Home / De klok slaat acht

De klok slaat acht

Een hoorspel in de reeks: Luister en huiver.

De dood door ophanging wacht Helen Barton in de vrouwengevangenis van Maidhurst. Zij is veroordeeld wegens moord op haar verloofde Philip Gale. Diens broer Herbert zag het voor zijn ogen gebeuren. Helen zegt zich niets van het drama te kunnen herinneren. De zwaarlijvige detective Gideon Fell duikt op de valreep in het bewijsmateriaal en ontdekt een technische onmogelijkheid.

Rolverdeling.

Huib Orizand de man in het zwart
Jan Apon professor Fell
Els Buitendijk Helen Barton
Fé Sciarone bewaakster
Nora Boerman bewaakster
Onno Molenkamp kolonel Andrews
Jan Borkus Herbert Gale
Bert van der Linden bewaker Harris

Aanvullende gegevens.

Auteur: John Dickson Carr
Vertaling: Annie den Hertog-Pothof
Regie: Dick van Putten
Inspiciënt: Léon du Bois
Omroep: AVRO
Uitzending: 19-03-1978
Speelduur: 35 minuten
Categorie: Thriller

Complete reeks in volgorde van uitzending.

De bron van deze productie.

Appointment With Fear, Third Series, 6. The Clock Strikes Eight, 18-05-1944 BBC Home Service.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

de man in het zwart: Hier is uw gastheer weer, de man in het zwart, om u opnieuw enkele aangename momenten te bezorgen met één van onze onschuldige verhaaltjes, ditmaal getiteld “De klok slaat acht”. Het verlies van het geheugen, de griezelige duisternis die het verstand omsluiert, is een onderwerp dat mij dikwijls aangenaam heeft beziggehouden. Daarom heb ik vanavond een gast meegebracht: Prof. Dr. Gideon Fell, de bekende geleerde die detective werd. Professor Fell zit hier tegenover mij, met z’n - ja, neemt u me niet kwalijk, professor - met z’n tweehonderd pond, z’n drie onderkinnen en een gezicht fel van strijdlust. En terwijl hij u vertelt over de zaak Barton hopen wij onze belofte te kunnen houden en u te laten huiveren... Professor, het woord is aan u.

Fell: Ja. Ja, de zaak Barton was een bijzonder aangrijpende geschiedenis. Ik maakte de laatste nacht mee en was getuige van wat de menselijke ziel kan doormaken zonder volkomen krankzinnig te worden. En ik zeg u: ik voel er niets voor om iets dergelijks nog ‘ns mee te maken. Ik verzoek u nu zich te verplaatsen in de positie van Helen Barton, een jonge vrouw van achter in de twintig. Stelt u zich voor... stelt u zich alleen maar voor dat u midden in de nacht plotseling wakker wordt met een gevoel alsof u al heel lang hebt geslapen en een angstaanjagende nachtmerrie hebt gehad. Het vertrek is koud en bijna donker, met een zwak schijnsel van een vuur dat zo goed als uit is. Langzaam, heel langzaam gaat u zich realiseren dat het een vertrek is dat u nooit eerder hebt gezien. Het feit dringt zich aan u op door een nevel van angst. Er hangt een typische atmosfeer van oude steen en desinfecterende middelen, en er is geen enkel geluid in dat duistere vertrek.

(klok slaat vier)

Helen Barton: Eh... wat was dat... was dat voor een geluid?

eerste bewaakster: Ga nu maar weer liggen, liefje. Alles is in orde, niks aan de hand.

tweede bewaakster: En da’s een goeie raad. Hou je kalm.

Helen: Mm... Ik... ik geloof dat ik gedroomd heb.

eerste bewaakster: Je hebt een nachtmerrie gehad. Maar nou is alles weer goed. Niemand zal je kwaad doen.

tweede bewaakster: Nog niet.

eerste bewaakster: Hannah!

tweede bewaakster: Nou ja... ‘k bedoel er niks mee. Maar sommige mensen in deze kamer werken op m’n zenuwen.

Helen: Neemt u me niet kwalijk, maar...

eerste bewaakster: Ja, zeg het nou maar, kind.

Helen: Dat ik hier ben, dat zal een reden hebben, maar... die ken ik niet, ik... ik begrijp er niéts van.

eerste bewaakster: Wat begrijp je niet?

Helen: Waar ben ik? En hoe ben ik hier gekomen? En wie bent u?

tweede bewaakster: Hè, luister ‘ns effe, begin nou alsjeblieft niet weer met hetzelfde verhaaltje.

Helen: Zelfde verhaaltje?

tweede bewaakster: Ja, dat je je geheugen kwijt bent en dat je zelfs niet meer weet hoe je heet.

Helen: Niet meer weet hoe ik heet? Natuurlijk weet ik dat, ik ben Helen Barton.

tweede bewaakster: Nou, da’s tenminste verstandig dat u eindelijk toegeeft.

Helen: Hè? Eindelijk? Maar... ik... ik heb u van m’n leven nog nooit gezien, laat staan met u gesproken. Waar ben ik? (bibbert) Waarom is het hier in ‘s hemelsnaam zo koud?

tweede bewaakster: Om het hier lekker warm te hebben is niet zo eenvoudig midden in december.

Helen: Wat? De... december, zegt u?

eerste bewaakster: Ja, 18 december om precies te zijn.

Helen: 18 december? Nee, dat kan niet, u maakt me wat wijs. Dat is onmogelijk. Ooo... m’n hoofd... Het voelt zo vreemd. (snikt) Ik... ik zou wel willen huilen, maar ik kan niet.

eerste bewaakster: Kalm nou maar, kalm nou maar.

Helen: Maar... het kan geen december zijn, dat is onmogelijk. Het was gisteren, en... en er waren zoveel bloemen. Ja, ik was op weg naar Philip. Zo was het, ik... ik ging naar Philip.

eerste bewaakster: Philip... wie?

Helen: Philip Gale, de man met wie ik zou trouwen. Ja! Ja, nu herinner ik me alles weer: het... het... het was gisteren, en ik was op weg naar Philip.

tweede bewaakster: Ja, zo is het wel genoeg.

eerste bewaakster: Hannah, hou je mond.

tweede bewaakster: Ach wat, ze houdt ons aan het lijntje, net als al die anderen.

eerste bewaakster: O, ze trilt als een riet. Ze weet niet waar ze is. Luister ‘ns, kindje...

Helen: Ja?

eerste bewaakster: Ik kom effe naast je zitten, op je bed.

Helen: Ja.

eerste bewaakster: Hou m’n handen maar vast.

Helen: Ja.

eerste bewaakster: Zo... ja. Hou ze maar stevig vast, mm?

Helen: Wa... wat is er dan? Waarom kijkt u me zo aan?

eerste bewaakster: Ik... ik moet je iets vertellen.

Helen: O... over... over Philip.

eerste bewaakster: Over hém ook, ja. Hou m’n hand maar goed vast.

tweede bewaakster: Ja, zo is ‘t wel genoeg. Miss Barton, dit is de gevangenis van Maidhurst.

Helen: In een gevangenis...

eerste bewaakster: Rustig maar liefje, rustig.

Helen: Ik... ik... ik droom nog stééds. Dat moét wel. Het was eind augustus, en... ik... ik was op weg naar Philip. (schrikt) U bedoelt toch niet dat ik in een gevangenis ben?

eerste bewaakster: Rustig, hè, dat is heus het beste...

tweede bewaakster: Ach, waarom kom je d’r niet recht voor uit? Ja, u zit in de gevangenis. En dit is de cel van de terdoodveroordeelden. En morgen wordt u opgehangen.

Fell: Dat was het. De herinnering aan de nacht die ik met kolonel Andrews, de directeur van de gevangenis, heb doorgebracht staat me nog scherp voor de geest. Het was een lange, magere man. Helemaal de militair die ie eens geweest was.

kolonel Andrews: Ik heb een afkeer van executies. Ik haat ze! (kucht) Ik kan de nacht tevoren niet slapen. Daarom ben ik u eigenlijk heel dankbaar voor uw komst.

Fell: En ik ben u dankbaar dat u mij hebt willen ontvangen. De situatie waarin deze jonge vrouw verkeert, grijpt me bijzonder aan.

Andrews: Ja, maar het heeft weinig zin deze kwestie sentimenteel te benaderen. De wet is nou eenmaal zo en die heb ik niet gemaakt.

Fell: Maar ik meen toch dat u niet bepaald tevreden bent over deze bijzondere zaak, is ‘t wel?

Andrews: Nee. Nee, zeker niet. Maar, weet u: er bestaat totaal geen twijfel omtrent de schuld van het meisje. Alleen... als zijzelf nou maar wilde bekennen. Sommige doen dat op het laatste moment, weet u?

Fell: En... doen zij dat dan aan u?

Andrews: Ja, aan mij, of aan de beul. Ja, soms zou ik liever elke andere baan willen hebben dan deze. Tja, als zij nou maar wilde bekennen. Als ze nou maar ‘ns ophield met die onzin zich niets meer te herinneren.

Fell: Niets te herinneren?

Andrews: Ja. Niet hoe ze Philip Gale doodschoot, zelfs niet haar eigen naam. Een geheugenverlies waarachter een misdaad verborgen is.

Fell: Bedoelt u dat een vrouw die aan geheugenverlies lijdt voor het gerecht gebracht en ter dood veroordeeld kan worden?

Andrews: Ja, natuurlijk niet als er inderdaad sprake is van een geheugenstoornis. Maar in dit geval is dat niet zo. Haar geheugenverlies is niet echt.

Fell: Bent u daar heel zeker van?

Andrews: Volkomen! De rechter zou nooit een vonnis hebben uitgesproken als hij d’r niet van overtuigd was geweest dat ze simuleerde. Ze had er misschien met levenslang af kunnen komen als de aard van de misdaad daar niet tegenover had gestaan.

Fell: Hoe bedoelt u?

Andrews: Wel... ze heeft een man neergeschoten die z’n handen omhoog hield en om genade smeekte. En dat betekent in de ogen van de jury het allerergste wat iemand kan doen.

Fell: En toch twijfelt u...

Andrews: Nee, nee, nee, néé! Ik twijfel niét, totaal niet! En bovendien, het is mijn zaak niet.

Fell: Hoe was haar houding sinds ze hier is?

Andrews: O... een modelgevangene, daar niet van. Maar haar houding werkt op de zenuwen van het personeel.

Fell: En op de uwe, veronderstel ik.

Andrews: Nou, misschien wel, ja. ‘t Is overigens een aardig meisje om te zien. Ik heb haar grootvader nog gekend.

Fell: Woonde ze hier in de omgeving?

Andrews: Ja. Geboren en getogen in Meadhurst. Ze kwam in aanraking met een nietsontziende schoft, Philip Gale. Ze was dolverliefd op ‘m, wilde geen kwaad woord over ‘m horen. Toen liet ie haar in de steek voor een vrouw met geld.

Fell: Ik begrijp het nu.

Andrews: Hij bezat een landhuis op Whiterose Hill. Op een zondagmiddag ging zij erheen.

Fell: Alleen?

Andrews: Ja. Herbert Gale, de broer van Philip, hoorde ze ruzie maken. Hij rende naar binnen om te kijken wat er aan de hand was. Philip probeerde het meisje de kamer uit te krijgen, maar ze griste een revolver uit een bureaula en gelastte Philip z’n handen omhoog te steken. Hij was bang voor haar, en hij deed het. Toen schoot ze ’m dood, en viel flauw.

Fell: En daarna?

Andrews: (lachje) Daarna, ja... kon zij zich niéts meer herinneren.

Fell: Kon ze zich werkelijk niéts meer herinneren?

Andrews: Ze deed alsof ze haar eigen familie niet herkende. Ze vroeg steeds: “Wie is Philip Gale?”

Fell: En vanmorgen om acht uur wordt ze opgehangen...

Andrews: Ja.

Fell: Zelfs zonder haar in de gelegenheid te stellen een verklaring over haar eigen zaak te geven.

Andrews: Onzin! Onzin! Er bestaat geen enkele twijfel aan de bewijzen die tijdens het proces naar voren zijn gebracht.

Fell: Bent u daar zeker van?

Andrews: Ja! Zij schoot Philip Gale neer. Gales broer zag het voor z’n ogen gebeuren. En dan, zich niets weten te herinneren...

Fell: Een grote emotionele schok kan een dergelijke toestand veroorzaken, weet u?

Andrews: Ze was niet zo emotioneel geschokt dat haar trefzekerheid beïnvloed werd. Vanaf een paar meter schoot ze ’m recht door z’n hart. De kogel ging in één kaarsrechte lijn door z’n colbert, vest, hemd en hart heen. Ze konden bij wijze van spreken een breinaald doorheen steken door de kogelgaten. Nee, nee nee nee nee, u kunt daar zitten peinzen en kringetjes blazen, maar dit is een uitgemaakte zaak, zeg ik u.

Fell: Vertelt u mij ‘ns, kolonel: praat u zoveel om uzelf te overtuigen?

Andrews: Nee.

Fell: Stel je nou ‘ns voor dat het meisje de waarheid spreekt? Stel je ‘ns voor dat ze werkelijk haar geheugen verloren heeft.

Andrews: Maar professor!

Fell: Goed goed, goed goed, u gelooft het niet, maar... stel je ’t ‘ns voor. Stel je ’ns voor dat op een bepaald tijdstip van deze nacht, juist voor de beul verschijnt, haar geheugen terugkeert.

Andrews: Alstublieft, praat u toch geen onzin!

Fell: Kolonel, ik heb lang genoeg geleefd om te weten dat psychisch lijden de ergste vorm van lijden is. Stel je nou ‘ns voor in zo’n toestand. Je keert als het ware tot bewustzijn, tot het leven terug in een wereld die je je veilig en plezierig voorstelde. Je weet niet waar je bent, je weet niet wat er gebeurd is, je weet alleen dat als straks de klok acht zal slaan, ze je komen halen en... (geschreeuw)

Fell: Wat is dat?

Andrews: Hoorde u het ook?

Fell: Ja. Denkt u hetzelfde als ik?

Andrews: Nee. Nee nee nee nee, dat is onmogelijk. Dat kan niet.

Fell: Wie zal het zeggen.

Andrews: Het heeft natuurlijk een andere oorzaak. Ja, sommige worden in de laatste uren bevangen door een werkelijke doodsangst. Dan moeten we vaak verdovende middelen gebruiken.

Fell: Verdovende middelen?

Andrews: Ja. ‘t Is weliswaar geen grote afstand naar de plaats van de executie, maar vaak zijn ze niet eens bij machte om te lopen. (er wordt geklopt) Ja?

de bewaker

Harris: (opent de deur) Ja, neemt u me niet kwalijk, directeur, maar... ik dacht dat het beter was u even te waarschuwen. En de dokter, of de geestelijke, of misschien allebei.

Andrews: Wat is er, Harris? Je ziet er uit als een geest!!

Helen: Ja, neemt u me niet kwalijk, maar ik werk hier nou al vijftien jaar als bewaker, maar... zoiets als dit heb ik nog nooit meegemaakt.

Andrews: Is het eh... de cel, boven... Barton?

Harris: Ja, meneer. Ze was helemaal over d’r toeren. Maar... ze zegt nou dat ze zich alles herinnert.

Andrews: Zo...

Harris: Maar dat niet alleen! Ze beweert dat ze het niet gedaan heeft!

Fell: Wat niet gedaan?

Harris: Ze beweert dat ze die Philip Gale niét doodgeschoten heeft.

Fell: Niet doodgeschoten...

Andrews: Ja, dat is alles, Harris. Je kunt gaan.

Harris: Ja, meneer.

Andrews: Zijn er verder nog onregelmatigheden in het gebouw?

Harris: Alleen afdeling A is een beetje onrustig.

Andrews: Ja, dat is vrij normaal in deze omstandigheden. Nog iets?

Harris: Ja, misschien niks bijzonders maar... er staat buiten, bij de grote poort, een man. Ondanks het tijdstip is ie daar al een hele tijd. Soms drentelt ie wat heen en weer, en dan staat ie weer stil onder een lantaarn, en dan kijkt ie naar boven.

Andrews: Oh!... Enig idee wie het kan zijn?

Harris: ‘t Is Herbert Gale, de broer van Philip Gale.

Andrews: Zo?... Juist. Nou ja, nou ja, goed, eh... Harris. Ja, ga maar... Ik... ik kom zo.

Harris: Ja, meneer. (gaat)

Fell: Hebt u het gehoord? Dat meisje beweert onschuldig te zijn.

Andrews: Ja!

Fell: Wat bent u van plan te doen?

Andrews: Ja, ik... ik ga natuurlijk naar haar toe, maar het zal aan het vonnis niets veranderen.

Fell: Zelfs niet als zij werkelijk onschuldig blijkt?

Andrews: Fell, in ‘s hemelsnaaam, probeer mijn positie te begrijpen. Ik... ik... ik ben bang voor dat onderhoud met haar. Ja, het is... het is tegen de voorschriften, maar ik zou het op prijs stellen als u met mij mee ging.

Fell: Als ik u daar een genoegen mee doe. Wonderlijk... die Herbert Gale daar buiten, midden in de nacht.

Andrews: Oh! Als getuige was hij nauw bij de zaak betrokken, en hij kent het meisje Barton natuurlijk erg goed.

Fell: Gevoelsoverwegingen, denkt u... Ik vraag me af...

Andrews: Nou?

Fell: Ach nee, laat maar. Ik bezorg u al genoeg moeilijkheden. Als u...

(klok slaat zes)

Helen: Maar ik heb het niet gedaan... Ik... ik zweer het! Ik... ik heb het niet gedaan!

tweede bewaakster: Ja, stil nou maar.

eerste bewaakster: Kalm nou maar, kindje, de directeur en de professor geloven ook dat je ‘t niet gedaan hebt.

Helen: O nee, ze geloven me niet. Je hoeft me niks wijs te maken, ze geloven me niet! Ja, luistert u toch alstublieft, ik... ik heb u al gezegd: toen ik bijkwam, kon ik mij niet eens herinneren dat Philip dood was.

Andrews: Wat kunt u zich dan nu wél herinneren?

Helen: Ik... ik herinner me dat ik voor het huis van Philip stond. De zon scheen, ‘t was een warme dag. Plotseling hoorde ik binnen een schot. Ik rende naar binnen de zitkamer in. Philip lag op de grond, bij de bank, z’n mond open en met bloed op z’n borst. Dat is alles wat ik ervan weet... En toen... toen kreeg ik een slag op m’n hoofd.

Fell: Een slag op uw hoofd?

Helen: Ja. Tenminste, daar leek het op.

Andrews: De doktoren hebben indertijd niets kunnen constateren.

Helen: Ja, maar ik zeg u dat...

Fell: Een ogenblik. Miss Barton, kunt u de bemoeizucht van een oud man als ik, die u oprecht probeert te helpen, vergeven?

Helen: Het spijt me, professor, ik... ik zal proberen me te beheersen.

Fell: Goed. Vertel me dan ‘ns, was Philip Gale al dood toen je binnenkwam?

Helen: Ja.

Fell: En jij ging niét naar ‘m toe om moeilijkheden te veroorzaken?

Helen: Nee. En... ja, waarom zou ik ‘m gedood hebben? Ik ging alleen maar naar ‘m toe om ‘m te vertellen dat het tussen ons uit was. Ik... ik had genoeg van ‘m na alles wat er gebeurd was. Ik... ik... Ach... wat heeft het voor zin?...

Fell: Hebben ze je dan niet verteld dat er een getuige is die heeft gezien dat je Gale hebt doodgeschoten?

Helen: Een getuige?! Wie dan wel?

Andrews: Herbert Gale.

Helen: Maar dat is een leugen!

Fell: En heb je geen revolver uit de bureaula gepakt?

Helen: Dit is voor het eerst dat ik iets over een revolver hoor. Geloof me alstublieft!

Fell: Jij hebt Philip niet gelast z’n handen omhoog te steken?

Helen: Nee!

Fell: En toen, toen ie z’n handen omhoog had, toen heb je ‘m niét doodgeschoten?

Helen: Nee! Nee, nee nee.

Andrews: Uw vingerafdrukken zijn op het wapen gevonden. U had het zelfs nog in uw hand toen Herbert de politie had gewaarschuwd.

Helen: (lachje) Het ziet ernaar uit dat u me te pakken hebt, hè?

Andrews: ‘t Spijt me...

Fell: Wie is die broer eigenlijk, die Herbert Gale?

Helen: (lachje) Hij is het nette lid van de familie, de keurige jongen tegenover de niksnut Philip. O, zeer respectabel, drinkt niet, rookt niet. Hij moet werken voor de kost omdat Philip alles geërfd heeft.

Andrews: De getuigenverklaring van Herbert legt zeer veel gewicht in de schaal.

Helen: (lachje) En in mijn geval was dat ook zo, nietwaar? Maar waarom zou die willen dat ik opgehangen wordt? Waarom heeft ie al die leugens verteld?

Fell: Dat vraag ik mij ook af.

Helen: (zucht) Elk ogenblik denk ik dat ik weer wakker zal worden en mezelve terugvindt in die zitkamer... ik mezelf weer zie staren naar dat lijk van Philip en me diep ellendig voel. En hoe krankzinnig dat ook is in die omstandigheden, ik me erover verbaas dat ie op zo’n warme dag een vest droeg. En...

Fell: Alle duivels nog aan toe! Wat een stommeling ben ik!

Andrews: Fell!

Helen: Mm?

Fell: Die vermoorde man droeg een vest. Dat hebt u me zelf verteld.

Andrews: Ja. En wat zou dat?

Fell: Die vermoorde man droeg een vest op een snikhete dag. Hou dat steeds voor ogen. Drie uur lang heb ik m’n hersens gepijnigd, en dat alleen omdat ik niet aan dat vest heb gedacht! Vertelt u me ‘ns, kolonel: wat is er met de bewijsstukken van de Gale-zaak gebeurd?

Andrews: Die zijn nog altijd hier. De zaak is voor het hof van Maidhearst geweest.

Fell: Hebt u ze nog hier?

Andrews: Jazeker, maar wat hebben we daar nu nog aan?

Fell: Kolonel, dit is het mooiste bericht dat u me geven kunt! Ik heb u...

Andrews: Professor! Realiseert u zich waar u bent?

Fell: Natuurlijk. Neemt u me niet kwalijk.

Andrews: Laten we de feiten onder ogen blijven zien. De gevangene wéét dat er... dat er geen hoop is...

Helen: O, in ‘s hemelsnaam...

Andrews: Het wreedste wat u kunt doen is toch valse hoop bij haar te wekken terwijl ik niets kan doen, begrijpt u dat?

Fell: Ik begrijp het maar al te goed.

Andrews: Dit is alleen maar zeer onaangenaam voor ons allemaal. Er is geen enkel nieuw feit bij gekomen dat ook maar enig verschil kan maken.

Fell: Allen dit: dat het meisje niét schuldig is!...

Andrews: Kunt u dat bewijzen?

Fell: Voor mezelf, ja.

Andrews: Ik vrees dat dat niét voldoende is.

Fell: Stel dat ik het u bewijzen kan, uitsluitend - let op! - uitsluitend op de verklaringen die u mij zelf verstrekt hebt. Wat zou u dan doen?

Andrews: Overdrijft u niet?

Fell: Nee! Wat zou u doen?

Andrews: Wel, heel simpel: de minister van Justitie bellen en vragen om uitstel van executie. Er is een privélijn van mijn kantoor naar zijn huis. Maar ik waarschuw u, Fell: ze accepteren geen fantasieën, alleen feiten.

Fell: Zeg mij ‘ns, Miss Barton, hoe groot is die eerbiedwaardige Herbert Gale ongeveer?

Helen: Hè? Hoe... hoe groot?

Fell: Ja. Heeft ie ongeveer dezelfde lengte als z’n broer Philip?

Helen: Ja, eh... zowat 1,75 m, denk ik. Maar, ik begrijp niet...

Fell: Kolonel, uw bewaker Harris vertelde dat Herbert Gale al de hele nacht bij de poort rondhangt. Ik denk wel dat ie d’r nog steeds is. Ik zou ‘m graag willen spreken. Kunt u iemand naar ‘m toesturen om ‘m te vragen naar uw kantoor te komen?

Andrews: Nee, dat kan ik niet doen.

Fell: Waarom niet?

Andrews: Dat is tegen de voorschriften. Hij zou een speciale pas moeten hebben.

Fell: Vervloekt nog aan toe, schrijf er dan een! Begrijpt u met die correcte militaire hersens dan niet dat er in minder dan twee uur een onschuldige wordt opgehangen?

Andrews: Ja. Goed... Goed, u krijgt uw zin. Maar nogmaals, Fell: ik waarschuw u!

Helen: Professor... Professor, ik... ik weet niet wat u van plan bent, maar... héb ik een kans?

Fell: Kindje, ik... ik durf je niets te beloven, maar... houd moed, dat doe ik ook. We gaan nu naar het kantoor van de kolonel Andrews, en daar hoop ik een gesprekje te hebben met Herbert Gale.

(klok slaat zeven)

Fell: Zeven uur. Zéven uur! Nog maar een uur. Waar blijft die bewaker met die spullen?

Andrews: Ja, waarschijnlijk kan hij ze niet zo vlug vinden.

Fell: Maar u zei toch dat u ze hiér had.

Andrews: Zeker. Hebt u die stukken dan beslist nodig?

Fell: Ja! Om u het bewijs te leveren. Maar als het nog lang duurt...

Andrews: Ik kan zelf ook niet veel langer blijven. Ik moet aanstonds de geestelijke nog bij haar binnen brengen. (er wordt geklopt) Ja?

Harris: (komt binnen) Ja, het eh... het spijt me dat het zo lang heeft geduurd, directeur.

Andrews: Dat doet er niet toe. Hebt u ‘t gevonden?

Harris: Ja. Alles zit in dit koffertje: jas, vest, hemd en revolver. Waar eh... zal ik het neerzetten?

Andrews: Zet hier maar op mijn bureau.

Harris: En wat die Mr. Gale betreft...

Andrews: Was ‘t ie er nog?

Harris: Ja. Hij wacht op de gang. Wilt u ‘m nu ontvangen?

Andrews: Ja.

Harris: (opent de deur) Kom u maar, Mr. Gale.

Herbert

Gale: (komt binnen) Dank u.

Andrews: Goede morgen, Mr. Gale.

Gale: Dank u.

Andrews: Ik ben kolonel Andrews, en dit is professor Fell.

Fell: Hoe maakt u het, Mr. Gale?

Gale: Hoe maakt u het?

Andrews: Gaat u zitten.

Gale: Dank u.

Andrews: Ik wil u allereerst bedanken dat u zo bereidwillig was om te komen.

Gale: Deze bewaker zei dat u mij wilde spreken. Natuurlijk ben ik gekomen, maar... gelooft u dat het verstandig is?

Andrews: Waarom niet?

Gale: Nou ja, men zou kunnen denken dat ik iets tegen Helen heb in verband met mijn broer Phil, ziet u?

Fell: En... u hebt niets tegen haar?

Gale: Maar integendeel! Ik heb medelijden met het arme kind. ‘t Spijt me nog altijd dat ik tegen haar moest getuigen, maar wat kon ik anders?

Fell: U bedoelt... dat u haar graag zou willen helpen, zelfs nu?

Gale: Natuurlijk wil ik dat. Als er iets is wat ik kan doen om haar laatste ogenblikken te verlichten...

Fell: Er is zeker iets wat u kunt doen, Mr. Gale. U zou met ons mee kunnen gaan naar de cel van de terdoodveroordeelde.

Gale: Meent u dat werkelijk?

Fell: Natuurlijk.

Gale: Maar... maar... zou dat niet verschrikkelijk voor Helen zijn?

Fell: Waarschijnlijk wel. Maar zoals u al zei: zij heeft nog maar korte tijd te leven... Wel? Gaat u met ons mee?

Gale: Nou ja, als u... denkt dat ik daar goed aan doe.

Fell: Dat denk ik. Met uw toestemming zal ik dan bewijzen dat een rechte lijn tussen twee punten de kortste is... Kolonel, wilt u ons voorgaan?

Helen: Half acht. Nog een half uur en d’r is nog niets gebeurd.

eerste bewaakster: Rustig maar, kindje. Rustig maar... (de celdeur wordt geopend)

Helen: (schrikt) Ze zijn er toch niet om... Herbert!

Gale: (komt binnen) Helen... Het spijt me ontzettend, Helen. Geloof me, alsjeblieft.

Helen: Dank je.

Gale: Ik had op dit ogenblik natuurlijk niét moeten komen, maar de heren vroegen mij om mee te gaan.

Helen: Je bedoelt... dat je bent gekomen om te bekennen?

Gale: Bekennen? Wat zou ik moeten bekennen?

Helen: Dat je niet gezien hebt dat ik Phil doodschoot! Je weet dat je dat niet gezien kúnt hebben.

Gale: Het spijt me, Helen, ik heb met je te doen, en zelfs nu koester ik geen enkele wrok tegen jou, maar jij hebt die arme Phil in koelen bloede doodgeschoten nadat je hem had gedwongen z’n handen omhoog te steken!

Fell: Hoe hoog stak hij z’n handen op?

Gale: Eh... wat? Wat... wat... wat zegt u?

Fell: Ik zei: hoe hoog stak hij z’n handen op?

Gale: Hè, luistert u nou ‘ns eventjes, u maakt die arme Helen helemaal van streek. Heeft het enige zin om dit allemaal weer op te rakelen?

Fell: Ik dacht het wel. We zouden de toedracht van de zaak aan de hand van een klein experiment kunnen herhalen. Hier in dit koffertje heb ik het colbert en het vest dat uw broer droeg toen ie werd gedood. Ziet u, Mr. Gale?

Gale: Ja.

Fell: Ik zou graag willen dat u uw eigen jas uitdeed en dan deze jas en het vest aantrok.

Gale: Ik denk er niet aan!

Fell: Waarom niet?

Gale: Maar dat kunt u Helen toch niet aandoen! Kolonel Andrews, ik doe een beroep op u.

Andrews: Uw bedoeling is mij niet duidelijk, maar wat is er op tegen?

Gale: De gevoelens van Helen!

Helen: Let maar niet op mijn gevoelens, Herbert, ik heb nog maar een korte tijd te leven. Trek die jas en het vest aan!

Fell: Dit is het laatste verzoek van een terdoodveroordeelde, Mr. Gale. Kunt u dat weigeren?... Wel?

Gale: Goed... Goed, als u d’r op staat.

Andrews: Ik begrijp nog steeds niet wat u van plan bent, Fell, maar u moet wel voortmaken, want... (celdeur wordt geopend)

Harris: Directeur...

Andrews: Ja?

Harris: Neemt u mij niet kwalijk, directeur, maar de geestelijke is gearriveerd. De getuigen zijn aanwezig. Alles is gereed. ‘t Is tien minuten voor acht.

Andrews: Dank je. Fell, het spijt me, hier moet een eind aan komen. Ik moét u verzoeken deze ruimte onmiddellijk te verlaten.

Fell: In ‘s hemelsnaam, man, wacht! Ik kan het u bewijzen.

Andrews: Wat... wat... wat... wat kunt u bewijzen?

Fell: Ik kan bewijzen dat Herbert Gale loog toen hij dit meisje de dood injoeg.

Gale: (stottert) U bent gek! U... u weet niet wat u zegt.

Fell: Dat weet ik wél! U ziet allemaal dat hij de jas en het vest van de dode man draagt.

Gale: Goed. En wat dan nog?

Fell: U zult zich kunnen voorstellen, Mr. Gale, met dat machtige voorstellingsvermogen van u, dat ik u met een revolver bedreig, déze revolver. Doe uw handen omhoog.

Gale: Alle duivels, wat ben u van plan?

Fell: Doe uw handen omhoog, hoog boven uw hoofd.

Gale: Nee! Nee! Ik doe niet mee aan uw spelletjes.

Helen: Ik zou het maar doen, Herbert... Ik zou het maar doen.

Andrews: Doe wat hij zegt, man. Nu vraag ík het je.

Fell: Goed zo. Mr. Gale... Terwijl ik die revolver op u richt, doet u uw handen langzaam naar boven. Ja... Ja! Hoger... Nog hoger... Juist! Kijk nu allemaal naar z’n jas. Kijk naar zijn jas!

Gale: Ik... ik... ik weiger om verder...

Fell: Hoog die handen, Mr. Gale. Kijk naar zijn jas.

Helen: Die... die jas... gaat naar boven als ie z’n handen omhoog steekt.

Fell: Juist! En het kogelgat in die jas, ziet u het, is mee omhoog gegaan. Maar het vest is op het lichaam vastgeknoopt en beweegt niét.

Andrews: Fell! Ik begrijp het!

Fell: Het kogelgat in die jas bevindt zich nu minstens tien centimeter boven het corresponderende gat in het vest. Toch drong de kogel, zoals u mij vertelde, in een rechte lijn door jas en vest heen. Daarom is het onmogelijk dat Philip Gale z’n handen omhoog had toen ie werd doodgeschoten.

Gale: Dat... dat is een smerige leugen!

Fell: Dat wás een smerige leugen, Mr. Gale! U doodde Philip Gale zélf. Helen kwam binnengerend en van achteren sloeg u haar bewusteloos met een voorwerp dat geen sporen naliet. Toen drukte u haar de revolver in de hand. En daarna ontdekte u, als een geschenk van de hemel, dat zij haar geheugen kwijt was. U kon elke leugen vertellen die u maar wilde. Maar nu is uw kaartenhuisje ineengestort. De vervolging, de getuigenverklaring en het vonnis waren alle gebaseerd op het neerschieten van een man die z’n handen omhoog had. Als die éne leugen teniet wordt gedaan, dan wordt daardoor meteen de hele zaak teniet gedaan.

Helen: Is dat waar, kolonel Andrews? Is dat waar?! Kunt u dan tenminste niet iéts zeggen?

(klok slaat acht)

Andrews: Harris.

Harris: Directeur?

Andrews: Je kent het privétoestel op mijn kamer?

Harris: Ja, meneer.

Andrews: Haast je, vraag onmiddellijk de minister van Justitie voor mij aan.

Harris: Ja, meneer.

de man in het zwart: Dit is het einde van de geschiedenis “De klok slaat acht.” Een gelukkig einde, op de treden van het schavot. Uw gastheer, de man in het zwart, neemt weer afscheid van u en wenst u een aangename nachtrust.