet.

Laërtes: (terzijde) En toch gaat het bijna tegen mijn geweten.

Hamlet: Kom, voor de derde maal! Gij speelt maar wat. Ik bid u, val nu aan met volle kracht. Het lijkt wel of ge mij voor een slappeling houdt.

Laërtes: Zo, denkt ge dat? Komaan dan! (ze vechten)

Osrik: Ah! Voor geen van twee een treffer.

Laërtes: Hier dan een! (hij verwondt Hamlet, die op hem toespringt en hem zijn wapen ontrukt; bij de worsteling wordt hij door Hamlet gewond)

koning: Scheidt hen! Beiden zijn verbitterd.

Hamlet: Neen, neen! Nog eens! (ze vechten - plots zijgt de koningin ineen)

Osrik: De koningin! Houdt op!

Horatio: Aan beide zijden bloed! Hoe gaat het, prins?

Osrik: Hoe is het, Laërtes?

Laërtes: Ach, als een snip in mijn eigen strik gevangen. Door mijn verraad sterf ik een verdiende dood.

Hamlet: De koningin bezwijmt!

koning: Door 't zien van bloed.

Koningin: Neen, neen, de wijn, de wijn! O, lieve Hamlet, de wijn, de wijn... Ik... ik ben vergiftigd. (ze sterft)

Hamlet: O, schurkenstreek! Ha, alle deuren dicht! Verraad! Snel, zoek waar het schuilt! (Laërtes zinkt neer)

Laërtes: Hier, Hamlet! Hamlet, het is met u gedaan. Geen artsenij kan u redden. Er is geen half uur leven meer in u. Gij hebt het valse wapen in uw hand, onafgestompt, vergiftigd. Mijn verraad heeft zich tegen mijzelf gekeerd. Hier lig ik, om nooit meer op te staan. Uw moeder is vergiftigd. 't Is de schuld van de koning, de koning...

Hamlet: Is ook de punt vergiftigd? Gif, doe dan uw werk! (doorsteekt de koning)

allen: Verraad! Verraad!

koning: Beschermt mij, vrienden, ik ben slechts gewond!

Hamlet: Hier, gij bloedschendige moordenaar, vloekb're Deen. Drink op die drank! Ligt hier uw parel in? Ga, volg mijn moeder. (de koning sterft)

Laërtes: Zijn verdiende loon. Het is de gifdrank, door hemzelf gemengd. Laat ons vergiffenis ruilen, edele Hamlet. Mijn en mijn vaders dood... komen niet op uw hoofd, noch de uwe op het mijne. (hij sterft)

Hamlet: God spreke u ervan vrij! Ik volg u snel. Ik sterf, Horatio... Arme koningin, vaarwel! Gij die verbleekt toeziet en stomme spelers zijt bij dit bedrijf, als ik slechts tijd had - doch deurwaarder Dood verleent geen uitstel - zou ik kunnen zeggen... Maar het zij als het is. Horatio, ik sterf. Gij blijft leven: stel mij en mijn zaak bij de onbevredigden in het juiste licht.

Horatio: Geloof dat nooit. Ik ben meer een oud Romein dan Deen. Hier is nog wat wijn.

Hamlet: Als gij een man zijt, geef mij die beker dan. Laat los! Ik wil het. O, vriend Horatio, wat een geschonden naam laat ik, als het niet wordt opgehelderd, achter! Als ge me ooit in uw hart gedragen hebt, ontwijk de zaligheid dan nog een tijdje en draag de pijnen dezer wrange wereld om mijn verhaal te doen. (gejoel in de verte) Wat is dat voor krijgsrumoer?

Osrik: De jonge Fortinbras die zegevierend uit Polen keert, zendt Engelands afgezanten zijn krijgsmansgroeten.

Hamlet: O, ik sterf, Horatio. Het felle gif kraait de overwinning uit. Ik hoor niet meer wat zij van Engeland melden, maar dit voorspel ik: dat de koningskeuze op Fortinbras valt. Stervend stem ik hem. Bericht hem dit, met ieder voorval, groot en klein, dat me ertoe bracht. De rest... is stilte. (hij sterft)

Horatio: Daar breekt een edel hart! Slaap zacht, mijn prins, en engelenscharen zingen u ter ruste! (marsmuziek) Wat komt dat tromgeroffel hier naartoe? (Fortinbras en de Engelse gezanten komen binnen)

Fortinbras: Waar is dit schouwspel?

Horatio: Wat wenst hij te zien? Iets droefs of gruwelijks? Zoek dan niet verder.

Fortinbras: Slachting schreeuwt al dat bloed! O, trotse dood, welk feest is gaande in uw eeuwige krocht, dat gij zovele vorsten met één slag zo bloedig hebt geveld?

eerste afgezant: Vreselijke aanblik! En ons bericht uit Engeland komt te laat. Doof zijn de oren die wij moesten melden dat Rosencrantz en Guildenstern gedood zijn. Wie dankt ons er nu voor?

Horatio: Zijn lippen niet, al kon hij ze openen om u dank te brengen. Laat mij het volk kond doen wat er gebeurd is. Dan hoort gij van daden, bloedig, onnatuurlijk, rechtspraak door het toeval, onvoorziene moord, van doden omgebracht door list en nooddwang. In het eind, mislukte plannen, teruggevallen op het hoofd van wie ze ontwierp. Dat alles kan ik naar waarheid melden.

Fortinbras: Laat het ons snel horen en roep de hoge adel hier bijeen. Ikzelf neem mijn geluk vol droefheid aan. Ik heb van oudsher rechten op dit rijk, die ik, nu het lot mij wenkt, moet laten gelden.

Horatio: Ook daaromtrent heb ik nog iets te zeggen, en door een mond wiens stem er meerdere werft. Doch laat ons dit onmiddellijk doen, nu elk ontroerd is, voordat kuiperij of dwaling meer onheil wekken.

Laat vier legerhoofden Hamlet met krijgseer naar het platform dragen, want als hij koning was geworden, had hij zich stellig een waardig vorst getoond. Laat bij de optocht treurmuziek en krijgsgebruiken luid voor hem spreken. Komt, draag de lijken weg. Wat men hier ziet, past op een slagveld, doch hier zeker niet. Gaat! Laat de troepen vuren! (de lijken worden weggedragen)