Home / Niet na middernacht

Niet na middernacht

Dit hoorspel speelt zich af op Kreta. Een tekenleraar wil daar in alle rust gaan werken. In het vakantiehuisje waar hij verblijft, blijkt de vorige bewoner onder mysterieuze omstandigheden te zijn verdronken. Hij komt een smokkel in oudheden op het spoor en een Amerikaans echtpaar dat daar verblijft, doet verdacht…

Rolverdeling.

Pieter Lutz Timothy
Hans Fuchs een receptionist
Petra Dumas Jane
Robert Sobels Stoll
Ad van Kempen een barman

Aanvullende gegevens.

Auteur: Daphne du Maurier
Vertaling: Bob Viliers
Regie: Hero Muller
Inspiciënt: Henk van der Steeg
Omroep: AVRO
Uitzending: 27-05-1975
Speelduur: 30 minuten
Categorie: Thriller

De bron van deze productie.

Not After Midnight, 21-09-1974 BBC Radio 4.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Tim: (schenkt zich nog 'ns in en drinkt gulzig) Lieve God! (schenkt zich weer in) Waarom help je me niet? (drinkt) Waarom? Waarom? Waarom vraag je dat? Je weet toch waarom, Tim. Je weet waarom. Je wéét waarom! (zucht en drinkt weer) Ik ben... ik ben leraar. Of liever: ik was het. (lachje) Ik heb m'n ontslag ingediend om... om te voorkomen dat ik ontslagen zou worden. De redenen die ik opgaf zijn waar: een slechte gezondheid als gevolg van... van een virus dat ik in... in Griekenland heb opgedaan. Ja, de aard van dit virus heb ik niet nader gepreciseerd, maar... maar 'k mag aannemen dat de rector van alles op de hoogte is. In ieder geval weten de leerlingen precies wat er aan de hand is. Ja, ze lachen me uit... achter m'n rug. Als ik al bitter klink, dan... dan komt dat omdat ik dat virus in alle onschuld heb opgedaan. Anderen die hetzelfde hebben, kunnen zich beroepen op moeilijkheden thuis, of... of... of moeilijkheden in hun werk, of zelfs een te goed leven. Maar het enige waar ik me op kan beroepen, is onschuld. Nou, de artsen hebben vastgesteld dat mijn geestelijke labiliteit verantwoordelijk was voor die bijgelovige angst, maar... maar ik geloof dat mijn ondergang veroorzaakt wordt door een eeuwenoude, door en door slechte magie, welks oorsprong verborgen ligt in het duister van de oertijd... Paasvakantie! Ik ging naar Griekenland, of liever naar Kreta, om te schilderen. Een reisbureau had mij een hotel aangeraden dat uitzag op de Golf van Mirabello. Ah... in de folder leek er het allemaal zo mooi, maar toen ik het huisje zag dat ze voor mij hadden bestemd, zonk mij de moed in de schoenen. Kleine raampjes die uitzagen op een kale vlakte en niet, zoals beloofd, op de Golf van Mirabello.

receptionist: Het spijt me, meneer, maar ik kan niets vinden waaruit zou blijken dat uw reisbureau een huisje met uitzicht op de baai voor u gereserveerd zou hebben.

Tim: Luister nou 'ns goed: ik ben schilder, ik heb opdracht gekregen om een paar schilderijen te maken. Ja, daarvoor is het noodzakelijk dat ik uitzicht op zee heb.

Tim: Ja, ik gaf 'm geen tijd om tegen te spreken. Ik liep naar de huisjes die vlakbij het strand stonden en keek nieuwsgierig naar binnen. De receptionist had kennelijk de waarheid gesproken, want alle luiken waren dicht. Dat wil zeggen: allemaal, behalve één huisje. Toen ik de veranda opklom en naar binnen keek, wist ik dat dit mijn huisje zou worden. Het uitzicht was precies dat wat ik me had voorgesteld. Het was volmaakt! De huisjes die ten oosten van het hotel stonden, kon ik verwaarlozen. Die waren toch niet te zien, maar één huisje stond wat meer naar voren, als een voorpost, bij de aanlegsteiger recht tegenover mijn huisje. Ik draaide me om en ging naar binnen. (opent de deur en stapt binnen) Witge(kalkte?) muren, een stenen vloer en een bed. Daarnaast een tafeltje met een lamp en een telefoon. Nou, als die er niet was, zou het de cel van een monnik geweest zijn. Voor mij meer dan genoeg. (neemt de telefoon en draait een nummer)

receptionist: Receptie.

Tim: U spreekt met Grey, Timothy Grey.

receptionist: Ja, meneer Grey. Waar bent u nu?

Tim: Nummer 62. Dit huis is ideaal.

receptionist: Eh... nummer 62? Maar... ja, neemt u me niet kwalijk meneer, maar ik geloof niet dat het huisje beschikbaar is.

Tim: Ah, wel allemachtig, begint u nou weer?

receptionist: Ja, wilt u even wachten? (tot iemand anders) Hij wil nummer 62 hebben... Nee, ik heb 'm verteld...

Tim: Hallo? Hallo, bent u daar nog? Wat is er aan de hand?

receptionist: Eh... eh... het spijt me, meneer Grey, maar als u erop staat...

Tim: Inderdaad.

receptionist: Dan zal ik uw bagage laten brengen. En uw sleutel. (verbreekt de verbinding)

Tim: (legt de hoorn neer) Verdomme... Wat is hier aan de hand?

(geluid van de golven)

Tim: (rilt van de kou) Het eh... het water is koud. Bent u d'r al in geweest?

Jane: Nee, nog niet. 't Is nog wat vroeg in 't jaar.

Tim: Ah, ja, ik heb tenminste mijn goeie wil getoond. Brrr. Nou, gelukkig is de zon flink warm.

Jane: Ik ben Jane Benjamin.

Tim: Tim Grey. Hallo.

Jane: U bent zeker net aangekomen.

Tim: Ja. Drie uur geleden. En u?

Jane: Ik ook. Woont u in 't hotel, of in één van de huisjes?

Tim: In één van de huisjes. Dat daar, direct achter de rotsen.

Jane: O ja? Schitterend.

Tim: Ja. En u?

Jane: In één van de huisjes aan de andere kant.

Tim: O.

Jane: Bent u hier alleen?

Tim: Ja, om eh... om te schilderen.

Jane: O, u bent schilder?

Tim: Nou ja, eigenlijk ben ik tekenleraar. Bent u ook alleen?

Jane: Ja. Mijn man is een paar maanden geleden overleden. Ik probeer d'r overheen te komen.

Tim: O, neemt u mij niet kwalijk... Ja, zeg u me 'ns: zie ik er vreemd uit of zo?

Jane: Nee, waarom?

Tim: Nou, sinds ik hier op het strand ben, staan die twee me aan te staren.

Jane: Wie?

Tim: Die twee daar, dat kamermeisje en de kruier. Zie je ze?

Jane: Waar? O, ja.

Tim: Ze staan me de hele tijd aan te staren. (lachje) Toen het kamermeisje hoorde dat ik in 62 woonde, kreeg ze zowat een hartaanval. (lacht) Ja, en... en... nu denkt u zeker dat ik me allerlei dingen verbeeld?

Jane: O, ik... ik weet het niet.

Tim: Zeg, eh... aangezien we allebei toch alleen zijn, zouden we best samen kunnen gaan eten.

Jane: Ja, dat... dat zou ik heel prettig vinden.

Jane & Tim: (lachen)

Jane: Het is helemaal niet aardig om zo over de andere gasten te praten.

Tim: Maar 't is toch zo? Ken je 'm soms?

Jane: Nee. Het zijn Amerikanen, geloof ik.

Tim: Ja ja, dat ligt er duimendik bovenop. Dat arme vrouwtje van 'm...

Jane: Ssst... ze kijken hierheen.

Tim: Kijk 'ns naar z'n oren: net grote bloemkolen. En z'n kale kop: net een grote worst die op barsten staat.

Jane: Tim! (lacht) Alsjeblieft...

Tim: Huh. Onaangenaam mens. (een kelner stoot iets omver)

Stoll: Verdomde idioot! Kun je niet uitkijken!

Jane: Wat gebeurt er?

Tim: De kelner stootte de koffiepot om. De arme donder.

Stoll: Ruim die rommel op, stommeling, en vlug een beetje. Verdomme, schiet op, man!

Jane: Die kelner staat te trillen op z'n benen.

Stoll: Verdomde inboorlingen. Te stom om voor de duvel te dansen.

Tim: Moet je 'm horen!

Jane: En z'n vrouw heeft geen mond opengedaan.

Tim: Nee nee, maar moet je 'ns zien hoe ze hem zit aan te kijken.

Stoll: Kom mee, Maud, kom mee. Als de donder naar de bar... Verdomme, Maud, hoor je me niet? Naar de... naar de bar!

Jane: Ik moet er niet aan denken om met zoiets getrouwd te zijn.

Tim: (lacht) Dat lijk me een griezelfilm. Kom, drink je koffie 'ns op.

(in de bar)

barman: Twee whisky, meneer.

Tim: Dank u.

barman: Prettige dag gehad, meneer?

Tim: O, de vlucht was aangenaam, de weg van het vliegveld hier naartoe nogal gevaarlijk en m'n eerste duik in de zee nogal koud.

barman: Ja, het is nog te vroeg in het jaar, meneer.

Tim: Ja, daar ben ik ook achter gekomen.

barman: In welk huisje woont u, meneer?

Tim: Nummer 62.

barman: 62?

Tim: Ja.

Stoll: Hé, zet die verdomde radio 'ns af. Je kan jezelf verdomme niet eens horen denken.

Jane: Ik dacht dat ie in slaap gevallen was.

barman: Hij is wat moeilijk.

Tim: Ja, dat hebben we ook begrepen.

Stoll: Ik zei toch dat je die verdomde radio af moet zetten. Nou, ben je doof soms? Breng me nog een fles bier!

Tim: Als ik achter de bar zou staan...

Stoll: Hé, jij! Hé, nummer 62, hè?

Tim: Heeft u het tegen mij?

Jane: Tim, alsjeblieft...

Stoll: Je zit toch in 62? Of niet soms?

Tim: Jazeker.

Stoll: Nou, dan weet je verdomd goed dat ik het tegen jou heb. Jij bent zeker niet bijgelovig, hè?

Tim: Nee, bijgelovig ben ik niet. Moet dat dan?

Stoll: (lacht) Verdomme, man, hè, als ik in jouw schoenen zou staan, nou dan... dan zou ik het wel zijn.

Tim: Ja, maar dat is niet het geval.

Stoll: Die... die kerel die daar vóór jou gewoond heeft, is twee weken geleden verdronken. Werd vermist. Twee dagen later hebben de vissers hem opgehaald, half opgevreten door de... door de octopussen, of... of is het octopi? (lacht)

Jane: Wist jij dat?

Tim: Nee nee nee, maar nu begrijp ik waarom iedereen zoveel aandacht aan mij besteedt sinds ik in dat huisje woon.

barman: Een betreurenswaardig ongeluk, meneer.

Tim: Mm.

barman: Meneer Gordon was een aardige heer. Belangstelling voor archeologie. De avond dat ie verdween, was het erg warm en hij is vast na het eten wat gaan zwemmen. Wij hebben natuurlijk de politie gebeld en we waren allemaal erg onder de indruk. U begrijpt wel, meneer, dat wij er niet graag over praten, hè. Dat is slecht voor de naam van het hotel.

Tim: Mm.

barman: Maar ik kan u met mijn hand op m'n hart verzekeren dat u veilig kunt gaan zwemmen. Dit is echt het eerste ongeluk...

Stoll: Laat mij je één ding vertellen, 62: ga niet na middernacht zwemmen, anders krijgen de octopussen jou ook te pakken. (lacht) Vooruit Maud, naar bed. Naar bed! Vooruit, naar bed!!

Tim: Wat een onmogelijke kerel! Kunnen jullie hem niet wegsturen of zoiets?

barman: Zaken zijn zaken, meneer. De familie Stoll heeft veel geld...

Tim: Ja.

barman: ...en ze zijn hier al voor de tweede keer. Ze schijnen het hier prettig te vinden. Overigens is meneer Stoll pas dit jaar gaan drinken. Als ie zo doorgaat, dan drinkt ie zich nog 'ns dood. 't Is iedere avond hetzelfde liedje. Overdag zwemt ie en gaat ie vissen van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat.

Tim: Dan zullen d'r heel wat flessen overboord gaan.

barman: Dat zou kunnen, meneer. Hij geeft z'n vangst altijd aan zijn schipper.

Jane: En z'n vrouw, wat doet die?

barman: Zij heeft het geld, mevrouw. Ik geloof niet dat meneer Stoll altijd z'n zin krijgt. 't Kan soms erg makkelijk zijn als je doof ben. Maar ik moet toegeven dat zij 'm nooit alleen laat, mevrouw. Ze gaat iedere dag met 'm mee. Iedere dag.

Tim: En, Jane, had ik gelijk?

Jane: Wat het uitzicht betreft?

Tim: Ja.

Jane: Nou en of.

Tim: 'k Geloof zelfs dat het 's avonds nog mooier is dan overdag.

Jane: 't Is knap, hè, zoals ze die huisjes op verschillende niveaus tussen de rotsen hebben gebouwd. Dit zijn zeker de duurdere huisjes?

Tim: Dat geloof ik wel, ja. Nog een cognac?

Jane: Nee nee, dank je wel, anders kom ik nooit m'n bed in. Zeg, wie woont er in dat huis daar aan de overkant van de baai?

Tim: Weet ik niet, maar die zal d'r heel wat voor moeten betalen. Hé! Heb je dat gezien?

Jane: Wat?

Tim: Er... er... er is daar iemand aan het zwemmen. Kijk, daar bij de rotsen! In het maanlicht kon ik net een snorkel zien.

Jane: Ik zie niets.

Tim: Nou ja, kom... Laten we maar naar binnen gaan. 't Wordt kil hier.

Jane: Ach, je zal het je wel verbeeld hebben.

Tim: Ja... je zal wel gelijk hebben. (ze gaan binnen)

Jane: Hé, wat is dit?

Tim: Hè?

Jane: Boeken verraden het karakter van de eigenaar.

Tim: O! Nou, ik moet je teleurstellen: da's niet van mij. De vorige bewoner zal 't wel achter gelaten hebben.

Jane: Meneer Gordon?

Tim: Ja.

Jane: Zeg, kijk 'ns: een visitekaartje.

Tim: Mm? Charles Gordon. Een adres in Bloomsbury.

Jane: D'r staat nog iets op de achterkant.

Tim: O ja? “Niet na middernacht”... O, en dan een getal: “38”.

Jane: Wat heb je de afgelopen drie dagen gedaan?

Tim: Geschilderd.

Jane: Alleen maar geschilderd?

Tim: Ja. En jij?

Jane: O, wat gezwommen, in de zon gelegen. 'k Heb een paar tochtjes over het eiland gemaakt. 'k Heb je gemist.

Tim: Ah, dank je. Ja, ik eh... ik wilde alleen zijn, alleen maar schilderen. Het spijt me als eh...

Jane: Nee, dat geeft toch niks. Ik zag je op het balkon zitten en ik kon zien dat je niet gestoord wilde worden.

Tim: Nog wat koffie?

Jane: Nee, dank je.

Tim: Zeg, weet je wat ik gisteren ontdekt heb toen ik op mijn balkon zat te schilderen?

Jane: Nee, wat dan?

Tim: Dat huis aan de andere kant van de baai...

Jane: Ja?

Tim: Ik ontdekte dat Stoll daar woont, en het is nummer 38. Begrijp je 't niet?

Jane: Nee... eh... wat dan?

Tim: Het kaartje dat jij in het boek van Gordon vond, daar stond op: “Niet na middenacht”, gevolgd door nummer 38. Stoll heeft ook zoiets tegen mij gezegd en hij woont in nummer 38. Stoll heeft Gordon natuurlijk ook gewaarschuwd en die heeft het achter op een visitekaartje geschreven. En herinner jij je nog dat ik op onze eerste avond iemand in de baai zag zwemmen?

Jane: Ja.

Tim: Kennelijk iemand die het advies van Stoll niet opvolgde. Ja, misschien moet ik wel naar de politie gaan.

Jane: Waarom? Wat heb je voor bewijzen, Tim?

Tim: Nou, dat kaartje, en datgene wat ik gezien heb.

Jane: Ja, wat je denkt gezien te hebben. Maar dat is toch niet genoeg om de politie d''r in te mengen.

Tim: Ja...

Jane: Ach, het zou je vakantie maar bederven. Je kunt het beter laten voor wat het is, geloof me.

(in de bar)

Tim: De Stolls houden zich vanavond nogal rustig.

barman: (lachje) Laten we hopen dat het zo blijft, meneer.

Tim: Zegt mevrouw Stoll wel 'ns iets?

barman: Als je zoveel geld hebt als zij, dan hoef je niets te zeggen, meneer.

Tim: 'k Heb gezien da ze weer de hele dag op zee hebben doorgebracht.

barman: Het is iedere dag hetzelfde. Ze gaan meestal dezelfde richting uit, naar het westen, de baai uit, de zee op.

Tim: Mm, mm. Wat eh... wat vindt het personeel van hem?

barman: Oho, die zorgen wel dat ze uit de buurt blijven, meneer.

Tim: Mm.

barman: De kamermeisjes gaan pas schoonmaken als hij de deur uit is. En de stank! Hij brouwt z'n eigen bier, zeggen ze. Hij heeft een pot rottend graan op een vuur staan. En hij schijnt het nog te drinken ook. (lachje) Die lever van 'm zal d'r niet al te best uitzien, meneer.

Tim: Ja, daarom heeft hij natuurlijk nog zo laat het licht aan. Varkens zuipen ook tot diep in de nacht...Vertel me 'ns: wie van de hotelgasten houdt zich bezig met onderwaterzwemmen?

barman: Voor zover ik weet, niemand, meneer. Dat wil zeggen, sinds het ongeluk. Die arme meneer Gordon hield ervan om 's avonds te zwemmen. Tenminste, dat nemen we aan. Hij was overigens één van de weinige hotelgasten die nog wel 'ns met meneer Stoll praatte. Op een avond hebben ze hier een hele avond zitten discussiëren.

Tim: O ja?

barman: Ja, en niet over zwemmen of vissen, maar over oudheden, meneer. D'r is hier in het dorp een heel aardig museum, maar dat is nu gesloten omdat er verbouwd moest worden. Meneer Gordon had nogal wat connecties bij het Brits Museum in Londen.

Tim: (lachje) Ik kan me niet voorstellen dat Stoll zich voor oudheden interesseert.

barman: Ho, nou en of, meneer. Meneer Stoll is bepaald niet dom. Vorig jaar hebben zijn vrouw en hij alle beroemde plaatsen op het eiland bezocht. Maar dit jaar interesseren ze zich alleen maar voor vissen.

Tim: En die Gordon, ging die ook mee vissen?

barman: O nee, meneer. Hij had een wagen gehuurd, net als u, om het eiland te verkennen. Hij was een boek aan het schrijven over archeologische vondsten in Oost-Kreta en hun relatie met de Griekse mythologie.

Tim: Mythologie?

barman: Ja,maar ik begreep er niets van. Meneer Stoll en hij hebben een paar uur zitten praten... O, mijn hemel...

Tim: Wat is er?

barman: Meneer Stoll komt hierheen, meneer.

Stoll: En jij bent dus die vent die de godganselijke dag op z'n verdomde balkon zit te schilderen!

Tim: Dacht u dat?

Stoll: Ah, ontken je 't soms? Ik weet zelf wel iets van kunst af. Misschien koop ik wel een schilderij van je.

Tim: Ah, het spijt me, ze zijn niet te koop.

Stoll: Ah, jullie kunstenaars zijn allemaal hetzelfde: moeilijk doen totdat iemand een fikse prijs biedt. Charlie Gordon bijvoorbeeld... Ja, die eh... die heb jij niet ontmoet, hè?

Tim: Nee, hij was hier voor mij.

Stoll: Ja, ja, dat is zo. Arme donderstraal is dood. Verzopen in de baai, onder de rotsen. Tenminste, daar hebben ze 'm gevonden.

Tim: Ja, dat heb ik ook gehoord. Maar hij was toch geen schilder?

Stoll: Nee. Hij was een kenner. Maar veel goed heeft het 'm niet gedaan.

Tim: Kennelijk niet. Ik drink ook niet.

Stoll: Mooi. (lacht) Ik ook niet! 't Bier dat ze hier verkopen is net water. En de wijn is vergif. Vijfduizend jaar geleden, toen wisten ze hier wat bier brouwen is. En de geleerden hebben het bij 't verkeerde eind: de Kretenzers dronken bier. Wijn werd pas eeuwen later ontdekt door die verdomde Grieken.

Tim: O ja?

Stoll: O ja!? Hoor je dat, Maud? Nou, ze kan je alleen maar verstaan als je tegen d'r schreeuwt. Wat doe jij van je vak?

Tim: Ik ben leraar.

Stoll: Leraar! Mijn God! Een oppasser in een kleuterklas! Jij bent één van ons, makker, één van ons. Kom ons een keer opzoeken, meneer de leraar. Wanneer je maar wilt. Altijd welkom. Zeg het 'm nou, Maud, zie je niet dat ie verlegen is? Ah, wat dondert dat ook. Trek je van haar maar niks aan. Stokdoof. Ja, kom ons maar 'ns opzoeken, meneer de leraar. Maar... niet na middernacht. (lachje) Nummer 38!

(in een auto)

Jane: En wat is je theorie nu, Tim?

Tim: Waarschijnlijk heeft Gordon net zo'n gesprek gehad met Stoll als ik gisteravond. Hij vond die uitspraken van Stoll over mythologie en de ouwe Kretenzers interessant en als archeoloog wilde hij er het zijne van weten. Hij nam de uitnodiging dus aan en zwom naar nummer 38. Bijzonder vreemd overigens, als je bedenkt dat ie even snel en veel gemakkelijker had kunnen gaan lopen. Ja, misschien een beetje stoer doen... Toen die eenmaal binnen was, hebben zijn gastheer en gastvrouw hem verleid wat van die heksendrank te drinken. Hij raakte z'n bezinning kwijt en toen ie weer terug wilde zwemmen, is ie verdronken.

Jane: Juist. Maar weer geen enkel bewijs, alleen maar theorie.

Tim: Maar het klopt allemaal. Ja, het lijkt wel of jij niet wilt dat deze zaak opgelost wordt, Jane.

Jane: Maar er is helemaal geen zaak... Kijk uit, Jim, alsjeblieft! Hè, de weg is hier zo smal.

Tim: Ja, sorry, ik ben niet aan deze wagen gewend.

Jane: Ja, laten we Stoll maar voorlopig vergeten, hè, en onze gedachten bepalen bij dit deel van het eiland.

Tim: Heb je 't eten in de kofferruimte gedaan?

Jane: Ja, natuurlijk, maar of er wat van over is gebleven in deze hitte...

Tim: Wacht 'ns even!

Jane: Wat is er? Ja, waarom stop je nou?

Tim: (zet de motor af) Die boot daar. Als je over de duivel praat... De verschrikkelijke Stoll! Vooruit, kom mee, we stappen uit.

Jane: (ze stappen uit en lopen een eindje) Kijk! Daar zwemt iemand.

Tim: In een zwart rubberpak en met een snorkel.

Jane: Kom mee, we gaan kijken.

Tim: Nu wel geïnteresseerd?

Jane: Hè, kom nou. (ze lopen een eind verder)

Tim: D'r staat iemand op het strandje.

Jane: Wat zijn ze aan het doen? De zwemmer komt nu uit het water.

Tim: Het is mevrouw Stoll!!

Jane: Dat bestaat niet!!

Tim: Die klomp vlees voor de ingang van de grot kan alleen maar meneer Stoll zijn, dus dan is mevrouw Stoll aan het zwemmen. Wat is dat voor zak die ze om d'r nek heeft hangen?

Jane: Ze geeft 'm aan haar man en ze gaan de grot in... Wat zouden ze in hun schild voeren, Tim?

Tim: Ik weet het niet, Jane, ik weet het echt niet.

(de telefoon rinkelt - Tim neemt op)

Tim: Tim Grey.

Stoll: Ben jij daar, leraartje?

Tim: U spreekt met Timothy Grey.

Stoll: Jij was vanmiddag bij de kleine baai, nietwaar?

Tim: Ja, maar ik kan me niet voorstellen dat u d'r iets mee te maken heeft.

Stoll: Mij belazer je niet, leraartje. Jij bent net zo'n zak als die andere vent, en een smerige spion. Maar neem nou maar van mij aan dat dat wrak al lang leeggeroofd is, eeuwen geleden.

Tim: Ik... ik weet niet waar u het over hebt. Welk wrak?

Stoll: Okay... We praten d'r niet meer over. Jij en ik hebben een gemeenschappelijke belangstelling. Jij wilt iets hebben voor dat verdomde schoolmuseum van je. Goed, ik heb iets moois voor je... Kom vanavond hier langs, dan krijg je een presentje van me. Ik mag jou wel, weet je? En mijn vrouw... mag jou ook. We maken d'r een feestje van. (lacht)

Tim: Luister nou 'ns goed, meneer Stoll: ik heb geen bemoeienis met ons schoolmuseum, en ik ben helemaal niet geïnteresseerd in oudheden. Ik ben hier om te schilderen voor m'n eigen plezier en ik ben helemaal niet van plan vanavond bij u op bezoek te komen. Goeienavond. (legt de hoorn neer) Verdomme! Wat haat ik die vent. Maar natuurlijk... “Jij bent net zo'n zak als die andere vent, een smerige spion”... Natuurlijk!! Hij wil dat ik m'n mond hou. Die zogenaamde visexpedities van hem zijn bedoeld om zijn werkelijke bezigheden te maskeren! Hij duikt naar oudheden die hij uit Kreta wil smokkelen! Dat is er dus met Gordon gebeurd: hij nam wel hun uitnodiging aan, maar liet zich niet omkopen en toen die terugzwom, kwam Stolls vrouw 'm achterna, in d'r rubberpak, en toen die eenmaal ver genoeg was... Verdomme, zijn ze dat met mij van plan? (gemorrel aan deur of venster) Ja, wat is dat? Wat is dat? D'r staat iemand op m'n balkon!... Wat wil je!?... Zij is het, in d'r rubberpak staat ze buiten op me te wachten! Ze is slecht. De manier waarop ze zit te kijken, kijken en kijken, zonder één woord te zeggen. Verdomme, ga weg! Ga weg!! (er wordt geklopt)

Jane: Tim! Tim!

Tim: Jane? Ben jij dat?

Jane: Alles in orde?

Tim: Hè? (opent de deur)

Jane: Tim! Wat is er aan de hand? Je ziet zo wit als een doek.

Tim: D'r stond iemand op het balkon! Probeerde binnen te komen. (sluit de deur)

Jane: Ben je 't zeker? Wie was dat dan?

Tim: Zij was het, mevrouw Stoll.

Jane: Mevrouw Stoll?

Tim: Zij moet het geweest zijn. Stoll heeft net gebeld, dus die heeft geen tijd genoeg gehad om de baai over te zwemmen... (Jane opent de terrasdeur) Jane, wat doe je?

Jane: Niemand.

Tim: Laat mij 'ns kijken.

Jane: Ja, maar d'r zijn wel sporen van natte voeten.

Tim: Kijk, een pakje... voor de terrasdeur.

Jane: 'ns Kijken? Zeg, maak het 'ns open.

Tim: Ja. (opent het pakje)

Jane: Een kruikje met een mannenkop d'r op! Wat is het?

Tim: Een rhyton. Over het algemeen kan je die alleen maar in musea vinden.

Jane: Kijk, hier boven mannenfiguurtjes.

Tim: En onderop hoeven.

Jane: D'r zit een briefje in.

Tim: Ach, lees het 'ns voor.

Jane: “Silenos, satyr, half paard half man, die - niet bij machte waarheid van onwaarheid te onderscheiden - Dionysos opvoedde in de grotten van Kreta.” Wat betekent dat?

Tim: Ik weet het niet.

Jane: Zeg, als het echt is, is het vast heel kostbaar.

Tim: Ik wil er niks mee te maken hebben! Kijk 'ns naar dat gemene gezicht! Doet het je niet aan iemand denken?

receptionist: Goede morgen, meneer Grey.

Tim: Ah, goede morgen. Eh... zoudt u me kunnen helpen?

receptionist: Ik zal het proberen, meneer.

Tim: Het gaat namelijk om meneer Stoll. Hij heeft, geloof ik, huisje 38 aan de overkant van de baai. Hij gaat altijd vissen, maar vandaag zag ik z'n boot aan de steiger liggen.

receptionist: Eh... dat is juist, meneer. De heer en mevrouw Stoll zijn vanmorgen vertrokken.

Tim: O... En eh... u weet niet wanneer ze terugkomen?

receptionist: Ze komen helemaal niet terug. Ze zijn naar het vliegveld, waar ze het vliegtuig naar Athene nemen.

Tim: Bent u daar zeker van?

receptionist: O ja. De boot is te huur.

Jane: Hallo, Tim!

Tim: O, hallo.

Jane: Is er iets?

Tim: Ja, de Stolls.

Jane: Wat is er met hen?

Tim: Ze zijn weg, vertrokken.

Jane: Nou, dat is toch goed nieuws?

Tim: Ja, maar dan kan ik ze dit niet teruggeven.

Jane: Dan hou je het toch, als een soort souvenir...

(in de bar)

barman: Goede morgen, meneer Grey. U gaat vandaag niet weg?

Tim: Straks misschien.

barman: O, ik heb hier nog iets voor u, meneer.

Tim: Wat dan?

barman: Dat heeft meneer Stoll gister voor u achtergelaten. Hij heeft tot middernacht op u gewacht, maar is toen naar huis gegaan.

Tim: Ik heb in het dorp gegeten. Wat is dat?

barman: Ik denk dat ie het zelf gebrouwen heeft. Ah, 't stelt niets voor. Hij heeft mij ook een fles gegeven en mijn vrouw heeft het gedronken. (lachje) Gewoon limonade, zei ze. Die vieze rommel heeft ie vast weggegooid. Hier, proeft u maar eens.

Tim: Ja, da's goed. (de barman schenkt uit en Tim drinkt) 't Smaakt een beetje naar tonic. Nou, op de gezondheid van meneer Stoll.

barman: (lachje) Eén van mijn beste klanten. Ik geloof dat mevrouw Stoll d'r goed aan zou doen als zij haar man naar het ziekenhuis bracht. Hij is ziek en het komt niet alleen door de drank...

Tim: Wat bedoel je?

barman: Hij had ze niet allemaal op een rijtje, meneer. Nou ja, dat heeft u zelf toch wel kunnen zien? Bezeten of zo. Ik denk niet dat wij ze volgend jaar nog terug zullen zien.

Tim: Wat was zijn beroep?

barman: Hij heeft me verteld dat ie professor in de klassieke talen was aan een of andere Amerikaanse universiteit. Maar ja, bij hem wist je nooit of ie de waarheid sprak. Mevrouw Stoll betaalde de rekeningen. Ja, ik heb me wel 'ns afgevraagd...

Tim: Ja?

barman: Nou ja... misschien kwam het omdat zij zoveel van 'm te verduren had, hè, maar... ik heb 'r wel 'ns naar 'm zien kijken en het was niet met blikken van liefde. En eh... vrouwen van haar leeftijd moeten toch op de een of andere manier wat bevrediging in het leven vinden.

Tim: Mm.

barman: Misschien heeft ze wat opgepikt terwijl hij zich overgaf aan z'n passie voor sterke drank en oudheden.

Tim: Zeg eh... zijn er soms minder bekende vindplaatsen langs de kust? Of misschien een wrak dat eeuwen geleden gezonken is?

barman: Ach, er zijn natuurlijk altijd geruchten.

Tim: Ja ja.

barman: Volksverhalen en dat soort zaken. Maar ja, daar heb ik nooit in geloofd.

Tim: Nee.

barman: Af en toe wordt er wel wat ontdekt en dat wordt dan het land uit gesmokkeld, of - ja, als dat te veel risico inhoudt - voor een goede prijs aan onze musea verkocht.

Tim: Oh.

barman: Ik heb een neef die aan ons museum verbonden is. De boot die meneer Stoll gehuurd had was van hem.

Tim: Ik begrijp het.

barman: (lachje) Nog wat van het brouwsel van meneer Stoll? Als aandenken?

(op een boot)

Tim: Ik zei niets tegen Jane, maar huurde een motorboot en ging naar de baai waar ik mevrouw Stoll had zien zwemmen. Bij de grot zette ik de motoren af... Ik keek in het water. Het was lichtgroen en het gouden bodemzand scheen een andere wereld toe te behoren. Plotseling zag ik een lichtflits boven op de rotsen. Iemand bespiedde me! En toen zag ik twee gestalten zich snel verbergen. Ik herkende ze onmiddellijk: één van hen was mevrouw Stoll, de ander was de jonge Griekse schipper die hun boot bestuurd had. Ze waren natuurlijk teruggekomen om hun schatten op te halen om daarna het middagvliegtuig naar Athene te pakken. Maar waar was meneer Stoll? Een windvlaag rimpelde het water en toen de zee weer glad was, zag ik 'm: zijn lichaam slap, zijn armen uitgestrekt, zijn voeten gevangen in een smerig anker van een wrak... In mijn zak vond ik het pakje: de lelijke rhyton die Stoll me gegeven had. Ik gooide het in het water en het zonk langzaam, tot het naast 'm lag. Ik was de enige getuige van zijn lot en ik zou er niet in betrokken worden.

Nee... ik ben er ook nooit bij betrokken. (lachje - drinkt) In plaats daarvan... in plaats daarvan ben ik een... alcoholicus geworden... Dat ben ik geworden... (lachje) Ik ben vet geworden, mijn huid is rood, ik... ik begin zelfs op Stoll te lijken... (lacht) Wat vind je daarvan? Ik begin... begin zelfs op meneer Stoll te lijken...! (lacht)