Home / Moord op Troyte’s Hill

Moord op Troyte’s Hill

Ouwe Sandy, de tuinman van het landhuis Craven Hall, wordt dood aangetroffen in zijn overhoop gehaalde kamer. Hij werd doodgeslagen. Sandy had een goede reputatie in Craven Hall.

Waarom werd hij vermoord? En waarom deze ongelooflijke rotzooi in zijn kamer? Moesten sporen uitgewist worden? Of deed hij iets wat het daglicht niet mocht zien? Vreemd is ook dat de hond van de oude Craven om vijf uur in de morgen luid huilde en verdween.

De commissaris komt niet verder met zijn onderzoek. Hij vraagt de hulp van Scotland Yard. Een vrouw wordt belast met de zaak en laat zien hoe een raadsel met logica en persoonlijke inzet kan opgelost worden.

Rolverdeling.

Hans Veerman inspecteur Griffith
Marijke Merckens mevrouw Brooke
Wim Kouwenhoven Lord Craven
Elsje Scherjon Lady Craven
Jan Nonhof Hayles, de butler
René van Asten Harry Craven, de zoon
Ine Kuhr Nina Craven, de dochter
Nelly Frijda Betty Simms

Aanvullende gegevens.

Auteur: C.L. Pirkis
Vertaling: Jurrie Quant
Regie: Hans Karsenbarg
Omroep: AVRO
Uitzending: 07-03-1993
Speelduur: 47 minuten
Categorie: Misdaad

De bron van deze productie.

The Murder at Troyte’s Hill, in: Ludgate Monthly, maart 1894.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

(in het station - reizigers stappen uit)

Loveday Brooke: Inspecteur Griffiths?

Griffiths: Eh... ja, dat ben ik.

Loveday: U komt mij afhalen.

Griffiths: O, maar eh... ik heb maar een tweepersoons rijtuig. Ik wist niet dat meneer Brooke een secretaresse had.

Loveday: Meneer Brooke een secretaresse?

Griffiths: Ja, of hoe noem je dat? Eh... assistente, secondante? Ik dacht dat detectives altijd alleen werkten.

Loveday: De meesten wel, ja.

Griffiths: Waar is meneer Brooke eigenlijk?

Loveday: Inspecteur Griffiths, meneer Brooke staat voor u.

Griffiths: O! Dat... Nou... U... Waarom ook niet? (lachje)

Loveday: Loveday Brooke is de naam.

Griffiths: Walter Griffiths.

Loveday: Aangenaam. (lachje) Er staat een rijtuig klaar, zei u?

Griffiths: Eh... ja. Deze kant op. (ze gaan naar het rijtuig)

(in het rijtuig)

Loveday: Het is hier erg mooi!

Griffiths: Het is hier erg prachtig! U bent hier zeker nog nooit eerder geweest?

Loveday: Nee. En ik moet zeggen: ik had me Brompton heel anders voorgesteld.

Griffiths: Iedereen die naar Brompton komt, kijkt z’n ogen uit.

Loveday: Ik wist niet dat er in een stad zoveel groen kon zijn.

Griffiths: Brompton is de mooiste plek van heel Engeland, en als u ‘t mij vraagt: van de hele wereld!

Loveday: Hoe ver ligt het landgoed hier vandaan?

Griffiths: Een half uur.

Loveday: Is het groot?

Griffiths: Het is niet groot en ’t is niet klein.

Loveday: Wanneer is de moord gepleegd?

Griffiths: Eergisteren.

Loveday: Wat is er gebeurd?

Griffiths: Dat weet ik niet precies.

Loveday: Kunt u me misschien vertellen wat u wél weet, inspecteur?

Griffiths: Ik weet wie het gedaan heeft. Tenminste, ik heb een sterk vermoeden, ik heb een heel sterk...

Loveday: Neemt u me niet kwalijk dat ik u onderbreek, maar kunt u me eerst iets vertellen over het slachtoffer en de omstandigheden?

Griffiths: Ja... Het speelt zich af op het landgoed Troyte’s Hill. Troyte’s Hill is al zo’n vijfhonderd jaar in handen van de Cravens. De tegenwoordige Lord Craven is een vreemde kerel, gestudeerd iemand, net als z’n vader zaliger. Die zat ook altijd met z’n neus in de boeken. Behalve als het donker was, dan kneep ie de kat. (lacht) Juist. Dan hebben we nog Lady Craven. Was vroeger verpleegster in het leger. Lord en Lady Craven hebben twee kinderen: Nina en Harry.

Loveday: ’t Is een keurige gemiddelde familie. Wie van hen is vermoord?

Griffiths: Geen! Trouwens, een keurige gemiddelde familie is het niet. Maar om op uw vraag terug te komen: het hoofd van de huishouding is vermoord, Sandy Warfield. Ouwe Sandy werd ie genoemd. ‘k Heb ‘m wel ‘ns zien lopen in de stad. Ze hebben z’n schedel ingeslagen. Hij had een gat in z’n kop zo groot als een golfbal. En het vreemde was: er zaten roestvlekken op z’n hoofd.

Loveday: Is het moordwapen gevonden?

Griffiths: Nee.

Loveday: Waar lag de dode?

Griffiths: In z’n kamer. ’t Raam stond open. De hele kamer was overhoop gehaald. ’t Was een ravage... Wat blieft u?

Loveday: Ik overwoog de mogelijkheid van roofmoord.

Griffiths: Dat dacht ik al, maar ik vrees dat u die mogelijkheid moet vergeten. ’t Was geen roofmoord.

Loveday: U bedoelt: er wordt niets vermist?

Griffiths: Niets, geen penny, helemaal noppes! Da’s vreemd, hè? De kamer één ravage en toch is er niks gejat.

Loveday: Ja...

Griffiths: Tenminste, als we Hales mogen geloven.

Loveday: Hales?

Griffiths: De butler.

Loveday: En denkt u dat Hales liegt als ie zegt dat er niets vermist wordt?

Griffiths: Als ik onderzoek doe, liegt iedereen. En verder weet ik één ding: Hales en Sandy Warfield waren geen vrienden. En dan zeg ik het nog voorzichtig! Hales is kouwe kak, met z’n neus in de wind. Hij had een bloedhekel aan Ouwe Sandy.

Loveday: Dat is interessant!

Griffiths:’t Wordt nog interessanter als ik u vertel waarom Hales het bloed van Sandy wel kon drinken.

Loveday: Nou?

Griffiths: Sandy kreeg vijf keer zoveel loon als Hales, terwijl Hales veel langer in dienst is.

Loveday: Jaloezie!

Griffiths: Asjeblieft! Ja... Lord Craven dweepte met de ouwe Sandy. Hij liet de hele huishouding aan die man over. Die twee vertrouwden mekaar als... als broers. Het was Sandy voor en Sandy na.

Loveday: Dan is Lord Craven waarschijnlijk nogal uit z’n doen door de moord op Sandy?

Griffiths: Ja... Nou ja, Lord Craven is altijd uit z’n doen, maar na de dood van Sandy is ie zich vreemd gaan gedragen. Als u het mij vraagt, heeft ie ze niet meer alle zeven op een rijtje. Vorige maand heeft ie voor de zoveelste maal het loon van de dienstmeisjes en van Hales gekort. U kunt wel raden wat ie met dat geld gedaan heeft.

Loveday: Aan Sandy gegeven.

Griffiths: Asjeblieft!

Loveday: Dus het hele personeel mocht Sandy niet zo?

Griffiths: Asjeblieft!

Loveday: Hebt u ze verhoord?

Griffiths: Nee.

Loveday: Waarom niet?

Griffiths: Het personeel heeft Sandy niet om zeep gebracht.

Loveday: Dat weet u zeker?

Griffiths: Zo zeker als een huis.

Loveday: Inspecteur, u lijkt de hele zaak al zo’n beetje te hebben uitgeplozen. Ik vraag me af waarom ze mij hebben laten komen.

Griffiths: Ik ook, mevrouw, ik ook. Idee van de commissaris. Hij denkt dat ik het niet meer aankan.

Loveday: Als u het gevoel hebt dat u met mij zit opgescheept, dan spijt me dat, inspecteur.

Griffiths: Om u de waarheid te zeggen, mevrouw: ik vind het wel prettig dat u d’r bent. Ik weet weliswaar wie de moordenaar is, maar eh... de bewijzen ontbreken en eh... ik ben de jongste niet meer. Het gaat allemaal niet meer zo hard.

Loveday: Hoe oud bent u dan?

Griffiths: “Ik ben in mijn vijfenzestigste jaar”, zei m’n vader zaliger altijd. ‘k Heb moeite met ’s morgens uit bed te komen. U bent jong en... flink en... het lukt wel samen.

Loveday: Dank u wel.

Griffiths: Waarvoor?

Loveday: Zomaar.

Griffiths: Niks te danken. (torenklok luidt)

Loveday: Is dat het landgoed?

Griffiths: Nee, dat is het gesticht.

Loveday: U bedoelt een inrichting voor geestelijk gestoorde mensen?

Griffiths: Was dat maar waar! Nee, het is één van die moderne gevangenissen waar het uitschot in de watten wordt gelegd onder het motto “Liefde heelt alle kwaad”. (Loveday lacht) Vorige week is er weer één ontsnapt, de vierde dit jaar. Kreeg zeker niet genoég liefde!

Loveday: Was die ontsnapping voor of na de moord?

Griffiths: Ervoor.

Loveday: Zo...

Griffiths: Heb ik ook aan gedacht, maar Sandy Warfield is niet vermoord door eentje uit het gesticht.

Loveday: Ik weet het: u verdenkt al iemand.

Griffiths: ’t Is meer dan een verdenking.

Loveday: Hebt u een arrestatie verricht?

Griffiths: Nee.

Loveday: Mm. Is de verdachte voortvluchtig?

Griffiths: Ja en nee.

Loveday: Dat is verwarrend.

Griffiths: Ik kan het uitleggen, Kijk, die moord op Troyte’s...

Loveday: Met alle respect, inspecteur Griffiths, maar ik wil liever nog niet weten wie ùverdenkt. Kijk, voorlopig wil ik eerst alle feiten in me opnemen en als ik dat gedaan heb, ben ik meer dan geïnteresseerd in uw mening.

Griffiths: Zoals u wilt, maar u hebt niet veel tijd. Anders is de vogel gevlogen.

Loveday: Ik doe m’n best.

Griffiths: Daar is het landgoed.

Loveday: Dat ziet er interessant uit!

Griffiths: U bedoelt: vergane glorie, verlopen glans. Dat is nog niks! Wacht maar tot u de bewoners leert kennen!

(aan de voordeur)

Loveday: Ik zal nog maar ‘ns kloppen. (doet dat)

Griffiths: Hij heeft het al lang gehoord.

Loveday: Wie?

Griffiths: Hales.

Loveday: Denkt u?

Griffiths: Die staat achter de deur en loert door het sleutelgat. (deur wordt geopend) Zo, Hales.

Hales: Agent.

Griffiths: Inspecteur.

Hales: Inspecteur.

Griffiths: Dit is mevrouw Brooke, detective.

Loveday: Dag, Hales. Jij bent de butler?

Hales: Ja, mevrouw.

Griffiths: Nou eh... mogen we even binnenkomen?

Hales: Natuurlijk, mevrouw, meneer. (ze gaan naar binnen)

Griffiths: Mevrouw Brooke komt jullie de duimschroeven aandraaien.

Loveday: (lachje) Dat valt toch wel mee, hoor.

Griffiths: Ze logeert hier. Eh... Lord Craven weet ervan.

Hales: Natuurlijk, meneer.

Griffiths: Zijn de dienstmeisjes in de keuken?

Hales: Ja, meneer.

Griffiths: Mooi. Wijs jij mevrouw Brooke de kamer, dan eh... ga ik even naar de keuken. Ja? (hij gaat)

Hales: Alstublieft, uw kamer. (opent de deur)

Loveday: Dank je wel. (ze gaan naar binnen)

Hales: Hoe lang denkt u te blijven, mevrouw?

Loveday: Dat weet ik niet. Net zo lang tot één van jullie bekent dat ie Sandy een gat in z’n hoofd heeft geslagen.

Hales: Juist, mevrouw. Als u een wens heeft, hier is het schellekoord.

Loveday: Mooi. (loopt naar het koord toe en trekt er aan)

Hales: U wordt vriendelijk verzocht niet te spelen, mevrouw. Ik heb maar één paar benen.

Loveday: Ik speel niet.

Hales: U hebt een wens?

Loveday: Ja.

Hales: En die is?

Loveday: Ik zou graag een babbeltje maken met Hales, de butler.

Hales: Zegt u ’t maar, mevrouw.

Loveday: Ga je niet even zitten?

Hales: Personeel zit alleen in de keuken, mevrouw.

Loveday: Zoals je wilt. Het duurt niet lang, ik ben moe van de reis, ik wil zo dadelijk wat gaan rusten. Eigenlijk heb ik maar één vraag: weet jij wie ouwe Sandy vermoord heeft?

Hales: Pardon, mevrouw, is het niet zo dat ùgeacht wordt die vraag te beantwoorden?

Loveday: (lachje) Andere vraag: hoe was de verstandhouding tussen jou en Sandy?

Hales: Weet u zeker dat u niet naar de bekende weg vraagt, mevrouw?

Loveday: Hales, ik zou het bijzonder op prijs stellen als je mijn vragen niet steeds met een wedervraag beantwoordt.

Hales: Ja, mevrouw. Ik bedoel: nee, mevrouw.

Loveday: De verstandhouding tussen jou en Sandy was niet erg vriendschappelijk.

Hales: Inderdaad, mevrouw, het heeft geen zin het te ontkennen. Ik haatte de proleet.

Loveday: Ga door.

Hales: Wat wilt u weten?

Loveday: Alles.

Hales: Goed. Ik heb ‘m vermoord, mevrouw. Zoals ik zeg: de proleet, de smerige ouwe gek, de duiv... Ik heb ‘m met de pook een gat in z’n lelijke kop geslagen.

Loveday: Hales!

Hales: Ik heb ‘m vermoord en ik heb er van genoten. Ik heb ‘m een mes tussen z’n ribben gestoken, ik heb rattenkruid in z’n shepherd’s pie gedaan. Ja, mevrouw, ik heb ‘m vermoord, elke dag opnieuw, soms wel drie keer per dag. En...

Loveday: Zo is het wel genoeg, Hales.

Hales: Hebt u dat nooit, mevrouw: een droom waarin u een slecht en nutteloos iemand laat verdwijnen? Eenvoudig laat verdwijnen.

Loveday: Had Sandy helemaal geen vrienden?

Hales: Natuurlijk niet, mevrouw. De man was uitschot.

Loveday: Lord Craven was anders zeer op Sandy gesteld.

Hales: Lord Craven is... Lord Craven. Die kan niet voor zichzelf zorgen. De enige die Sandy had, was die... die prostituee in de stad.

Loveday: Pardon?

Hales: Hij ging regelmatig naar een prostituee, mevrouw, met het geld dat ie van Lord Craven kreeg en dat eigenlijk mij en de meisjes toekwam.

Loveday: Interessant. En hoe vaak ging ie naar die... prostituee?

Hales: Vroeger drie keer in de week, de laatste tijd bijna elke dag. U begrijpt dat dat een hoop geld kost. Op een gegeven moment kon ie het niet meer betalen. Daarom hebben ze ‘m vermoord.

Loveday: Wie ”ze”?

Hales: De pooiers van die prostituee, mevrouw. Hij kon d’r diensten niet meer betalen, maar de heren wilden natuurlijk geld zien. Toen hebben ze hem een bezoekje gebracht. Ze zijn door het raam naar binnen gekomen en hebben de kamer doorzocht.

Loveday: Ja ja, en toen ze niks vonden, hebben ze uit wraak Sandy vermoord.

Hales: Zo ongeveer. Sandy was er niet bij toen ze inbraken. Hij heeft ze betrapt terwijl ze bezig waren en toen bleef ze geen andere keus over dan hem de mond te snoeren. (lachje) Voorgoed.

Loveday: Ik neem aan dat jij graag detectives leest, Hales?

Hales: Als ik de tijd heb, mevrouw.

Loveday: Je hebt er een goeie neus voor. Vandaar dat je alles weet over Sandy en over z’n handel en wandel: wanneer en hoe vaak ie het landgoed verliet, waar ie naartoe ging, dat ie bij een prostituee op bezoek was, vroeger drie keer in de week, de laatste tijd bijna elke dag, dat ie d’r niet kon betalen. Jij bent wel heel erg goed op de hoogte, Hales!

Hales: Ja, mevrouw... Meen ik uit uw zwijgen te moeten opmaken, mevrouw, dat u mij niet gelooft?

Loveday: Ik vraag me af waarom een intelligente kerel als jij butler is.

Hales: Liefde voor het vak, mevrouw.

Loveday: Ik geloof je, Hales... Heb jij vreemde mensen op het landgoed gezien in de nacht van de moord? Die bewuste pooiervrienden misschien?

Hales: Ik heb niks gezien, mevrouw.

Loveday: Dank je wel, Hales. Je kunt gaan.

Hales: Dank u wel, mevrouw. (wil gaan)

Loveday: O, Hales, nog één vraag!

Hales: Mevrouw?

Loveday: Krijg jij weer meer loon nu Sandy d’r niet meer is?

Hales: Met alle respect, mevrouw, maar dat gaat u niets aan.

Loveday: Ik kom het toch wel te weten, Hales.

Hales: Prettige dag verder, mevrouw.

Loveday: Dag, Hales. (geklop op de deur) Ja.

Griffiths: (opent deur) Ach, hier ben jij, Hales!

Loveday: O, inspecteur!

Griffiths: Hales, luister goed: ik hoor net dat Harry Craven ruzie had met ouwe Sandy en dat ie Sandy met de dood heeft bedreigd op de avond voordat Sandy vermoord is. Wat weet je daarvan?

Hales: Ja, agent...

Griffiths: Ik weet genoeg. Mevrouw Brooke, komt u mee?

Loveday: Dat komt erg ongelegen, inspecteur...

Griffiths: Ik ga de moordenaar arresteren.

Loveday: Wat? Wie?

Griffiths: Harry Craven, de zoon des huizes. (Hales lacht) Hou op met dat stomme gegrinnik, Hales.

Hales: Neemt u me niet kwalijk, agent.

Loveday: Harry Craven. Hebt u bewijzen, inspecteur?

Griffiths: Komt u maar mee, anders is ie gevolgen! (ze gaan)

Griffiths: Kijk, daar zit ze.

Loveday: (fluisterend) Wie is die vrouw?

Griffiths: Lady Craven, z’n moeder

Loveday: (fluisterend) Zou ze slapen?

Griffiths: U kunt gewoon praten, hoor. Lady Craven is slechthorend.

Loveday: Ik denk dat ze slaapt.

Griffiths: Ze doet alsof.

Loveday: U bent zo achterdochtig, inspecteur.

Griffiths: Lady Craven is medeplichtig aan moord, mevrouw Brooke.

Loveday: Ze ziet er niet best uit.

Griffiths: Ze zit hier ook al twee dagen en nachten, net zo lang als haar zoon eh... Harry in die eh... die slaapkamer.

Loveday: Heeft ie zich opgesloten?

Griffiths: Zoiets.

Loveday: Of is ie ziek?

Griffiths: Dat zeggen ze. (gromt) Aanstellerij!

Loveday: Welke bewijzen hebt u dat Harry Craven de moordenaar is?

Griffiths: Laten we ‘m eerst opsluiten en dan verder praten.

Loveday: Zoals u wilt... Gaat uw gang.

Griffiths: Weet u, dit is nou typisch een geval van een verwende rijkelui’s zoon die wordt beschermd door z’n moeder. Zij voelt zich schuldig.

Loveday: Omdat ze niet heeft kunnen voorkomen dat haar zoon een moord beging.

Griffiths: Asjeblieft!

Loveday: Gaat u nu niet naar binnen om ‘m te arresteren?

Griffiths: Ja.

Loveday: Maar... ga uw gang!

Griffiths: Misschien heb ik uw hulp nodig.

Loveday: Ik sta achter u.

Griffiths: Het kan zijn dat ie rotzooi trapt.

Loveday: U bent vast sterker dan hij.

Griffiths: Maar u niet.

Loveday: Inspecteur?

Griffiths: Wat?

Loveday: U hebt plotseling niet meer zo’n haast.

Griffiths: Dat soort dingen moet je voorzichtig aanpakken.

Loveday: Hebben wij hier misschien te maken met het typische geval van een inspecteur die vreest een beoordelingsfout te maken?

Lady Craven: Ja! Een tragische beoordelingsfout.

Griffiths: Ziet u wel. Die sliep niet.

Lady Craven: Ik sliep wel, inspecteur Griffiths. Wie is die vrouw?

Loveday: Mijn naam is Loveday Brooke, Lady Craven, detective.

Lady Craven: Wat komt u doen?

Griffiths: ‘t Is afgelopen, Lady Craven. Ik ga uw zoon arresteren.

Lady Craven: Geen sprake van! Ik verbied u om ook maar één voet over de drempel van deze deur te zetten.

Griffiths: U hebt niks te verbieden!

Lady Craven: Als gediplomeerd verpleegster verbied ik u die kamer te betreden.

Loveday: Pardon?

Lady Craven: U hebt heel goed gehoord wat ik zei.

Loveday: Wat is er precies met uw zoon aan de hand, Lady Craven?

Lady Craven: Mijn zoon heeft veertig graden koorts, mevrouw. Hij ijlt en hij kan absoluut niet ondervraagd worden, laat staan dat u ‘m mee kunt nemen naar een kouwe vochtige cel.

Griffiths: Daar gaat ze weer.

Loveday: Mogen we misschien even kijken?

Lady Craven: Nee!

Loveday: Heel even maar.

Lady Craven: Mevrouw, mijn zoon heeft tyfus.

Loveday: Tyfus?

Lady Craven: Ik hoef ùwaarschijnlijk niet te vertellen hoe besmettelijk dat is.

Griffiths: Als haar zoon tyfus heeft, heb ik de pest.

Lady Craven: Als u die kamer betreedt, loopt u het risico besmet te raken. Dat is niet alleen gevaarlijk voor uzelf, maar ook voor iedereen met wie u in aanraking komt.

Griffiths: Ze liegt.

Lady Craven: Hoe durft u! Mijn zoon ligt op sterven en nu noemt mij een leugenaar.

Loveday: U verzorgt uw zoon zelf?

Lady Craven: Ik doe m’n best.

Loveday: Maar als de tyfus die uw zoon heeft zo besmettelijk is, loopt u dan geen gevaar?

Griffiths: Daar heeft ze ook een antwoord op.

Lady Craven: Ik ben immuun gebleken voor de ziekte. Ik ben in mijn verpleegsterstijd vaak met tyfuspatiënten in aanraking gekomen. De artsen zeggen dat ik het niet meer kan krijgen.

Loveday: En hebt u een dokter laten komen?

Griffiths: (lacht) Natuurlijk niet. Dan valt ze door de mand.

Lady Craven: Vanzelfsprekend heb ik een dokter laten komen. Dat is het eerste wat ik heb gedaan toen Harry die koortsaanvallen kreeg. Helaas kon de dokter niet veel meer doen dan wat pijn- en koortswerende middelen voorschrijven.

Griffiths: Ze liegt.

Loveday: (tot Griffiths) Als Lady Craven liegt, dan is het heel gemakkelijk om daarover zekerheid te krijgen. (tot de Lady) Wie is die dokter, Lady Craven?

Lady Craven: (staat recht en gaat iets halen) Embrey. Dr. Embrey. Ik heb hier een brief van Dr. Embrey.

Griffiths: Dat hoor ik voor het eerst! Waarom hebt u mij die brief niet laten zien?

Lady Craven: Alstublieft, mevrouw Brooke.

Loveday: Dank u. “Hierbij verklaar ik, Kevin G. Embrey, huisarts te Brompton, dat Harry Craven lijdt aan een ernstige vorm van tyfuskoorts. Aangezien zijn ziekte zeer gemakkelijk overdraagbaar is, verbied ik eenieder zich in zijn onmiddellijke nabijheid te begeven zolang de koorts niet beneden de 38.5 is gedaald.”

Lady Craven: Precies.

Loveday: “Dit met uitzondering van Lady Craven, de moeder.” Is ondertekend... (Griffiths rukt de brief uit haar handen)

Griffiths: Geef ‘ns hier!

Harry Craven: (vanuit zijn kamer) Moeder!

Lady Craven: Harry! (opent het slot met de sleutel, opent de deur en gaat naar binnen) En u blijft hier!

Griffiths: (zucht zwaar) De ene dag wordt er een moord gepleegd en de volgende dag ligt Harry Craven met veertig graden koorts in bed en kan niet verhoord worden. Da’s erg toevallig, vindt u niet?

Loveday: Ja. Maar de bewijzen, daar gaat het om!

Griffiths: Ik heb drie getuigen en die verklaren dat Harry Craven Sandy Warfield met de dood heeft bedreigd op de vond voor de moord.

Loveday: Dat is geen bewijs!

Griffiths: Aan wiens kant staat u eigenlijk?!... Och, neem me niet kwalijk.

Loveday: Helemaal niet, inspecteur. Ik begrijp hoe u zich voelt.

Griffiths: Ja...

Loveday: Twee dagen lang één van de belangrijkste verdachten niet kunnen verhoren. (hij zucht) Waarom brengt u niet even een bezoekje aan Dr. Embrey? Hij kan u vertellen of Lady Craven liegt.

Griffiths: Allemaal tijdverlies.

Lord Craven: (komt plots naderbij) Alles is tijdverlies! Alles! Overal! Het leven! De dood!

Griffiths: (gedempt) De heer des huizes, Lord Craven.

Loveday: (gedempt) Hij is in z’n nachthemd!

Griffiths: (gedempt) U mag blij wezen dat ie tenminste nog iets aan heeft. (luid) Eh... ga terug naar uw kamer, Lord Craven!

Lord Craven: (nadert) Jullie maken lawaai! Dat stoort me. Dat stoort de doden.

Loveday: De doden, Lord Craven?

Lord Craven: Wat zegt u?

Loveday: Niets... U vat kou!

Lord Craven: Ik zoek Captain. Captain! Captain!

Loveday: (fluistert) Wie is Captain?

Griffiths: (gedempt) Een hond, godbetert. (luid) Eh... die is eergisteren weggelopen, waarschijnlijk door dat open raam in Sandy’s kamer naar buiten gesprongen toen de moord is gepleegd.

Lord Craven: Moord? Welke moord?

Lady Craven: (komt terug uit Harry’s kamer) Hij slaapt. Reginald, wat doe jij hier?

Lord Craven: Daphne, wie is er vermoord? Er is niemand vermoord! Wij zijn allemaal vermoord! Dood! Och, de schande!

Lady Craven: Reginald is bang dat de tyfus ook ons te pakken heeft.

Lord Craven: Ik weet dat we allemaal kapot gaan. Jullie ook, en Sandy ook.

Griffiths: Ga maar terug naar uw kamer, Lord Craven.

Loveday: Wacht even, wacht even! Lord Craven, denkt u dat ouwe Sandy ook tyfus had?

Lord Craven: Natuurlijk. Daphne, zeg dat ie de hand aan zichzelf geslagen heeft.

Lady Craven: Hij hééft de hand aan zichzelf geslagen, Reginald.

Griffiths: En hoe verklaart u dan dat die hele kamer overhoop is gehaald?

Lord Craven: Ik heb geprobeerd om ‘m tegen te houden.

Loveday: U was er bij toen hij zich van het leven beroofde?

Lord Craven: Nee, dom wezen! Ik was er niet bij. Ik was er niét bij, nee. Ik huilde om Captain. Captain!

Griffiths: Ik ga naar die dokter.

Loveday: Ik loop een stukje met u mee. (ze gaan)

Lord Craven: Gaat u weg! Weg! Laat ons met rust! Is dit huis nog niet genoeg gestraft?

(in de tuin)

Griffiths: Over vier maanden is het allemaal voorbij. Dan ga ik met pensioen.

Loveday: U verheugt zich d’r op!

Griffiths: Nou en of! Dan slaap ik elke morgen uit, tot minstens tien uur.

Loveday: O, heerlijk!

Griffiths: Dan loop ik naar de bakker, dan koop ik een warm brood en ga naar huis. Ontbijten, krantje lezen...

Loveday: Mm... Ik benijd u!

Griffiths: En de rest van de dag werk ik in m’n tuin. Geen moorden meer, geen gekken meer.

Loveday: Stil ‘ns! (geritsel)

Griffiths: Wat is er?

Loveday: Ik dacht dat ik wat hoorde.

Griffiths: Verbeelding...

Loveday: Voordat u met pensioen gaat, inspecteur, moeten we nog even de moord op Sandy Warfield oplossen.

Griffiths: Natuurlijk!

Loveday: Zelfmoord lijkt mij niet aannemelijk.

Griffiths: Ik ben blij dat we het daar over eens zijn.

Loveday: Ja, en wat Harry Craven als moordenaar betreft: ik heb moeite met zijn motief. Een persoonlijke aversie lijkt me niet voldoende om iemand te vermoorden.

Griffiths: Wel als je Harry Craven heet. Die jongen heeft nooit willen deugen. Hij heeft al drie keer in het gesticht gezeten.

Loveday: Wist u dat Sandy regelmatig bezoeken aan prostituees bracht?

Griffiths: Ja.

Loveday: Het zou van belang kunnen zijn. Als Sandy inderdaad tyfus had, heeft ie het misschien opgelopen bij die prostituee.

Griffiths: Ik geloof geen woord van dat tyfusverhaal.

Loveday: Ik zou die prostituee graag willen spreken.

Griffiths: Ik ga eerst naar Dr. Embrey. (gaat)

Loveday: Inspecteur, kunt u nog heel even wachten?

Griffiths: (lachje) U bent toch niet bang, mevrouw Brooke?

Loveday: Blijft u me nog heel even gezelschap houden, alstublieft.

Griffiths: Waarom?

Loveday: Ruikt u niets?

Griffiths: (snuift) Nee. Wat zou ik moeten ruiken?

Loveday: (duwt takken opzij) Dit bijvoorbeeld.

Griffiths: Hemel nog aan toe!

Loveday: Ach, de arme ziel.

Griffiths: Hij zit onder het bloed!

Loveday: Niets aanraken, inspecteur!

Griffiths: Hij heeft net zo’n gat in z’n schedel als Sandy! En roestvlekken!

Loveday: Dat verbaast me niets.

Griffiths: En hier... hier ligt er een spade. Iemand is bezig geweest een graf te graven.

Loveday: Waarschijnlijk was hij of zij daar net mee bezig toen wij kwamen aanlopen.

Griffiths: Hij is koud... Stijf...

Loveday: Is het die hond van hier?

Griffiths: Ja.

Loveday: Captain.

Griffiths: Wat hebben Captain en Sandy Warfield met elkaar te maken?

Loveday: Geen idee. In elk geval moeten we tegen niemand zeggen dat we Captain gevonden hebben. En verder denk ik dat u er goed aan doet nu heel snel een bezoek aan Dr. Embrey te brengen.

(in de kamer van Lord Craven)

Loveday: Lord Craven? Lord Craven, hoort u mij?

Lord Craven: Hè? (schrikt) Natuurlijk hoor ik u. Ik ben niet gek!

Loveday: U was in slaap gevallen.

Lord Craven: U bent de verpleegster van Harry, is het niet?

Loveday: Nee. Mijn naam is Loveday Brooke. Ik ben detective. U hebt uw toestemming gegeven voor mijn aanwezigheid hier.

Lord Craven: Wat wilt u?

Loveday: Niets speciaals.

Lord Craven: Gaat u dan weg!

Loveday: Zoals u wilt. (gaat, stopt en keert een paar stappen terug) Dat vergat ik bijna: ik sprak Hales daarnet. Hij vroeg me u te zeggen dat Captain nog steeds spoorloos is.

Lord Craven: Captain...

Loveday: Ja, men houdt er rekening mee dat ie de rivier is overgezwommen. Hales vroeg of u wilt dat ie ook daar gaat zoeken.

Lord Craven: Ach, arme Hales.

Loveday: Ja, een bijzondere butler.

Lord Craven: Ik heb Hales onrecht gedaan.

Loveday: Hoezo?

Lord Craven: Komt u eens hier. (gedempt) Niet tegen Daphne zeggen: Captain komt nooit meer terug.

Loveday: Oh?

Lady Craven: (in de kamer ernaast) Captain! Captain! (er wordt geklopt)

Lord Craven: Ga weg! (deur wordt geopend)

Loveday: Inspecteur!

Griffiths: Mevrouw Brooke, kan ik u even spreken? (ze gaat bij hem op de gang)

Loveday: En?

Griffiths: Dr. Embrey heeft Harry Craven helemaal niet gezien. Hij is afgegaan op wat Lady Craven zei.

Loveday: Juist.

Griffiths: Harry Craven heeft geen tyfus, net zo min als ouwe Sandy het had.

Loveday: Zegt de dokter dat ook?

Griffiths: De dokter speelt onder één hoedje met Lady Craven.

Loveday: Ik denk dat u gelijk heeft: Harry Craven heeft geen tyfus.

Griffiths: Het wordt tijd om ‘m aan de tand te voelen.

Loveday: Ja, maar ik heb zo het idee dat dat niet veel zal opleveren.

Lady Craven: Ik smeek u! Doet u het niet!

Griffiths: Lady Craven, aan de kant!

Loveday: U kunt de inspecteur beter de sleutel geven Lady Craven. Alstublieft!

Lady Craven: (zucht zwaar) Ik heb m’n best gedaan. Alstublieft, de sleutel.

Griffiths: Dank u! (opent de deur) Harry Craven!

Nina Craven: (onder de dekens) Komt u niet dichterbij, ik ben ziek.

Griffiths: Onzin!

Loveday: Inspecteur!

Griffiths: Harry Craven!

Loveday: Inspecteur!

Griffiths: Wat?

Loveday: Ziet u het niet?

Griffiths: Wat?

Loveday: Kijkt u ‘ns goed!

Nina Craven: (onder de dekens) Gaat u weg!

Loveday: Het is voorbij. Komt u onder de dekens vandaan. Inspecteur, dat is Harry Craven niet, het is een vrouw.

Griffiths: Een vrouw?

Loveday: Een jonge vrouw, waarschijnlijk de zus van Harry Craven. Heb ik het juist, Lady Craven, mejuffrouw Craven?

Lady Craven: Nina, lieverd, ik kon ze niet meer tegenhouden.

Griffiths: Maar dit is...

Loveday: ...heel slim bedacht. U en ik liepen d’r in. Zelfs de dokter is er in gelopen.

Griffiths: Waar is Harry Craven?

Lady Craven: Op de boot, naar ik hoop. Het spijt me, inspecteur. Als u een zoon had, zou u hetzelfde doen.

Griffiths: (geërgerd) O! (loopt weg) Verdomme!

(in Lovedays kamer)

Loveday: Gaat u toch even zitten, inspecteur.

Griffiths: Ja...

Loveday: Thee?

Griffiths: Ja... (ze schenkt uit) Dank u wel. ‘k Had nooit naar dat mens moeten luisteren.

Loveday: Welk mens?

Griffiths: Die moeder. ’t Is uw schuld.

Loveday: Hebt u een opsporingsbevel doen uitgaan?

Griffiths: Natuurlijk! Maar ’t is al te laat. Die is al lang op de boot.

Loveday: U denkt nog steeds dat Harry Craven de moordenaar is?

Griffiths: U soms niet?

Loveday: Ah, ik weet het niet. Als ie het gedaan heeft, verklaart dat een hoop, maar het laat andere vragen onbeantwoord.

Griffiths: Welke vragen dan?

Loveday: Waarom is Captain vermoord? Waarom was Sandy de lieveling van Lord Craven? En het belangrijkste: wat is het motief voor de moord?

Griffiths: Haat.

Loveday: Haat alleen is zelden voldoende voor een moord, inspecteur.

Griffiths: Dit is één van die zeldzame gevallen.

Loveday: Kunt u die prostituee voor me opsporen?

Griffiths: Nee. Niemand weet wie het is.

Loveday: Dat geloof ik niet. Ik durf er een guinea om te verwedden dat Hales de identiteit van die prostituee kent. En dat is trouwens niet het enige wat Hales voor ons verborgen houdt.

Griffiths: Ach... ik ga naar het bureau.

Loveday: O! Nou, tot ziens, inspecteur.

Griffiths: Tot ziens. (hij gaat)

Loveday: En kop op!

Griffiths: Ja. (opent de deur) Ah... Hales!

Hales: Agent.

Griffiths: Inspecteur.

Hales: Inspecteur.

Griffiths: Mooi. Mevrouw Brooke wil even met je praten. (hij gaat)

Loveday: Ga zitten, Hales.

Hales: Ik blijf staan, mevrouw. (Griffiths sluit de deur)

Loveday: Zoals je wilt.

Hales: Dank u.

Loveday: Vond je ‘t interessant?

Hales: Wat, mevrouw?

Loveday: Het gesprek dat de inspecteur en ik voerden. Ik weet dat je hebt staan luisteren.

Hales: Dat is niet waar.

Loveday: Dat is wél waar.

Hales: Mevrouw...

Loveday: Nou moet je ‘ns heel goed naar me luisteren, Hales. Jij bent een heel pientere kerel. Jij weet veel meer dan je mij verteld hebt.

Hales: Ik weet niet waar u het over hebt.

Loveday: Ik heb het over Captain.

Hales: Ik heb overal gezocht.

Loveday: Onzin, Hales! Jij hebt helemaal niet gezocht.

Hales: Zoals u wilt, mevrouw.

Loveday: Captain is dood, en dat weet jij.

Hales: Nee.

Loveday: Jij was bezig een graf voor Captain te graven toen de inspecteur en ik je stoorden. Jij hebt Captain gedood, Hales.

Hales: Nee, ik heb er niéts mee te maken.

Loveday: Je liegt! Captain is op dezelfde manier om het leven gebracht als ouwe Sandy. Conclusie: er is sprake van één moordenaar.

Hales: Ik heb het niet gedaan!

Loveday: Jouw vingerafdrukken staan op de spade, Hales. Met die spade zijn zowel Captain als Sandy vermoord.

Hales: Nee, dat is niet waar!

Loveday: En ik zal je nog ‘ns wat meer vertellen: die prostituee, die ken jij.

Hales: Hoe durft u?

Loveday: Jij hebt geen gebruikt gemaakt van haar diensten, maar je weet wel wie het is. Jij kent d’r naam.

Hales: Nee.

Loveday: Jawel, jij kent d’r. Ik weet inmiddels ook hoe ze heet, dus ik hoef het maar te vragen en ze zal bevestigen dat ze je al kent.

Hales: Dat kan niet, zij kent mij niet.

Loveday: Dat is wat jij ons wilt doen geloven: dat je haar niet kent, dat ze jou niet kent. Maar ik zal jou vertellen waarom je haar kent en waarom je haar niet wilt kennen: omdat die prostituee familie van jou is, Hales.

Hales: Nee!

Loveday: Ja! Het is je zuster.

Hales: U bent gek! Dat is een leugen. Wie heeft u dat verteld?

Loveday: Dat is geen leugen. Dat is de waarheid. De waarheid waarvoor jij je zo voor schaamt dat je ‘m achterhoudt.

Hales: Nee!

Loveday: Het is jouw zuster.

Hales: Nee! Dat is niet waar!

Loveday: Het is wél waar.

Hales: Nee!!

Loveday: Jouw zuster!

Hales: Nee, het is Betty Simms... Ze heet Betty Simms.

Loveday: Betty Simms.

Hales: Betty Simms. Maar ik heb d’r nooit gesproken. Ik ken d’r alleen omdat ik Sandy een keer gevolgd ben. Betty Simms heet ze en ze woont op een zolder aan het plein. Maar ze is mijn zuster niet. Zij...

Loveday: Rustig! Rustig! Rustig maar.

Hales: U moet mij geloven!

Loveday: Ik geloof je, Hales.

Hales: Mag ik even gaan zitten?

Loveday: Ja, natuurlijk. (dat doet hij) Thee?

Hales: Graag.

Loveday: (schenkt in) Alsjeblieft.

Hales: Dank u wel.

Loveday: Dat jij Captain stiekem hebt willen begraven, was fout. Verder valt jou niets te verwijten, Hales. En wat die prostituee betreft: ik wil dat je d’r gaat halen.

Hales: Mevrouw!

Loveday: Ik wil d’r spreken. Nu. Jij gaat d’r halen.

Hales: Ja, mevrouw. (geluid van luid kibbelende stemmen op de gang)

Loveday: Wat is dat? (loopt naar de deur en opent die)

Griffiths: Mevrouw Brooke! Mevrouw Brooke, mag ik u even voorstellen? Harry Craven.

Harry Craven: Laat me los!

Lady Craven: Laat ‘m los! O, Harry, m’n lieve jongen, waarom ben je niet gevlucht?

Harry Craven: Hou op met jammeren, mama.

Griffiths: Harry Craven, ik arresteer u in naam der wet. U wordt verdacht van de moord op Sandy Warfield. U hebt het recht te zwijgen. Alles wat u zegt, kan en zal tegen u worden gebruikt. En nu meekomen.

Loveday: Inspecteur?

Griffiths: Ja?

Loveday: Zou ik u even kunnen spreken?

Griffiths: Straks.

Loveday: Het is dringend.

Griffiths: (zucht) Zegt u het maar.

Loveday: Onder vier ogen graag.

Griffiths: Ik kan de verdachte niet alleen laten. Zegt u het maar.

Loveday: Zoals u wilt. Harry Craven heeft Sandy Warfield niet vermoord. U kunt ‘m net zo goed laten gaan.

Griffiths: Mevrouw Brooke, alstublieft!

Loveday: Hales, kun jij binnen een uur terug zijn van je missie?

Hales: Ja, mevrouw.

Loveday: Inspecteur, als u de hele familie, Harry Craven inbegrepen, over een uurtje in de bibliotheek bij elkaar zou kunnen roepen, dan geloof ik dat we d’r uit moeten kunnen komen.

Griffiths: Mevrouw Brooke!

Loveday: Alstublieft, inspecteur.

(in de bibliotheek - de familieleden praten op gedempte toon met elkaar)

Nina Craven: Je had moeten vluchten!

Harry Craven: Bemoei je er niet mee!

Lady Craven: Waarom ben je niet weggegaan, m’n lieve jongen ?

Harry Craven: Mama, asjeblieft!

Lady Craven: Zie je dan niet wat voor gevolgen dit heeft?

Harry Craven: Je hoeft in elk geval niet bang te zijn dat je zou de gevangenis in gooien.

Nina Craven: Het gaat om ons: mama, papa, jij, ik!

Harry Craven: Het is te laat!

Nina Craven: Het is niét te laat. Die detective en de inspecteur zijn in de keuken. Je kunt hier door het raam vluchten.

Lord Craven: We zijn allemààl schuldig.

Lady Craven: Reginald, ga iets fatsoenlijks aantrekken asjeblieft.

Lord Craven: We gaan àlles opbiechten.

Nina en

Lady Craven: Nee!

Harry Craven: We kunnen het beste onze mond dicht houden, niéts zeggen. Ze kunnen niets bewijzen en als wij niets zeggen, komen ze niets te weten.

Lady Craven: Maar lieve jongen, ze zullen jouw vingerafdrukken vinden!

Harry Craven: Mama, hoe vaak moet ik het je nou nog zeggen: ze zullen mijn vingerafdrukken niet vinden, want ik heb Sandy niet vermoord!

Lady Craven: Och, mijn lieve jongen, ik geloof toch echt... (huilt)

Harry Craven: Wanneer laat je het nou toch eindelijk eens tot je doordringen: ik heb Sandy niet vermoord!

Lord Craven: Zoon!

Harry Craven: Ik heb Sandy niet vermoord.

Nina Craven: Harry hééft Sandy niet vermoord, mama.

Lady Craven: Maar... maar... als Harry Sandy niet vermoord heeft, wie heeft het dàn gedaan?

Harry Craven: Ach, lieve mama, wat ben je toch een schat.

Nina Craven: We moeten vluchten. We kunnen vluchten.

Harry Craven: Jullie zijn zo naïef!

Lord Craven: We zullen àlles opbiechten.

Harry Craven: Nee, papa. (voetstappen op de gang)

Nina Craven: Daar komen ze!

Harry Craven: Luister goed: jullie zeggen niéts. Wat ze ook vragen, jullie zeggen steeds: wij hebben niks te zeggen. Begrepen?

Nina en

Lady Craven: Ja. (deur gaat open, Loveday en Griffiths komen binnen)

Loveday: Goedemiddag, dames en heren.

Lady Craven: Wij hebben niks te zeggen.

Loveday: O, dat geeft niet, Lady Craven, want de inspecteur en ik hebben iets te zeggen. Inspecteur?

Griffiths: Nee, gaat uw gang, mevrouw Brooke.

Loveday: Dank u, inspecteur. Welnu, allereerst wil ik met u het bedrog bespreken van de tyfus. Lady Craven, u hoeft natuurlijk niets te zeggen, maar u en ik en alle overige aanwezigen hier wéten dat u dat verhaal verzonnen hebt.

Lady Craven: Ik...

Nina Craven: Wij hebben niets te zeggen.

Loveday: U hebt ons om de tuin geleid. U hebt zelfs Dr. Embrey kunnen doen geloven dat uw zoon met veertig graden koorts in bed lag. Waarom hebt u dat gedaan, Lady Craven?

Lady Craven: Ik heb niets te zeggen.

Loveday: Zal ik het u zeggen: u wilde uw zoon de kans geven te vluchten. U hebt tegen “m gezegd: ga naar de haven, stap op een boot en vlucht.

Lady Craven: Ja...

Harry Craven: Mama!

Loveday: De moeder die haar zoon wil redden van de galg.

Lady Craven: Ja...

Loveday: Ik geloof u. En ik geloof ook dat u niet wist dat u de verkeerde van de strop probeerde te redden...

Lady Craven: Ik...

Harry Craven: Niets zeggen, mama!

Loveday: ...want u wist niet dat uw zoon de moordenaar niet is. U dacht echt die ie het gedaan had.

Lady Craven: Ik...

Harry Craven: Stil, mama. Mevrouw Brooke, u hebt het mis. Ik heb Sandy Wardfield wél vermoord. En weet u waarom? Omdat ik hem haatte.

Lord Craven: Harry!

Harry Craven: Ja, papa. Ik haatte Sandy, ik wilde dat ie dood was, die ie... Ik ben zijn kamer ingegaan, ik hem met ‘m gevochten, ik heb ‘m met het hoefijzer uit de hal op z’n hoofd geslagen.

Griffiths: Het hoefijzer! Vandaar die roestvlekken.

Loveday: Het klinkt aannemelijk...

Griffiths: Mm.

Loveday: ...maar Harry Craven liegt, inspecteur.

Harry Craven: Ik spreekt de waarheid.

Loveday: Als u de waarheid spreekt, zoudt u ons dan kunnen vertellen waar het hoefijzer gebleven is?

Harry Craven: Dat heb ik in de rivier gegooid.

Loveday: U liegt.

Harry Craven: Als ik lieg, hoe weet ik dan zo precies hoe Sandy vermoord is?

Loveday: Dat is heel simpel: u hebt het gezien, u was getuige, door het open raam. Dat moet vreselijk voor u geweest zijn.

Harry Craven: Onzin! Ik heb het gedaan.

Loveday: Is dat zo, Lady Craven?

Harry Craven: Ja, mama.

Lady Craven: Ja...

Loveday: Is dat zo, Lord Craven?

Lord Craven: Ja. En... en gaat u nu weg! Laat deze familie met rust!

Griffiths: Natuurlijk gaan wij weg, maar u hebt er hopelijk geen bezwaar tegen dat wij uw zoon meenemen?

Loveday: Laat u niet in de luren leggen, inspecteur.

Griffiths: (gedempt) Mevrouw Brook, wij hebben hier te maken met een familie waarvan de ene helft gek is en waarvan de andere helft niet deugt. Laat ùzich niet in de luren leggen, alstublieft! (er wordt geklopt)

Loveday: Binnen! (deur wordt geopend) Hales!

Hales: Goeiemiddag.

Loveday: Is je missie geslaagd?

Hales: Ja, mevrouw, ze staat op de gang. (gedempt) Eh... mevrouw...

Loveday: Ja?

Hales: Ze is niet op de hoogte van de dood van Sandy.

Loveday: Dat dacht ik al.

Hales: Ze wilde eerst niet meekomen. Ik heb gesuggereerd dat er iets met Sandy is en toen stemde ze in om mee te gaan.

Loveday: Heel goed, Hales. (hardop) Laat mevrouw Simms maar binnen. (dat gebeurt)

Simms: Goeiedag samen.

Lord Craven: Betty... Betty Simms...

Simms: Hello, Reggie!

Lord Craven: Betty Simms!

Lady Craven: Wie is deze vrouw?

Loveday: Wilt u het zelf zeggen, Lord Craven?

Lord Craven: Ik... Deze vrouw... Ik...

Loveday: Deze vrouw is de eerste echtgenote van uw man, Lady Craven.

Simms: Ja, de eerste echtgenote, en de laatste. Feitelijk zijn we nog steeds getrouwd. Ik heb Reggie alleen in geen honderd jaar meer gezien. Waar is Sandy?

Lady Craven: Reginald! Reginald, zeg dat dat niet waar is!

Loveday: Gaat u door, mevrouw Simms.

Simms: Ik heb verder niks te zeggen. Ik wil niks meer te maken hebben met Reggie Craven. Ik ben hier voor Sandy.

Loveday: U wilt niks te maken hebben met Lord Craven, maar u had wél wat met ‘m te maken: hij gaf u geld.

Simms: Daar weet ik niks van.

Loveday: U hebt... U had een affaire met Sandy Warfield.

Simms: Sandy en ik... Wat Sandy en ik hebben, gaat u niks aan! En nou wil ik naar ‘m toe.

Loveday: Mevrouw Simms, er is iets wat u moet weten. Een tragische gebeurtenis. Eh... gaat u even zitten.

Simms: Waarom? Wat is dit allemaal? Waarom kijken ze me zo aan? Is Sandy ziek?

Loveday: Uw vriend Sandy is helaas... Hij is niet meer.

Griffiths: Hij is... vermoord.

Simms: Wat?? Sandy... dood?... Reggie Craven!

Lord Craven: Het... het spijt me, Betty. Betty, ik... ik deed het voor Daphne! Ik...

Simms: Jij!! (slaat hem) Moordenaar! Moordenaar! (consternatie)

Loveday: De moordenaar, inspecteur.

(in de koets, op weg naar het station)

Loveday: In zijn jonge wilde jaren, toe ie nog student in Oxford was, kreeg Lord Craven kennis aan een meisje, Betty Simms. Het was liefde op het eerste gezicht. Ze trouwden. Een huwelijk uit passie, maar meer helaas niet. De twee hadden niets gemeenschappelijks. En wat het voor Lord Craven nog erger maakte: hij kon z’n jonge bruid niet aan z’n adellijke familie voorstellen. Ze was ver beneden z’n stand.

Griffiths: Eigen schuld!

Loveday: Asjeblieft! (ze lachen) Maar tot overmaat van ramp raakte Betty Simms zwanger. Dat maakte de wanhoop in Lord Craven pas echt wakker. Hij is er vandoor gegaan in de hoop dat Betty Simms hem nooit zou vinden.

Griffiths: En hebben ze mekaar nooit meer gezien?

Loveday: Nee. Maar Sandy Warfield leerde Betty kennen...

Griffiths: ...en zag z’n kans schoon voor chantage.

Loveday: Nou, nee, ik denk dat het niet als chantage is begonnen, maar later vroeg Sandy steeds meer geld. Toen Lord Craven dat niet kon geven, heeft Sandy gedreigd Lady Craven in te lichten. Dat werd Lord Craven te veel, met het bekende gevolg.

Griffiths: Ja... En... Captain?

Loveday: De arme Lord Craven heeft lang met het idee rondgelopen om Sandy te doden, maar hij durfde niet. Hij was vooral bang voor de doodsstrijd, de afgrijselijke kreet voordat Sandy z’n laatste adem zou uitblazen. Daarom bedacht ie dat als hij het aan zou kunnen Captains doodsgejank te horen, hij het van Sandy ook kon verdragen.

Griffiths: Hij heeft dus... geoefend?

Loveday: Ja, zo zou je het kunnen zeggen.

Griffiths: Die man is gek!

Loveday: Misschien komt ie in het gesticht.

Griffiths: Welnee! Dat soort komt er altijd van af met een waarschuwing en een voorwaardelijke straf.

Loveday: Misschien. Maar vergeet u niet dat ie al heel erg gestraft is: de man is gek geworden van z’n geheim... en de schande.

Griffiths: Ik heb geen medelijden.

Loveday: Als ik me niet vergis, slaan we de verkeerde weg in! Het station is die kant op. Koetsier!

Griffiths: Dat klopt, mevrouw Brooke. (lachje) Ik nodig u uit voor thee met gebak bij mij thuis, als u daar tenminste tijd voor hebt.

Loveday: Ach, dat vind ik bijzonder aardig van u, inspecteur. Ik heet Loveday.

Griffiths: En ik...

Loveday: U heet Walter.

Griffiths: Ja! Hoe weet u...? Hoe... hoe... weet je dat?

Loveday: Wat denk je?

Griffiths: Ja, u... ik... ik weet het niet. Je bent gewoon een hele goeie detective.

Loveday: Ach, dank je wel. Ik weet het omdat je ’t me zelf verteld hebt. (hij lacht smakelijk)