Home / Prometheus geboeid

Prometheus geboeid

In dit drama is het thema de straf van de Titan Prometheus die zich tegen Zeus verzet had, het vuur uit de hemel had gestolen en het verborgen in een rietstengel naar de aarde had gebracht. Zeus liet hem door Hephaestus aan de Kaukasus ketenen, waar een adelaar hem de steeds weer aangroeiende lever uitpikte. Heracles doodde ten slotte de vogel en bevrijdde Prometheus, die nu door Zeus op de Olympus werd toegelaten.

Rolverdeling.

Guus Hoes Macht en Geweld
Aus Greidanus Hephaistos
Siem Vroom Prometheus
Johan Schmitz Okeanos
Sacha Bulthuis Io, dochter van Inachos
Hero Muller Hermes
Lies Franken de koren

Aanvullende gegevens.

Auteur: Aeschylus
Vertaling: Gerrit Komrij
Regie: Jacques Besançon
Omroep: AVRO
Uitzending: 06-02-1975
Speelduur: 67 minuten
Categorie: Klassiek drama

Over de muziek.

Muziek (op klassieke Griekse thema's) van Jaap Boogaard.

Uitgevoerd door Daan Admiraal, Jan Laurenz Hartong, Tony Müsser en Jaap Boogaard.

De bron van deze productie.

Promētheus Desmōtēs, circa 415 jaar voor onze tijdrekening.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Macht en Geweld: Wij staan thans aan het einde van de wereld in 't nooit betreden, eenzaam Skythia. Hephaistos, hier moet jij de taak volbrengen die jou je vader opdroeg en die snoodaard met ketenen van onverbreekbaar staal vastklampen aan de steile, ruige rotsen. Jouw grootste trots, de bron van alle kunsten, het vuur, stal hij en gaf het aan de mensen. Voorwaar, een zwaar vergrijp jegens de goden. Hij zal zich in Zeus' macht dienen te schikken en afleren een mensenvriend te zijn.

Hephaistos: Macht en Geweld, u hebt Zeus' taak volbracht. Er is niets meer dat u nog langer hier houdt, maar ik heb niet de moed een mede-god op deze winterse en kille klip te binden met geweld. Maar o, het moet... Want wee hem die het woord van vader minacht. Hoogvliegende zoon van welberaden Themis, tegen jouw wil en tegen die van mij moet ik je nu met ijzeren, eeuwige boeien aan deze zielsverlaten rotspunt slaan waar je geen sterveling zal zien of horen, maar waar je, door het zonlicht geblakerd, ineen zal schrompelen. O, juichen zal je wanneer de nacht met zijn gewaad van sterren die gloed bedekt, en juichen zal je weer wanneer de zon de ochtendrijp doet smelten. En tot in eeuwigheid zal deze kwelling knagen aan je. Er is geen redder in de nood. Een prachtig loon voor je menslievendheid! Je boog als god niet voor de toorn der goden, maar gaf de mensen meer dan ze verdienden: eer. Daarom moet je aan deze barre rots je wacht betrekken, zonder slaap, rechtop. Weeklagen zul je, kreunen, zonder eind. Vergeefs! Het hart van Zeus blijft ongenadig. Wie pas de macht heeft, is altijd van steen.

Macht en Geweld: Vooruit! Waarom dat zinloos medelijden? Die door de goden meest gehate god die juist jouw voorrecht aan de stervelingen verried, waarom verafschuw je hem niet?

Hephaistos: Verwantschap, vriendschap zijn zeer vreemde zaken.

Macht en Geweld: Dat is zo. Maar je vaders woord verachten, kan dat soms? Ben je daar niet banger voor?

Hephaistos: O, hard ben je altijd, meedogenloos.

Macht en Geweld: Vanzelf! Het heeft geen zin hem te bewenen. Verknoei geen tijd aan een verloren zaak.

Hephaistos: Wat heb ik toch mijn vak al vaak veracht!

Macht en Geweld: Waarom zou je het haten? Want wees eerlijk, aan zijn ellende draagt je kunst geen schuld.

Hephaistos: Toch wou ik dat het iemand anders lot was.

Macht en Geweld: Elk draagt zijn last, behalve hij die heerst over de hemelgoden. Enkel Zeus is vrij.

Hephaistos: Dat lijkt me inderdaad erg duidelijk.

Macht en Geweld: Draal dan niet langer. Gooi hem in de boeien en laat je vader je niet zo zien talmen.

Hephaistos: Goed, goed! Je ziet, de ketens zijn gereed.

Macht en Geweld: Sla ze dan om zijn polsen en zwaai machtig je smidshamer, en klink hem aan de rots.

Hephaistos: Ik ben al bezig. Er wordt niet gedraald.

Macht en Geweld: Sla harder, snoer hem vaster, zonder speling! Uit het onmogelijkste redt hij zich!

Hephaistos: Die arm krijgt zelfs iemand als hij niet los.

Macht en Geweld: Nu die ook feilloos vastgemaakt. Hij mag dan handig zijn, naast Zeus is ie een sukkel.

Hephaistos: Behalve die kan niemand zich beklagen.

Macht en Geweld: Drijf nu uit volle macht de felle kaak van jouw ijskoude wig dwars door zijn borst.

Hephaistos: Ai, ai, Prometheus! Ik jammer om je pijn.

Macht en Geweld: Wat? Aarzel je alweer? Bejammer je de vijanden van Zeus? Kijk toch uit! Je zult jezelf nog eens bejammeren.

Hephaistos: Je ziet hier iets wat niet om aan te zien is.

Macht en Geweld: Ik zie hoe iemand krijgt wat ie verdient. Kom, gord die okselbanden om hem heen.

Hephaistos: Ik weet wel dat het moet. Stop je bevelen!

Macht en Geweld: Beval ik het je maar! Ik hits je op. Ga naar omlaag en smeed zijn benen vast.

Hephaistos: Ziezo, het zit er op, en zonder moeite.

Macht en Geweld: Hamer de spijkers vast zo goed je kan. Je weet, de opzichter wil geen half werk.

Hephaistos: Je praat al even erg als jij er uitziet.

Macht en Geweld: Blijf maar een slappeling en probeer niet mijn trotse toorn en wilskracht te beschimpen!

Hephaistos: Laten we gaan. Het net ligt om zijn leden.

Hephaistos: Leef hier je hoogmoed dan maar uit en roof gerust de privileges van de goden om ze aan eendagsvliegen weg te geven. Geen van die stervelingen is je hier van nut in al je pijn. Ten onrechte noemen de goden jou “Hij die vooruitziet”, Prometheus, want je hebt zelf iemand nodig die kan vooruitzien hoe ter wereld jij jezelf ooit loswringt uit dit staaltje (vakwerk).

Prometheus: O hemelse luchten en snelgewiekte winden, o waterbronnen en het oneindig lachen van de golven van de zee, o almoeder, grote moeder van de aarde, o alziend zonnerad, u roep ik aan! Zie wat een god wordt aangedaan door goden! Aanschouw de schandelijke smart die ik doorsta, de pijnen die mij kwellen zullen in tijden zonder eind. Dit zijn de schandelijke boeien die mij de heerser der Gezegenden heeft toebedacht, die nieuwe heerser. Wee, wee! Ik klaag om de pijn die is, om de pijn die komen zal. Waar en wanneer daagt ooit een einde aan dit eindeloze leed?

Maar ach, wat praat ik? Ik zied immers al wat me te wachten staat helder vooruit. Er is geen smart die me verrassen kan. Ik moet mijn lot zo goed mogelijk dragen. Tegen wat zijn moet, is geen macht bestand. Maar het valt mij even moeilijk om te zwijgen over mijn noodlot dan om niet te zwijgen. Ik gaf de mens geschenken en daarom moet ik nu zuchten onder dit wreed juk. Ik, die de bron van het gestolen vuur buit maakte en onder de narthexstengel borg, het vuur dat voor de mens de leraar werd van alle kunsten en zijn machtigst middel. Dat is de zonde waarvoor ik de prijs betaal, geboeid, onder een blote hemel. (pijnkreten) Welke onzichtbare geur ruist op mij af? Is het iets goddelijks, of van de mens, of van hen beiden?

Is iemand gekomen naar deze klip op de grens der wereld om daar te kijken hoezeer ik lijd, of om iets anders? Zie mij, een geboeide, rampzalige god, een vijand van Zeus, door alle goden die aan het hof van Zeus verkeren gehaat, omdat ik de mens te lief had. O, o, daar ruist het opnieuw! Vogels misschien? De hemel gonst van het geluid van trillende vleugels, Vervuld van vrees is alles wat mij nadert.

koor: Wees niet bevreesd, want onze stoet kwam hier uit vriendschap aangevlogen, wedijverend met vurige vleugels. Ja, eerst hebben wij onze vader om toestemming moeten smeken, maar toen dreef mij de wind snel hierheen, want de galm van donderend staal drong diep door in onze grot en joeg de schuchtere kalmte van min gelaat. Zonder sandalen snelde ik naar mijn wagen.

Prometheus: Ah, kinderen van de kinderrijke Thetys. O dochters van hem die alle stranden omspoelt met zijn slapeloze stromen, uw vader Okeanos, aanschouw, bezie deze boeien die mij aan de hoogste klippen van dit ravijn vastklinken. Zo houd ik mijn wacht, een wacht die niemand mij benijdt.

koor: Ik zie het, Prometheus. De angst bedekt mijn ogen met een wolk van tranen wanneer ik je zo, geketend aan die steile piek, zie wegkwijnen in smaad en schande, in ketenen van niet te breken staal. Nieuw zijn de stuurlui op de Olympos, nieuw zijn de wetten waarmee Zeus met willekeur zijn macht toepast. De grote reuzen van vroeger zijn weggevaagd.

Prometheus: O, had hij mij maar onder de aarde geworpen, voorbij de Hades, de gastheer van de doden, de peilloze Tartaros in, en mij daar meedogenloos vastgebonden, zodat geen god noch iemand anders zich over mijn leed verheugen kon. Maar hier sta ik thans, speelbal der winden, en mijn vijanden gnuiven over mijn pijn.

koor: Wie van de goden is zo verstard van hart dat hij zich hierover verheugen kan? Wie voelt niet mee met zoveel smart, behalve dan Zeus? Eeuwige wraakzucht maakt hem onbuigzaam erop gericht het hemelse geslacht teniet te doen en niets weerhoudt hem tot zijn wreed hart verzadigd is of tot een ander, door een list, zijn onneembare macht in handen neemt.

Prometheus: Maar toch zal ooit, al word ik hier gefolterd in die wrede knevels, de hemelvorst mij nodig hebben om hem het nieuwe plan te onthullen waardoor hij troon en titel kwijtraakt. Maar niet door honingzoete woorden zal hij mij paaien, hoe bezwerend ze mogen zijn. Ik zal niet bukken voor zijn bedreigingen, hoe wreed ook. Ik zal pas dit geheim onthullen wanneer hij mij uit deze boeien bevrijdt en mij de tol betaalt van deze wurgende, wrede schande.

koor: Onverschrokken ben je. Je geeft bij zoveel bittere pijn geen krimp, maar je tong zit te los. Mijn ziel wordt doorboord door scheuten van angst, ik sidder om je lot, want welke koers zal je ooit kunnen volgen om het eindpunt van je pijn te bereiken? O, onvermurwbaar is immers het hart van Kronos' zoon. Met hem valt niet te praten!

Prometheus: Ik weet dat Zeus wreed is en het recht in eigen hand houdt, maar de dag zal komen dat zijn toorn eens murw wordt en mijn geheim hem zal verpletteren. Rimpelloos zal zijn woede zijn en hij zal mijn vriend en bondgenoot worden. Je weet: ik heet hem van harte welkom.

koor: Onthul ons alles en zet ons uiteen op wat voor aanklacht Zeus je heeft gegrepen, dat hij je zo schandelijk en bruut foltert. Vertel het ons. Tenminste, als je kan.

Prometheus: Zelfs het vertellen doet me vreselijk ook, maar zwijgen ook. 't Is beide hopeloos. Zodra de hemelmachten toornig werden en onder hen een felle tweedracht losbrak - de een wou Kronos van zijn zetel stoten om uitgerekend Zeus er op te zetten, de ander daarentegen wilde dat Zeus weer nooit de macht in handen kreeg - toen was het dat ik hun mijn beste raad gaf, maar de Titanen niet kon overtuigen, de kinderen van aarde en hemel. Nee, in heel hun stoere eigenwaan versmaadden ze al mijn slimme listen en ze dachten dat het geen moeite kosten zou de macht te grijpen met geweld. Maar dikwijls had mijn moeder, Themis - Aarde - (zij is één, maar draagt veel namen) mij vooruit verteld hoe al wat komen moest er uit zou zien: dat niet door brute kracht noch door geweld, maar door verstand degenen zouden winnen die om te heersen waren voorbestemd. Maar toen ik ze dat uitgebreid vertelde, schoven ze kil mijn goede raad opzij.

Mij stond toen, dacht ik, niets meer open dan om met mijn moeder naast me uit eigen wil, maar ook door hem gewild, de kant van Zeus te kiezen. Door mijn raad herbergt dus de Tartaros, de zwarte, diepe krocht, de oude Kronos met al zijn bondgenoten. Zo heb ik de heerser van de goden nu geholpen, en zo, met deze bittere beproeving, betaalt hij mij terug! Helaas, die ziekte lijkt elke tirannie wel aangeboren; dat je je eigen vrienden niet vertrouwt. Wat jullie vraag betreft - om welke reden ik hier door hem gefolterd word - ziehier. Zodra hij op zijn vaders troon gezeten was, wees hij elke god zijn privilege en gaf hij elk een stukje van de macht, maar van de arme stervelingen trok hij zich niet het minste aan. Hij wilde zelfs heel dat geslacht uitroeien en een nieuw plannen. Niemand verzette zich, op mij na. Alleen ik had de moed. Ik redde mensen, zodat ze niet gedoemd waren de weg naar de totale ondergang te gaan. Daarom kronkel ik hier in zulke pijnen, bitter te dragen, akelig om te zien. Ik die begonnen ben met mededogen voor mensen word dat zelf niet waard geacht, maar word zo harteloos terechtgewezen, dat het een schouwspel vormt dat Zeus bekladt.

koor: Een hart van ijzer, uit de rots geslagen is hij die geen deel heeft aan jouw zware pijn, Prometheus. Ik had het liever nooit aanschouwd. Nu ik het zie, krimp ik ineen.

Prometheus: Ik doe de ogen van mijn vrienden pijn...

koor: Je dreef toch je vermetelheid niet verder?

Prometheus: Ik zorgde dat de mens niet van zijn dood wist.

koor: Welke genezing vond je voor die kwaal?

Prometheus: Ik plantte in hun lichaam blinde hoop.

koor: De mens bewees je daar een grote dienst mee.

Prometheus: En bovendien was ik het die ze vuur gaf.

koor: Wat? Heeft de eendagsvlieg het vlammend vuur?

Prometheus: Ja! En het zal hem alle kunsten leren.

koor: Waren dit nu de redenen dat Zeus...

Prometheus: ...mij foltert en mij geen verlichting schenkt.

koor: En wanneer zal die jammer eindigen?

Prometheus: Niet eerder dan wanneer het hem behaagt.

koor: Maar zal dat ooit zo zijn? Is er wel hoop? Zie je je dwaling dan wel in? Ach, om te spreken over hoe je dwaalde, die mij geen genoegen en jou pijn. Laat dat ook maar en zoek een uitweg uit je jammer.

Prometheus: Hoe makkelijk heeft het een buitenstaander om hem die in ellende zit te manen en te verwijten! 'k Wist dit alles al. Uit vrije, vrije wil heb ik gezondigd, ik kan het niet ontkennen. Door de mens tot hulp te zijn, hielp ik mezelf aan leed. Maar toch had ik nooit kunnen denken dat ik eens in pijn en smart verrotten zou aan deze hoogverheven rots, op zo'n van iedereen verlaten, doodse piek. Klaag dus niet langer om wat ik nu lijd, maar strijk hier op de grond neer en verneem wat mij te wachten staat, zodat je het zult weten tot het allerlaatste einde. O, doe dat, doe dat, deel de pijn van hem die hier gepijnigd wordt, want o, de smart waart zonder aanzien des persoons de wereld rond en treft eenieder, één voor één.

koor: Aan gewillige oren roep je, Prometheus, dit toe en met lichtvoetige tred verlaat ik mijn snelle zetel, verlaat ik de smetteloze lucht, de heerbaan der vogels. Ik daal neer op de scherpe grond om het hele verhaal te aanhoren van je ellende.

Okeanos: Na een lange, vervelende reis ben ik eindelijk bij je, Prometheus. Ik heb deze snelwiekende vogel met mijn eigen wil aangedreven, zonder toom, om naar jou toe te komen. Je moet weten: ik voel met je mee. Ik geloof dat ik daartoe verplicht ben, want we zijn door verwantschap verbonden, maar zonder die band is er niemand die ik een beter hart toedraag dan jou. Je zult merken dat ik dit oprecht meen en niet zomaar wat praatjes verkondig. Kom, vertel me hoe 'k je kan helpen, want je zult nooit een trouwere vriend bezitten dan Okeanos.

Prometheus: Ha! Wat dit dat? Ook jij komt je vergapen aan mijn ellende? Wat gaf je de moed je holen, overwelfd door rotsen en gevormd uit de natuur en de naar jou genoemde stroom achter te laten om te komen naar dit moederland van ijzer? Of kwam je misschien om mijn bitter lot te aanschouwen en te delen in mijn smart? Zie dan dit droevig schouwspel, hoe een vriend van Zeus, die meehielp aan zijn heerschappij, door hem in helse pijn gebogen wordt!

Okeanos: Ik zie, Prometheus, en ik wil je graag, hoe vindingrijk je ook bent, een goede raad verschaffen: ken jezelf, sla nieuwe wegen in. Nieuw is immers ook de hemelvorst. Maar als je smijt met zulke scherpe woorden, zo fel gewet, loop je wellicht de kans dat Zeus, al troont hij nog zo hoog, je hoort, en dan zal je de smart van dit moment slechts een eenvoudig kinderspel toeschijnen. O, zwaarbeproefde, leg je toorn toch af, probeer je te bevrijden van je pijn. Misschien lijkt wat ik zeg je afgezaagd, maar toch is dit, Prometheus, slechts het loon van een te trotse en vermetele tong. Nog steeds ken je geen deemoed en je buigt voor rampspoed niet, maar stapelt smart op smart. Vergun me toch je leermeester te wezen. Sla niet tegen de prikkels, want besef dat een versteend alleenheerser regeert die niemand rekenschap verschuldigd is! Daarom vertrek ik nu om te proberen of ik je uit je pijn verlossen kan. Houd jij je rustig, toom je tong wat in. Of weet je niet, jij met je meesterbrein, dat over ijdele taal steevast de zweep gaat?

Prometheus: Ik ben zo blij dat jou geen blaam zal treffen, hoewel je waagt mij hier bij te staan. Vergeet het nu en maak je maar geen zorgen. Je zult hem, wat je ook doet, niet overreden, want overreedbaar is hij niet bepaald. Kijk maar goed uit dat jou die tocht niet schaadt!

Okeanos: Je geeft veel beter goeie raad aan anderen dan aan jezelf! Ik oordeel naar de feiten, niet naar woorden, maar houd niemand tegen die gaan moet. O, ik weet haast één ding zeker, één ding: dat Zeus het mij vergunnen zal om jou hier te verlossen uit je pijn.

Prometheus: Mijn dankbaarheid daarvoor zal eeuwig zijn. In ijver kom je niets te kort, maar doe geen moeite, want die moeite is, wanneer je je per se die moeite geven wilt, vergeefs en zal mij absoluut niet baten. Houd je toch rustig en blijf buiten schot. Ik ben niet iemand die, als het hem slecht gaat, daarin de hele wereld mee wil slepen, o nee! Want ook het lot van mijn broer Atlas knaagt al aan mij, die in het avondland staande de zuil van aarde en hemel schraagt op beide schouders. Geen geringe vracht! Deernis beving mij ook toen ik de uit de aarde gesproten zwerver door Kilikiës holen, het honderdkoppige, het woeste, het alverdelgende monster Typhoon zag, die met geweld werd overweldigd. Alle goden had hij eerst weten te weerstaan. Zijn angstaanjagende kaken sisten venijn, een huiveringwekkende glans straalde uit zijn ogen, alsof hij Zeus' bewind omver wou blazen.

Maar op hem daalde de immer wakkere schicht van Zeus, de vurige bliksem, neer en sloeg zijn hovaardij en grootspraak stom. Recht in het hart geraakt verbrandde hij tot as, de donder blies zijn krachten uit. En nu, een hulpeloze, stomme romp, ligt hij dichtbij de nauwe zeedoorgang, geperst onder de wortels van de Aetna, terwijl Hephaistos op de hoogste top zijn gloeiend ijzer smeedt. Van daaruit zullen eenmaal rivieren vuur losbarsten en tieren en razen met doldrieste kaken over het open land van rijk Sicilië. Zo kokend zal de furie zijn die Typhoon met vlammensnuivend vuurgeweld omhoog spuit, al is hij door Zeus' bliksemschicht verkoold! Maar jij bent wijs genoeg en hebt van mij geen les van node en weet jezelf te redden. Ik zal mijn huidig lot tot op de bodem toe ledigen, tot Zeus zijn toorn laat varen.

Okeanos: Maar weet je dan niet, Prometheus, dat woorden de dokters zijn van een verstoorde geest?

Prometheus: O ja, als ze het hart in zachtheid weken en het gezwel niet voortijdig doen krimpen.

Okeanos: Maar zie je nadeel in het samengaan van moed en toewijding? Verklaar me dat.

Prometheus: Verloren werk en simpelheid van geest.

Okeanos: Laat mij dan met die ziekte ziek zijn, want het loont om slim te zijn en dom te lijken.

Prometheus: Dat zal dan blijken juist mijn kwaal te zijn.

Okeanos: Je woord zegt zonneklaar dat ik moet gaan.

Prometheus: Laad door je jammerklacht geen haat op je!

Okeanos: Van hem die nog maar pas in almacht zetelt?

Prometheus: Ja, hem. Kijk uit dat je zijn toorn niet opwekt!

Okeanos: Jouw ongeluk, Prometheus, is mijn leraar.

Prometheus: Ga, dan! Vertrek! Onthoud wat je van plan was.

Okeanos: Je spoort me aan terwijl ik al op weg ben! Mijn viervoetige vogel slaat zijn vleugels al in de vrije velden van de lucht uit. Hij zal het prettig vinden straks zijn knieën thuis in de stal tot rust te laten komen.

koor: Ik klaag, Prometheus, om je lot, je ellendige lot. Een vloed van tranen druppelt uit mijn ogen, o een ware vloed, en maakt mijn tere wangen nat. Je zag nooit iets onzaligers, want Zeus heerst thans naar eigen wet en legt zijn ijzeren heerschappij op aan de goden van weleer. De hele aarde klaagt nu mee, het weergalmt overal. Men klaagt over je groot gezag, de eerbiedwaardige, fiere roem uit jouw tijd en die van je broers. Eenieder die zijn woonstee heeft in 't heilig Azië klaagt mee. De mensen delen in jouw smart die elk begrip te boven gaat. Ook de inwoners van Kolchis, maagden voor geen strijd bevreesd, ook de menigte der Skythen, huizend aan de verste grenzen, rond het meer van Maiotis. Ook Arabia's krijgersbloei, tronend op hun steile vesting in de buurt der Kaukasus, de geduchte vechterschare met hun stormgejoel van speren. De golfslag van de zee loeit mee wanneer zij valt. De diepte kreunt. Het binnenste der Hades rommelt. De bronnen van de frisse stromen beklagen je rampzalig leed.

Prometheus: Denk niet dat ik uit trots of eigendunk thans zwijg. Somber gepeins vreet aan mijn hart nu ik mezelf hier zo mishandeld zie. En toch, wie anders heeft die nieuwe goden hun privileges toebedeeld dan ik? Maar daarom zwijg ik, want ik zou vertellen wat iedereen al weet. Luister daarom naar de ellende van de stervelingen, hoe ze aanvankelijk onnozel waren, tot ik ze rede gaf en vindingrijkheid. Begrijp me goed, ik smaad de mensen niet, ik leg alleen mijn liefde voor ze uit. De eerste mensen waren ziende blind, horende doof. Als schimmen in een droom leefden ze doelloos voort van dag tot dag, in opperste verwarring. Stenen huizen, beschermd tegen de zon, kenden ze niet, noch timmerwerk. Ze woonden in de grond, in diepe holen, als geringe mieren, ver van de zon. Een zeker teken dat het winter was of bloembezaaide lente of vruchtenrijke zomer was er niet. Ze deden alles zonder na te denken. Tot ik hun leerde waar de sterren onder- en opgingen, zo moeilijk waar te nemen. Ook de getallen, die triomf van kennis, bedacht ik voor ze, en de kunst van het schrijven die alles eeuwig maakt, de zoete moeder der Muzen. Ook was ik de eerste die de wilde beesten bracht onder het juk, zodat ze met hun zadels en hun teugels de mens het zwaarste werk uit handen namen. Ik spande aan de wagen lijdzaam het paard, wonder van grote rijkdom en van weelde. En ook was ik de allereerste die de zeilgewiekte zee-omzwervende wagens der schepelingen heeft bedacht. Al deze vindingen heb ik, ach arme, ontworpen voor de mens, maar zelf weet ik niet één list om te ontsnappen aan mijn leed.

koor: Jouw deel is smart en pijn, en op de vlucht geslagen is je helderheid van geest. Zoals een slechte dokter, die zelf ziek geworden is, heb je de moed verloren, zoek je vertwijfeld naar een medicijn om daar je eigen kwaal mee te genezen.

Prometheus: Laat mij de rest van mijn verhaal vertellen, zodat je nog verbaasder staan zult over wat ik aan vaardigheid en kunsten uitvond. Ten allereerste: wanneer iemand ziek werd, was er geen afweermiddel, zalf noch pillen noch drankjes. Door gebrek aan medicijnen teerden ze weg, tot ik ze openbaarde hoe pijnstillende middelen te mengen, waarmee ze al hun ziektes afweren. Ik onderscheidde een menigte methodes voor het voorspellen van de toekomst. Zo was ik de eerste die bij dromen wist wat uitkwam en wat niet. Ik leerde ze de zin van moeilijk te begrijpen klanken en van de tekens die men onderweg ziet. Ik maakte onderscheid tussen de vlucht der kromgeklauwde vogels en vertelde welke geluk voorspelde of ongeluk, wat hun diverse levenswijzen waren, hun wederzijdse vriendschappen en vetes, en hoe ze met elkaar vergaderden. Verder de zachtheid van hun ingewanden en welke kleur de gal moet hebben om de goden te behagen, het patroon van vlekken, wonderschoon, der leverlel, het dijbeen in het vet gehuld, het grote heiligenbeen door vuur verteerd - verborgen kunsten die ik de stervelingen leerde. Ik heb hun oog geopend voor de tekens, die voorheen duister waren, uit de vlammen. Tot zover dit. De rijkdom en de zegen die voor de mens onder de aarde schuilt, brons, ijzer, zilver, goud, wie durft te zeggen dat hij ze eerder heeft ontdekt dan ik? Niemand, o nee, behalve praatjesmakers. Laat ik het in een kort woord samenvatten: de mens heeft al zijn kennis van Prometheus.

koor: Sta toch de mens niet bovenmate bij, terwijl je eigen ongeluk je koud laat. Zie, ik heb goede hoop dat je nog eens bevrijd zult worden uit je ketenen en even machtig worden zult als Zeus.

Prometheus: Niet zo zal het vervulling brengend lot dit eindigen. Alleen als ik geknakt ben door pijn en martelingen zonder tal zal ik ontkomen aan mijn ketenen. Het noodlot is veel sterker dan de kunst.

koor: Maar wie is dan de stuurman van dat lot?

Prometheus: Het drietal Moiren en de wraakgodinnen.

koor: Is Zeus dan misschien minder sterk dan zij?

Prometheus: O ja! Ook hij gehoorzaamt aan het lot.

koor: Wat is zijn lot, behalve eeuwig heersen?

Prometheus: Dat mag je nog niet weten. Dring niet aan.

koor: Er gaat achter je woorden een geheim schuil!

Prometheus: Een ander onderwerp. De tijd is nog niet rijp hiervoor. Het moet verborgen blijven tot elke prijs. Wanneer ik het bewaar, kom ik uit deze wrede boeien los.

koor: Moge de alheerser Zeus nooit zijn macht tegen mijn wil opzetten, moge ik nooit verzuimen te gaan tot de goden met heilige offers, geslachte runderen, bij de onbedwingbare stroom van Okeanos, mijn vader. Mogen mijn woorden nooit zondig zijn! O, laat mij dit toch voor altijd voor ogen staan. O, het is overzoet om heel je leven van hoop vervuld te slijten, je hart te voeden met stralende vreugde. Maar ik huiver als ik je aanschouw, door plagen zonder tal gemarteld, want je sidderde niet voor de macht van Zeus, Prometheus, maar je hebt, naar eigen inzicht, de stervelingen veel te veel eer bewezen.

Zie je, o vriend, hoe ondankbaar de dank is? Zeg me, vanwaar komt hulp? Wie van die eendagsvliegen is nu van nut? O, zag je de jammerlijke machteloosheid, als in een stomme droom, waarin dit blind geslacht van stervelingen is gedompeld? Nooit zullen mensenplannen, hoeveel ook, Zeus' orde doorbreken. Dit is de les die ik leerde, Prometheus, uit het zien van je ondergang. En dat andere lied kwam mij aangevlogen, zo anders van toon, dat ik op je bruiloft bij je bad en je huwelijksbed heb aangeheven, toen je naar Hesione dong, mijn zuster, met een keur van geschenken, en met haar trouwde en tot je bedgenoot maakte.

Io: Welk land? Welk volk? Hoe moet ik hem daar noemen, door weer en wind geteisterd, gekluisterd aan de rotsen? Wat was je misdaad dat jij als straf hier afsterft? Zeg mij, waar ter wereld ben ik, ellendige, terechtgekomen? (pijnkreten) Alweer steekt mij, arme verdoolde, de horzel, de bode van de aardgeboren Argos. O, weg! Weg! Weg! Bang ben ik voor die met ontelbare ogen bedekte herder. Hij sluipt met zijn listige blik achter mij aan. Zelfs nu hij dood is, bergt hem de aarde niet. Nee, uit het schimmenrijk vandaan hitst hij mij, de ellendige, op en drijft mij uitgehongerd over het eenzame zand van het strand van de zee. Daar dreunt de met was aaneengevoegde rietfluit, luider en luider en slaapverwekkend. Io, Io, o waarheen, waarheen voert mij mijn zwerftocht, mijn wijd en zijd zwerven? Welke zonde, o zoon van Kronos, o welke zonde vond je in mij dat ik zuchten moet onder dit juk van leed? Au, au! Waarom mij, armzalige, door die niet aflatende horzel gekweld tot de grens van waanzin? Vreet me met vuur op, begraaf me in de grond of geef me als voer aan de diepzeemonsters, maar zie niet neer op mijn smeedbeden, heer. Mij heeft het zwervende zwerversbestaan genoeg geleerd, alleen dit ene niet: te ontsnappen aan mijn leed. Hoor je de schreeuw van de gehoornde maagd?

Prometheus: Hoe zou ik haar niet horen, door de horzel steeds voortgedreven dochter van Inachos? Zij die het hart van Zeus heeft doen ontbranden in liefde en die nu door Hera's haat een eindeloze weg heeft af te leggen?

Io: Waarom hoor ik je de naam van mijn vader noemen? Vertel mij, rampzalige, wie je bent dat jij in ellende voor mijn ellende woorden kunt vinden om mij die te zeggen? Je noemde de naam van de godgezonden ziekte die aan mij vreet met waanzinnig gesteek zonder ooit op te houden. (pijnkreten) Gedreven door Hera's wraak kwam ik hier met wilde sprongen van honger. O ,een belachelijke aanblik. Wie van de ongelukkigen is (pijnkreten) net zo ellendig als ik er aan toe? O, kom, vertel me wat ik nog lijden moet, wat voor een middel of medicijn mij redden kan, mij redden uit de nood. Vertel me het als je het weet. Spreek en verklaar het de zwervensmoede maagd!

Prometheus: Al wat je weten wilt, zal ik je zeggen, rechttoe, rechtaan, niet ingekleed in raadsels, zoals dat hoort als je tot vrienden spreekt. Die 't vuur aan mensen gaf, zie je, Prometheus.

Io: Jij, die de grootste zegen van de mens bleek, arme Prometheus, wat doet jou zo lijden?

Prometheus: Ik was juist aan het einde van mijn klacht.

Io: Je wilt me dus die gunst niet meer bewijzen?

Prometheus: Zeg welke gunst. Ik heb niets te verbergen.

Io: Vertel me wie je in de kloof vastbond.

Prometheus: Het plan van Zeus, de handen van Hephaistos.

Io: Voor wat voor zonde moet jij boete doen?

Prometheus: Wat ik gezegd heb, moet voldoende zijn.

Io: Vertel me dan nog of er ooit een einde komt aan mijn zwerven, wat er is bepaald over het eindpunt van mijn lijdensweg.

Prometheus: Dat kun je beter niét dan wél vernemen.

Io: Verheel me niet wat ik nog lijden moet.

Prometheus: 't Is niet omdat ik je die gunst misgun...

Io: Waarom aarzel je dan het mij te zeggen?

Prometheus: Ach, niets, maar ik ben bang je hart te breken.

Io: Wees om mij niet bezorgder dan mij lief is.

Prometheus: Ik moet wel, als je zo graag wilt. Dus luister!

koor: Nog niet! Gun mij een deel van het genot. Laat ons eerst horen wat haar ziekte is. Laat haar over haar droevig lot vertellen. Daarna zeg jij welk lijden haar nog wacht.

Prometheus: Aan jou, Io, om daaraan te voldoen. Bedenk: het zijn de zusters van je vader. Om steen en been over je lot te wenen en dan in staat te zijn een traan te ontlokken aan elk die luistert, is de moeite waard.

Io: Ik zie niet hoe ik u dat weigeren kan. Ik zal in duidelijke taal vertellen wat jullie ook maar zouden willen weten, maar toch schaam ik me reeds bij het verhaal van die vervloekte godgezonden storm waarin mijn schoonheid is teloorgegaan, neerstriemend op mijn veelbeproefde hoofd, want altijd kwamen 's nachts de droomgezichten mijn maagdelijk vertrek bezoeken om mij met zoete woorden te paaien. “O,” zeiden ze dan, “jij, zegenrijke vrouw, waarom blijf je nog langer maagd, terwijl in je bereik het hoogste huwelijk ligt? Want Zeus is door de liefdespijl in vlam en vuur geraakt voor jou en wil zich samen met jou aan Afrodite overgeven. Je mag, o kind, het bed van Zeus niet tarten, maar ga naar Lerna's hoge grasland, naar de kudden en de stallen van je vader, en blus de koorts die in Zeus' ogen brandt.”

Door zulke dromen werd ik nacht na nacht tot mijn verdriet geplaagd, tot ik het waagde mijn vader te vertellen van de dromen die mij 's nachts opzochten. Naar de orakels van Pytho en Dodona zond hij boden, een menigte, om aan de weet te komen om wat voor woord of daad de goden vroegen. Zij keerden met verwarde, niet te duiden en dubbelzinnige berichten weer, waar je geen touw aan vast kon knopen. Toen, uiteindelijk, kwam er klaar bescheid voor Inachos, een onwrikbaar bevel om mij uit huis en vaderland te stoten, mij op de wijde wereld los te laten om die tot aan haar verste grens te omzwerven. Zoniet, dan wachtte hem een vlammenschicht van Zeus, die zijn geslacht verdelgen zou. Geprest door die orakels van Apollo joeg hij mij uit zijn huis en sloot mij buiten tegen mijn wil en tegen die van hem. Maar ach, de zweep van Zeus dwong hem daartoe. Meteen werden mijn schoonheid en verstand ontwricht, onttakeld. Ik kreeg horens op, zoals je ziet, en door de paardenvlieg met felle beet gestoken holde ik met dolle sprongen naar de bron van Lerna en naar de zoete stromen van Kerchnea.

Maar onverminderd in zijn woede volgde de herder Argos, uit de aard geboren, met zijn tapijt van ogen al mijn schreden. Toen sloeg de dood onaangekondigd toe en roofde hem het leven. Door de horzel gestoken jaagt de goddelijke zweep mij echter almaar voort, van land tot land. Je hoorde mijn verhaal en als je mij kunt zeggen hoeveel rampspoed mij nog wacht, vertel het dan. Tracht niet uit medelijden mijn hart te troosten met gelogen woorden. De ergste ziekte vind ik: veinzerij.

koor: Ai, ai, hou op! O wee! O, nooit, nee, nooit had ik verwacht zulke huiveringwekkende woorden ooit te horen. Niet om aan te zien, niet om te dragen, is dat zeer, dat wee, dat leed dat mijn hart verkilt en treft met een wrede, tweepuntige haak. O noodlot, noodlot, ik sidder als ik Io's nood zie.

Prometheus: Je klaagt te snel en bent vervuld van vrees. Geef pas je oordeel als je ook de rest weet.

koor: Vertel! Zeg op! Het troost een zieke zeer het lijden dat nog wacht vooruit te weten.

Prometheus: Aan jullie eerste wens kon ik voldoen zonder veel moeite. Uit haar eigen mond wilden je eerst haar lijdensweg vernemen. Hoor nu de rest: wat deze vrouw, zo jong, door Hera's wil gedoemd is nog te lijden. Neem het ter harte, zaad van Inachos, en leer waartoe de weg van 't leven leidt. Wend je van hieruit naar de zonsopgang, doorkruis daarna de ongeploegde velden en je bereikt de Scytische nomaden die hoog boven de grond, door riet bedekt, op sterkgewielde wagens wonen en voorzien zijn van een steeds treffende boog. Nader ze niet, maar trek hun land voorbij door in de buurt te blijven van de kust, met rotsen waar de zee op zwoegt en steunt.

Ter linkerzijde wonen de Chalybes, de ijzerwerkers. Kijk maar voor ze uit, want ze zijn wild, voor vreemden ongenaakbaar. Daarop bereik je de rivier Hybristes, terecht genoemd naar hybris, “overmoed”. Steek die niet over - 't zou moeilijk gaan - voor je aan de Kaukasus gekomen bent, de zeer verheven bergtop van wiens slapen deze rivier neerspat uit volle macht. Beklim die top die aan de sterren grenst en volg daar overheen het pad naar 't zuiden. Dat voert je naar het mannenhatend volk der Amazonen, die zich in de toekomst in Themiscyra zullen vestigen, rondom de Thermodon, waar aan de zee de woeste kaak van Salmydessos gaapt, vijand van schippers, stiefmoeder van schepen. Ze wijzen je maar al te graag de weg. Dichtbij de nauwe poorten van een meer zal je de istmus der Kimmeriërs bereiken. Laat die onverschrokken achter en steek de zeestraat van Maiotis over, een overtocht die voor de mensen na ons als een legende voort zal blijven leven en die naar jou genoemd zal worden: “koewad” of “Bosporus”. Europa achterlatend bereik je 't Aziatisch vasteland.

Begrijpen jullie nu dat de tiran der hemelgoden gewelddadig is, altijd en overal? Hoewel de god hunkerde naar gemeenschap met dit meisje, legt hij haar toch dit zwerversleven op. O jonge vrouw, je trof een wrede vrijer! Geloof me, met wat ik je hier vertelde, is nog niet eens de inleiding begonnen!

Io: Ai mij! Ai mij! O, o!

Prometheus: Wat? Schreeuw en kreun je nu al? Hoe zal 't zijn als je dit bar relaas hebt uitgehoord?

koor: Wat zeg je? Nog meer pijn? Nog meer ellende?

Prometheus: Haar wacht een ware zee van smart, van wee.

Io: Wat heeft mijn leven dan voor zin? Waarom mij dan niet razendsnel van deze rots gestort, zodat ik van mijn pijn verlost word door op de grond uiteen te slaan? Ja, beter eenmaal te sterven dan aldoor te lijden.

Prometheus: O, nauwelijks zou je mijn pijn verdragen, mij die geen sterven ooit beschoren is. Dat zou me immers van mijn leed bevrijden. Maar aan mijn lijden zal geen einde komen zolang niet Zeus zijn troon ontnomen is.

Io: Wat? Zal men ooit Zeus van zijn troon af stoten?

Prometheus: Dat wou je, dacht ik, wel eens zien gebeuren.

Io: Ja, waarom niet? Door hem moet ik toch lijden?

Prometheus: Welaan, het zal, geloof me vrij, geschieden.

Io: Wie zal hem zijn tirannenstaf ontroven?

Prometheus: Hijzelf en zijn leeghoofdige besluiten.

Io: Maar hoe? Vertel het, als het je niet schaadt.

Prometheus: Hij trouwt, maar 't zal hem op een dag berouwen.

Io: Met een godin of een aardse vrouw? Als het mag, spreek!

Prometheus: Waarom gevraagd met wie? 't Is onuitspreekbaar.

Io: Raakt hij de troon kwijt door zijn echtgenote?

Prometheus: Zij baart een zoon, ja, sterker dan zijn vader.

Io: Heeft hij geen kans om aan die doem te ontsnappen?

Prometheus: Nee, nee, behalve mij, als ik bevrijd word.

Io: Wie zal je dan, tegen Zeus' wil, bevrijden?

Prometheus: Iemand, zo staat al vast, die van jou afstamt.

Io: Wat zeg je? Maakt een kind van mij je los?

Prometheus: De derde na de tiende generatie!

Io: Nu gaan je spreuken mijn begrip te boven.

Prometheus: Wees dan ook niet nieuwsgierig naar je leed.

Io: Je moet geen eens gegeven gunst weer nemen!

Prometheus: Van twee verhalen geef ik je er één.

Io: Van welke twee? Vertel ze en laat me kiezen.

Prometheus: Goed. Kies of ik je verdere lijdensweg onthullen zal of wie mij zal bevrijden.

koor: Voor haar het ene en voor ons het andere verhaal, wanneer je wilt. Wij zijn er ook nog! Voor haar haar verdere omzwervingen, voor mij wie je bevrijdt, dat is mijn wens.

Prometheus: Als je zo aandringt, zal ik niet weigeren alles te zeggen wat je graag wilt weten. Eerst, Io, zet ik jou je rusteloze zwerftocht uiteen, je plagenrijke rondgang. Schrijf het op de geheugentafels van je geest! Als je de grens van beide werelddelen, de stroom, hebt overschreden naar het oosten, het vlammend oosten, waar de zon rondwaart, steek daar de stille zee dan over tot je de Gorgonese vlakte van Kisthene bereikt, waar de Porkhiden wonen, drie bejaarde vrijsters in een zwanentooi, die het gedrieën moeten stellen met één oog, één tand. Nooit laat de zon een straal vallen op ze, noch in de nacht de maan. Dichtbij hen zijn hun drie gewiekte zusters, de door de mens verafschuwde Gorgonen, hun hoofd vol slagenhaar. De adem stokt bij elke sterveling die ze aanschouwt. Wees op je hoede voor dat garnizoen. Maar luister naar een ander akelig schouwspel. Kijk uit voor Zeus' zeer scherp gebekte honden, de griffioenen die niet blaffen, en ook voor het eenogige volk der Arimaspen, hoog op hun paarden, wonend langs de stroom van Pluto's goud-meevoerende rivier. Blijf uit hun buurt!

Vervolgens kom je aan het afgelegen land der zwarte stammen die wonen bij de bronnen van de zon. Daar stroomt de Aithiops. Zijn oevers volg je, tot je de cataract bereikt waar, hoog van het Biblinische gebergte, de Nijl zijn zoet en heilig water neerzendt. Die zal je leiden naar het deltaland Nilotis. Daar is het je dan beschikt, o Io, voor jezelf en voor je kinderen een nederzetting, ver van huis, te vinden. Was hier iets vaags of onverklaarbaars bij, vraag het dan nog eens tot het helder wordt. Ik heb meer vrije tijd - niet? - dan mij lief is.

koor: Heb je nog iets te zeggen of vergeten over haar bittere omzwerving, zeg het! Maar ben je klaar, bewijs ons dan de gunst waar wij je, zo je nog wel weet, om vroegen.

Prometheus: Zij heeft haar reis ten einde uitgehoord, maar om haar aan te tonen dat ik niet zomaar wat zei, wil ik beschrijven wat zij heeft doorzwoegd voordat ze hierheen kwam, als het bewijs van wat ik heb verteld. Ik laat een overvloed aan feiten weg om tot het eindpunt van je tocht te komen. Je had de velden van Molossia bereikt, dus, en de bergkam om Dodona met de orakelplaats van Zeus Thesprotos, waar dat verbazingwekkend wonder van sprekende eiken je eertijds begroette, in klare taal en niet verhuld in raadsels, als de toekomstige, roemruchte gade van Zeus. Vleit die herinnering je nog? Vandaar joeg jou de horzelsteek het pad af dat langs de zee loopt naar de golf van Rea, waar je met kracht teruggeslagen werd. Die zeeboezem zal eens en voor altijd, geloof me vrij, de Ionische zee heten, opdat het mensdom zich jouw tocht herinnert. Laat dit voor jou het zeker teken zijn dat ik meer zie dan wat zichtbaar is, dat ik het wéét.

De rest van mijn verhaal vertel ik hun en jou gezamenlijk. Ik neem daarom de oude draad weer op. Er is een stad, Kanobos, in de uithoek van 't Nijlgebied, zijn monding en zijn slib. Daar geeft je Zeus weer je verstand terug door je met milde hand licht aan te raken, te strelen slechts. Je zal een zwart kind baren dat naar Zeus' wijze van verwekken “de uit aanraking geborene” zal heten of “Efapos”, die elke vrucht zal oogsten van al het land dat door de brede stroom der Nijl bevloeid wordt. En vijf generaties na hem keren naar Argos vijftig meisjes terug, tegen hun zin, omdat ze vluchten, de zusters, voor een huwelijk met hun neven. Die zullen, dol van liefde en begeerte, als haviken vlak achter duiven aan, ze volgen, jagend op een huwelijk dat geenszins na te jagen valt. God zal daarop een wig tussen hun lichaam drijven en het Pelasgisch land zal ze omvatten als ze door drieste vrouwenhand vermoord zijn in 't holst van een verderfelijke nacht, want elke vrouw berooft haar bruidegom van 't leven door een dubbelzijdig zwaard te dopen in zijn bloed. O, dat de liefde, Kupris, mijn vijanden eens zo bezocht!

Eén van de meisjes zal door haar verliefdheid betoverd worden en haar bedgenoot niét ombrengen. Haar wil is een stomp zwaard, want uit twee kwaden kiezend wil zij liever een lafaard heten dan een moordenaar. Zij wordt de moeder van een koninklijk geslacht in Argos. Ik vertel niet hoe en wat, dat zou te ver voeren, maar uit haar zaad spruit eens de onverschrokkene, een machtig boogschutter, die mij bevrijdt uit mijn beproeving. Dit is het orakel dat mij mijn moeder, de Titane Themis, lang, lang terug geboren, heeft verteld. Hoe en waardoor, dat vergt een lang verhaal. Je wint er niets bij als je het zou weten.

Io: Ai! Ai! Wederom word ik nu door krampachtige pijn en door waanzin verteerd, die mijn hersens vernielt. Door de vuurloze vlam van de horzel gestoken danst mijn hart angstig tegen mijn middenrif op en mijn ogen gaan wielend en wervelend rond. Door een razende windstoot van waanzin word ik uit mijn baan weggedreven. Mijn tong slaat op hol. Vergeefs klotst een troebele stroom van woorden tegen afschuwelijke golven van waanzin op.

koor: O, wijs, ja, wijs was hij die voor het eerst in zijn geest overwoog en met zijn lippen tot uitdrukking bracht dat soort bij soort moet blijven in 't huwelijk. Met hen die door rijkdom verwaand zijn geworden of zich door hun afkomst verheven voelen, moet hij die met handen zijn werk doet niet willen trouwen. Nee, nooit, nee, nooit hoop ik, eerbiedwaardige Moiren, dat gij mij zult ontwaren bij Zeus' huwelijksbed of getrouwd met een bruidegom uit de hemel. Ik huiver wanneer ik het manschuwend maagddom van Io aanschouw, verminkt en vertrapt, nu Hera haar onbarmhartig laat lijden en dolen. Voor een huwelijk van gelijke stand ben ik niet bang, maar o, laat niet de liefde der machtiger goden mij aanzien met haar onontkoombare blik, want dat is een strijd die geen strijd meer is en een zeer noodlottig lot. Ach, ik weet niet wat met mij zal gebeuren. Is het wel mogelijk dat ooit iemand ontkomt aan de plannen van Zeus?

Prometheus: O ja, want Zeus, al is hij eigenzinnig, zal eens vernederd worden, omdat hij zich voorneemt om een huwelijk aan te gaan waardoor hij van zijn tirannie en troon in de vergetelheid gejaagd zal worden. Dan zal volkomen in vervulling gaan de vloek, hem opgelegd door vader Kronos, toen deze van zijn troon gestoten werd. Geen god kan hem een uitweg wijzen uit die ondergang, geen god behalve ik. Ik weet het, en ook hoe. Laat hem dus maar zo zelfverzekerd zitten, op zijn hoog schallende donderslag vertrouwend en zijn schichten van vuur, opzwaaiend in zijn hand. Niets van dit alles zal hem kunnen redden van een ondraaglijke en diepe val. Zo'n tegenstrever bouwt hij zich nu op, tegen zichzelf, een onbevechtbaar wonder dat feller vlam zal vinden dan de bliksem en harder dan de donder daveren zal en dat Poseidons drietandige speer, die pest die zee en aarde schudt, uiteen zal splijten! Dan, als een wrak schip tegen de rots geslagen, zal Zeus leren wat het verschil is tussen heer en slaaf.

koor: Je legt een doem op Zeus die jij zelf wilt!

Prometheus: Ik wil het, ja, maar het zal geschieden ook.

koor: Zal iemand dan echt sterker zijn dan Zeus?

Prometheus: Onder meer pijn dan ik wordt hij bedolven.

koor: Ben je niet bang dat zo hardop te zeggen?

Prometheus: Het sterven is mij vreemd. Wat zou ik bang zijn?

koor: Hij zou je smart en leed kunnen vergroten.

Prometheus: Dat doet hij maar! Ik weet wat komen zal.

koor: Wijs is wie buigt voor de onontkoombare.

Prometheus: Vereer, aanbid en vlei wie er maar heerst! Wat kan die Zeus mij schelen? Laat hem doen wat hij zelf wil, laat hem de heerser spelen zolang het duurt. Dat zal niet lang meer zijn... Maar ginds zie ik warempel Zeus' lakei, de loopjongen van die nieuwbakken god! Hij komt ons vast een boodschap overbrengen.

Hermes: Tot jou, wijze, verbitterder dan bitter, jij die tegen de goden hebt gezondigd door eendagsvliegen gunsten te verlenen en die de dief van 't vuur bent, tot jou spreek ik! De vader draagt je op hem te vertellen welk huwelijk het is waarmee je bluft en dat hem van zijn heerschappij berooft. Zet hem dat helder, punt voor punt uiteen, dus zonder raadsels. En je doet, Prometheus, mij niet een tweede reis aan. Zoiets, weet je, vermag het hart van Zeus niet te vermurwen.

Prometheus: Pompeus is het en vol van eigenwaan, wat je daar zegt! Een echte godenknecht! Dat jullie zo jong nog, zo vers regerend, op hoogten denkt te wonen, vrij van smart! Heb ik daar niet al tweemaal een tiran uit neer zien kelderen? Ook van de derde, die thans de macht heeft, maak ik dat weer mee, ditmaal het snelst en schandelijkst. Je denkt toch niet dat ik voor nieuwe goden wegkruip? Geen sprake van. Ga met gezwinde tred de weg terug die je gekomen bent. Van mij krijg je geen antwoord op je vragen!

Hermes: Dit is de eigendunk dus, die je al eerder naar deze ankerplaats van pijn gevoerd heeft.

Prometheus: Besef één ding: ik zou mijn tegenspoed nooit willen ruilen voor jouw slavenlot.

Hermes: Nee, jij bent liever slaaf van deze rots dan trouwe boodschapper van vader Zeus!

Prometheus: Je hoon is al wat hoont volkomen waardig.

Hermes: Je schijnt te zwelgen in je huidig lot.

Prometheus: Ik zwelgen? (lacht) Ik wou mijn vijanden eens zo zien zwelgen, jouw oom meegerekend!

Hermes: Je acht ook mij aan je ellende schuldig?

Prometheus: Ik haat, in één woord, alle goden die mijn dank ontvingen en mij ondank gaven.

Hermes: Je lijdt, hoor ik, aan geen geringe waanzin!

Prometheus: Je vijand haten, is dat waanzin? Goed dan!

Hermes: Je zou ondraaglijk zijn als het je goed ging.

Prometheus: O, wee!

Hermes: O, wee? Dat is een woord dat Zeus niet kent.

Prometheus: De tijd gaat voort en zal hem alles leren.

Hermes: Maar jij bent er niet wijzer door geworden.

Prometheus: Nee, anders sprak ik nu niet met zo'n knecht.

Hermes: Je wilt de vader dus geen antwoord geven?

Prometheus: O, hij verdient het. Ik ben hem veel schuldig!

Hermes: Je houdt me voor de gek of ik een kind ben!

Prometheus: Ben je dan niet een kind, of dommer nog, wanneer je iets van mij verwacht te horen? Er is geen foltering of enig middel waar Zeus mij mee kan dwingen het te zeggen, tot ik uit deze smadelijke kluisters bevrijd zal zijn. Laat hem maar slingeren met flitsen die verschroeien, laat hem maar alles dooreenmengen en samenklutsen met witgeveerde sneeuw en onderaards dondergerommel, niets zal mij doen buigen. Ik zal niet zeggen wie hem van zijn troon stoot.

Hermes: Pas op dat zich niet wreekt wat jij daar zegt!

Prometheus: Alles wat komen zal, staat vast, allang.

Hermes: Buig je toch, grote dwaas, o buig je toch en denk eens na over je pijnlijk lot!

Prometheus: Schreeuw maar tegen de zee, het helpt niets. Beeld je maar nooit in dat ik, bang voor Zeus' besluit, zo week zal worden als een vrouw en dat ik met mijn handen opgeheven, zoals de vrouwen doen, mijn meest gehate vijand zal smeken om mij te bevrijden uit deze boeien. Dat zij ver van mij!

Hermes: Ik zei je veel, maar zei het tevergeefs. Vermurwd word je door niets. Mijn vele smeken verzacht je niet, maar als een veulen, pas onder het juk, verzet je je. Je worstelt tegen de teugels en je bijt in het bit. Toch komt je woede uit een zwak verstand, want eigenwaan van iemand die niet nadenkt staat op zichzelf volkomen machteloos. Let op, als je mijn woorden veronachtzaamt, wat voor een barre storm, wat voor een golven, driehoog en onontkoombaar, op je vallen! De vader zal met bliksemslag en donder eerst deze scherpe rots aan stukken breken en daar je lichaam mee omhullen. Armen van steen omhelzen je. Eerst als een lange, zeer lange tijd verstreken is, verschijn je weer in het licht.

Maar dan! Zeus' vleugelhond, de adelaar, bloedrood, zal komen als een ongenode gast, de ganse dag, om met zijn woeste honger heel je lichaam tot flarden te verscheuren en zich zat te vreten door te pikken in je lever! Verwacht geen einde aan die zware pijn, zolang geen god verschijnt om al je smart op zich te nemen, iemand die voor jou wil afdalen naar Hades' dodenrijk en naar de zwarte, diepe Tartaros. Denk hier goed over na. 't Is geen verzinsel, geen overtroeverij, maar bittere ernst. Zeus' mond vermag geen leugens uit te spreken. Bij hem gaat elk woord in vervulling. Dus, denk na, kijk uit! Beschouw nooit eigenwaan als iets verstandigers dan rijp beraad.

koor: Wat Hermes zegt, lijkt ons niet ongeschikt. Hij vraagt je af te zien van eigenwaan en naar verstand en rijp beraad te zoeken. Geloof 'm toch! Het is vernederend wanneer een wijs man in zijn fout volhardt.

Prometheus: Wat hij daar verkondigt, is niets nieuws voor mij. Niet vernederend is het wanneer je als vijand door de hand van je vijanden lijden moet. Laat daarom de tweepuntige krul van het vuur maar gerust op mij neerdalen en laat de hemel door stuipen van donder en ziedende winden uit elkaar scheuren, mogen de wilde orkanen de aarde ontwrichten met wortel en al, laat de zeegolven hoog en met brullend geweld opklotsen tegen het netwerk van sterren, laat hem mij in het diepste en diepste zwart van de Tartaros smijten, waar strenge Anangke wentelt en woelt. Nooit, nooit krijgt hij mij dood!!

Hermes: Waarlijk, dat zijn de woorden, dat zijn de gedachten die je hoort van krankzinnigen, want is er iéts in zijn wensdroom van net dat daar niet op wijst? Een en al waanzin! O gij, die hier deelt in zijn leed, treed terug, scheer u weg, dat het harde geloei van de donder je hersens niet dooft en verbijstert.

koor: Geef een ander verhaal en een andere raad die mij kan overtuigen. O, tussen je woorden zat één ondraaglijk woord, want hoe kan je me vragen laaghartig te zijn? Ik wil, samen met hem, alles lijden wat hij lijdt. Ik leerde verraders te haten. Geen ziekte waar ik zo van walg!

Hermes: Onthoud dan maar goed dat ik je heb gewaarschuwd. Het lot treft geen blaam wanneer je de rampspoed omstrikt. Zeg ook nooit dat het Zeus was die jullie die niet te voorspellen ellende toegooide. Alleen jullie zelf treft de blaam, want bewust, met je ogen geopend en vooraf gewaarschuwd, zit je nu in het rondom gesloten net van verblinding verward, door je eigen onwijsheid.

Prometheus: Het is niet langer loze praat. Ziedaar, de daad genaakt. De aarde deint, de donder galmt en kraakt vanuit de diepten, de spiralen van bliksemflitsen vlammen op met sissende en felle tongen, de wervelwind loeit door het stof, een storm van alle winden danst en springt in felle tweestrijd op tegen elkaar, de zee is hemel, de hemel zee. Zie, hoe het machtig op mij komt afgestormd, door Zeus gestuurd om mij te laten beven! O moeder, o mijn heilige moeder, en gij, o firmament waarlangs het licht, dat elk gemeen is, wentelt, aanschouw hoe redeloos ik lijd!