Home / Jan Pieterszoon Coen

Jan Pieterszoon Coen

Een hoorspel in de reeks: De Slauerhoff cyclus.

Saartje Specx was de buitenechtelijke dochter van Jacques Specx en een Japanse vrouw. Zij was verwekt toen haar vader als opperkoopman van de VOC in Japan verbleef. Dit werd gezien als een lelijke misstap, want het beleid van de Compagnie was er juist op gericht 'verbastering' van de Nederlandse bevolking in Azië te voorkomen. Daarom ook werden kinderen uit dergelijke ongewenste verbintenissen tussen compagniedienaren en inheemse vrouwen naar Batavia gestuurd om daar onder toezicht van de VOC te worden opgevoed.

Toen Saartjes vader in 1628 tijdelijk terugkeerde naar patria, werd zij toevertrouwd aan de zorg van gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen en diens echtgenote Eva Ment. In het huis van Coen vormde Sara in juni 1629 het middelpunt van een schandaal.

De zestienjarige Pieter Kortenhoef, een bastaard die in Batavia als vaandrig in dienst was van de Compagnie, wist uit hoofde van zijn functie toegang te verkrijgen tot de woonvertrekken van de 'staatdochterkes', zoals de geadopteerde meisjes in het gezin Coen werden genoemd. Hier deed hij 'tot twee diverse malen zijn wil' met Sara, die op de hoogte was geweest van zijn komst en op de vloer alvast een matje had uitgespreid.

Pleegvader Coen, bekend om zijn strenge beleid van discipline en tucht, was woedend. De vrijpartij kwam de beide tieners dan ook duur te staan: Pieter werd veroordeeld tot de dood door middel van onthoofding, een vonnis dat reeds de volgende dag werd voltrokken. Sara kon aanvankelijk rekenen op de doodstraf door verdrinking in een ton.

Omdat zij echter nog geen veertien jaar oud was, de minimumleeftijd voor een doodvonnis, werd haar straf omgezet in een geseling in het stadhuis. De straf werd voltrokken 'met open deuren', zodat Saartje als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen kon dienen.

Slauerhoff behandelde de affaire in het toneelstuk Jan Pietersz. Coen (1930), waarin hij de gouverneur-generaal van zijn heldenstatus ontdeed en als zeer gewelddadig voorstelde.
De opvoering van het stuk werd zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog in enkele Nederlandse steden, waaronder Amsterdam en Utrecht, verboden.

Rolverdeling.

Jan Wegter Jan Pieterszoon Coen
Ine Veen Eva Ment, zijn gemalin
Albert Ehrnrooth François Blauw, secretaris van Coen
Hans Ligtvoet Pieter Vlak, raad van Indië
Jim Berghout Quirijn Janszoon van Raamburg, raad van Indië
Reinout Bussemaker gezagvoerder Rijnst en een Bonsius, chirurgijn
Ad Hoeymans Jacques Specx, bewindhebber van een factorij
Erna Bos Sara Specx, staatsiejoffer
Wil van der Meer Michiel Kortenhoef, officier
Jacques Fortuné Hurnius, predikant

Aanvullende gegevens.

Auteur: Jan Jacob Slauerhoff
Bewerking: Marc Lohmann
Regie: Sylvia Liefrinck
Omroep: TROS
Uitzending: 01-04-1990
Speelduur: 72 minuten
Categorie: Historisch

Complete reeks in volgorde van uitzending.

De bron van deze productie.

Jan Pietersz. Coen, drama in elf tafereelen, Stols, Maastricht 1931.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

Blaeu: (komt binnen) Excellentie! Heeft Uw Excellentie goed geslapen?

Coen: Zo goed als mijn zieke lichaam dat toelaat, Blaeu. Waar zijn de brieven die ik tekenen moet?

Blaeu: Hier, Excellentie, de brieven voor uw familie in Hoorn en die voor de heren Hoogmogenden, en dit is het bijzonder schrijven voor de Stadhouder.

Coen: Ik zal u nog een brief dicteren. (staat op en doet een paar stappen) Hoogmogende Heren. Er is wat groots te volbrengen in deze gewesten, waar wij de ruimte hebben die wij in de Zeven Verenigde missen. Maar door de onnozelheid die onder Ulieden regeert, hebben de zaken geen voortgang. Gij zit met u zeventien op uw kussens in uw armstoelen, uw schoenen dragen zilveren gespen, uw vlezige vingers kostbare ringen, uw hoogmogende halzen gouden ketenen, maar dragen zij ook hoofden?

Blaeu: Moet ik dat ook schrijven. Excellentie?

Coen: Schrijf zolang ik spreek. Wat is het laatste?

Blaeu: Maar dragen zij ook hoofden?

Coen: Ja! Maar dragen zij ook hoofden. Zijn er onder u tenminste één paar denkende koppen, één die kan berekenen dat men met een handvol volks geen miljoenen in bedwang houdt? Neen, God zij mij genadig, niet één! (krijgt het benauwd)

Blaeu: Excellentie...

Coen: Ik had niet zo vroeg aan die brief moeten beginnen.

Blaeu: Zal ik dokter Bontius laten komen?

Coen: Nee, nee, mijn kwade dromen roesden nog in mijn hoofd. Het was angstig. Vroeger kende ik geen angst. Toen ik de eerste maal als matroos naar deze gewesten voer, sliep ik beter in mijn hangmat dan nu in mijn praalbed. Die brief zal ik vanmiddag beëindigen.

Blaeu: Maar Excellentie, de koerier naar Anjer wacht. De vloot vertrekt vannacht.

Coen: Dan moet de vloot maar tot morgen wachten.

Blaeu: 't Volgend gunstig tij is pas over drie dagen.

Coen: Ik heb drie maanden en langer moeten wachten op versterkingen. Dan komen de muskaat en de kruidnagelen waar wij ons leven voor wagen maar later aan! (krijgt het weer benauwd)

Blaeu: Wil Uw Excellentie uw wambuis niet uitdoen? De hitte is niet goed voor uw gezondheid.

Coen: Wilt u dat de Landvoogd halfgekleed de staatszaken afdoet? Nooit!

Blaeu: U kunt het luchtige inheemse gewaad vast aandoen dat klaar ligt voor de ontvangst van het Mataramse gezantschap.

Coen: Mij toetakelen als een Oosterling? Wie heeft dat uitgedacht? Ik mag hangen als dat Sara niet is. Ik heb haar gisteren betrapt in een kimono.

Blaeu: Voor haar heeft dat gewaad niets vreemds.

Coen: Haar heidense moeder kende niet anders, maar zij is mijn vrouw en mij toevertrouwd om het heidendom er uit te drijven, om van haar een Hollandse te maken.

Blaeu: Zij is nog jong, Excellentie!

Coen: (gromt) Laat de audiëntie beginnen. Wie zijn de eersten?

Blaeu: De kapiteins die zeilree liggen voor Ternate en Tidore. Ze wachten op hun laatste instructies.

Coen: Laat ze één voor één binnen. (Blaeu gaat)

(Sara neuriet)

Eva: Sara, heb je nu weer een sloop tussen de servetten gelegd?

Sara: O, het spijt me, mevrouw.

Eva: Hoe wil je zo dienstboden kunnen controleren? Al is het natuurlijk de vraag of je een aanzienlijk huwelijk kunt doen. Met jouw afkomst is daar niet veel kans op, al is je vader nog zo invloedrijk.

Sara: Ik wil helemaal niet trouwen.

Eva: Wat moet een vrouw anders?

Sara: Ik wil naar Japan terug en geisha worden.

Eva: En hebben we je daarvoor twee jaar lang opgevoed en van alles geleerd: verstellen, naaien, breien, en godsdienst?

Sara: O, daar zal ik niet veel aan hebben! Ik moet leren thee te zetten en te schenken, ik ken de drieëndertig dansen al, en samisen speel ik ook nog.

Eva: Breng me meteen dat gekke instrument, dan zullen wij het verbranden en meteen die rare gedachten uit je hoofd zetten.

Sara: Nooit! De samisen is het laatste wat ik van mijn moeder gekregen heb.

Eva: We voeden je op tot christin op en zullen je uithuwelijken. Je hebt een vader, een voornaam man die zichzelf een ogenblik vergeten heeft, maar je moeder... Je hebt geen moeder.

Sara: Zij was beter dan u allemaal.

Eva: Zwijg en werk. Straks heb je catechisatie en dan ben je weer niet klaar.

Sara: (zucht)

Gezagvoerder Reynst: Maar Excellentie, welk nut heeft het goede soldaten uit te zenden die hier hard nodig zijn?

Coen: Blaeu, vertel kapitein Reynst de gelijkenis van het zand en het goud.

Blaeu: Waarom hebben goudkorrels een grote en heeft zand geen waarde?

Reynst: Omdat niemand iets geven wil voor zand. Dat ligt overal voor het wegkruien.

Blaeu: En het zou met kruidnagelen net zo gaan als we die maar overal lieten groeien. Dan kon ieder - de Portugezen, de Engelsen, wie maar wou - z'n zakken volstoppen. Maar kruidnagelen moeten als goud zijn. Er moet net zoveel van zijn dat de Compagnie er goede prijzen voor maakt.

Reynst: Maar Excellentie, vindt u dat (?) daarvoor platgebrand moet worden?

Coen: De Compagnie wil dat de overtollige oogst wordt vernietigd.

Reynst: Zoals indertijd op Ambon?

Coen: Natuurlijk moeten de kapiteins geen onnodig bloed vergieten.

Reynst: Ja, maar het wordt hetzelfde beulswerk als op Ambon.

Coen: Wij kunnen niet altijd even menslievend zijn en het leven van een inlander is niet gelijk te stellen aan dat van een blanke.

Reynst: Dat loopt weer op moorden uit, Excellentie. De inlanders zullen zich totterdood verzetten tegen de vernietiging van hun gewas.

Coen: Dan verzetten ze zich tegen de belangen van de Compagnie en verdienen dus geen pardon.

Reynst: Geef me een schip om het Zuidland te zoeken, maar zend mij niet uit moorden. Daarvoor ben ik geen kapitein.

Coen: Goed, dan bent u geen kapitein meer. Je zal dienst nemen bij de zeesoldaten van luitenant Reaal. U kunt gaan!

Reynst: Excellentie. (gaat)

Coen: Blaeu, laat kapitein Jacobsz. binnen.

Eva: (komt binnen) Wat is er, Sara?

Sara: Ik heb het warm en die kraag prikt zo.

Eva: In plaats dat je blij bent Hollandse kleding te dragen die zedig dekt wat de zonde tot prikkel strekt.

Sara: Ja, al dat baai is zonde voor mijn huid.

Eva: Ik schijn geen invloed meer op je te hebben. Misschien is het beter als je je kamer houdt en van dominee Hurnius lering ontvangt.

Sara: Alleen met die man met zijn zweethanden en slecht ruikende adem?

Eva: Wil je dat wel eens laten zo over de dominee te praten! Hij is de enige hier die je ziel nog kan redden.

Sara: Ik heb geen ziel. Er zit een vos in mij, daarom ben ik zo onrustig. En met iemand zonder ziel wil een dominee toch niets te maken hebben.

Eva: Maar waarom ben je zo onrustig, kind?

Sara: Ik ben hier zo bang. Ik verlang naar vader en hij komt maar niet.

Eva: Waarom ben je bang? De inlanders zullen hier niet komen. De Landvoogd is de schrik van de hele archipel.

Sara: Ik ben niet bang voor oorlog. Ik ben bang voor de mensen hier, die denken dat ik minder ben dan zij.

Eva: Maar voor mij ben je toch niet bang? Heb ik niet altijd goed voor je gezorgd?

Sara: Ja, te veel. Maar misschien gaat het over, nu u gauw zelf moeder gaat worden.

Eva: Dat je de Landvoogd vreest, kan ik me indenken. Mijn man is driftig en soms wat ruw. Maar ben je ook bang voor mij?

Sara: Verlangt u ook niet hiervandaan te komen?

Eva: Kind, vraag niet zo. Een vrouw moet zijn waar haar man is, z'n kinderen baren en opvoeden, gehoorzamen en, als het moet, lijden.

Sara: Zou u niet ergens willen zijn waar geen mannen waren?

Eva: In een klooster? Nee, natuurlijk niet!

Sara: Ik bedoel... in een diep bos...

Eva: Hou toch op met dat gemijmer. Houd je aan de werkelijkheid. Maar nu laat ik je alleen. Maak je werk af.

Sara: Maar dominee Hurnius komt straks hier catechisatie geven. Dan ben ik alleen met 'm!

Eva: Och, hij zal je niet bijten! De goede man is zo blode als een kwezeltje.

Blaeu: De heer Cortenhoeff, officier in dienst van de Compagnie.

Cortenhoeff: (komt binnen) Excellentie.

Coen: Belooft gij onvoorwaardelijk gehoorzaamheid?

Cortenhoeff: Ja, Excellentie.

Coen: Goed. Toen u en uw collega's uit Holland hierheen werden gestuurd, waren wij in oorlog met de Jacatranen. Terwijl u op de Indische Oceaan voer, zijn ze verslagen, duizenden zijn gesneuveld, vele oproernesten in as gelegd, de Sultan schatplichtig gemaakt. Wij hebben vrede...

Cortenhoeff: Ja, Excellentie.

Coen: ...maar het smeult onder de puinhopen. Zij brengen rijke geschenken. Ik ben niet op de Latijnse school geweest, maar ik weet toch wel dat men oude vijanden die geschenken geven moet wantrouwen. Spoedig zal ik de krijgskunst die Prins Maurits u geleerd heeft, nodig hebben. Ik reken op u om het aanzien van de Compagnie te verhogen.

Cortenhoeff: U kunt over mij beschikken.

Coen: Goed. U hoeft niet in de binnenlanden op verovering uit te gaan, maar dichtbij.

Cortenhoeff: Ik begrijp u niet.

Coen: Bekoorlijke juffrouwen ontberen haar natuurlijke beschermer.

Cortenhoeff: Bedoelt u de kamerjoffers van uw vrouw?

Coen: Ja. Ik wil u en uw collega's doen huwen.

Cortenhoeff: Excellentie.

Coen: Ik vertrouw erop dat u het voorbeeld van dominee Hurnius zult volgen.

Cortenhoeff: Gaat de dominee trouwen?

Coen: Ik heb hem bereid bevonden door zijn onberispelijke levenswandel de vlek van een andere uit te wissen en een onwettig geborene tot echt- en bedgenote te nemen. Hij zal Sara Specx huwen.

Cortenhoeff: Sara?

Coen: Ja, ik was ook verbaasd.

Cortenhoeff: En heeft zij toegestemd? Hebben alle joffers toegestemd?

Coen: Heeft ooit een welopgevoede jongedochter de wil van haar ouders of voogden weerstreefd? Cortenhoeff, voor u hebben mijn vrouw en ik Maria Everts bestemd.

Cortenhoeff: Maar Excellentie, ik kan niet huwen.

Coen: Wat? Welk jonkman kan niet huwen en zou niet blij zijn in Indië een blanke vrouw te krijgen? Dat is waanzin! U trouwt.

Cortenhoeff: Neen, ik kan niet.

Coen: En waarom niet?

Cortenhoeff: De chirurgijn heeft mij verboden het eerste jaar...

Coen: Onzin. Men zal wel zien dat u geen Spaanse pokken hebt. Wat het andere betreft, daar komt het niet op aan, dat gaat vanzelf over.

Cortenhoeff: Excellentie, het is niet wat u denkt.

Coen: Als het zo bijzonder is, dan kan kan ik jou ook niet verder in mijn omgeving dulden.

Cortenhoeff: Mag ik dan als gunst verzoeken op het fort Nassau geplaatst te worden? U hebt daar zeven officieren verloren aan de kwade koorts. Ik heb alle Zeeuwse koortsen gehad. Volgens de chirurgijn beschermt me dat tegen de Indische.

Coen: Goed. Als je d'r aan gaat, is het je eigen schuld. Ik zal er die rebel Reynst ook heen zenden, want die heeft hersenkoorts gehad. Je kunt gaan.

Cortenhoeff: Excellentie.

Coen: En, Cortenhoeff, kom vanmiddag in staatsie-uniform ter receptie van het Matarams gezantschap.

Cortenhoeff: Ja, Excellentie. (gaat)

Cortenhoeff: Sara!

Sara: Cortenhoeff! Michiel, pas toch op, als iemand je ziet...

Cortenhoeff: Luister. Ze willen me laten trouwen met Maria Everts en jou met die huichelaar.

Sara: O! Wat nu?

Cortenhoeff: Ik heb geweigerd en nu ben ik naar het fort Nassau verbannen om gauw koorts te krijgen.

Sara: Niet doen! Laten we samen vluchten, de kampong in.

Cortenhoeff: Dan ben ik deserteur. Ik red me wel daar. Kom vanavond naar het kerkhof!

Sara: Maar hoe moet ik me die man van het lijf houden? Hij was al handtastelijk en nu hij mijn bruidegom wordt... (schrikt - er wordt aan de deur gerammeld) O, god, daar is ie. Wat moet ik doen?

Cortenhoeff: Doe niet open, anders worg ik 'm, de schoft. (er wordt geklopt)

Sara: Neen, neen, ga jij nu weg; anders gebeuren d'r ongelukken.

Cortenhoeff: Ik zal hier de wacht houden. (er wordt weer geklopt) Wee zijn gebeente, heil zijn ziel als ie je aanraakt!

Hurnius: (klopt nogmaals) Sara! Saartje!

Sara: Ga nu! Ik zal zorgen dat ie niet aan me komt. (gaat de deur openen)

Hurnius: Waarom laat je me zo lang wachten, Saartje? En wie was hier? Ik hoorde je met iemand praten.

Sara: O (lachje), ik zei een psalm bij mezelf op.

Hurnius: Waarom lieg je? Ik hoorde een zware stem.

Sara: O, dat deed ik zelf. Het was een samenspraak tussen God en de ziel. Als ik God nadoe, dan heb ik een zware jeneverstem en voor de ziel heb ik een fijn piepstemmetje.

Hurnius: Dat is Godslastering! Hoe haal je 't in je hoofd? Hebben mijn lessen je zo weinig gesticht? Is je heidense afkomst en afgoderij zo sterk?

Sara: O, in mijn land worden vertoningen gegeven waarin vele goden meedoen.

Hurnius: Dat is goed voor heidenen en papen, maar niet voor christenen, begrepen? En jouw land, jouw land... Waar je echtgenoot is, is je land.

Sara: O, ik trouw nooit.

Hurnius: Laat mij je lot leiden. Onder mijn voortdurende leiding kan er nog een goede christin uit je groeien. Ook de Landvoogd, altijd op het heil en de zielenrust van zijn huisgenoten bedacht, wanhoopt nog niet. Geef mij je hand.

Sara: (lacht) U leest toch niet in de handlijnen?

Hurnius: Arm kind, in zonde en bijgeloof opgevoed. Leg je hand gerust in de mijne. Kom aan dit trouwe hart...

Sara: (gilt)

Hurnius: Wees volgzaam, zoals een vrouw betaamt.

Sara: Banzaï!

Hurnius: Overgave past een vrouw!

Sara: Ik smeek u, laat mij! Ik kan vandaag niet aan deze dingen denken. Ja, het... het is zo onverwacht, meer dan ik durfde hopen.

Hurnius: Dat kan ik mij indenken. Maar waarom wachten? Wij zijn verloofd... Sara!

Sara: Nu niet. Raak me niet aan. Morgen, straks, maar nu niet, om Godswil, nu niet.

Hurnius: Sara!

Sara: Nee. (de deur wordt geopend) Dag goeie lieve beste meester Blaeu!

Blaeu: Ach, dat is nog eens een hartelijke ontvangst!

Hurnius: Wat zoekt u hier? Scheer u weg.

Blaeu: Dat is minder hartelijk. Ik zoek de Landvoogd. Wij willen nog een uiterste poging wagen om de Landvoogd de brieven voor de Hoogmogenden te laten tekenen, opdat de retourvloot kan vertrekken.

Hurnius: Ga weg!

Blaeu: Waarom? Ik wacht hier altijd op Zijn Excellentie, dominee.

Hurnius: Zijn Excellentie heeft mij aangewezen als bruidegom van deze jongedochter.

Blaeu: Dat wal een mooi span worden voor de bokkenwagen.

Hurnius: Pak u weg van hier!

Blaeu: Hoor eens, niet zo'n hoge toon! Wij zijn beiden dienaren van de Compagnie. U krijgt net zo goed traktement als ik. U bent dienaar van Gods woord, ik van Coens woord. 't Valt nog te bezien welk van de twee hier in Batavia het meeste gewicht in de schaal legt.

Hurnius: Godslasteraar.

Blaeu: Ik?

Hurnius: Ik zal u aanklagen bij de Landvoogd.

Blaeu: Spaar u de moeite. De Landvoogd kent mijn verstoktheid. Hij zou mij ook wel eens willen ontslaan, maar hij heeft me nodig. Ik ben z'n geheugen, en vooral z'n wrijfpaal als het 'm jeukt door de lauwheid en traagheid en voorzichtigheid van de Hoogmogenden. Dat weet ie. Maar als ik stoor...

Sara: Nee nee nee nee!

Hurnius: Uw bijzijn stoort iedere christen en is een steen des aanstoots.

Blaeu: Ik kan ook wel in de galerij wachten.

Sara: Nee, beste meneer Blaeu, blijf toch bij ons.

Hurnius: Zwijg, trouw- en eervergeten schepsel.

Blaeu: Als u haar wilt winnen, spreek dan niet altijd de tale Kanaäns.

Hurnius: Als u dadelijk gaat, zal ik u niét aanklagen.

Blaeu: Goddank, dat is een pak van m'n hart. Uw goedertierenheid is oneindig. Maar zachtjes aan! (vertrekt)

Sara: Wilt u me nu alleen laten? Dan kan ik wennen aan het onverwachte, mijn geweten onderzoeken of ik kan, of ik u waardig ben.

Hurnius: Dat zul je worden. Ik zal je herder zijn, ik zal je op de wegen brengen die naar de hemel en naar mijn hart voeren.

Sara: O, ik wil graag in die hemel komen, maar ik wil eerst toestemming van m'n vader afwachten.

Hurnius: Die hebben we helemaal niet nodig! De Landvoogd beslist over oorlog en vrede, huwelijk en scheiding. En denk je dat Jacques Specx zich nog om zijn onwettige dochter zal bekommeren?

Sara: Dat weet ik niet. Maar nu wil ik alleen zijn.

Hurnius: Goed. Peins en bid. Lees het Hooglied als je sterking behoeft. Tot vanavond, bruidje.

Coen: Zo aanstonds komt het gezantschap van Mataram. Dat niemand tijdens de toespraken fluistere, van zijn plaats ga of op andere wijze rumoer make. Daarna moet iedereen de geschenken uitbundig bewonderen, of u ze mooi vindt of niet.

Blaeu: (komt binnen) Excellentie!

Coen: Ja, Blaeu? (Blaeu fluistert wat) Hè? Ja, het gezantschap is weer te laat. Gaat u allen op het binnenhof vertreden en laat ons alleen. (iedereen verlaat de raadzaal) Dus, in volle vrede heeft de Soesoehoenan het gewaagd ons aan te vallen.

Blaeu: Ja, Excellentie.

Coen: Terwijl er hier een gezantschap is! Heeft hij er niet aan gedacht dat ik zijn gezanten als gijzelaars zal houden?

Blaeu: Daarvoor zal ie bang geweest zijn. Hij heeft ons voor willen zijn met gijzelaars.

Coen: Haal commandeur Blocq! (Blaeu gaat - Coen ijsbeert woedend - Blaeu komt weer binnen) Nu al terug, Blaeu?

Blaeu: Er is zojuist een tweede koerier aangekomen. Het fort Parel is vanavond gevallen. De commandant en dertig man zijn ontsnapt en onderweg.

Coen: En de anderen?

Blaeu: De helft heeft zich doodgevochten. De rest is gevangen genomen.

Coen: Laffe honden! Geen blanke mag zich levend overgeven aan de Indianen. Nu zijn mijn handen gebonden, anders had ik terug kunnen slaan. Ik kan mijn landslieden toch niet overgeven aan folteringen, folteringen waarbij onze scherpe examinatie maar kinderspel is.

Blaeu: Wat wilt u doen?

Coen: Laat commandant Blocq komen. Hij gaat het fort heroveren. Maar laat hem eerst het hele gezantschap gevangen nemen.

Blaeu: Ik raad Uw Excellentie af iets tegen de gezanten te ondernemen en liever te doen alsof er niets gebeurd is.

Coen: Dus, wij moeten die fielten nog ceremonieus ontvangen?

Blaeu: Een gezantschap gevangen nemen, betekent zeker oorlog, en we hebben bijna geen troepen.

Coen: We zullen de matrozen en soldaten van de retourvloot halen.

Blaeu: De vloot zal juist het anker hebben gelicht.

Coen: Had mij dan niet om die handtekeningen geprest! Nu ze achterna, met een snel adviesjacht!

Blaeu: Ze zijn al te ver. Bewaar de vrede. Over een week komt de vloot uit Holland met verse troepen.

Coen: Over een week...! Ze zullen natuurlijk weer maanden over tijd zijn.

Blaeu: We hebben dringend zo om deze versterking geschreven, dat zelfs de Raden hun stem erbij hebben gevoegd. Dat doen de Raden niet gauw.

Coen: Maar dat helpt nooit. Ik weet wat wij te verwachten hebben: traagheid over zee, verraad om ons heen, weinig troepen en eeuwig gebrek aan kogels. Daarin zal nooit verandering komen. Wij moeten vechten met de wapens die we hebben!

Blaeu: Ik bezweer u, ontvang de gezanten met vriendelijkheid en houd ze daarna onder allerlei voorwendsels in Batavia vast. Herneem intussen het fort en doe of er niets is gebeurd.

Coen: Goed. Laat allen weer binnenkomen.

Blaeu: U had het gezantschap niet in gijzeling mogen nemen.

Coen: Het zij zo.

Blaeu: Gaat u nog werken?

Coen: Werken? Ons werk leidt ertoe dat de bruine rassen die van elkaars bestaan misschien niet afwisten, bij ons aan huis elkaar ontmoeten en op hun gemak verbonden sluiten tegen ons. Het eind zal zijn dat ze ons door hun grote getale verdringen. Maar niet zolang ik hier sta. Holland moet uit z'n winterslaap worden gesleurd, de evenaar over, tot hier, waar natuurkrachten en gevaren ons wakker houden.

Blaeu: En de tropische hitte ons reeds 's morgens naar onze middagslaap doet verlangen.

Coen: Hebt jij mij ooit 's middags zien slapen?

Blaeu: Nooit. En dat is het enige wat ook enkele anderen wakker houdt. Ondergeschikten die uw komst niet hoeven te vrezen, slapen allen.

Coen: Waarom maakt u daarvan nooit rapport?

Blaeu: Dat zal ik nu doen. Van twee tot vier slaapt heel Batavia. U alleen waakt, zoals u alles alleen doet; uw geest is te fel, uw staatszucht te machtig voor uw ras. De Hollanders houden niet van heldendaden, van grote gebieden. Hier en daar een factorij op de voordeligste punten, forten en... en oorlogsschepen horen er helaas bij, maar liever sluit men verdragen met vreemde vorsten, vooral proberen te profiteren van inlandse verdeeldheid. Geen zware slagschepen bouwen, maar liever een koopvaarder bewapenen en daardoor zijn vaart belemmeren. Is er geen landoorlog meer, weg leger. Geen machtig Engeland, weg vloot, verrot!

Coen: Wat u durft te zeggen, kan u de strop omdoen.

Blaeu: Een nar mag de waarheid zeggen. Al jaren ligt u overhoop met de bewindhebbers, klaagt, smeekt, dreigt, zonder uw zin te krijgen. Zou u niet liever nog enige rustige jaren slijten op uw landgoed bij Hoorn?

Coen: Rust? Terwijl hier alles op instorten staat? Maar zolang ik overeind sta, zal het niet vallen. Wel verwacht ik met ieder aankomend schip een missive die mij ontslaat. Zou men verontwaardigd zijn als ik zo werd afgedankt?

Blaeu: Velen zullen een zucht van verlichting slaken als het ijzeren regiem, dat u om Batavia hebt gesmeed, zou vallen.

Coen: En die paar anderen?

Blaeu: Die bewonderen u, maar vinden ook dat bij Javanen en Hollanders meer te bereiken is met liberaliteit en tolerantie.

Coen: En wat zegt mijn naaste omgeving?

Blaeu: Men zegt dat uw heerszucht zo onlesbaar is dat zij zich niet tevreden stelt met staatszaken, maar zich bemoeit met de godsdienst, de ijver van een fanatiek dweper als Hurnius nog aanvuurt, en daarenboven uw onderdanen noopt tot huwelijken die soms lijnrecht tegen de gevoelens van de betrokkenen ingaan.

Coen: Ik heb steeds ieders heil op het oog!

Blaeu: Uw Excellentie doet verstandig morgen een wapenschouwing te laten houden en daarna de gezanten weg te zenden met rijke geschenken. Ze zullen bevreesd zijn en tevens gewonnen. Zo vermijden wij een oorlog, die op dit moment noodlottig moét aflopen. En laat uw officieren en ambtenaren vrij hun bruiden kiezen. Zij die u weerstreven, zijn vaak uw trouwste dienaren en die die u gehoorzamen, zullen u verzaken zodra uw macht wankelt.

Coen: Ik kan ze missen, allen. Zolang ik sta, wil ik gehoorzaamd worden in alles, en wee degene die zich verzet, Javaan of Hollander.

Sara: Michiel!... Michiel!

Cortenhoeff: Sara!

Sara: Waar was je? Ik ben zo bang geweest.

Cortenhoeff: Ik was hier, maar 'k ben eerst het hele kerkhof rondgegaan om te zien of er niemand was. We zijn alleen.

Sara: Nu ben ik bang dat ze zullen komen, en ons zien, en ons gevangen nemen.

Cortenhoeff: Hier durft 's nachts niemand te komen.

Sara: Laat ons samen vluchten.

Cortenhoeff: Vluchten? Nu wij net voor het eerst alleen zijn? Neen, Sara, hier zul je me geven wat ik al zolang hebben moet: jou... Kom, kom, laten wij daar gaan liggen. 't Is nacht, alles zul je vergeten, en als wij weer opstaan dan ben je onkwetsbaar, dan ben je niet meer bang.

Sara: Neen, niet hier, ik zou niet kunnen. Iedereen zou het aan me zien. Als je belooft daarna te vluchten, samen op een schip, dan ja...

Cortenhoeff: Je weet niet wat je zegt. In één dag zou het bekend zijn en werd je opgehangen aan een ra.

Sara: Kan ik niet als jongen verkleed gaan?

Cortenhoeff: (lachje) Heb je liever het hele schip dan de dominee? Kom, Sara. We zijn alleen, later vinden we wel wat.

Sara: Je wilt mij hebben en dan hier laten?

Cortenhoeff: Geloof me, over enkele dagen is alles goed. Dan mag Hurnius niet meer naar je kijken en dan mogen wij trouwen...

Sara: Wat zal er dan gebeuren?

Cortenhoeff: Je bent een vrouw, je kunt geen geheimen bewaren.

Sara: Zeg het! Anders geloof ik het niet, dan ga ik weg en kom niet weer. En als ik een geheim heb met jou, dan is het haast dat we samen een kind hebben.

Cortenhoeff: Wil je dat dan ook?

Sara: Ja.

Cortenhoeff: Zweer het! En dat je zult zwijgen.

Sara: Ik zweer dat ik een kind van jou wil hebben en dat geen macht van mij te weten zal komen wat je mij zult zeggen.

Cortenhoeff: Een groot leger van honderdduizend man nadert. De Soesoehoenan van Mataram denkt dat ie alles kan sinds hij Madoera overwonnen heeft. Over een paar dagen is Batavia ingesloten.

Sara: O, maar de Landvoogd is ziek!

Cortenhoeff: Wie heeft er geen last van dysenterie in dit vervloekte land?

Sara: Ze zeggen dat ie ook nog de derdedaagse koorts heeft gekregen.

Cortenhoeff: Vreemd. Elke inlander geneest zonder moeite, maar het maakt de Landvoogd machteloos. Wacht maar tot Batavia is ingesloten. Dan zal je eens zien wat ik waard ben.

Sara: Maar als je...

Cortenhoeff: ...gedood wordt?

Sara: Ja.

Cortenhoeff: Dan zal Blaeu je helpen. Maar ik word niet gedood.

Sara: Laat mij vluchten en ergens op je wachten tot alles voorbij is.

Cortenhoeff: De verdenking zal op mij vallen.

Sara: 'k Wil niet meer terug. Iedereen kan aan mij zien dat ik van jou ben, iedereen veroordeelt mij. Ik geloof niet dat de vijanden die ons moeten redden, komen zullen.

Cortenhoeff: Kom, Sara, hier.

Sara: Michiel!

Cortenhoeff: Wees stil!

Blaeu: (komt bij Sara op de voorgalerij) Zo, Sara.

Sara: Dag meneer Blaeu.

Blaeu: Ik eh... hoorde dat je toch toegestemd hebt?

Sara: Het hoeft pas over een maand.

Blaeu: Maar je bent nu gebonden! En ik weet haast zeker dat het onder een of ander voorwendsel vervroegd zal worden.

Sara: Denk je?

Blaeu: Op een nacht word je gewekt, in de kerk staat alles klaar, en je bent ingezegend voordat je de slaap goed uit je ogen hebt gewreven...

Sara: Ik kon geen voorwendsel vinden om te weigeren. Bij de Hollanders is een jong meisje evengoed een slavin als bij hen die zij wilden noemen. Toch zal het niet gebeuren. Vannacht misschien...

Blaeu: Wat dan, vannacht?

Sara: U weet het ook wel.

Blaeu: Laat je niet ontvoeren!

Sara: (lachje) Dat bedoel ik niet. U weet het wel. Is het al dichtbij? Soms denk ik dat ik het hoor.

Blaeu: Wat?

Sara: Het Mataramse leger.

Blaeu: Ze komen niet. Ze zijn bij Krawang verslagen.

Sara: Dan moet ik weg, anders ben ik verloren.

Blaeu: Sara!

Sara: Help me!

Blaeu: Hier. Een brief van je vader. Uit Anjer.

Sara: Hoe ver is dat? (opent de brief)

Blaeu: Twee dagen hiervandaan. En...wat... wat schrijft hij?

Sara: Hij komt! Ach, gered! Gered!

Blaeu: Als je verstandig bent, dan zeg je niets van die brief. Zoek een voorwendsel om te dralen. Wacht tot je vader hier is en zelf voor je kan opkomen. Als je de Landvoogd nu die brief voorhoudt, werkt dat als een rode lap op een stier.

Sara: Echt?

Blaeu: Ja. Hij is in staat om je dadelijk op je knieën te dwingen tot dat huwelijk.

Sara: Ja, maar wat... wat... wat moet ik zeggen?

Blaeu: Zeg dan... dat je bij je meesteres wilt blijven tot haar kind er is.

Sara: Ja, goed. Dank u!

Blaeu: Wees voorzichtig! (gaat)

Eva: (komt bij Sara) Wat zie je bleek, Sara!

Sara: 't Is de warmte.

Eva: Straks ben je getrouwd. Je zult met dominee Hurnius meegaan op z'n Molukkenreis. Dan kun je je sterken aan de zeelucht en aan z'n bekeringsijver.

Sara: Ik wil nog niet trouwen en zo ver weggaan. Ik wil bij u blijven tot alles voorbij is.

Eva: Wat? Wil je weer uitstellen?

Sara: Ik wil niet van u weggaan voor uw kind daar is.

Eva: Maar je kunt toch niets voor mij doen, kind.

Sara: Ik ga uw hand vasthouden als u pijn hebt.

Eva: (lachje) Vreemd kind! Dus je houdt toch van me? Maar de Landvoogd zal vertoornd zijn.

Sara: Hij is zo weinig bij u.

Eva: (zucht) Ja, 't is waar, ik ben veel alleen. De staatszaken nemen 'm in beslag.

Sara: Hij heeft de staatszaken meer lief dan u.

Eva: En dan zichzelf.

Sara: Laat me hier blijven, toe, laat me blijven. (omhelst haar)

Eva: Wat kraakt daar in je keurs? Verstop je daar een brief? Laat zien.

Sara: Dat... dat is geen brief. Dat is de les die ik leren moet.

Eva: Wat? Psalmen verberg je op die plaats? Leer je terwijl je breien moet? O, kindje, je zult nooit een goede huisvrouw worden.

Sara: Ik geloof het ook niet.

Eva: Je kunt maar één ding tegelijk goed doen. (wil gaan)

Coen: (komt bij hen) Waar is de bruid? Laat ik haar gelukwensen. Ziehier mijn geschenk.

Eva: Sara blijft nog bij me tot alles achter de rug is.

Coen: Wat? Alweer uitstel? Terwijl alles geregeld is? Wat moet je met haar? Ze is toch geen baker?

Eva: Coen, ik wil haar graag bij me hebben voor mezelf. Ik ben aan haar gewend. Ze maakt me rustig.

Coen: Men kan geen twee vrouwen bij elkaar laten. Ze twisten of ze beginnen een samenzwering. Maar deze heb ik dan tijdig ontdekt.

Eva: Laat u ditmaal verbidden om mijnentwil.

Coen: Welaan dan, op de dag van uw verlossing wordt ook het huwelijk van uw staatsiejoffer ingezegend.

Sara: Ja, maar...

Coen: Dit is ons onherroepelijk besluit.

Coen: Dan is het hoog nodig dat de wallen versterkt worden. Er zijn veel zwakke punten die ons noodlottig kunnen worden.

Raemburch: Wat dacht u te doen, Excellentie?

Coen: Er moet gearbeid worden met dubbele kracht, dus voor hoger loon, want het aantal werklieden is beperkt. Heren Raden, wilt u hiervoor een krediet uit 's Lands kas toestaan?

Vlack: Wij dachten dat er verleden jaar al honderdduizend florijnen voor waren uitgetrokken.

Coen: Die zijn welbesteed aan het bastion aan de overkant van de Tjiliwong. Dit geld is alleen bestemd voor het werk aan wallen die weggezakt waren omdat ze niet solide genoeg waren opgetrokken.

Vlack: In Holland moeten we onze dure gelden wel besteden aan het versterken van dijken. Daar weten we waarvoor we betalen als het winter is en hoge waterstand. Maar hier, tegen een vijand die misschien nooit aanvalt... Ik voel d'r heel weinig voor.

Coen: Die vijand zal zo zeker komen als de vloed opzet. Als ik die gelden niet krijg, sta ik niet in voor een doorbraak.

Raemburch: De Landvoogd werkt tegenwoordig meer met dreigementen dan met rijp overleg.

Coen: Ik moét het hebben!

Raemburch: Wij zullen zwichten, maar meteen naar Holland rapporteren wat u onder confereren verstaat.

Coen: Goed, over een half jaar zal men in Holland weten dat ik geld afpers. Maar dan zijn wij allen gedood, of ben ik gerechtvaardigd en zijn de zuinigen en vrekken hier aan de kaak gesteld.

Vlack: Men zal in Holland onze zuinigheid met de ons toevertrouwde gelden nooit laken, wat er ook gebeure.

Coen: Mij zal men een keten omhangen als het goed gaat en een strop als het misloopt.

Vlack: Wil Uw Excellentie deze vonnissen tekenen?

Coen: Nee. Iedere man die de wapens kan dragen wordt begenadigd. We zullen iedere man nodig hebben.

Vlack: Uw Excellentie probeert ons bang te maken. Of u weet meer dan u ons gezegd heeft.

Coen: Ik wil u niet nodeloos ongerust maken.

Raemburch: Ik stel voor het nieuwe votum en de algemene amnestie die de Landvoogd voorstelt, neen, door wil drijven, in stemming te brengen.

Vlack: Is daar zo'n haast bij? Is het wel zeker dat het tot een beleg komen zal? Excellentie, uw ziekte doet u alles zwart inzien. Ik stel voor de behandeling van de defensie-voorstellen te verdagen.

Coen: Dan komen zij nooit meer aan de orde. God zij onze zielen en vooral onze lichamen genadig. De zwarten zijn onnozel in de handel, maar geleerd in het uitvinden van martelingen.

Raemburch: Bent u zo zeker van een beleg?

Coen: Voor de laatste maal: wilt u mij de gelden toestaan die ik broodnodig acht?

Raemburch: Ja, maar wat doet u zo stellig een beleg verwachten?

Coen: Alles! (in de verte geschreeuw en schoten)

Vlack: Wat is dat?

Coen: Het antwoord.

Raemburch: De Here sta ons bij! We worden aangevallen!

Vlack: Maar ik hoor kanonnen? Zijn er soms Engelsen bij? Excellentie, neem alle maatregelen die u nodig acht.

Coen: Te laat, heren, te laat. Uw geld is nu waardeloos. Vannacht zal de vesting nog niet vallen. Maar ik raad u aan: maak uw testament op. Bid tot God, en voor alles, neem een snelwerkend vergif bij u en laat uw vrouw en kinderen niet zonder. Neem het in als het uur daar is. Adieu en zijt Gode bevolen.

Eva: (heeft weeën) Dank u wel, dokter.

Coen: En, dokter?

Bontius: Ja, straks dacht ik dat het uur daar was, maar nu ligt ze weer roerloos, lijdt weinig en wacht.

Coen: Dat het spoedig voorbij zou zijn. Kunt u niet helpen?

Bontius: Men moet de natuur haar loop laten. Men mag niets overhaasten. Dat zou tegen Gods wil zijn en de ongeboren vrucht kunnen schaden. Hoe gaat het met u, Excellentie? Moet u niet op de wallen zijn?

Coen: Ik kan mij niet meer voortslepen. Dat olifantsbeen is mij te zwaar. Ik kan me geen uur achtereen meer staande houden. Die slopende buikloop!

Bontius: Neem nog een lepel van de drank die ik voor u bereid heb. Dat is het machtigste middel.

Coen: Uw middel maakt mij suf. Ik heb al mijn gedachten meer dan ooit nodig. Dan maar liever lijden. (Eva schreeuwt)

Bontius: Uw vrouw heeft mijn hulp weer nodig! Kan een der joffers gehaald worden? (gaat)

Coen: Blaeu!

Blaeu: Excellentie?

Coen: Haal joffer Sara! Vlug!

Blaeu: Joffer Sara kan niet komen; Excellentie.

Coen: Zij zal komen, ik beveel het!

Blaeu: Excellentie!

Coen: Wacht, mijn stok. Volg mij, naar joffer Sara's kamer. (gaat - opent de deur - Sara en Michiel schrikken) Kort en goed! Dus daarom moest joffer Sara eerst de hele Bijbel uit haar hoofd leren voor ze met Hurnius kon trouwen!

Blaeu: Excellentie!

Coen: Uit de weg; Blaeu!

Sara: Au! U doet me pijn!

Coen: Stil!

Bontius: (komt snel binnen) Excellentie, u is een dochter geboren. Uw gemalin is zeer zwak en vraagt om u.

Coen: Laat wachten die dochter, laat wachten die vrouw. Eerst moet ik deze adders hier vertrappen.

Bontius: Maar Excellentie!

Coen: (tot Cortenhoeff) Heb ik jou daarvoor commandant van fort Nassau gemaakt, Cortenhoeff?

Blaeu: Excellentie!

Coen: Vannacht vallen de Mataranen daar aan en vannacht verlaat jij je post, sluipt in het vrouwenvertrek, bedrijft ontucht, laat je soldaten zonder hoofd!

Cortenhoeff: Alles was rustig.

Coen: (slaat hem in het gezicht - Sara schrikt) Hond! Lafaard! Verrader! Geen woord meer! Laat de beulsknechten het blok brengen; ikzelf zal hem slachten! Op een staak zullen wij hem stellen, dat de gieren zich aan hem verzadigen.

Sara: Genade voor hem!

Coen: En jij, slet, geselen zullen we jou tot alle lusten uit je veile leden voor levenslang zijn weggeranseld!

Bontius: Excellentie, de kraamvrouw is zeer zwak en verlangt u te zien, en uw dochter...

Coen: Ik ben geen man en een vader. Ik ben een ouwe sul, van binnen verrot en rondom door mijn eigen volk verraden.

koerier: Excellentie!

Coen: Wat is er gaande?

koerier: Het fort Oranje wordt aangevallen. De bevelhebber vraagt alle versterkingen die u kunt zenden.

Coen: Alleen ik ben er nog. Dus ik zal gaan. Bind de hond en de hondin vast, elk in een hoek.

Cortenhoeff: Maak me los! Ik zal me doodvechten.

Coen: Dat zou je wel willen, ellendeling, een eerlijke dood op de koop toe? Ik zal je werk doen en dan terugkomen om jou te zien sterven. Drie soldaten bij de verrader, één bij haar. Als de bruinen in onze plaats terugkomen, geef hen dan een doodsteek voordat ze aan de haal gaan. Naar het fort! (gaat)

Sara: Meneer Blaeu, help mij!

Blaeu: Ik kan nu niets meer voor u doen...

Vlack: Meneer Raemburch, waarom zijn we hier bijeengeroepen? Voor een doopfeest of het vellen van twee doodvonnissen?

Raemburch: Denkelijk voor alles tegelijk, m'n beste Vlack.

Vlack: Dat kan niet. Er moet eerst geprocedeerd worden!

Raemburch: Hij zal doordrijven dat alles in één zitting wordt afgedaan. Nu hij de nachtelijke aanval op fort Oranje zo radicaal heeft afgeslagen, voelt ie zich weer sterk en zal ie z'n zin doordrijven.

Vlack: Hij zal er natuurlijk op wijzen dat er een voorbeeld moet worden gesteld.

Raemburch: In bestuurs- en rechtszaken is hij een onhandelbaar man, maar als legerhoofd heeft ie z'n gelijke niet. Strategie en staatsmanschap gaan zelden samen. De voortvarendheid die een generaal moet kenmerken, en het rijpend overleg van de staatsman...

Vlack: Geen tijd voor overpeinzingen! We staan voor gewichtige beslissingen staan en verkeren in voortdurend lijfsgevaar!

Raemburch: De nachtelijke overval is toch afgeslagen!

Vlack: Ja, maar als ie wordt herhaald, wee ons. En de Landvoogd zelf had daarna weer een hevige aanval. 't Schijnt dat de ziekte snel zijn krachten sloopt. Ook daarom zal ie snel willen vechten en z'n kind onverwijld doen dopen.

Raemburch: Is het kind dan ook zwak?

Vlack: Als de Matarammers meester worden van de vesting, dan zullen ze geen blanke in leven laten, en Coen is een te gelovig christen om z'n kind ongedoopt naar de eeuwigheid te laten gaan.

Raemburch: We kunnen toch onderhandelen!

Vlack: Coen zal het nooit opgeven, zolang ie nog overeind kan staan en een woord uitbrengen.

Raemburch: Maar bij ons berust mede de beslissing of er onderhandeld wordt.

Vlack: En niemand zal iets buiten Coen om willen ondernemen. Hem danken we dat we nog leven. Wat vreest u, beste van Raemburch? Beveel uw ziel de Here.

Raemburch: U kunt makkelijk praten. U hebt geen familie in Holland.

Vlack: Laten wij tonen, als het moet, dat wij als christenen, gepredestineerd of niet, even moedig de dood tegemoet weten te gaan als de Mohammedanen die allen het paradijs is beloofd.

Hurnius: (komt binnen) Heren.

Vlack: Dominee Hurnius! Wilt u met ons bidden?

Raemburch: O, daarvoor komt dominee niet. Moet u dopen, dominee, of het gemoed van Cortenhoeff sterken? Of beide veroordeelden te elfder ure in de echt verbinden?

Hurnius: Wilt u in mij een dienaar Gods honen?

Raemburch: O, verre van dat; maar het is vrij zeker dat ie veroordeeld wordt en u weet het: wie door de strop moet kijken, mag een laatste wens uiten, en dat zal stellig zijn te huwen met Sara.

Hurnius: Als deze droeve historie voorbij is, zal Sara mij nog steeds bereid vinden. Een dienaar des Heren verlaat zijn schapen niet, al zijn ze nog zo verdoold.

Vlack: Dominee, bent u gek geworden? U zou al 't ontzag en daarmee uw ambt verliezen!

Raemburch: Ik begrijp dominee. Wordt een juweel van minder allooi als het een tijd in handen van een falsaris is geweest?

Coen: (komt binnen) Mijne Heren, vind ik u, in tegenstelling met uw gewone langzame wijze de zaken af te handelen, thans bereid snel recht te doen? Ons gezag wankelt, wij weten niet of het zich staande zal houden.

Raemburch: Acht Uw Excellentie het gevaar zo groot?

Coen: Groot genoeg om er met alle middelen naar te streven de krijgstucht te handhaven. Wij kunnen vandaag nog vonnis wijzen.

Vlack: Maar de wet verbiedt uitdrukkelijk dat het tenzelfde dag ten uitvoer wordt gebracht. En ik vrees dat dit uw wens is.

Coen: Stellig. En als ik u niet bereid vind, dan zal ik uit mijn eigen officieren een rechtbank samenstellen.

Vlack: Als u Cortenhoeff wederrechtelijk ter dood laat brengen, stelt u uzelf buiten de wet.

Raemburch: Wij willen eerst ruggespraak houden.

Coen: Over twee uur wacht ik u in de raadkamer... Dominee, wat doet u hier?

Hurnius: Ik eh... ik wilde uw dochter dopen.

Coen: 't Is nu niet de tijd voor het aanwerven van nieuwe christenen. Ga liever naar de wallen en geef de vijand de pekdoop.

Hurnius: En de gevangenen verzoeken mijn geestelijke bijstand.

Coen: Gaat naar de verrader. Dominee Hulsebos zal Sara bezoeken.

Hurnius: Waarom zou ik...?

Coen: U zou brieven kunnen overbrengen.

Hurnius: Ik? Nooit! Maar als het één van beiden moet zijn, waarom ik dan Sara niet?

Coen: Ik wil u een droevig weerzien en afscheid besparen.

Hurnius: Maar ik wil haar redden, haar op het rechte pad brengen.

Coen: Daar bent u dan tot nu toe uitstekend in geslaagd! Heren, ik verwacht u straks wanneer ik terugkom van fort Oranje. (gaat) Hurnius, volg mij!

Hurnius: Zoals u begeert. (gaat ook)

Vlack: Moeten wij toegeven?

Raemburch: Neen. Als hij de wet heeft verzet en het beleg heeft afgeslagen, voelt hij zich sterk genoeg om zich onafhankelijk van de Compagnie te verklaren, op grond van het feit dat hij Batavia heeft gesticht en zal hij zijn geliefd idee van een volksplanting hier op eigen vuist voort te zetten.

Vlack: Denkt u?

Raemburch: Ik ken zijn staatszucht. Hij hunkert ernaar zich los te maken, ons op een retourvloot te laden en als ongewenste vreemdelingen te repatriëren.

Vlack: U dicht Coen bedoelingen toe die ie niet heeft. Hij wil eerste dienaar der Compagnie zijn, haar bloei bevorderen. Laten we toegeven aan zijn verlangen.

Raemburch: Neen, niet toegeven.

Vlack: Cortenhoeff heeft de dood verdiend. Wat doet het er toe of ie snel of niet z'n straf ondergaat? Laten we daarentegen voor Sara Specx alleen in een zeer lichte straf toestemmen.

Raemburch: En dan denkt u aan...?

Vlack: Een geseling, verbanning...

Raemburch: (lachje) En dat noemt u een lichte straf? Vergeet niet dat er alle kans is dat Coen komt te overlijden en dat Specx na hem het bewind in handen krijgt.

Vlack: Ik zal recht spreken naar eer en geweten en geen rekening houden met mogelijke toekomstige landvoogden. Dus over Cortenhoeff zijn we 't eens? Hij sterve door het zwaard.

Eva: Worden de pijnen nu wat minder?

Coen: De pijnen wel, maar de dofheid in m'n hoofd wil niet weg. Ik voel me slap van die aderlating. Waarom liet je toe dat de heelmeesters mij zo behandelden terwijl ik buiten westen was?

Eva: Ze hielden vol dat dat het enige was dat u kon redden! Maar wat is er toch gebeurd? Zelfs een nachtelijk gevecht heeft u nooit zo aangegrepen.

Coen: Later, als je weer opgestaan bent...

Eva: (zucht) Ach, iedereen heeft nu onze dochter bewonderd, behalve Sara.

Coen: Er valt hier niets te bewonderen.

Eva: Is ze dan niet groot en sterk? Ik wil haar zo graag aan Sara laten zien. Zij heeft zo met me meegevoeld.

Coen: Vooral vannacht.

Eva: Waarom wordt ze van me vandaan gehouden?

Coen: Dat zul je later horen.

Eva: Ze is in mijn dienst!

Coen: Later... (er wordt geklopt) Ja!

Blaeu: (komt binnen) Excellentie!

Coen: Ja; Blaeu?

Blaeu: Er is een bode door de vijandelijke linies heen geslopen met belangrijke berichten.

Coen: God geve dat hij versterkingen aankondigt!

Blaeu: Hij heeft een verzegelde brief gebracht die alleen in de vergadering geopend kan worden.

Coen: Blaeu; help mij overeind komen.

Eva: Sta niet op, het zou uw dood kunnen zijn. Wacht toch tot morgen.

Coen: Geef mij mijn stok, Blaeu!... Geef mij die brief.

Blaeu: Excellentie!

Coen: Geef hier; Blaeu! Van wie komt dit bericht?

Blaeu: Van Jacques Specx.

Coen: Jacques Specx. (leest) Nooit kwam een ontzetting gelegener. En toch... Erger kon mij niet overkomen. Onder bevel van Jacques Specx, juist hem.

Blaeu: Maar, Excellentie, Sara is reeds gestraft.

Coen: Haar minnaar opgehangen, zijzelf voorgoed geschandvlekt. Maar ik wil haar ook gevonnist zien. En als Specx hier binnenkomt, zal het een lang proces worden. Zij zullen het slepend houden tot ik dood ben, of erger, haar vrijspreken.

Blaeu: Bent u dan onverzadigbaar? En weegt uw wraak u zwaarder dan het belang van het gemenebest?

Coen: Mijn wraak? Mijn eerherstel! Mijn huis is geschandvlekt, wat ik bij niemand dulden zou, is in mijn huis gebeurd! Voordat de daders verdelgd zijn, kan ik niet vrij ademen.

Blaeu: Wat wilt u doen?

Coen: Eerst deze zaak afwikkelen. Dan mag Specx komen en ondernemen wat hij wil. Schrijf hem dat ik ziek ben, dat wij over drie dagen weer een uitval doen en dat hij dan tegelijk aan moet vallen. U brengt zelf de bode weer buiten de wallen. Zorg dat niemand met hem spreekt. Kan ik op u rekenen?

Blaeu: U weet dat ik u altijd onvoorwaardelijk was toegewijd.

Coen: Ik weet het. Ga met God.

Coen: Daar sta je dan nu, geboeid, en nog getuigt je houding niet van schaamte over je schande, noch van vrees voor de kastijding die je dadelijk zult ondergaan.

Sara: Ik schaam mij nergens voor. Ik ben niet bang voor pijn.

Coen: En ook niet de schande straks in het publiek op het blote lichaam gegeseld te worden? Heb jij in je zedeloze levenswandel ook je jonkvrouwelijke schaamte verloren?

Sara: U moet zich schamen! U laat mij deze straf ondergaan.

Coen: Hebt jij niet meer verdiend? Als ik geen verraders vreesde te maken, zou ik je prijsgeven aan de lusten van de soldaten.

Sara: Niet ik ben schuldig. Door u is Cortenhoeff gedwongen tot de daad die hem zijn eer en zijn leven heeft gekost.

Coen: Ben jij gek geworden?

Sara: Als u bewilligd had in onze verloving, waar niets tegen was dan uw koppig voornemen mij te laten trouwen met een oud, kaalhoofdig predikant...

Coen: Zwijg!

Sara: ...dan had Cortenhoeff mij op behoorlijke tijd en overdag kunnen bezoeken en had niet bij nacht en ontij zijn post hoeven te verlaten om mij te zien.

Coen: Hij had je niet te zien! Sinds ik je aan dominee Hurnius had beloofd, had hij niets meer met jou te maken.

Sara: Het is uw schuld; alles is uw schuld!

Coen: Dus, als ik mijn toestemming had gegeven voor je verloving met Cortenhoeff, zou jij nu nog in het bezit zijn van je deugd?

Sara: Ja.

Coen: Dat zou heel aardig zijn, als dat waar was. Coen is wel oud en ziek en wordt van alle kanten verraden, maar zijn ogen heeft hij niet in zijn zak. (lachje) Wil jij ontkennen dat je ieder manspersoon in onze omgeving toelonkt en zelfs bezadigde lieden het hoofd verwart?

Sara: Ik tracht geen godsvrucht of deftigheid in mijn blikken te leggen zoals de Hollanders. Ik sla mijn ogen niet zedig neer uit valse schaamte, zoals de andere joffers. Ik zie ieder open aan.

Coen: Goed, over uw blikken zullen wij het niet hebben.

Sara: Ik schaam mij niet. Het is uw na-ijver die u dreef mijn vriend te doden. Ik schaam mij niet. Ik veracht u meer dan u ons kunt verachten.

Coen: We zullen zien of je na de tuchtiging nog een even onbeschaamde toon voert. Herhaal je aantijgingen straks tegen de Raad.

Sara: Ik zal dit volhouden tegen u en tegen al de huichelaars die in zwarte tabberds rond een groene tafel zitten.

Coen: Jij weet nog niet wat de foltering uitwerkt. Soldaten! (komen binnen) Doet uw plicht en slaat een stevige hand aan haar. (ze gaan) De geseling zal mijn gemoed opluchten. Ik hunker ernaar. De vesting is in groot gevaar, de handel ligt stil, ik heb wat ik in mijn leven verlangde: eindelijk een nazaat, ik zie er niet naar om. Mijn gedachten zijn steeds bezig met dat ene: dat dit vrouwelijke, verleidelijke schepsel haar straf zal krijgen en eindelijk zal leren dat het niet ongestraft haar lusten van het lijf kan botvieren. Dat en steeds dat éne houdt mij bezig. Hoe komt dat toch?

Blaeu: (bij de deur) Zal ik het u zeggen?

Coen: Blaeu, u stond mij af te luisteren!

Blaeu: Ik hoorde uw laatste woorden. Als ze alleen voor u bestemd zijn, sluit u dan op in uw binnenkamer. Als ik u was, zou ik dat niet doen. Hier kan het gerucht van de terechtstelling doordringen en uw geweten kwellen.

Coen: Kwellen? Laven, bedoelt u! Mijn enige kwelling is dat de straf te licht is. Wat betekenen vijftig stokslagen op een leven? Maar de smaad zal zij levenslang meedragen. Ach, ik beheers mijn eigen gedachten niet meer. Ik vertrouw niemand meer. Iedereen spant tegen mij samen. Soms geloof ik dat ik van God verlaten ben en dat het de duivel is die mij mijn gedachten inblaast.

Blaeu: Zoals de gedachte dat arme kind publiekelijk te martelen.

Coen: U wilt haar nog verdedigen?

Blaeu: Haar daad is ongeoorloofd, maar natuurlijk! Vroeger had je dat zelf erkend.

Coen: Ik? Zoiets erkennen?

Blaeu: Hoeveel malen hebt u mij vroeger niet brieven gedicteerd aan de Bewindhebbers in Holland? Zal ik citeren?

Coen: Ga uw gang.

Blaeu: “Waren hier slechts genoeg vrouwen, de stapel van de Indische handel ware de Uwe, Malakka zou verzwakken. Een kolonie moeten wij planten, vrouwen moeten tot dat doel expresselijk worden gezonden; met ongeregelde lieden kan hier niet wel gedaan worden, laat die hun geld verteren, daartoe zijn zij van God geordineerd. Wie kan de ekster het huppelen verbieden? Even kwalijk kan de menselijke natuur veranderd worden.”

Coen: Maar man, je wilt toch niet beweren dat ik met die woorden het teugelloos botvieren van veile lusten heb goedgekeurd?

Blaeu: Waarom vergeet dominee Hurnius zijn van God gegeven en onverdroten opgehemeld ambt zozeer dat hij nu nog Sara tot wettige vrouw wil nemen?

Coen: Zwijg!

Blaeu: Waarom verzaakte Cortenhoeff, een betrouwbaar en dapper krijgsman, zijn plicht in die gevaarlijke nacht?

Coen: Ik laat u kerkeren als u niet zwijgt!

Blaeu: Waarom slaap ik niet meer, eet ik niet meer, sinds deze droevige feiten bedreven zijn? En waarom staat Coen, onkreukbaar in z'n plicht, wars van persoonlijke ambities en hartstochten, dit weerloos meisje naar het leven? Waarom?

Coen: Ik zal u laten hangen!

Blaeu: Als u dat kunt, maar nadat ik u gezegd heb waarom.

Coen: Ik wil het niet horen!

Blaeu: Wij zijn allen verliefd op haar, ieder naar zijn aard.

Coen: Ik zal je lasterlijke mond snoeren!

Blaeu: U kunt niet opstaan, niet roepen. Het zou u het schouwspel doen missen waarnaar gij zolang gehunkerd hebt.

Coen: U durft mij in dit gezwets te betrekken?

Blaeu: Ja! U was één van de gegadigden. Ook de strenge, hooghartige Coen was gevoelig voor Sara's lieftalligheid. Maar uw rechtschapenheid, uw waardigheid en de echtelijke trouw gedoogden niet dat u een welgevallig oog liet rusten op het meisje.

Coen: (is geërgerd)

Blaeu: En ie werd streng en hard, wilde haar dwingen tot een liefdeloos huwelijk, verwoestte haar geluk, vernederde haar zo diep als ie maar kon. En dat alles omdat u niet van uw voetstuk, gesmeed van deugd, godsdienst en plichtbesef, kon afkomen.

Coen: Ik sta boven u allen, boven uw lusten en al te menselijke verlangens. Ik begrijp niet waarom ik u aanhoor.

Blaeu: Omdat ik de waarheid zeg. En de waarheid hebt u ondanks alles lief. U bent rechtschapen en eerlijk, maar u bent ook een man, en in heel uw machtsgebied is Sara Specx de enige vrouw.

Coen: Hoe bedoelt u?

Blaeu: Uw vrouw is een statige gade, een waardige huisvrouw. De staatsiejoffers zijn ledenpoppen zonder ziel. Daarentegen Sara... Denkt u eens aan uw dringend dreigend eisen: zendt ons vrouwen. Het is niet gebeurd. Nu hebben alle lusten, verlangens en intriges zich samengetrokken op deze éne vrouw en zij is het slachtoffer geworden... (Sara gilt) Zij is onschuldig.

Specx: (komt binnen) Wat is hier gaande?

Coen: Specx, wat doet u hier? Hebt u mijn missive niet ontvangen, die u gelastte te wachten met aanvallen.

Specx: Uw macht strekt zich niet uit buiten de belegerde vesting, het enige Compagniesgebied dat u nog bezit. (Sara gilt)

Coen: Nogmaals: hebt gij mijn missive ontvangen?

Specx: Ja, en een andere. Ik weet wat u tegen mijn dochter Sara beraamt. Dat zal niet gebeuren!

Coen: Het is gebeurd. U bent er vlug bij, maar toch te laat. Het is uw dochter die zij daarginds losbinden. Ziet u nu dat een kind geteeld in het bed der zonde weer tot zonde vervalt?

Specx: Beul, ik zal u doen boeten!

Coen: Wachten wij met een duel tot een beter uur. Men bindt uw dochter los. De Raad zal dadelijk vonnis wijzen.

Specx: Ik wil eerst mijn geloofsbrieven overleggen.

Vlack: Dat is niet aan de orde. We zijn in rechtszitting verenigd. Het vonnis zal worden voorgelezen.

Specx: Ik protesteer tegen dit schandelijke vonnis.

Vlack: Lees het vonnis voor.

griffier: “Batavia, Louwmaand 1628. Wij, Raden van Indië en Schepenen, voor meer dan drie vierden van ons getal bijeen, hebben goed gevonden Sara Specx, betrapt op ongeoorloofde en vileine minnehandel met een officier in Compagniesdienst, te veroordelen tot vijftig geselslagen en verbanning voor vijf jaar uit de gebieden der Compagnie.”

Specx: Het vonnis is nietig. Het misdrijf is geen misdrijf volgens de wet. Ik eis nietigverklaring en vervolging van de drijvers.

Coen: Volgens de krijgsraad was uw dochter schuldig, medeplichtig aan het hoogverraad van een officier in functie.

Specx: Ik ken geen krijgswet waar deze bepaling in voorkomt. Bovendien is de krijgswet heden niet meer geldig. Vannacht is het beleg opgeheven.

Raemburch: Opgeheven? Dus, we zijn veilig. En wij weten daar niets van?

Specx: Vannacht is mijn leger door de vijandelijke linies heen gebroken. De vijand is in volle aftocht. Straks zullen mijn troepen hun intocht doen.

Raemburch: Batavia is gered! Specx, u verdient de dank van allen die deze gevaren hebben doorleefd.

Specx: En lees nu mijn lastbrief.

Vlack: “De Bewindhebbers hebben goedgevonden Jacques Specx, laatstleden bestuurder van hunne Factorij te Firenza in Japan, u aan te bevelen als opvolger van Jan Pieterszoon Coen; u tevens ernstig aan te bevelen wegens zijn voortdurende ziekte al uw invloed aan te wenden en hem hevig te bewegen nu reeds zijn ambt neer te leggen.”

Specx: U ziet: het woord is aan mij.

Coen: Nog niet. U denkt dat ik al aan de rand van het graf sta. Ik weet, mijn dagen zijn geteld. Maar zolang ik leef, zal mijn wil hier gelden.

Specx: Mijn uitdaging, straks, hebt gij aangenomen.

Raemburch: Wij zullen nooit een tweegevecht tussen bestuurders toestaan. Excellentie, wij geven u in ernstige overweging u over te geven aan Specx en rust herstel te zoeken voor uw krank lichaam, opdat u later de Compagnie weer uw onmisbare diensten kan verlenen.

Coen: Nee, op mijn dood wacht men. Batavia is ontzet, ik ben niet meer nodig. Hem die op het juiste ogenblik kwam en op geen tegenstand meer stuitte, begroet u nu als overwinnaar. Ik, die de plaats hield in de benardste omstandigheden, die de verwildering van zeden tegenhield en het recht handhaafde, ik kan gaan, nu de nood geweken is. Maar ik wijk niet. Zolang ik leef, zal ik hier bevelen. Zolang ik leef... (zinkt ineen)

Vlack: Ontbied de chirurgijn, vlug! Is ie dood? Bontius! Haal Bontius! (hoorngeschal, signalen, schoten)

Raemburch: Is de vijand al door?

Specx: Mijn troepen die hun joyeuse entrée houden.

Blaeu: De Gouverneur-generaal is stervende. Hij heeft met dominee Hurnius zijn laatste wil opgesteld en mij een bestuursakte gedicteerd, waarin hij, gebruik makend van zijn recht, een opvolger aanwijst.

Vlack: Hij heeft geen recht een opvolger te benoemen, dit recht berust bij ons.

Blaeu: Alleen Coen heeft het recht. Ik herinner u aan de missive van de Bewindhebbers, die hem autoriseerden bij het overlijden een Compagnies-dienaar bij geschrifte te nomineren, die in zijn ambt en plaats zou succederen.

Raemburch: Dat besluit is van een vorige bestuursperiode en al lang niet meer van kracht.

Vlack: Ik, president der Raad, verordineer dat dit besluit van de Gouverneur-generaal, waarschijnlijk niet bij tegenwoordigheid des geestes is genomen en niet in Consequentie getrokken. Wij zullen overgaan tot stemming over de persoon van een opvolger, daarmee rekening houdend met het advies der Bewindhebbers.

Blaeu: Je hebt het recht niet. Coen leeft nog en niemand in Indië kan hem uit zijn ambt zetten. Wee u als hij nog herstelt.

Raemburch: Daaromtrent hebt u ons straks zelf gerustgesteld.

Blaeu: Toen hij nog krachtig was en voor uw lijfsbehoud moest zorgen, hebt u wel voor hem gesidderd. Nu hij ligt neergeveld, wilt gij hem de genadesteek geven. Petrus moest u allen heten. U danst om een open graf en stoot hem in den gapende kuil.

Raemburch: Ik stel de Heren voor een nieuwe secretaris te benoemen. Creaturen van Coen voegen ons niet.

Vlack: U kunt gaan, meneer Blaeu. (hij gaat) Laat ons hopen dat de Heer Coen een zacht uiteinde toebeschikt. Wij zullen tot stemming overgaan. Ik geloof dat de boodschap van de Bewindhebbers geen twijfel overlaat omtrent de persoon van de opvolger.

Raemburch: Ik kies Jacques Specx.

Vlack: Dan verklaar ik, president van de Raad van Indië, Jacques Specx tot Gouverneur-generaal benoemd en nodig hem uit de plaats in te nemen die hem toekomt.

Specx: Niet voordat het vonnis over mijn dochter is herroepen, niet voordat het onrecht op de aanleggers is gewroken.

Vlack: Laten wij dan terstond daarover vergaderen. Is het uw wens dat ons besluit ook aan Coen zal worden medegedeeld?

Specx: Ja.

Blaeu: (komt weer binnen) Coen is gestorven. Hij droeg de zorg voor zijn vrouw en dochter op aan Van Diemen en drong nogmaals op de keus van de door hem genoemde opvolger aan. Zo gaf hij de geest.

Vlack: Herdenken wij Jan Pieterszoon Coen (iedereen staat recht). Coen, de grote held, de geniale koopman en dienaar der Compagnie, is ontslapen, onze toeverlaat in de ure des gevaars. Laten wij zijn gebreken vergeten die de keerzijde van zijn grote kwaliteiten waren.