Home / Swithin Forsytes gemiste kans

Swithin Forsytes gemiste kans

Een hoorspel in de reeks: Sterker dan de tijd.

De mooiste verhalen in radiostijl bewerkt.

De oude Swithin Forsyte, een rijk man, directeur van een bedrijf en vrijgezel, is eenzaam en z'n dood nabij. Hij denkt terug aan een avontuur dat hij vijfenvijftig jaar tevoren beleefde: gedurende z'n reis door Europa ontmoette hij een jonge vrouw uit de arbeidersklasse en werd verliefd op haar. Eerst kwam hij in de verleiding haar te huwen, maar hij besefte dat dit nooit zou kunnen: zij zou nooit aanvaard worden door zijn familie en klasse, en door haar op te geven, "redde" hij zichzelf dus op het laatste ogenblik.

Rolverdeling.

Gijsbert Tersteeg Swithin Forsyte
Robert Sobels James Forsyte
Luc Lutz Boleskey
Corry van der Linden Rozsi

Aanvullende gegevens.

Auteur: John Galsworthy
Vertaling: Bernard Dekman
Regie: Wim Paauw
Omroep: NCRV
Uitzending: 09-02-1968
Speelduur: 46 minuten
Categorie: Romantiek

Complete reeks in volgorde van uitzending.

Herman en Dorothea

Circusleeuw Khan prefereert groentesoep

Achtergebleven in Toledo

Hoe Achitofel zich verhing

Een onaangenaam voorval

In de heilige paasnacht

De eersten en de laatsten

Moeder van de guerilla

Swithin Forsytes gemiste kans

De nacht van San Rocco

Vader Sergej

De bron van deze productie.

The Salvation of Swithin Forsyte, in: A Man of Devon, 1901.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

James Forsyte: Daar ligt Swithin... In bed. Ik kan me verbeelden dat ik daar zelf lig, want ik ben z'n tweelingbroer. De hoeken van Swithins mond onder z'n witte snor hangen omlaag tot aan z'n dubbele kin. Hij hijgt. Ik moet m'n hand achter m'n oor houden om te begrijpen wat ie zegt.

Swithin Forsyte: M'n dokter zegt dat ik er niet goed voor sta, James.

James: Ik versta je niet. Ze hebben me gezegd dat ik nodig kuren moet. Je moet altijd voor het een of ander kuren. Emily heeft een kuur gedaan.

Swithin: Je mummelt zo! M'n knecht Adolf kan ik verstaan. 'k Heb 'm afgericht. Je moet een oortrompet kopen. Je wordt beverig, James.

James: Ik veronderstel dat je een testament hebt gemaakt? 'k Veronderstel dat jij je geld aan de familie hebt vermaakt. Je hebt niemand anders om het na te laten. Onlangs stierf Danson. Hij vermaakte z'n geld aan een ziekenhuis.

Swithin: Die gek van een dokter zei me dat ik een testament moest maken. Ik heb de pest aan kerels die je vertellen dat je een testament moet maken. M'n eetlust is goed. Gisteravond heb ik een patrijsje gegeten. Heeft me goed gedaan. Hij zei dat ik geen champagne meer moest drinken! 'k Hou van een goed ontbijt. Ik ben nog geen tachtig! Jij bent net zo oud als ik, James. Je bent zo beverig!

James: Laat 'ns een andere dokter komen. Vraag Blank eens, hij is de beste die je vinden kunt. Ik liet 'm komen voor Emily. 't Kostte me 200 guinea, maar hij stuurde haar naar Homburg (1). De beste plaats die er bestaat. De prins was er ook. Maar iedereen gaat daarheen.

Swithin: Ik kan 's nachts helemaal niet meer slapen, omdat ik niet meer naar buiten kom. En ik heb een nieuw rijtuig gekocht. 't Kostte me een bom geld... Zeg, heb jij ooit bronchitis gehad? Ze zeggen dat champagne gevaarlijk is! Ik voor mij geloof dat ik niet beters kan drinken.

James: Ik moet nou weg. Laat 'ns een andere dokter komen, hè? Emily laat je groeten. Ja, ze wilde meekomen, maar ze moest naar de rolschaatsenbaan. Ja, iedereen gaat daarheen. Dat is nou de mode. Rachel is er iedere morgen. Ah, die overdrijft. Vandaag of morgen ligt ze ziek in bed. Vanavond is er een gemaskerd bal. De hertog reikt de prijzen uit.

Swithin: Ik kan hier niks behoorlijks gekookt krijgen. In de club krijg ik tenminste spinazie die behoorlijk smaakt.

James: Wat trillen je benen. De dekens schokken ervan. Nou, jij moet toch een aardige winst gemaakt hebben met die Tinto's (2). Je moet er een hele hoop geld aan verdiend hebben. De pacht van je gronden moet nou ook binnenkomen. Jij moet een hoop geld hebben waarvan je niet weet wat je d'r mee doen moet.

1: Bad Homburg, een stad aan de zuidelijke helling van het Taunus gebergte in Duitsland, heeft een Kurhaus met koolzuur- en ijzerhoudende minerale bronnen.

2: waarschijnlijk beleggingen in de kopermijnen van Rio Tinto.

Swithin: Geld?! Mijn doktersrekeningen zijn ontzettend hoog!

James: Tot ziens, en eh... laat 'ns een andere dokter komen, hè? Nee, ik kan de paarden niet laten wachten. 't Is een nieuw stel. 't Kostte me 300 pond. Jij moet op jezelf passen. Ik zal met Blank over je praten. Ja, je moet 'm beslist nemen. Iedereen zegt dat hij de beste vakman is. Tot ziens.

Swithin: Hij is weg... Z'n hand voelde klam... koud aan. Wat is ie beverig!... (lachje) Arme vent, die James. Een enorme egoïst. Maar, hij is wel een paar miljoen waard.

James: Het gaat mis met Swithin. Hij moest om te beginnen die champagne laten staan. Misschien kan Blank er iets op vinden. Nog maar kort geleden reed Swithin elke dag naar de club. Ja, in de coupé zat ie altijd erg ongemakkelijk, maar hij klom altijd ferm de trappen op. Dankzij z'n stok natuurlijk. Later ging ie steevast dineren achter een fles champagne in een koeler. Omdat ie oud en doof is, sprak ie met niemand en niemand sprak met hem. De kletskous van de club, een Ier, zei tegen ieder nieuw lid: “Die ouwe Forsyte, kijk hem 'ns! Hij moet wel het een en ander achter de rug hebben dat ie zo zuur kijkt.” Mm, Swithin heeft nooit iets beleefd om zuur van te worden.

Swithin: Hoe lang lig ik nou alweer in bed in deze rooie kamer? Ik kan alles wel dromen. Het zilver en het elektrisch licht, de lucht van opopanax (3) en sigaren, de dichte gordijnen, het haardvuur, het kruikje gerstewater, de Times... Het lukt me niet om te lezen. Ik voel me eenzaam... Met een vrouw in de kamer zou alles anders zijn. Een vrouw... Waarom ben ik eigenlijk niet getrouwd? Ik ben nou achtenzeventig. Ja, (lachje) hoe lang is het ook weer geleden? Met die Rozsi (4)? Dat moet wel ruim veertig jaar zijn. Ik was toen achter in de dertig...

3: Opopanax is een harssoort, gebruikt voor de bereiding van politoeren en lakken.

4: Uitgesproken als 'Rozgi'.

***

Swithin: Het is m'n eerste reis op het vasteland. We zijn met z'n drieën: m'n tweelingbroer James en een zekere Traquair, een Schot. Onderweg van Duitsland naar Venetië hebben we een oponthoud in het hotel Goldene Alp in Salzburg. Het is eind augustus en het mooiste weer dat je je kunt denken. Ik had vanmorgen geen zin om mee te gaan naar de Citadel. Voor het raam van de slaapkamer heb ik de dag alleen doorgebracht, sigaren rokend, afgevend op de voorbijgangers. Nu het diner voorbij is, ga ik uit verveling de straat op. Wat een uniformen! En dan al die vreemdelingen met hun onverstaanbaar gekoeterwaal. Ze stinken uit hun baarden naar slechte tabak. Een mooie bende. Het geluid van muziek uit een café trekt me aan. Het is een bierhal, verlicht door een grote houten lantaren. Op een kleine verhoging zijn drie muzikanten aan 't spelen. Kelners lopen snel rond om de lege glazen te vullen. Het is hier vol, de lucht is dik van de rook. Ik bestel wijn en laat die in een bierglas uitschenken. De kelner kijkt geshockeerd, maar hij doet wat ik zeg... Allicht! Lachen die officieren hier vlakbij om mij? Ik kijk onbehaaglijk in hun richting. Aan m'n linkerkant zit een man met de ellebogen op tafel een krant te lezen. Z'n hoekige schouders komen bijna tot z'n ogen. Hij heeft een dunne, lange neus. Een donkerbruine baard hangt als een wilde waaier over z'n borst. Een vreemd, wild, hooghartig kijkend schepsel. Z'n kleren zijn die van een journalist of van een rondtrekkend toneelspeler. En toch kom ik onder de indruk. Dat is gek. De man steekt een hand uit, bedekt met zwarte haren. Hij heft een glas op, dat een donkerkleurige vloeistof bevat. Cognac. Een stoel valt om. M'n buurman is opgestaan. Hij is ontzettend lang en heel mager. Z'n grote baard lijkt uit z'n mond te spatten. Hij staart woest naar de groep officieren en zegt iets.

Boleskey: Hunde! Deutsche Hunde!

Swithin: Dat is een sterk staaltje! Eén van de officieren is opgesprongen en heeft een sabel getrokken. De grote man grijpt naar de gevallen stoel.

Boleskey: Hierheen! Magyaar!

Swithin: Iedereen in de omgeving springt op en verdringt zich om 'm heen. Ik grijns. Zal ik hem te hulp komen? Och nee, je loopt er alleen maar een gebroken neus bij op. Ik kijk om me heen of ik een veilig hoekje kan vinden. Maar op datzelfde ogenblik treft me een citroen op de kaak. Ik spring op en ren op de officieren in. Het plat van een sabel treft m'n arm. De Hongaar zwaait z'n stoel boven z'n hoofd en werpt me een dankbare blik toe, maar opeens heb ik genoeg van 'm. Nou is 't mooi geweest, denk ik, en met een stoel sla ik naar de houten lantaarn. Een enorm lawaai, gezichten en zwaarden verdwijnen. Ik weet de deur te bereiken en een seconde later sta ik op straat.

Boleskey: God bless you, brother. Hier is mijn hand. Let maar niet op het bloed. Ik heb een snee over mijn wang opgelopen. Oh, jullie Engelsen, ik zag u Haynau (5) stenigen, ik zag u Kossuth (6) helpen. Het vrije bloed van uw volk slaakt een kreet tot ons gericht. U bent een groot man, u heeft een grote ziel en sterk bent u. Hoe sloeg u ze neer! (lacht) Mijn naam is Boleskey (7). U bent mijn vriend.

5: Julius Jakob Haynau was een Oostenrijks generaal die op wrede wijze het militair bewind over Hongarije voerde.

6: Lajos Kossuth was een Hongaars vrijheidsstrijder, een nationale held.

7: uitgesproken als 'Bultschie'.

Swithin: Ik ben Forsyte. Boleskey, een vreemde naam. Maar uw Engels is goed. U hebt een lelijke snee op uw wang. Wacht, niet doen! Hier, neem m'n zakdoek.

Boleskey: Dank u, het is niet de moeite.

Swithin: Neem 'm maar... (M'n arm doet nu behoorlijk pijn. Zie je wel, ik heb een spier verrekt.)

Boleskey: Die zwijnen. Hoe sloeg u ze tegen de grond. Twee of drie kapotte koppen. Die laffe zwijnen.

Swithin: Luister 'ns, wat is de kortste weg naar de Goldene Alp?

Boleskey: Maar gaat u toch met mij mee om een glas wijn te drinken. U kijkt voor u op de grond. U wenst mijn vriendschap niet te aanvaarden?

Swithin: Natuurlijk, als u het zo ziet...

Boleskey: (kucht) Vergeeft u mij.

Swithin: Een grote kamer, waar de maan binnenschijnt door een erker. Een lamp brandt er laag. Ik ruik alcohol, tabak, rozen... In een hoek staat een klavecimbel. Op de grond een grote stapel kranten. Aan de wand ouderwetse pistolen en een rozenkrans. Bij een open haard een tafel met overblijfselen van een maaltijd. De Hongaar neemt een fles uit een dressoir en vult twee glazen.

Boleskey: Op uw gezondheid. Ik ben een banneling. (hoest) Al mijn bloedverwanten zijn bannelingen. Die goddeloze honden... Ja, Rozsi, kom maar binnen.

Swithin: Een meisje komt de kamer in. Tamelijk klein, met een allerliefst figuurtje en een grote haarvlecht. Ze glimlacht en laat haar mooie tanden zien. Haar donkere ogen staan ver uit elkaar. Maar ineens maakt ze een gebaar van ontzetting.

Rozsi: Margit...! Margit!!

Swithin: Een ouder meisje komt binnen. Slanker, met mooie schouders, grote ogen, een aardige mond en een mopneusje. Beide meisjes beginnen met kleine liefkozende geluiden vaders gezicht schoon te maken. Ik draai mijn rug naar hen toe. M'n arm doet venijnig zeer. Dat komt ervan als je je bemoeit met dingen die je niet aangaan. Ik had m'n nek kunnen breken. Opeens ligt er een zachte handpalm in de mijne. Twee ogen, verrukt en schuchter tegelijk, kijken me aan. Van buiten de kamer wordt geroepen: “Rozsi!” Meteen is ze verdwenen en ik ben weer alleen met de Hongaar.

Swithin: De naam van uw dochter is... Rosy? Die naam kennen we ook in Engeland, van roos, de bloem.

Boleskey: Rozsi heet ze. Uw Engels is een moeilijke taal, moeilijker dan Frans, Duits of Tsjechisch, moeilijker dan Russisch of Roemeens. Meer talen ken ik niet. (hoest) Wanneer u leefde in een land zoals het mijne, waar alles zich tegen je keert, een vrij volk, stervend maar niet dood... U denkt dat het voorbij is. Ik zeg u dat in de borst van ieder van ons, Hongaren, een hel brandt! Wat is zoeter dan het leven, (hoest moeilijk) wat is heiliger dan iedere ademtocht die wij inademen? Ach, mijn land... Zeg me 'ns, wat zouden jullie doen als de Fransen jullie bezet hadden?

Swithin: Die kikkers? Laat ze 't maar 'ns proberen. Ha!

Boleskey: Drink. Er is niets wat met deze drank te vergelijken is. Ik zal uw glas nog 'ns vullen en daarna ga ik u mijn levensverhaal vertellen.

Swithin: Het is te laat. Ik moet weg. Dit is een uitstekend drankje, maar sterk. Heeft u er nog meer van?

Boleskey: Het is de laatste fles.

Swithin: Wat? En biedt u dat een vreemdeling aan?

Boleskey: Mijn naam is Boleskey, Stefan, van de Boleskeys van Komorn. Men heeft ons talloze malen beledigd. Veel onrechtvaardigs is er gebeurd, en veel laf spel. Ik zag de wolken zich samentrekken en aanstormen over onze vlakte. De Oostenrijker wilde de adem van onze lippen smoren, ook de schaduw van de vrijheid van ons wegnemen. De schaduw... dat was alles wat wij nog hadden. Twee jaar geleden, het jaar '48, toen iedere man en iedere jongen gehoor gaf aan de grote oproep... broeder, een hondenleven! Alleen maar een pen te hebben wanneer al je verwanten op het slagveld staan. Maar dat was mijn opdracht. Mijn zoon werd gedood, mijn broers werden weggevoerd, en ikzelf was uitgeworpen als een hond. (hoest) Ik had het diepst van mijn hart uitgeschreven, ik had al het bloed in mijn lichaam uitgeschreven...

Swithin: (Ik begrijp helemaal niet waar hij het over heeft. Het gezicht van die man met z'n linnen verband, met z'n sombere ogen, z'n grote baardslierten, z'n hartstochtelijk gemompel en holle kuch, het is me allemaal hoogst onaangenaam. Hij demonstreert zijn ontroering zo onbeheerst en openlijk dat de onmiskenbare ernst ervan een zeker ontzag in me oproept. Het is alsof ik gedwongen ben in een gloeiende oven te kijken.) Ik ben u zeer verplicht, het was heel interessant. Goeienacht!... (Boleskey doet geen poging om me tegen te houden. Met stampende stappen loop ik de trap af.)

***

James: Waar hing je toch uit, gisteren? En wat betekent die zijden sjerp om je arm? Eh... luister 'ns, Swithin, Traquair en ik... nietwaar, Traquair?... wij hebben besloten te vertrekken. Salzburg is geen plaats voor een verzamelaar. Alle antiekwinkels hier zijn in handen van inhalige schurken, dat had ik al direct door.

Swithin: Je kan doen wat je wilt, maar ik blijf.

James: Wat? Waarom wou je in 's hemelsnaam hier blijven? Er valt hier niks te doen voor jou. D'r is hier niets te zien, tenzij je naar de Citadel gaat, en dat wou je niet.

Swithin: Wie zegt dat?

Swithin: Even later loop ik alleen buiten en wandel tot aan de brug. In de schitterende zonneschijn glinsteren de kerktorens tegen de parelmoeren achtergrond van de heuvels. De stad ademt een zuivere, vrolijke atmosfeer. Die Citadel daar, 't ziet er uit als een sterk punt, het zou me niets verbazen als ze onneembaar was. Om de een of andere geheimzinnige reden vind ik dat prettig. Het komt plotseling in me op dat het een goede gedachte zou zijn om naar het huis van de Hongaar te gaan. Ik tref de beide meisjes aan in de gang. Een verward verlangen komt in me op om in een vreemde taal te spreken.

Swithin: Mamselle, eh... bonjour, eh... je vader, eh... père, eh... comment?

Rozsi: We spreken ook Engels. Wilt u alstublieft binnenkomen? O, uw arm is verbonden... Is 't erg?

Swithin: Het betekent niets.

Rozsi: Hoh... vader vocht met een stoel, maar u had geen stoel. (lachje) Wat doet u nou? Die zware tafel zomaar met één hand van onderen optillen? O, wat bent u sterk!...

Swithin: Ze maakt een buiging voor me en glipt naar het venster. De snelle intelligentie van haar ogen verwart me.

Swithin: Uw Engels is goed, van u allebei.

Rozsi: Hoor je 't, Margit? Meneer vindt dat we goed Engels spreken. Ja, we zijn ook twee jaar in Engeland geweest. Vader gaf daar les in talen. We zijn nou al een paar jaar in Salzburg... We wachten...

Swithin: Het zou de moeite waard zijn deze meisjes sjiek te kleren. Vooral Rozsi, met dat soepele figuurtje, donzig haar en kleine handjes. Onmiddellijk storen mij mijn eigen handen, gezicht en kleren. Wat is deze kamer bij daglicht verschoten en stoffig! 't Stinkt als een bierkroeg. Ik ga weer zitten, dicht bij Rozsi.

Rozsi: Houdt u van dansen? Dansen is leven. Eerst hoor je de muziek, dan beginnen je voeten te jeuken. Het is heerlijk. Je begint langzaam, vlug, vlugger, je vliegt... Je weet niets meer, je voeten zijn in de lucht. O, het is heerlijk. Ho, wanneer ik dans, dan zie ik de velden daar buiten. Je voeten gaan één... twee... drie, vlug, vlug, vlug, vlugger, vlugger en je vliegt! Margit! Dans!

Swithin: Met de handen op elkaars schouders beginnen de twee meisjes met hun voeten te schuifelen en heen en weer te zwaaien. Hun hoofden werpen ze achterover, de ogen half gesloten. Plotseling stappen ze snel, ze zwaaien naar één kant, dan naar de andere kant en beginnen vlak voor me rond te wervelen. De geur van rozenbladeren omringt me. Ineens komt Boleskey de kamer binnen. Hij grijpt m'n beide handen.

Boleskey: Broeder! Welkom! O, uw arm is gewond... Ik zal dat nooit vergeten. Had u een boodschap?

Swithin: Een boodschap? Nee. Of eh... ja toch! Ik was zo geboeid door het dansnummertje van uw dochters dat het mij even ontschoot. Mag ik u drieën uitnodigen morgen met me te dineren, in de Goldene Alp?

Swithin: Ik voel de ogen van allen op me gericht. De mooie ogen van die Hongaar, Margits brede glanzende kijkers, en ten slotte, die van Rozsi. Een gloed van voldoening loopt langs m'n rug. Op straat denk ik: “Nou zit ik ermee!” Een paar passen lang kijk ik voor me uit, maar dan wend ik me met een geforceerde glimlach om en neem m'n hoed af voor de gezichten aan het venster. Bij het diner blijf ik raadselachtig kijken naar m'n broer en naar Traquair. Wat weten zij van het leven af? Ze zouden hier een jaar kunnen zijn en geen stap verder komen. Ik maak grapjes en prik het menu vast aan de jaspanden van de kelner. Ik hou van deze stad, ik wil hier drie weken blijven. James, die op het punt staat een pruim tussen z'n lippen te steken, kijkt me bevreemd aan.

***

James: Wat bezielt Swithin de laatste dagen? Is ie gek geworden? Waarom houdt ie ineens zoveel van Salzburg dat ie er drie weken wil blijven? Waar zit ie toch iedere dag? Ja, dat ie z'n eigen gang wil gaan, moet hij weten, maar hij laat mij maar alleen opgescheept zitten met die Traquair, die nooit een mond opendoet. En in wat voor gezelschap is ie verzeild? Gisteravond bracht ie gasten mee voor het diner, een mager soort trotse landloper met een woeste baard, een pleister op z'n gezicht, en een paar wilde ogen. Ik kon de naam niet verstaan. En dan twee meisjes, dochters blijkbaar. Knappe dingen, daar niet van... Verlegen, maar fatsoenlijk. Ik herkende Swithin niet: almaar praten, eten, toasten... met de grote ogen van die jonge meisjes bewonderend op 'm gericht. En die lange wildeman dronk ook een stevig glas. Traquair en ik zaten achter(af?). We aten het gewone menu, met ijzige gezichten, maar erg nieuwsgierig natuurlijk. Is hij in de handen van oplichters verzeild geraakt? Ik werd bang. Tenslotte ben ik mee verantwoordelijk voor het familiekapitaal. Ik heb een jonge kelner die net vrij kwam getipt, en die is ze na afloop van het diner achterna gegaan. Ze zijn in de buurt van de kathedraal in een donker straatje ergens heel geheimzinnig naar binnen geslopen. Daarna kwamen er nog mee mensen bij. Die jongen denkt dat het een verboden bijeenkomst was, van Hongaren vermoedelijk. Later werd er een patriottisch lied gezongen. Ineens doken er politieagenten op, die op de deur gingen bonzen. Binnen ontstond rumoer, het gezang stokte, elk lichtschijnsel verdween. De politie forceerde de ingang. In het donker werd gevochten. De jongen werd bang en nam de benen.

Swithin: (hijgend) Hier zijn we veilig. Ben je gewond, Rozsi?

Rozsi: Nee, ik geloof het niet. Nee, ik was bang.

Swithin: Bang, zo zou je 't kunnen noemen, ja.

Rozsi: Maar u bent zo sterk.

Swithin: Dit is geen plaats voor u. Ik ga u naar huis brengen.

Rozsi: O, maar... papa en Margit?

Swithin: Die zullen wel voor zichzelf zorgen. Kom maar gauw mee.

Swithin: Haar hand glijdt onder mijn arm. Ik voel de zachte lijnen van haar lichaam. Elke beweging van haar verhoogt m'n kwaad humeur. Ik brand van woede, alsof alle passies in mij gisten en ieder ogenblik kunnen overkoken. Het lijkt alsof een vergif z'n weg tracht te vinden door m'n vlees. Ik blijf koppig zwijgen. Ook Rozsi zegt niets. Maar bij de huisdeur gekomen trekt ze haar hand terug.

Rozsi: U bent boos.

Swithin: Boos? Nee! Hoe kom je er bij?

Swithin: Ik voel een martelend verlangen haar te kussen.

Rozsi: Ja, u bent boos. Ik zal hier wachten tot papa en Margit komen.

Swithin: Ik wacht ook, tegen de muur geleund. Ik zie hoe ze naar me kijkt, met een smekende blik, en met een zeker genoegen verhard ik m'n hart. Na vijf minuten verschijnen Boleskey en Margit. Als ze Rozsi zien slaan ze luide kreten van opluchting. Ik maak rechtsomkeert en loop weg.

Rozsi: Ik kan niet slapen... Waarom was hij boos? Wat kon ik anders doen dan mijn ogen laten spreken. Waarom keek hij langs mij heen? Waarom nam ie geen afscheid? Huh... ben ik beledigd, of alleen maar verdrietig...? Haat ik hem, of hou ik van 'm? Ik begrijp niet wat hij wil. En wat wil ik eigenlijk? Voor 'm dansen, en dan... dan, als ik niet meer kan, door hem worden opgevangen, gekust. Dus... ik hou toch van 'm? Ja... soms hartstochtelijk. Dan weer vind ik 'm vreemd, ijzig, zelfingenomen. Maar hij is sterk, en moedig. Vader houdt van hem. Margit niet zo. Ze zegt dat ik nooit gelukkig met 'm zou kunnen worden. Ik zou wegkwijnen in de Engelse mist, zegt ze. Maar het is gek. Juist de gedachte dat hij een stijve Brit en ik een Hongaarse ben, kalmeert me een beetje. Met dat beetje aanmoediging van me zou een landsman me al hebben geschaakt. Ik zal duidelijker moeten zijn, naar 'm toe gaan. Ja, dat is het, dat doe ik. (zucht) Dit geeft me rust.

Swithin: Ik kan niet slapen. M'n lever is niet in orde. Ik word gefolterd door besluiteloosheid. In de vroege morgen loop ik doelloos door het bos. Ik kom met natte schoenen thuis, val in slaap en droom dat Rozsi een dienstmeisje is. Ik vraag haar m'n kleren te verzorgen en in te pakken, maar ze wil daar 22 shilling voor hebben en dat vind ik vrij duur. Pas om 12 uur 's middags kom ik beneden. James en Traquair zitten nog aan tafel. Ze zijn hun reisroute aan 't bespreken. Ineens is mijn besluit genomen.

Swithin: Ik ga met jullie mee.

James: Er zijn hier zoutmijnen in de omgeving. We zullen onderweg een paar uur moeten pauzeren om die mijnen te bekijken. Iedereen zal je vragen of je ook de zoutmijnen gezien hebt en ik zou het niet prettig vinden om te moeten zeggen dat ik de zoutmijnen niet gezien had. “Wat heeft het nou voor zin,” zouden ze zeggen, “om daar naartoe te gaan als je de zoutmijnen niet gezien hebt?” Ja, en hoe zit dat met die hulpkelner, die niksnut? Moeten we die een fooi geven of niet?

Swithin: Daar gaat Rozsi! Met Margit. Ze hebben elk een klein mandje aan de arm. Rozsi, verleidelijker dan ooit, kin opgeheven, onderlip een beetje vooruit. Rozsi, met 'r ronde hals boven de welvende schouders...

Swithin: Maken jullie je eigen plannen maar. Vergeet mij maar.

Swithin: Ik ren het restaurant uit. De meisjes zijn verdwenen. Ik roep een rijtuig aan en zwaai met m'n stok.

Swithin: Rijden!

Swithin: Ik kijk scherp uit. 'k Moet de hoop spoedig opgeven, maar laat de koetsier steeds maar rondrijden. De hele dag blijf ik rijden, tot verre buiten de stad, en ik jaag de koetsier op tot grotere snelheid. Ik verkeer in een vreemde toestand van haast en verrukking. Ten slotte dineer ik in een kleine landelijke herberg. Het diner is afschuwelijk. Als ik later op de avond thuiskom, vind ik een notitie die Traquair geschreven heeft: “Ben je wel bij je verstand, man? We hebben geen tijd meer om hier zinloos te blijven hangen. Als je nog met ons mee wilt, kom dan naar Hotel Danielli in Venetië.” Ik lees dit grinnikend. 'k Voel me verschrikkelijk moe, rol in bed en weet verder niets meer.

***

Swithin: James en Traquair zijn al drie weken weg. Ik ben nog steeds in Salzburg. Niet meer in de Goldene Alp, maar op kamers, dicht bij de Boleskeys. Ik heb een klein fortuin aan bloemen uitgegeven. Margit bedankt me altijd verrukt fluisterend, maar Rozsi zegt eenvoudig...

Rozsi: Wel bedankt.

Swithin: ...alsof ze er recht op heeft. Soms steekt ze een bloem in het haar. Ik verbaas me wat haar betreft nergens meer over. Soms kijkt ze me aan en vraag ik me af: ”Wat wil ze toch? Stel ik me niet aan als een gek?” Soms zit ik 's nacht met m'n sigaar half opgerookt in m'n hand een uur of langer nog naar de wand te kijken, met al de kandelaars brandend. Ik denk altijd aan Rozsi... Als Boleskey nu maar zindelijk was! Waarom kan ie niet in zaken gaan in plaats van al dat geklets. Die vent is ziek, en toch nog trots. Een kerel zonder een cent op zak! Op een avond zag ik dat niet alleen hij, maar ook Rozsi met hun vingers kippenboutjes pakten en afknaagden... Ik heb toen m'n koffers gepakt, maar ben toch niet vertrokken. En nu zit ik hier in het park tussen de standbeelden. Wie komt daar aanwandelen? Rozsi!...

Swithin: Goedemorgen! U wist dat dit mijn plaatsje was?

Rozsi: Ja.

Swithin: Weet u wel dat u mij zeer vreemd behandelt?

Swithin: Rozsi pakt met haar kleine zachte hand de mijne, springt op en rent weg. Ik haal haar in bij de brug en schuif haar hand onder mijn arm.

Swithin: Dat had u niet moeten doen. U had niet van me weg moeten lopen, weet u dat wel?...

Swithin: Rozsi lacht. Ik krijg lust haar door elkaar te schudden.

Swithin: Wilt u de goedheid hebben mij te zeggen waarom u naar die bank in het park kwam?

Rozsi: Morgen is het feest.

Swithin: Is dat alles?

Rozsi: Als u niet gaat, dan wil ik ook niet gaan. Ik bedoel: als u ons niet meeneemt, kunnen we niet gaan.

Swithin: Dus... ga ik de jaarmarkt op, met aan elke arm een meisje. Precies een kleine Cockney kantoorbediende. Hun geestdriftige stemmen en bijvalsbetuigingen lijken me vulgair, maar als Rozsi tegen me aanleunt, gaat er een rilling van verlangen door me heen.

Rozsi: Is 't niet heerlijk, het leven? Het orkest begint een wals te spelen. Nu gaan ze dansen. En vindt u de lampjes niet prachtig?

Swithin: Haar ogen vragen: “Zullen we? Wilt u echt niet?” Hoopt ze werkelijk dat ik me tussen dat plebs begeef, dat ik me ga aanstellen in deze wilde troep!? Even later danst ze aan me voorbij met een landgenoot.

Rozsi: Het is een vriend.

Swithin: Meer zei ze niet ter verklaring. Ik betaal m'n rekening en zoek met drukkende schouders m'n weg door de menigte. Hoe verder ik de kermis achter me laat, des te meer jaag ik m'n eigen woede op. De volgende morgen wil ik vertrekken, maar er is geen rijtuig te krijgen. De dag is grijs en mistig. Ik wandel maar wat in het wilde weg, met de angstig zoekende blik van een verdwaalde hond. Laat in de middag thuisgekomen tref ik in de hoek van m'n zitkamer Rozsi aan...! Ze verbergt haar gezicht in de handen. Plotseling laat ze haar handen vallen. Haar gloeiend gezichtje trilt. Gaat ze in tranen uitbarsten? Ik moet haar tijd geven. Maar plotseling, gegrepen door een redeloze angst vanwege haar zwijgen, keer ik me met een ruk om en grijp haar vast bij de armen. Ze werpt zich vooruit en verbergt haar gezicht aan m'n borst...

***

Swithin: Een half uur later... Ik ijsbeer op m'n kamer heen en weer. De geur van rozenbladeren is nog niet vergaan. Er ligt een handschoen op de grond. Ik pak 'm op en sta daar heel lang, de handschoen wegend in mijn hand. Verwarde gedachten en gevoelens waren in me rond. Het is het zuiverste en meest onzelfzuchtige ogenblik in mijn leven. Maar het duurt niet lang, het wordt gevolgd door een laag-bij-de-gronds gevoel van triomf, en door onbehagen. Beslister dan ooit ben ik van plan m'n eigen weg te gaan. Er zijn allerlei mogelijkheden om Rozsi terug te zien. Ik sta nog in vuur en vlam door haar kussen.

***

Swithin: Een dag later. Ik ren de trappen op bij de Boleskeys. De kamer is leeg. Het meubilair staat er nog, maar nergens is een teken van leven. Eén van m'n eigen boeketten staat verwelkt in een vaas. De as van het vuur is nog amper koud. De kamer ruikt muf... Ik loop de slaapkamer van de meisjes binnen en sta verbaasd naar de bedden te kijken, naast elkaar tegen te muur. Ik raap een stukje lint op, een bewijsstuk dat zij werkelijk heeft bestaan... Bij de spiegel liggen een paar haarspelden. Er is een beetje poeder gemorst. Ik ben bedrogen. Een slonzige vrouw houdt me op de gang tegen en drukt me een brief in de hand. Hij is van Rozsi.

Rozsi: “Vergeef me dat ik u verlaat zonder afscheid te nemen. Vandaag kreeg m'n vader een bericht uit onze dierbare vaderstad, een bericht waarop hij lang heeft gewacht. Over twee uur zijn we klaar. Ik bid tot de Heilige Maagd dat zij u altijd moge bewaren en dat u mij niet helemaal zult vergeten. Uw goede vriendin, die u nooit zal vergeten. Rozsi.”

Swithin: Ik wist met moeite van de oude vrouw te weten te komen dat de meisjes Boleskey drie uur tevoren met een rijtuig naar Linz waren vertrokken, Boleskey zelf op een wit paard ernaast. Ik riep onmiddellijk een rijtuig en ging er achter aan. Het was al over tienen in de avond toen ik ze eindelijk inhaalde. De lange Hongaar in het maanlicht, op z'n broodmagere witte Rossinant (8), met in z'n hand een revolver, bood een griezelige aanblik. Toen hij mij herkende was hij overdreven dankbaar. Rozsi deed erg schuw en liet zich bij de maaltijd eerst niet zien. Later kwam ze toch. Boleskey, vermoeid of dronken of allebei, viel bij de koffie in slaap en werd door Margit naar bed gebracht. Rozsi en ik waren alleen. Onze handen vonden elkaar. Er brak iets in me open... Ik vergat alles. Haar hoofd viel op m'n schouder. Ik ademde de geur in van haar haren... Ineens fluisterde ze:

Rozsi: Goedenacht...

8: De amechtige knol van Don Quichot.

Swithin: En voor ik haar had kunnen tegenhouden, was ze weg. Ik zat daar, strak starend naar een enkele stralende druppel gemorste wijn die trilde aan de tafelrand. Op dat ogenblik was ze in haar hulpeloosheid en ontroering alles voor me. Mijn leven was niets. Gewoonte, overtuiging, opvoeding, ikzelf... dat alles verdween achter een wolk van hartstocht en ongewone ridderlijkheid. Zorgvuldig sopte ik die glanzende druppel op met een stukje brood. Ik dacht: “Dit is enorm...” Heel lang stond ik daar voor het raam, vlak bij de donkere pijnbomen. Maar de volgende morgen - ik zat op de rand van m'n bed met m'n hoofd in m'n handen - dacht ik er ernstig over na wat een huwelijk met Rozsi zou betekenen. In de eerste plaats was het belachelijk, in de tweede plaats belachelijk en in de derde plaats belachelijk. Ze zou kippenpootjes met haar handen eten. Met die vingers die ik nog steeds hartstochtelijk graag zou kussen. Ze zou wild ronddansen met andere kerels, ze zou praten over haar “dierbaar vaderland” en voortdurend zouden haar ogen langs me heen kijken naar de een of andere vervloekte plaats die ik helemaal niet kende. Ik sprong op en ijsbeerde door de kamer. Een ogenblik dacht ik dat ik gek zo worden.

***

Swithin: Ik... ben niet gek geworden, al zal die koetsier dat wel hebben gedacht toen ik in z'n rijtuig sprong en gilde: “Naar Salzburg, zo hard je maar kunt.” Ik heb niet meer omgekeken. In Venetië trof ik James en Traquair aan. En daarna gingen we scheep naar Genua. Die winter in Londen voelde ik me bijna weer normaal... Soms overvielen me vlagen van gemelijkheid?, en dan was het maar beter uit m'n buurt te blijven. Van Rozsi heb ik nooit meer iets gehoord... Vannacht heb ik haar in m'n droom gezien, met haar diepliggende ogen, haar wijde en in de verte starende blik. Terwijl ik toekeek, leken die ogen hard als staal te worden. Ze had een fijne blos, ze was ondoorgrondelijk en verleidelijk, met 'r donzig haar en beweeglijke lipjes... Precies zoals ik haar voor het laatst zag.

Rozsi: Zoek je iets?

Swithin: Ik heb alles wat ik nodig heb.

Swithin: 'k Voel de aanraking van haar vingers op m'n voorhoofd. Ik droom. Ze is weg. Ik heb m'n kans gemist... (snikt) Wie snikt daar? Ben ik dat zelf? M'n voorhoofd is nat van het zweet. Wat is er? Wat heb ik dan gemist? Langzaam ga ik in gedachte langs m'n investeringen. Ik kan er geen één vinden die niet helemaal veilig is. Maar wat is er dan? Een teug champagne zal me goed doen. De dokter en Adolf zeggen dat het vergif voor me is, maar ik geloof dat ik niet beters kan drinken. Met moeite breng ik het glas aan m'n lippen... Ik word kwaad. Dit is geen Heidsieck!... Wat gebeurt er? Wat breekt daar in me?...

James: Is ie dood? Dat kan niet. Een uur gelden was ie nog volop in leven... Op het bed ligt Swithins lichaam, dubbelgevouwen als een zak. Z'n hand houdt het wijnglas nog in vaste greep... Swithin?... Met mijn hand aan mijn oor wacht ik op antwoord..., maar... er komt... niets...