Home / Het salie-avondje bij juffrouw Pieterse

Het salie-avondje bij juffrouw Pieterse

Woutertje Pieterse is een Amsterdamse jongen, dromerig en fijngevoelig. Zijn moeder vindt dat er niks van Wouter terecht kan komen. Zijn omgeving denkt af en toe dat hij niet helemaal goed in zijn hoofd is en dat is niet bevorderlijk voor zijn zelfvertrouwen.

Een gedicht van Woutertje verontrust zijn leraar en hij besluit diens moeder op te zoeken om haar erop te wijzen dat het de verkeerde kant uitgaat met de morele instelling van haar zoon. Juffrouw Pieterse heeft net de buurvrouwen op bezoek die een kopje saliethee komen drinken en honderduit zitten te kletsen.

Rolverdeling.

Enny Mols-de Leeuwe Juffrouw Pieterse
Rien van Noppen Milena
Nel Snel Juffrouw Laps
Miep van den Berg Juffrouw Mabbel
Tine Medema Juffrouw Sipperman
Hetty Berger Juffrouw Stotter
Han König Stoffe

Aanvullende gegevens.

Auteur: Multatuli
pseudoniem van Eduard Douwes Dekker
Bewerking en regie: Emile Kellenaers
Omroep: AVRO
Uitzending: 18-11-1954
Speelduur: 30 minuten
Categorie: Sociaal
Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

(kinderen dreunen een stichtelijk gedichtje op - de schoolbel luidt - de kinderen verlaten luidruchtig de school)

meester Pennewip: Zo, nu zullen we de dichterlijke stijloefeningen eens onder handen nemen. Hier hebben we Trijntje Fop.

Trijntje Fop, op haar muts.

Ik heet Trijntje Fop,

En heb een muts op mijn kop.

Niet kwaad... Maar... laat ‘ns zien. Ja, zóis ’t beter! Die beide laatste woorden verzwakken de indruk van het geheel door derzelver overtolligheid. Dat wordt dus:

Ik heet Tryntje Fop,

En heb een muts op.

Wie volgt? Ah!

Lukas de Brijer, op het Vaderland.

Vaderland, koek en amandelen,

Ik ga in de maneschijn wandelen,

Koek, vaderland en brandewijn,

Ik ga wandelen in de maneschijn,

Vijf vingers heb ik aan de hand

Ter eer van 't lieve vaderland.

Zangerig, zeer zangerig! Er is diepte in die koek met brandewijn, en 't vaderland daartussen. De volgende!

Lijsje Webbelaar, op het beroep van haar vader.

De kat viel van de trappe,

Mijn vader verkoopt aardappe-

en uien.

Mm... Oorspronkelijk, doch dat doorsnijden van die aardappelen terwille van ’t rijm keur ik af.

Jannetje Rast, op een windwijzer.

Hij staat op een schoorsteen van binnen vol roet,

En wijst aan de wind hoe hij draaien moet.

Ja, dit is niet geheel juist..., maar als dichterlijke vrijheid kan het ermee door.

Grietje Wanzer, op een rups.

Het rupsje zonder schromen,

Kruipt rond op alle bomen.

Mm... Beschrijvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.

Leendert Snelleman, op de lente.

In de lente is het heel aardig,

In mei is mijn broertje jarig,

Maar nu heeft hij wintervoeten,

Zodat wij de lente prijzen moeten.

Dan gaan wij samen kuieren,

En op paas, vakantie met eieren.

Het is jammer dat hij het rijm zo verwaarloost! Zijn denkbeelden zijn inderdaad ongemeen en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.

Slachterskeesje, lofdicht op de meester.

Mijn vader heeft menige os den doodsteek gegeven,

Maar meester Pennewip is nog in leven.

Soms waren zij mager, en somtijds vet,

En hij heeft zijn pruik opzij gezet.

Mm... Zonderling. Wat moet ik daarvan zeggen? Wat heb ik met die ossen te maken? Mm... Zou dat nu wezen wat de nieuwerwetse boekenmakers humor noemen? Ik moet die jongen ‘ns onder handen nemen... Even een aantekening maken. Zo... De volgende!

Lukas de Wilde, op de godsdienst.

De godsdienst is een schone zaak,

En geeft het mensdom veel vermaak.

Het gronddenkbeeld is niet geheel juist, doch waarschijnlijk goed bedoeld. Hetzelve had iets meer uitgewerkt behoren te worden.

Truitje Gier, op juffrouw Pennewip.

Het pad der deugd wijst zy ons aan,

Wie zou niet gaarne medegaan?

En in verloren ogenblikken

Leert zij ons naaien, stoppen, stikken.

Loflijk, zeer loflijk! Een juiste bepaling der waarde!

Louwtje de Wilde, op de vriendschap.

De vriendschap is een schone zaak,

En geeft het mensdom veel vermaak.

Mm... Eens even vergelijken met Lukas de Wilde! Het is mogelijk dat dit argeloos is geschied! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelijk. Mm... Nog een kind uit dit gezin!

Wimpje de Wilde, op het hengelen.

Het hengelen is een scho...

Mm... Wat is dat? Ja, het staat er waarachtig:

Het hengelen is een schone zaak,

En geeft het mensdom veel vermaak.

Ik moet die Wildemannetjes eens flink onder handen nemen! Wie volgt? Aha!

Leentje de Haas, op admiraal de Ruyter.

Hij is op een toren geklommen,

En heeft daar touw gedraaid,

Toen is hij op zee gekommen,

En werd met roem bezaaid.

Hij wou 't er niet bij laten,

En heeft Saleh geveld.

Toen hebben de heren Statenx

Hem aangesteld als held.

Toen is hij aangekomen

In het roofziek Engeland.

Dat heeft hij zonder schromen

Belegerd en verbrand.

Hij heeft veel christenslaven

Met vrijheid overstrooid.

Toen hebben Neêrlands braven

Zijn glazen ingegooid.

Tot afschrik van verraders

Toen hij de zee bevoer,

Was zijn naam bestevader,

Zijn vrouw was bestemoêr.

Hij gaf de eer den Here,

En was als Christen groot.

Toen kreeg hij door zijn kleren

Een kogel, en was dood.

Uitmuntend! Uitmuntend! Proeve van waarachtig talent! Goede opmerkingsgave, gepaard aan een vroom gemoed. Leentje krijgt een loflijke vermelding. Zo... En nu de laatste! Dat is Wouter Pieterse.

Wouter Pieterse, Roverslied.

Mm... Vreemde titel!

Roverslied.

Met mijn zwaard,

Op m'n paard,

En mijn helm op het hoofd,

Er op in! En de vijand de schedel gekloofd,

En vooruit!

En vooruit!

Op de weg,

Langs de heg,

Met een houw en een stoot

De dragonders verjaagd, en de markgraaf gedood...

***

(kwebbelende vrouwen)

juffrouw Mabbel: En toe hebbe ze daadelik 'n and're chenome... uwé weet wel... (1) die so'n flakki op 'r neus het.

juffrouw Pieterse: Och, 't is so'n chemaal met-i meide... Toe, neemt uwé d'r noch eentje, en lâ-je nie nooie, hoor, juffrouw Mabbel... 't Is 'n koekie f'n j'eiche deech.

Mabbel: Friskuus, juffrouw Pieterse (2).

Pieterse: Koman, of 'k sou denke dâ-je 't niet lust.

Mabbel: Dan mach 'k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert (3) en dankie wel, hoor!

Pieterse: En uwé, juffre Laps, toe, mach 'k 'r je nog eentje cheefe?

juffrouw Laps: Nou, graag een stukkie janhagel.

Pieterse: Skenk er nog is in, Trui! Ja, frouw Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, hoor! 't Wort je f'n harte chechunt, mens! Pietje, feeg de tafel ’s effe af en cha ’s effe kijke na de kleintjes, en sech dâ'k se niet mot hore! Och, juffre Mabbel, 't is zo'n chedoe mettie kindere... enne hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest?

Mabbel: Ja, we hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie vatte... 't M'nkeert 'm an de kleêrfenjanse fâ-de sonnebuul. (4)

1: uwé = U.E. = Uwe Edelachtbare (Juffrouw Mabbel doet graag “geleerd”, op haar manier...).

2: Excuus.

3: Je suis votre obligé (ik ben u zeer verplicht).

4: Het ontbreekt de waarzegger aan ‘clairvoyance’, aan helderziendheid; de sonnebuul = le somnambule = de helderziende.

juffrouw Zipperman: Isset moooochelik... wat 'n mens al beleeft! En w'nneer komt-i... eh... die kle... eh... klik... eh... kleer...

Mabbel: Dat leit 'm an de sénewe, juffre Sipperman. M'r nou het-i d'r slaapmussie, en d'r hemmetje waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en nou sel 't chou komme, seit-i.

Zipperman: Wel mens, wat sech-i! M'r... oe cháát 't dan?

Mabbel: Wel... dan sel de sonnebuul 't seche, wâ-me doen motte.

Laps: Maar ik dééj't niet, ik dééj't niet... fô-cheen werels choet! Nee! Weetje wat ik sech? Ik sech maar, as Chot 't wil, d'n mô-je beruste, dâ-sech ik!

Mabbel: Ja, juffre Laps, m'r die juffr' uit de chrutterij het 't ook chedaan, en d'r kint is veel beter.

Laps: Ja, dat seit uwé, juffre Mabbel, m'r ik sech dâ-se wat in d'r oochies het, wâ-me niet befalt...

Mabbel: Wâ-dan, juffre Laps?

Laps: Nou, se kykt eh... onstichtelik... Ja! Ik houw 't f'r sonde... en dàt sech ik maar. 't Benne allemaal m'r kunste die nie te-pas komme... en as Chot wil, dan mô-je beruste.

Pieterse: Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as ’n stenen man. Sechereis 'n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken 'n heel fers f'n buite. En ook ken-i al de werrikwoorden f'n 't frouwelik cheslacht.

Stoffel: Moeder, wâ-praat uwe fan, uwe siet toch dat 'k rook!

Pieterse: Nou, ja, maar as je pijpie uit is, meen ik, mô-je-n-'s 'n werrikwoord opseche. Je sou seche, w'r haalt de jong' 't f'ndaan, juffre Sipperman. Hoe is ’t nou ook weer, lobbes?... Eh... ik zou beschonke syn chewees, en dan eh... hy sou beschonke syn chewees.

Laps: Foei!

Pieterse: Nee, nee, maar begrijp ’t nou goet, mens, ‘t is niet omdat-i dronke was, gut né, m'r 't kwam so te-pas in ’t werrikwoort. 't Is 'm je slap te lachen, as-i bechint.

Laps: Werkwoorden? Laten we nou liever bij de mens blijven! Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mens 'n mens is, en dààr wou ik het nou over hebben. Ja, wij motten het niet beter willen weten dan de Schrift! De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door 't geloof, maar-maar-maar als je niet uitverkoren bent, dan heb je de genade niet en je kunt niet geloven... Ja, en-en-en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zie je? Ik zeg maar: dàt is zeker, zo goed als twee maal twee, zie je... En daarom wou 'k nou zo graag m'n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin, hoor... O heden, neen... maar om 'n zakduitje op kermis en nieuwejaar. Ach, denkt 'r 'ns over, juffrouw Mabbel.

Mabbel: ’t Spijt me juffrouw Laps, me man is ertegen, omdat ie graag ’s avonds uitgaat en dan mot ik op de winkel passen. En...bovendien, ‘t komt zo slecht uit met bakken.

Laps: Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, hoor, gut nee, nee! We-we-we zouden beginnen bij 't ouwe testament... en dan eh... oefening, hè, weet u wel?

Zipperman: Ja, ik begrijp best wel wat u bedoelt, juffrouw Laps, maar eh... mijn schoonzoon van ’t kadaster is er tegen... Hij zegt dat de dominees voor die zaak betaald worden, en eh... en dat dus alle verdere oefening onnodige kosten wezen zou.

Stoffel: Die heren van 't kadaster zijn zo gek nog niet.

Pieterse: Hou jij je d’r buiten, Stoffel! D’r wordt je niks gevraagd!

Laps: Nou, wat vindt u d’r van, juffrouw Stotter? Vindt uwé niet dat zo'n oefeningetje...

juffrouw

Stotter: Och, me lieve juffrouw Laps, kijk, als je-n-'ns zolang gebakerd had als ik, hè, dan zou je de lust wel vergaan. Ja, daar heb je nou m'nheer Luttelmans, hè, van de Prinsengracht... Die heb ik gebakerd... Ja, en die zei altijd... ja, want, kijk, ik heb altijd in 't fatsoenlijke gebakerd, weet je... 't Is 'n huis met 'n hoge stoep, en in de gang stond zo'n klok, weetjewel, van regen en van wind... Nou, en-en-en die m’nheer Luttelmans die zei altijd: ‘vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie vrouw, zeit-i, ja, en m'n hele familje zal je gebruiken, hoor, zeit-i, maar zeit-i, als de mensen je zowat zeggen, hè, zeit-i, dan moet je maar net doen of je 't niet hoort’

Zipperman: O, zeit-i dat?

Stotter: Ja, dat zeit-i. Ja, en daarom zeg ik maar altijd: ach ja, ieder moet maar weten wat-i doet, hè.

Laps: Maar zo’n oefeningetje nou, vrouw Stotter.

Stotter: 't Is mogelijk, juffrouw Laps, 't is wel mogelijk. hoor... Maar ja, hè, kijk, ik heb al zoveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zo m'n eigen gangetje ga, en tja, dat 's dan ook maar weer ’t beste, vindt u niet? Want kijk, ik ben ook in 'n kraam geweest bij m'nheer De Witte die ’n oom heeft aan 't stadhuis, weetje. Ja, omdat-i zo grappig was, weet je, die zei altijd: ‘Baker, zeit-i, je bent m'n 'n baker!’ Zodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat 'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven.

Laps: En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje?

Pieterse: Ach mensch, ik heb al zo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet wat 't is, mens, om d'r zo negen groot te brengen. En ik doe daar m'n godsdienst mee, daar heb ik m’n handen vol aan.

Stotter:’t Is maar wat je zegt, juffre Pieterse, we hebben geen tijd voor oefeningen!

Pieterse: Kom nou, Stoffel, vertel jij nou 'reis wat!

Stoffel: 'k Weet niks op 't ogenblik.

Pieterse: Ach toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... Zo is-i nou altijd, juffrouw Mabbel, hij moet aan de gang geholpen worden, anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwé zien - toe nou, Stoffel! - ach, hij zal moe wezen van z'n school, weet u... Nou maar, 't is 'n gedoe met zo'n school! Ja, juffrouw Sipperman, daar zit 'n heleboel aan vast... Zou u nou wel zeggen, dat alle woorden mannelijk of vrouwelijk zyn. Ja, is 't niet waar, Stoffel?

Stoffel: Nee, moeder.

Pieterse: Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je - 't is maar, weet uwé, juffrouw Sipperman, om 'm aan 't praten te krijgen, maar dat kan zo in-ene niet, weet uwé, omdat-i moe is van z'n school - ja maar, jongen, en verleden zei je, dat alles...

Stoffel: Nee, moeder. Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig, heb ik gezegd.

Pieterse: Nou hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Zeg, begrijp 'ns, baker, ik ben vrouwelijk, en de tafel ook, en je muts ook - je korrenet, weetje - en jij ook...

Stoffel: Nee, moeder, kornet is mannelijk... alle mannelijke bedrijven... en baker ook.

Stotter: O, gunst! Ik mannelijk? Wat vertel je me nou?

Stoffel: Baker is mannelijk.

Pieterse: Nou begint-i, hoor!

allen: Is 't mogelijk!

Pieterse: Ja mensen, en nog veel meer. Je zult verstomd staan als je 't hoort. Zeg, wat denk jij wel dat jij bent, juffrouw Sipperman?

Zipperman: Ikke? Wat ikke bèn?

Pieterse: Ja, ja, ja... wat je bent, wat je eigenlijk bent?

Zipperman: Wèl... ik ben juffer Sipperman.

Pieterse: En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Stotter... wat denk jullie nou allemaal wel dat je bent?

Laps: Nou, ik ben juffrouw Laps!

Pieterse: Mis... mis... glad mis!

Laps: Wel herem'ntijd, ben ik juffrouw Laps niet?

Pieterse: Jawel, ja, je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagd wie je bent, maar wat je bent... en daar zit 'm 't fijne!

Laps: Wàt ik ben? Nou eh... griffermeerd!

Pieterse: Ja, ja, ja, dat ben je wel, maar dat bedoelt-i niet! De vraag is... wat je bènt? Hè toe nou, Stoffel, help me nou eens...

Stoffel: Nou eh..., juffrouw Laps, ik wenste te weten wat gij zijt uit een dierlijk oogpunt.

Laps: O, maar daar bemoei ik me niet mee!

Stotter: Ik ben 'n baker, en daar blijf ik bij.

Mabbel: En ik ben de juffrouw van de koekenbakker.

Stoffel: Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlijk oogpunt...

Laps: O, als 't onfatsoenlijk wordt, dan ga 'k liever heen.

Stotter en

Zipperman: Ik ook, want-want-want we komen voor ons plezier.

Pieterse: Mensen, mensen, blijf nou toch bedaard! 't Staat in 'n boek - Stoffel, zeg 't maar - je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat in 'n boek staat... je kunt er niks tegen zeggen - toe, Stoffel, vooruit, zeg ’t nou maar!

Stoffel: Juffrouw Laps...

Laps: Ja?

Stoffel: Juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier. (algemene hilariteit)

Laps: Juffrouw Pieterse, je bent 'n keronje! Je mag zelf 'n zoogdier wezen, jij en je zoon, dat zeg ik je! Ik ben zo fatsoenlijk als jij durft te denken, want m'n vader die was in de granen, en nooit heeft iemand iets op me te zeggen gehad! Vraag alle mensen na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zo-iets... Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jij me aandoet, en als ik me niet ontzag, dan zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog 'ns dat je-n-'n keronje bent, jij en je zoon en je hele familie. M'n vader die was in de granen, weetje... en ik ben te fatsoenlijk om me door jou...

Pieterse: Maar mens, 't staat in 'n boek... omdeliefdewil, geloof me nou toch... 't staat in 'n boek!

Laps: Loop naar de maan met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wijzen in je boek, dat zeg ik je! En ik zeg je nogeens dat je-n-'n keronje bent, jij en je lummel van 'n zoon, en je sletten van dochters die opgroeien als... (geklop op de deur)

Pieterse: Och, me lieve menschen, wees toch bedaard, daar zullen de heren wezen.

Mabbel: Nee nee, dat ken nog niet!

(geklop op de deur)

Pieterse: Ja-a, binnen!

meester Pennewip: Goeden avond, juffrouw Pieterse.

Pieterse: O, dag meester!

meester Pennewip: Ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...

Pieterse: O, maar dat is niks, meester. Komt uwé d’r maar in, en gaat u maar zitten. Wil uwé-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?

meester Pennewip: Juffrouw Pieterse, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!

Pieterse: Ja, maar gaat u nou toch zitten, meester...

meester Pennewip: Mm. Juffrouw Pieterse! Gij zijt een brave fatsoenlijke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...

Pieterse: Ja meester, ja, ja, dat deet-i!

meester Pennewip: Val mij niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op mijne school gehad, van vijf jaar af, tot de belijdenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?

Pieterse: Jazeker, meester, natuurlijk, dat is waar.

meester Pennewip: En ik vraag u, juffrouw Pieterse, of gij u, zolang gij, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met mijne school, klachten hebt.

Pieterse: O goeie hemel, nee!

meester Pennewip: Ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse - over de wijze waarop ik - met behulp mijner echtgenote - aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schrijven, rekenen, vaderlandse geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?

Pieterse: Maar, meester...

meester Pennewip: Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag u, of gij klachten hebt - ik bedoel natuurlijkerwijze: gegronde klachten - over mijn onderwys in lezen, schrijven en rekenen...

Pieterse: Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...

meester Pennewip: Zo? Geene klachten alzo! Welnu, dan verklaar ik u... Waar is uw zoon Wouter?

Pieterse: Wouter? - 't Is waar ook - is-i niet tuisgekomen, Stoffel?

Stoffel: Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zijn heel fatsoenlijke kinderen. Ze wonen...

meester Pennewip: Zo... met de Hallemannetjes... die op de Franse school gaan! Zo, zo, zo... Het is dus van de Hallemannetjes, dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes! Het kan niet anders... zedeloosheid, verderf op de Franse school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...

Pieterse: Ja, meester?

meester Pennewip: Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...

Laps: Nou, hèb ik 't niet gezegd? Van die Wouter komt nooit wat goeds. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... Ik heb ’t al lang voorzien. Wat kan men ook verwachten van 'n familie, waar...

Pieterse: Stil nou! Stil nou! Meester, is ’t nou waar of niet, dat juffrouw Laps 'n zoogdier is?

Stotter: O ja, meester!

meester Pennewip: Eh... wie heb ik het genoegen te spreken?

Laps: Ik ben juffrouw Laps van onder-voor.

meester Pennewip: Ah... juist! Juffrouw Laps, gij behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.

(hilariteit)

Laps: Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Mijn vader die was in de granen....

meester Pennewip: Juffrouw Laps, antwoord mij...

Laps: Gut ja, meester, maar...

meester Pennewip: Antwoord mij, juffrouw Laps: waar woont gij in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gij?

Laps: Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrije opgang... kwart in de regenbak beneeje...

meester Pennewip: Dit was geenszins de bedoeling mijner vraag, juffrouw Laps. Derzelver bedoeling was, te weten of gij behoort tot de bijzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in een oesterschelp?

(hilariteit)

meester Pennewip: Ja, juffrouw Laps, dáár komt de zaak op neer, daarop komt nu juist de hele zaak neer!

Pieterse: Nou goed opletten!

Zipperman: Nou nou.

meester Pennewip: Kunt gij leven in 't water? Hebt gij kieuwen?

Laps: In 't water? Maar, meester...

meester Pennewip: Of half in 't water, half op het land?

Laps: Meester, hoe zou ik...

meester Pennewip: Antwoord mij, juffrouw Laps. Hebt gij koud bloed?

(hilariteit)

meester Pennewip: Kunt gij eieren leggen, (hilariteit) juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gij eieren leggen...?

Laps: Hoe kan u dat toch zeggen, meester?

meester Pennewip: Dan zijt gij een zoogdier, juffrouw Laps.

(hilariteit)

Pieterse: Maar meester, wat... wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?

meester Pennewip: Juffrouw Pieterse, mijn school is beroemd tot op Kattenburg... Hoort gij dat, en verstaat gij dat?

Pieterse: O ja, meester.

meester Pennewip: Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelijk wegens de goede zeden die daar heersen... Ik bedoel natuurlijkerwijze: op mijne school. Godsdienst en deugd staan bij mij op de voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen tonen over de deugd..., maar dit zal ik nu met stilzwijgen voorbijgaan. Het zij ulieden genoeg, te weten dat mijne school beroemd is tot op... Wat zeg ik...? Zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg, en eenmaal zelfs ben ik schriftelijk geraadpleegd over de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.

Pieterse: Gut, meester!

meester Pennewip: Ja, juffrouw Pieterse! Ik ben nog in het bezit van dien brief, dien ik u zoude kunnen tonen als ik zulks verkoos. Ja, de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het tekenen van ongepaste figuren op de zerken. Maar juist dáárom - ik bedoelde om de deugd waaromtrent ik zo beroemd ben - voel ik mij verplicht u bij dezen mede te delen dat ik niet verkies de goede naam mijner school te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon!

Pieterse: Ja, maar wat is er dan toch aan de hand, meester?

meester Pennewip: Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der rovers, moordenaars en brandstichters... reacties: Grote genade! Goeie hemelse gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog aan toe! Wat 'n mens moet beleven!

meester Pennewip: Ik zal u 'n stuk voorlezen van zijne hand, en wie daarna nog twijfelt aan de verdorvenheid van deze knaap...

Laps: Ja, lees is voor, meester!

meester Pennewip:

Roverslied.

Met mijn zwaard,

Op m'n paard,

En mijn helm op het hoofd,

Er op in! En de vijand de schedel gekloofd,

En vooruit!

En vooruit!

Op de weg,

Langs de heg,

Met een houw en een stoot

De dragonders verjaagd, en de markgraaf gedood...

Pieterse: Lieve goeie god, wat heeft-i nou toch tegen die markgraaf?

Om de buit!

Laps: Zie je, 't is om de buit! Ik zeg maar altijd, het begint met de bijbel, en...

En die buit

Is mijn bruid...

Pieterse: Heb je van z’n leven! Z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

En die buit

Is mijn bruid,

Mij gekocht met m'n staal...

Pieterse: Met z'n st... a... a... a... l!

En die buit

Is mijn bruid,

Mij gekocht met m'n staal,

En ik voer, als een veêr, met mij mee haar in 't zaal,

Naar de grot...

Pieterse: Hemelse genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

Als de wind

Zo gezwind,

Jaag ik voort met mijn vracht,

En ik sla op haar schreien en kermen geen acht...

Pieterse: Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van!

En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,

Wat genot!

Stotter: O, dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van!

En dan weer

Op-en-neer,

Rechts en links door het land...

Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,

Tot vermaak!

Laps: De hel zit in die jongen... tot vermaak!

En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw avontuur,

Pieterse: Alweer? Waar wil-i in ’s hemels naam nou weer naartoe? 't Is om te bezwijken...

En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw avontuur,

En mijn reisweg getekend met bloed en met vuur,

Om de wraak...

Pieterse: Goeie genade, wat hebben ze 'm toch gedaan?

Want de wraak

Is de taak

Van de koning van 't woud...

Pieterse: Is-i razend... 'k zal 'm koningen!

Want de wraak

Is de taak

Van de koning van 't woud...

Die, alleen tegen allen, zijn scepter behoudt...

Laps: Wat 's dàt voor 'n ding?

Die, alleen tegen allen, zijn scepter behoudt...

En banier!

Op, hoezee...

Wie gaat mee?

allen: O!!

Op, hoezee...

Wie gaat mee?

Nu geen schepsel verschoond,

Nu de mannen gehangen...

(uitroepen van verbijstering)

Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

(verbijstering)

de vrouwen gehoond....

(ontzetting)

de vrouwen gehoond,

Voor plezier!’

Pieterse: Hij... doet... die... dingen... voor... zijn... ple... zier!