Home / De vrouwen die naar het graf toegingen

De vrouwen die naar het graf toegingen

Het hoorspel speelt in de woning van wijlen Judas, in de nacht van Goede Vrijdag. Hier komen toevallig de vrouwen bij elkaar die in de vroege ochtend naar het graf toegaan. Het groteske is karakteristiek voor een groot deel van het werk van de auteur. 't Clowneske eveneens: het tragische waar je om moet lachen; zoals in dit hoorspel: het korte optreden van de weduwe van Judas. Wrange humor, maar nergens ook maar de geringste spot met het lijdensverhaal.

Rolverdeling.

Ingeborg Uijt den Bogaard
Wiesje Bouwmeester
Willy Brill
Margreet Heemskerk
Eva Janssen
Nell Koppen
Corry van der Linden
Paula Majoor
Tine Medema
Dogi Rugani
Fé Sciarone
Hans Veerman

Aanvullende gegevens.

Auteur: Michel de Ghelderode
Vertaling en regie: Willem Tollenaar
Omroep: KRO
Uitzending: 09-04-1974
Speelduur: 27 minuten
Categorie: Religieus

De bron van deze productie.

Les femmes au tombeau. Tragédie pour marionnettes, Éd. Tréteaux, Brussel 1934.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

(straatgeluiden)

de vroedvrouw: Laten we hier maar naar binnen gaan, meid. Je wordt als vrouw gewoon onder de voet gelopen door die uitzinnige troep. (ze gaan naar binnen) Verlaten woning met de deur open. Zo heb ik er al veel gezien op deze ongeluksdag.

de aflegster: Een huis van een christen, wat ik je smoes. Die hebben gaten gegraven, de christenen, buiten de stad, om in onder te duiken. En d’r zijn er ook die in bomen zijn geklommen om zich daar te verbergen. Wat een waanzin! De zoon van God is dood, z’n waanzin is er nog. Ideeën, je kan ze de kop afhakken, maar de lijven blijven kronkelen. Doe de deur dicht. (dat doet ze) Jij bent vroedvrouw, hè? Laat me gezicht ‘ns zien... Jazeker. Goeienavond, mevrouw, die de kindertjes uit de buik naar buiten helpt en ze wast.

de vroedvrouw: Zo is dat. Jij helpt de kinderen als ze oud zijn geworden, bij het sterven en wast ze dan. (lacht) D’r moeten d’r heel wat het hoekie om gaan voor jij je happy voelt.

de aflegster: (lacht) De spijker op z’n kop! En voor jou moeten d’r heel wat vrouwen openbarsten onder de volle lach van de maan.

de vroedvrouw: En of. Vannacht ga ik van tot deur tot deur. Vrouwen die op alle dag lopen zullen ‘m ontzettend geknepen hebben. ‘t Gebergte heeft geschreeuwd en de wereld is onder in een kelder gevallen. Ik heb de maan vreselijke gezichten zien trekken. Als granaatappels barsten die buiken van al die vrouwen open. (lachje) En wat voor vruchten zal ik er uithalen, hè?

de aflegster: Voor mij is het deze nacht even druk als voor jou. Die ouwe lijken zijn weer op d’r verrotte benen gaan staan. Ik moet ze weer neerleggen als ik ze ergens zie. Netjes weer een nieuw doodshemd aandoen. En dan reken ik nog niet eens de levenden hier in Jeruzalem mee, die zich letterlijk doodgeschrokken zijn. Nietwaar? Wij schrikken nergens van, nee, wij weten waar de mens vandaan komt en we weten waar de mens naartoe gaat. Voor ons baart het ongeluk geluk, en deze hartstikke donkere vrijdag wordt een vrijdag van stralend goud... Zeg, Christus, is die nou ook uit een vrouw geboren in een plas bloed?

de vroedvrouw: Ik zou het niet weten. Is ie gestorven zoals anderen sterven?

de aflegster: Ik zou het niet weten. Wie heeft ‘m begraven? Een paar van z’n volgelingen?

de vroedvrouw: Ik zou het niet weten. Zeg, heb jij gemerkt dat alle wijven zich als idioten aanstelden?

de aflegster: Dat is altijd zo bij executies. Het zien van al die wonden, hè. Heel wat vrouwen maken nou een nummertje vannacht.

de vroedvrouw: Goeiedag! Ik heb horen zeggen dat toen de graven opengingen, er vrouwen zijn geweest die boven op de tot leven gekomen lijken sprongen om tot hun gerief te komen. (ze lachen) Die krijgen vast paarse kindertjes, zal je zien.

de aflegster: We maken gekke dagen mee. Niks als toverij.

de vroedvrouw: Hou je kop eens! D’r staat iemand stil, voor de deur.

Magdalena: (maakt ongearticuleerde geluiden)

de aflegster: Zie je dat? Die is gek. Staat te beven van boven tot onder en van binnen en van buiten.

Magdalena: (idem)

de aflegster: Kom d’r in, meid.

de vroedvrouw: Je zal veel gekke wijven zien, en meer naargelang het nog donkerder wordt. Vrouwen die door kerels gewurgd zijn en vrouwen die buiten naakt rondrennen. Komt ze niet binnen?

Magdalena: (idem)

de aflegster: Vooruit, kom maar naar binnen, jij. (sluit de deur) Dit huis is niet van ons, ‘t staat leeg.

Magdalena: (idem)

de aflegster: Wil je een beetje bijkomen?

Magdalena: Ja... Huh, nee... O, nee... (lacht) Lijden... (lacht)

de aflegster: Waarom lach je nou als je ‘t over lijden hebt?

Magdalena: Nee, nee, nee, niets dan lijden. (lacht) Oh, ik... ik kan niet meer... Oh.. oh... oh... Doe me een prop in m’n mond, doop de spons in de edik. (lacht)

de vroedvrouw: Da’s ook mooi! Lachen in een nacht als we nou meemaken. Zelfs de rotsen weeklagen. Gek... Helemaal gek. Moet jij soms zo nodig een man hebben?

Magdalena: (lacht) Ik lach niet. ‘t Is m’n keel. (huilt)

de aflegster: Kijk nou eens, ze gaat erbij op de grond liggen.

Magdalena: Oh, oh, laat me maar. (lacht)

de aflegster: Uitkijken, meid, misschien bijt ze. Ze kwijlt al. Ben je soms een dolle hond tegengekomen, hè?

de vroedvrouw: Ze is smerig. Ze stinkt. (snuift) Wie heeft er over jou heen gekotst? En hoe komt die modder daar? Heb jij een lolletje gehad op het kerkhof met een geil lijk?

Magdalena: Ho, rotwijven!... Ah... hij is gestorven op het derde uur. (snikt)

de aflegster: Wie? Jouw liefje? Eén van de moordenaars? Sta op. Je bent bezeten van de demon net als de berg, de stad en de lucht. Hou op met die smoelentrekkerij of ik haal de politie. Die zal je in een dwangbuis stoppen.

de vroedvrouw: Ah, laat ‘r maar op d’r rug liggen. Ze houdt ‘r buik vast. (schamper lachje) Dat is zo er eentje die vlamt van de jeuk tussen d’r benen. Ah, wat kan ons d’r aanstelleritis toch eigenlijk schelen? Hoe heet jij?

Magdalena: Magdalena. Oh... ik heb pijn... (steunt) Jij... Bloed nog een keer... oh... oh... bloed leeg over mij... oooh... ooh hohohoh...

de aflegster: Hoor je dat? Ze begint klaar te komen.

Magdalena: Ohohoh, levend was ie, als ijs, dood is ie laaiend vuur! Ohohoh...

de vroedvrouw: Ze is buiten kennis. Ze zal toch niet dood wezen?

de aflegster: Dan zou ik ‘r afleggen. Ze is niet dood, maar slaapt. ‘t Is een ziekte. Moet je d’r ‘ns aanraken. Net hout.

de vroedvrouw: Als ze weer bijkomt, zullen we d’r vragen wie d’r in trance brengt. Zeg, nou zie je dat ze een knap smoel heeft. (er wordt geklopt - deur wordt geopend)

Marthe: Bij wie zijn we hier?

de aflegster: Bij niemand. Kom binnen, ‘t is hier een schuilplaats.

Marie: ‘t Is ontzettend donker. We hebben alleen maar dit lampje. Kunnen we hier blijven, dames, zonder verder iets te zeggen?

de vroedvrouw: Jullie kunnen blijven. Wat dat niks zeggen betreft, op de lange duur...

Marthe: We hebben niets te zeggen wat de moeite waard is.

Marie: (schrikt) Wie is dat dooie mens? O, Magdalena... Dat is niet zo mooi, Marthe.

Marthe: We moeten doen alsof we d’r niet kennen. Te veel in de gaten lopen kunnen we niet hebben. Waar wacht u eigenlijk op, dames, in deze kamer?

de aflegster: Tot het buiten wat rustiger wordt. Er zijn dronken kerels op straat en mensen die door het dolle heen zijn. Wij zijn bang voor de een of andere opdoffer die verkeerd aankomt. Zo is dat.

de vroedvrouw: En vrouwen zijn altijd het slachtoffer, dat weet u. U bent kalm. ‘t Laat u nogal koud, u beiden?

Marie: We zijn vrouwen in rouw, anders niet.

de aflegster: Gloednieuwe zij? Van kortgeleden, die rouw? Wist u dat er doden zijn opgestaan, bij bosjes tegelijk? Stel u voor! Als uw overleden man d’r nou ‘ns bij is en naar huis is gegaan voor een lekker happie, of nog mooier: om een nummertje met u te maken. Vooruit, ga gauw kijken!

Marthe: Wilt u soms geld hebben? Ik zal het in die rotbek van je stoppen.

de aflegster: Mijn mond is geen spaarpot, als je dat maar weet. Stelletje kouwe kak. (lachje) D’r zijn hoeren die in de rouw tippelen, en met succes.

Marie: Kom mee, Marthe.

Marthe: Nee, nee nee, op straat is het nog erger. En Magdalena kan wakker worden. Ze is tot alles in staat, namen noemen die je op het ogenblik beter voor je kunt houden. Is het laat?

Marie: ‘t Is helemaal donker. Ze lopen allemaal met lantarens. Geen mens doet een oog dicht vannacht.

Marthe: We blijven hier. Alles okay, dames?

de aflegster: Mij best...

Marie: Er hangt hier in huis een eigenaardige lucht...

Marthe: Ja, ‘t doet me aan iemand denken. Hij stonk ook zo. Een bedorven lucht. (er wordt zachtjes geklopt)

de vroedvrouw: Ja, binnen. (deur open) (lachje) Een vrouw meer of minder, de kamer is groot genoeg. Nou, kom maar.

de aflegster: Heeft ook manieren! Deur achter je dicht!

Veronica: (sluit de deur) Oh... pardon. Mijn naam is Veronica.

Marthe: Veronica? Marie, dat is ‘r! Voor de dag d’r mee, Veronica, en vlug een beetje. Laat ‘ns zien die afdruk die je hebt gestolen.

Veronica: Waar haal je ‘t lef vandaan! Ik heb nog nooit gestolen!

Marie: Waar is die linnen doek? Er zijn wel honderd getuigen die gezien hebben wat je deed.

Veronica: Iets doen uit naastenliefde, is dat een misdaad? Wat heb ik dan wel gestolen? Nou?

Marthe: Zijn heilig Gelaat.

de vroedvrouw: (lachje) Dat ze jat, ken je zo zien. Ze is toch in verwachting, niet?

de aflegster: Heel juist, meid! Stelen moet je, zwanger of niet. Waarom bezitten een paar mensen alles en de rest niks? Ik ben voor gelijkheid van recht en bezit. Wij maken je niks hoor, zus, maar je moet wel eerlijk opdelen.

Veronica: Je kan een gezicht toch niet verdelen? Hoe zou je dat nou moeten doen? Jij de neus, jij een oog en zij de baard?

de aflegster: Ook stom om een gezicht te stelen! Kan je beter een strijkbout pikken, of gebakvormen.

Veronica: Ik heb helemaal niet gestolen. Die linnen doek is mijn eigendom.

Marthe: Die was je eigendom, voordat je ‘t gezicht erop afgedrukt kreeg. Van toen af werd het een heilig stuk linnen dat aan heel de christen gemeenschap toebehoort. Geef op, ik zal zorgen dat het bij de christenen terechtkomt als ze in vergadering bijeen zijn.

Veronica: Die linnen doek en die beeltenis blijven mijn eigendom. Die beeltenis is mijn beloning, want ik was de enige van al die weeklagende vrouwen. Weet je wel, die vrouwen die je overal langs de weg ziet staan als d’r een stoet met een ter dood veroordeelde voorbijtrekt, omdat ze grienen zo fijn vinden. Ik was de enige die tot de Christus doordrong om het zweet dat in z’n doodsstrijd over z’n gezicht liep af te drogen.

Marie: Bij die vrouwen waren wij ook.

Veronica: Jullie waren d’r ook, ja, en voor jullie die zo aanstellerig stonden te lamenteren, heeft de Christus deze woorden gezegd: “Huil niet om mij, maar huil om jezelf en je kinderen...” Hij wist dat vrouwen altijd alleen maar echt huilen om zichzelf en om wat hun het liefste is, en dat huilen anders hetzelfde voor ze is als piesen. Het lucht op.

de aflegster: Dat heb je mieters gezegd, Veronica.

de vroedvrouw: Kunnen jullie in je zak steken, jullie met je zwarte sluiers! Hou jij dat gelaat maar, Veronica. Je hebt het eerlijk verdiend. Wil je ons die linnen doek niet ‘ns laten zien?

Veronica: Ik heb ‘m niet bij me. Je kan het ook beter niet zien. Mooi is het niet, ‘t gezicht van iemand in doodsstrijd. ‘k Zal d’r niet vaak naar durven kijken. Verschrikkelijk cadeau.

Marthe: Marie, ik moet er niet aan denken dat zo’n relikwie in het bezit blijft van die meid.

Marie: En wat wil je er aan doen? Het is ook een christen.

Marthe: Er zijn veel te vrouwen rond de persoon, het leven en de dood van onze Heer. Wij tweeën zou meer dan genoeg zijn.

Marie: Hoe raak je ze kwijt? Laten we maar niets meer zeggen. We zijn niet onder ons gelijken. In ieder geval beter dit huis dan de straat.

de vroedvrouw: Zal ik de kaarten ‘ns leggen om te kijken of ie ja of nee uit de doden zal opstaan, jullie meester?

Marthe: Kom mee, Marie. Liever de straat op, hoe gevaarlijk ook.

de aflegster: Hebben jullie er genoeg van? Hoepel maar op. Wij blijven. (er wordt geklopt) Weer een vrouw?

de genezen vrouw: (opent de deur) Is ‘t gepermitteerd, lieve vriendinnen? ‘k Ben doodop. (sluit de deur) Hebben jullie een bespreking? Een bespreking van heilige vrouwen? (zucht) Ik kom van een kalvarie.

Marthe: Wij ook.

de genezen vrouw: Dat kan best, maar ik heb alles gezien. Op de eerste rij. En dat niet alleen, ik heb geholpen bij de kruisafneming. Ziet u deze handen, kindlief? Die hebben het lichaam van de gekruisigde aangeraakt.

Marie: Op de eerste rang, zoals altijd, en met bolle ogen zuchten en steunen Gods zoon maar irriteren in z’n smartelijke Passie. Jazeker, hij is voor u alleen gestorven. En morgen komt u met het verhaal dat ie u in uw boudoir heeft bezocht, waar u hem zijn leer heeft gedicteerd.

de aflegster: Wat heb jij daarop te zeggen, lekkere dikkerd?

de genezen vrouw: Och, ik ken dat walgelijke schepsel niet eens. Ik haal m’n neus voor d’r op. O nee, ik vergeef haar. Wij, christen dames, wij kunnen vergeven. Al dat gekif alleen omdat ik het voorrecht heb gehad getuige te mogen zijn van de Passie? ‘t Was voor iedereen toegankelijk, waar of niet soms? Ik heb wel andere voorrechten gekregen! Als ik daarover zou beginnen...

Marie: Dat kennen we. Dat kent iedereen. U was de zieke vrouw, de enige echte en ware die het recht had dat te zijn.

Marthe: Maar zin om dood te gaan had ze niet. Ze voelde zich uitstekend, maar was kwaad als je zei dat ze d’r goed uitzag.

de genezen vrouw: U hebt het over mij? Gaat u door. Als u uitgesproken bent, zal ik een boekje opendoen over de zusters Marthe en Marie.

de vroedvrouw: Zo hoor je nog ‘ns wat.

Marie: Op een goeie dag ziet deze Farizese Christus voorbijkomen met een massa volk om ‘m heen. Nu of nooit denkt ze, als ze al dat volk ziet, en raakt het raakt het kleed van Christus aan en is ineens op miraculeuze wijze genezen. Ze heeft de pest in dat ze niet meer ziek is, maar is dolgelukkig dat het volk schreeuwt: “Een wonder!” en met open mond naar d’r kijkt. Vanaf dat ogenblik is ze niet meer de zieke vrouw, ze is de zieke vrouw die is genezen en die nu de hele wereld zal genezen. Ze kreeg een afwijking: liefdadigheidskolder. De armen lachen zich rot als ze haar drooghartige liefdadigheid zien bedrijven. (lacht) Bedelaars pakken hun krukken als ze d’r aan zien komen en smeren ‘m ergens anders heen. Haal het niet in je hoofd liefdadigheid te bedrijven waar ze bij is! Ze duldt geen concurrentie. Binnenkort gaat ze op haar beurt wonderen verrichten. Ze is mollig en roze. Als je zo liefdadigheid bedrijft, kom je met ponden aan!

de aflegster: Bravo! Uitstekend. Genezen vrouw, nou uw beurt. U hoort toch dat u wordt beledigd? Ik zou m’n antwoord wel klaar hebben en niet zo zuinig.

de genezen vrouw: Dat is beneden mijn waardigheid. Ik zei al dat wij, christen dames, beledigingen kunnen vergeven.

Marthe: En wat had ze op de Calvarieberg te maken? Souvenirs verzamelen? Doorns? Spijkers?

de genezen vrouw: Als ik dat allemaal zou hebben! Het hele kruis en... en de lans en de linnen doek die een zekere Veronica...

Veronica: Die ben ik. En die linnen doek krijgt u nooit.

de genezen vrouw: U bent Veronica? M’n hartelijke gelukwensen. Oh, als ik ook nog het voorhangsel van de Tempel zou hebben, het riet waarmee hij werd bespot, stukken van het kleed zonder naad...

Marthe: Dan zou u een tombola kunnen organiseren ten behoeve van uw goeie werken. Of niet soms?

de genezen vrouw: Arme Marthe! Wat jij allemaal durft te zeggen in deze nacht! Ik zal voor u bidden.

Marthe: Laat maar zitten. Zeg ons alleen nog maar waarom u vannacht door de straten holt in plaats van bij uw man in bed te liggen.

de genezen vrouw: Daar heb ik m’n reden voor. En u? Slaapt u ook geen van allen?

Magdalena: (steunt)

de genezen vrouw: Een zieke?

de vroedvrouw: Neemt u d’r onder uw hoede, liefdadigheidsdame?

de genezen vrouw: O, nee! Haar nooit! Mijn handen die de Christus hebben aangeraakt, mijn handen mogen geen prostituee aanraken.

de aflegster: Je moet ze afhakken, je handen, en ze onder een stolp zetten voor de vliegen. (er wordt geklopt)

de vroedvrouw: De zoveelste. Binnen! (deur wordt geopend) Heden kijkdag, vrij entree.

de overspelige vrouw: Mag ik? Ik heb gehoord dat hier in dit huis vrouwen bij mekaar komen. (sluit de deur)

de genezen vrouw: Voor wie is dat grafkransje bedoeld?

de overspelige vrouw: Voor de gestorven God. Gaan we ’m begraven of is dat al gebeurd?

Marthe: We moeten wachten. We gaan vannacht naar z’n graf of misschien pas tegen de ochtend.

de overspelige vrouw: Als jullie niet willen dat ik meega, neem dan dit grafkransje mee. Ik hield erg veel van Christus.

de genezen vrouw: Wij vrouwen hielden allemaal van ‘m. En wat mij betreft, hij hield ook van mij.

de overspelige vrouw: Fijn voor u. Dat durf ik voor mezelf niet te zeggen, hoewel hij tegenover mij erg goed was.

Marie: Wie ben je?

de vroedvrouw: De overspelige vrouw, is het niet?

de overspelige vrouw: Ja, dat was ik. En dat blijf ik voor de rest van m’n leven.

Marthe: Zing hosanna! Want Christus heeft je behoed voor de rechtsspraak van de priesters.

de overspelige vrouw: Ik zing niet hosanna! Waarom hebben ze me naar de Christus gebracht? Ze zouden me hebben gestenigd en daarmee uit. Nou drijft iedereen de spot met me en de mannen maken ‘n obsceen gebaar als ik voorbij kom.

de vroedvrouw: Overspel plegen is niks. Je laten betrappen, da’s de fout.

de overspelige vrouw: (lachje) In de hitte van de liefde kan ik nooit m’n kop d’r bij houden.

de vroedvrouw: Ieder van ons pleegt z’n eigen zonden. We zijn allemaal wel ‘ns vreemdgegaan. Sommigen doen de gordijnen dicht en andere vergeten dat te doen. Jouw schuld is toch kwijtgescholden? Dat kransje is toch een bewijs dat je ‘n goeie meid bent. Ik heb niks, niet eens een kaars.

de genezen vrouw: Ik koop alles wat we nodig hebben.

Marthe: Wat we nodig hebben is de mogelijkheid om bij het graf te komen in de tuin van de pottenbakker. D’r zijn daar schildwachten.

de genezen vrouw: Soldaten? (lachje) Met geld kan je toch...

Marie: Bij Romeinen? Daar geloof ik niks van.

Marthe: We moeten bij het graf komen, al is het verboden. De dode is nog niet gewassen. Ik heb parfums en blanketsel.

de aflegster: Ik zal je helpen. Het is tenslotte m’n vak, hè.

de vroedvrouw: Moeten jullie een middeltje om de soldaten te paaien? Sterke drank.

Magdalena: Waar hebben jullie het over?

de genezen vrouw: Wat opgeknapt, Magdalena? Je gaat toch niet met ons mee naar het graf van Christus, hoop ik?

Magdalena: Ik ga wel alleen.

Marthe: Nee, laat ze met ons meegaan. De soldaten kennen d’r. Je weet wel wat ik bedoel, Magdalena?

Magdalena: Allicht, Marthe. Ze zullen me doorlaten en jullie komen allemaal achter me aan. Ik maak dat voor mekaar zoals niemand van jullie dat kan. Ik loop recht op het licht van hun lantarens in en dan trek ik m’n kousen op. Als die m’n benen zien, die soldaten, krijg ik ze waar ik ze hebben wil met de tong uit hun bek.

de genezen vrouw: Ontstellend!

de vroedvrouw: (lachje) Magdalena weet wel iets van het leven af.

Magdalena: En het doel heiligt de middelen, dat zeggen de priesters toch? (er wordt geklopt - deur wordt geopend)

de aflegster: Kom d’r maar in! D’r is nog plaats op de schoorsteen.

de vroedvrouw: Wat zullen we nou hebben! (deur dicht) (lachje) Alles op en aan, hoed en handschoenen.

de vrouw van Pilatus: Dames, ik ben zomaar wat rond gaan lopen. ‘k Kon niet in slaap komen. Een afzichtelijke dag...! Ze geloofden me niet. Toch verklaart het boek der dromen heel wat gebeurtenissen. Hoe... hoe kan ik bij het graf komen?

Marie: Gaat u maar met ons mee. Ik beloof niets, want er staan schildwachten.

de vrouw van Pilatus: Ik zal de soldaten wel bevelen een oogje dicht te knijpen.

Marthe: Als ik zo vrij mag zijn, wie bent u eigenlijk?

de vrouw van Pilatus: Een buitenstaanster. Ik wil wel weggaan, als u dat liever hebt.

de vroedvrouw: Blijft u maar. Vannacht is bij alle vrouwen het hart van slag.

de vrouw van Pilatus: Ja, u hebt gelijk. Ik wilde iets vragen. Wat wordt er over Pilatus gezegd zo onder het volk?

Marthe: Dat ie zich als een handig politicus heeft gedragen in dit proces. Maar ze nemen het niet dat ie zo ostentatief z’n handen heeft gewassen. Een echte komediant.

de vrouw van Pilatus: Anders niet? Weet u, ik ben z’n vrouw. In het algemeen geeft een vrouw d’r man gelijk. Ik niet. Ik hou niet van ‘m. Hij is een neurasthenicus. U was bevriend met de Christus?

de genezen vrouw: Sommigen van ons waren dat. Dit is geen geconvoceerde bijeenkomst, als u begrijpt wat ik bedoel. Gaat u met ons mee. U kunt ons van dienst zijn, m’n beste mevrouw Pilatus.

de vrouw van Pilatus: Ik heb liever niet dat u dat tegen me zegt.

de vroedvrouw: Om hoe laat zal het zijn, de processie?

Veronica: In ieder geval na middernacht.

de vroedvrouw: ‘k Denk dat we tegen die tijd allemaal ingeslapen zijn. (geeuwt) Ik heb een slaap!

Marthe: Hou je hand voor je mond. Niemand heeft slaap vannacht. Daar hebben we ‘t recht niet toe. Hij in zijn graf, hij waakt... Hij wacht... (geeuwt)

Magdalena: Waar wacht ie op? (geeuwt) O, dat werkt aanstekelijk.

Marthe: Op de op(geeuwt)standing. Sorry.

de vrouw van Pilatus: (geeuwt) Ik kan er echt niets aan doen.

de vroedvrouw: Ga gerust uw gang. (geeuwt) (deur wordt geopend)

de aflegster: Men klopt voor dat men binnenkomt. O nee, broer, ’t is hier alleen voor vrouwen.

Johannes: Rustig...

de aflegster: Mannen de kroeg in.

Johannes: Rustig! (sluit de deur) Nergens mee te maken.

de genezen vrouw: Wie is die vrouw met die donkere sluier voor d’r gezicht?

Johannes: Vraag dat aan de engelen.

de vroedvrouw: Geef ‘r deze stoel.

Johannes: Zeggen jullie niets meer, en wees niet achterdochtig. Ik blijf voor deze vrouw zorgen, ze is mij toevertrouwd. Als jullie iets te doen hebben, goed of kwaad, in deze ongelooflijke nacht, doe het dan snel.

Marie: Ja, laten we aan de gang gaan. Naar het graf, vrouwen. Laat degene die het het ergst in d’r kop heeft voorop gaan.

de genezen vrouw: Volgt u mij maar.

de vroedvrouw: En die ouwe van jou, gaat die er niet heen?

Johannes: Ze komt er net vandaan. (deur open)

Yochabeth: Waar is ie? Waar is ie verdomme!

de aflegster: Die ken ik. Ze heeft mooi de pest in.

de vroedvrouw: ‘t Is Yochabeth. Nou ken je lachen.

Yochabeth: Wat moeten al die wijven in m’n huis. Mijn huis! Al die sloeries! D’r uit, of ik ga zwavel stoken! Hoeren zijn jullie! Hoeren! Vuile smeerlappen! Eruit!

de vroedvrouw: Waarom heb je dan ook de deur open laten staan?

Marthe: Marie, die stank?

Yochabeth: Daar gaat het niet om. Wie van jullie heeft mijn man gepikt? Hij verbergt zich onder de rokken van één van jullie.

Johannes: Zoek maar niet verder.

Yochabeth: Jij, apostel, zeg me waar ie is, levend of in stukken gereten, anders geef ik je aan!

Johannes: Ga meteen naar het lijkenhuis van het politiebureau. Daar ligt je man in ijs en formaline.

Yochabeth: Ze hebben ‘m vermoord! Wat is d’r gebeurd?

Johannes: Wat er is gebeurd, dat weet de demon. Jouw Judas ging naar een drassig veld waar wilde zwammen groeien en padden treurig dromen. Daar verhing hij zich lamlendig in een verziekte boom en deed het daarbij in z’n broek.

Yochabeth: O, de klootzak! Maakt ie mij weduwe...! Help! Help!

de genezen vrouw: (lacht) In z’n broek! (lacht)

Johannes: Zo ontwikkelt zich het drama. Afgrijselijk, soms belachelijk. Jullie vrouwen zijn de begrafenisstoet, dat is jullie rol. Gaan jullie maar! Jullie moeten opschieten als je nog een lijk wilt vinden waar jullie je tranen op kunt laten regenen.

Marthe: We gaan. Komen jullie? Of jullie het waardig zijn of niet, ‘t is allemaal om het even. Laten we gaan met heel ons hart. Jan blijft wel bij de ouwe vrouw zonder naam. (ze gaan - deur dicht)

Johannes: Of hun smart nou roze is of wit, van parelmoer of van verguld papier, ‘t doet er niet toe... Maria, toe nou, wees niet zo apathisch. Ik ben nu je zoon, ik vraag het je... Alles is volbracht. Dat moeten we aanvaarden. Wij zijn alleen en zelfs als hij opstaat, zal hij niet meer jouw zoon zijn en ook niet meer mijn vriend, maar onze God... Maria, moedertje van me, blijf je nou zo zitten, met je ogen dicht, tussen leven en dood, gedachteloos? Geef toch eens een teken van leven... (zucht) Je gezicht is een gesloten graf. Ze hebben je zoon Jezus gearresteerd, uitgejouwd, gemarteld en ten slotte vermoord. Je hebt het allemaal gezien zonder een teken van zwakheid. Geen traan liep over je wangen. Degenen die de geschiedenis zullen vertellen van deze funeste en ongehoorde dagen, moeten die soms schrijven dat de moeder van de levende God helemaal niet heeft gehuild? Maria, je maakt me bang.

de oude vrouw: Hoe laat is het?

Johannes: Wat een vraag. Er bestaan geen uren meer. Wij dobberen in de volle nacht. (geeuwt) Ach, ik zou zo graag willen slapen... Wel dagenlang...

de oude vrouw: Ga maar slapen, Jan. Ik blijf waken.

Johannes: Dank je. Wat ga je doen?

de oude vrouw: Deze kamer aanvegen.

Johannes: De kamer van de verrader? Zoals je wilt... (geeuwt) Hij zal verrijzen, dat staat geschreven. ‘n Goeie dag zal ie zeker verrijzen. (slaapt in - een haan kraait)

de oude vrouw: ‘t Is ochtend! Hij slaapt, Jan. Hij kan me niet meer in de gaten houden. Jezus, mijn kind, ik heb m’n verdriet ingehouden zo lang dat nodig was. (huilend) Nu huil ik om je, nu niemand het kan zien. Ik ben niet meer de moeder van de God die ze aan het kruis hebben geslagen, ik ben de moeder van mijn ter dood veroordeelde kind...