Home / Het wassen beeld

Het wassen beeld

De journalist Raymond Hewson wil in z'n eentje de nacht doorbrengen in een befaamd wassenbeeldenmuseum om een artikel te schrijven over de "Moordenaarskamer". Onder de beelden van charmeurs als Crippen is ook dat van Dr. Bourdette te zien, 'De Franse Jack the Ripper', en het verontrust hem werkelijk. Naarmate de nacht vordert, verontrust het hem steeds meer dat de halsafsnijder nooit werd opgepakt.

Rolverdeling.

Louis de Bree Geoffrey Perkins
Paul van der Lek Raymond Hewson
Rien van Noppen Sir George Stanford
Tonny Foletta Wilkins, zijn assistent
Willy Ruys dr. Bourdette
Jan Wegter politie-inspecteur

Aanvullende gegevens.

Auteur: Alfred McLelland Burrage
Vertaling: F.A. Poggenbeek
Regie: Dick van Putten
Omroep: AVRO
Uitzending: 25-10-1964
Speelduur: 22 minuten
Categorie: Thriller

De bron van deze productie.

The Waxwork, 01-03-1963 BBC Home Service.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

Geoffrey Perkins: Ja, kijk 'ns, beste Raymond, het spijt me wel, maar je kunt niet van mij verwachten dat ik als... als directeur van een groot dagblad jou bepaalde opdrachten toespeel, terwijl er bij mij een stelletje reporters rondhangen die niks te doen hebben.

Raymond Hewson: Ja, Geoffrey, dat begrijp ik.

Perkins: Ik... ik heb je nog gewaarschuwd: begin niet voor jezelf als je niet een paar vaste contracten met de grote bladen achter de hand hebt!

Hewson: Je hebt gelijk, Geoffrey. Dat hoeft je me niet telkens opnieuw te vertellen.

Perkins: Nou ja...

Hewson: Maar ik dacht zo: Geoffrey schijnt mijn werk te kunnen gebruiken en al is het niet veel, zo nu en dan konden we zaken doen.

Perkins: O, zeker! Je levert me van tijd tot tijd heel bruikbaar nieuws, maar...

Hewson: Maar? Wat maar?

Perkins: Ja, wat zal ik zeggen? Wat wij nodig hebben is nieuws, maar dan ook werkelijk nieuws.

Hewson: O, dat begrijp ik.

Perkins: En nieuws is overal te vinden, als je er maar op uit trekt. En als het werkelijk bruikbaar is, koop ik het van je. Maar kom me niet met zelfbedachte fantasietjes af! Dat is goed voor een damesblaadje, maar niet voor een dagblad als “The Globe”.

Hewson: Juist, ja, juist, ja.

Perkins: Ja, begrijp me goed, beste kerel, ik zeg het voor je eigen bestwil.

Hewson: Ik dacht dat misschien jullie nieuwe redacteur wat anders dan alleen maar nieuws zou kunnen gebruiken.

Perkins: Nou, laat die maar gaan! Die weet z'n weetje!

Hewson: En hoe denkt ie daarover?

Perkins: Geen fantasieverhaaltjes, beste jongen. Daar moet hij net zomin wat van hebben.

Hewson: Ja... Mm... Tja, 't is me allemaal heel duidelijk.

Perkins: Luister 'ns, Raymond. Ik geef je een goeie raad: ga als bezeten achter het nieuws aan en je zal zien dat dit je meer geld oplevert dan je ooit met je fantasieschrijverij bij elkaar hebt verdiend.

Hewson: Ja, dus geen fantasie? 'k Had het kunnen weten.

Perkins: Tja, dat zeg ik je maar ronduit in je gezicht, omdat je me er om vraagt, nietwaar?

Hewson: Zeker, Geoffrey, en je hebt gelijk. D'r is geen man overboord, hoor! Zeg 'ns, hoe lang zit jij al in 't vak?

Perkins: Nou, dat wordt met Pasen precies tweeëndertig jaar. Altijd redactiewerk. Ja, en dan te denken dat ik schrijver had willen worden... (lacht - de telefoon rinkelt) Niks daarvan! Feiten, nieuws, geen fantasietjes. Dat was het consigne van mijn baas en goddank heb ik me daaraan gehouden. (neemt op) Ja, nieuwsredactie... O, mooi zo, ja. Geeft u maar door, ja... Nou, tot kijk, Raymond, en luister: omdat ik me nou aan dit consigne van m'n baas heb gehouden, hoef jij dat nog niet te doen, maar het zou me plezier doen als jij het bewijs leverde dat wij ongelijk hadden! Nou, tot ziens!

Hewson: Tot ziens, Geoffrey! (gaat)

Perkins: Goedenavond, Sir George. Ja, u spreekt met de nieuwsredactie. En? Hebt u goed nieuws voor ons?

Sir George Stanford: Wat zal ik u zeggen, meneer Hewson? U bent niet de eerste die ons dat vraagt.

Hewson: Zo?

Stanford: U moet weten dat ons zeker driemaal in de week zoiets gevraagd wordt. Het zijn meestal jongelui die het om een weddenschap doen.

Hewson: Juist, ja.

Stanford: Maar daar gaan wij, zoals vanzelf spreekt, nooit op in. Een internationaal bekend wassenbeeldenmuseum als het onze heeft er geen enkel voordeel en alleen maar nadeel van als wij mensen toestaan de nacht door te brengen te midden van onze speciale collectie beelden van beruchte moordenaars.

Hewson: Ja ja, Sir, dat kan ik me voorstellen.

Stanford: Stelt u zich eens voor dat wij dat toestaan en zo iemand wordt stapelgek van angst! Wat dan? Maar tenslotte bent u journalist. Dat verandert de zaak wel enigszins.

Hewson: (lachje) U wilt zeggen dat journalisten van huis uit al een beetje getikt zijn? (lacht)

Stanford: (lacht) Nee nee nee nee nee, integendeel. Wij vinden journalisten in het algemeen heel verstandige en ontwikkelde mensen. En, eerlijk gezegd, een beetje reclame kunnen we best gebruiken.

Hewson: Ja, Sir George, dat vind ik ook.

Stanford: Eh... à propos, eh... voor welk blad werkt u, meneer Hewson?

Hewson: Ik? Op het ogenblik werk ik voor mezelf, freelance. Ik heb vroeger voor “The Globe” gewerkt.

Stanford: “The Globe”? Aha, hét ochtendblad voor bij het ontbijt, mm?

Hewson: Het zal me weinig moeite kosten om m'n artikel geplaatst te krijgen. “The Globe” neemt het onmiddellijk.

Stanford: Denkt u?

Hewson: “Een nacht tezamen met de moordenaars van Marriners Wassenbeeldenmuseum.” Ach, dat weigeren ze nooit!

Stanford: Mm. En... hoe denkt u dat aan te pakken?

Hewson: O, een kort verhaal, een stukje fantasie. Dat doet het altijd. Ik hou me steeds minder met actueel nieuws bezig. De scheppende kunst trekt me meer. Toevallig heb ik het vanmiddag nog met één van de redacteuren van “The Globe” over dat thema gehad.

Stanford: Mm, wat mij betreft, ik mag die fantasieverhalen wel. Wat is nieuws? Nieuws kan alleen maar nuchter en zakelijk worden gebracht. De feiten mogen boeiend zijn, maar de verslagen zijn doorgaans droog en vervelend.

Hewson: Zo is het, Sir George, en ik geloof dat we daar een boeiend artikel van kunnen maken. Griezelig, maar toch zo hier en daar een tikje humor.

Stanford: Mooi zo, meneer Hewson! U kunt op me rekenen.

Hewson: Mooi.

Stanford: Natuurlijk, dat artikel komt in “The Globe”. En als dat lukt, nou, dan zit er een mooi biljetje van vijf pond voor u aan, mm? Dat verzeker ik u.

Hewson: Aan mij zal het niet liggen, Sir George!

Stanford: Een mooi stukje reclame.

Hewson: Ja, dat lijkt mij ook.

Stanford: Ja... Toch moet u niet te gering over uw onderneming denken. Ik wil wel zeggen dat ik het niet graag zou doen. En zelf heb ik die wassen beelden zien maken en aankleden, en toch... Nee, nee, ik zou niet graag alleen met die moordenaarsfiguren de nacht doorbrengen.

Hewson: (lacht) Och kom, Sir George, waarom niet?

Stanford: Ik weet het niet. Het... het is net of ze je doordringend aanstaren, hè. De... de hele sfeer daar in dat gewelf is buitengewoon onbehaaglijk en iemand die daar gevoelig voor is, zal zo'n nacht te midden van die vreselijke types heugen, dat verzeker ik u.

Hewson: Ik geloof dat het een prachtverhaal wordt.

Stanford: U bent toch niet bijgelovig, meneer Hewson?

Hewson: O, nee, niet in het minst, Sir George!

Stanford: Nee, maar als journalist zult u toch wel over de nodige fantasie beschikken?

Hewson: Dat verbeeld ik me tenminste. In elk geval, het interesseert me om dat 'ns te onderzoeken.

Stanford: Ja ja. (neemt de telefoon en draait een nummer) Wilkins? Eh... we zijn nu toch gesloten, niet?... Goed. Eh... luister 'ns, Wilkins, dan geen doeken over de beelden in het Moordenaarsgewelf. En zet er dan een gemakkelijke stoel neer, want straks komt een journalist daar de nacht doorbrengen. (legt neer)

Hewson: Dank u, Sir George.

Stanford: Geen dank, meneer Hewson, maar eh... ik zou toch graag één voorwaarde willen stellen.

Hewson: En die is?

Stanford: Dat u daar beneden niet rookt. Vanmiddag werden we daar opgeschrikt door brandalarm.

Hewson: Is dat aan de pers doorgegeven?

Stanford: O, nee nee nee nee, niks daarvan. We weten niet wie alarm heeft geslagen, maar het bleek in elk geval vals te zijn. Maar belooft u me dat daar niks van in de krant komt!

Hewson: Daar kunt u op rekenen, Sir George.

Stanford: Mooi zo. Eh... als u nu even met me meeloopt, dan zal ik u voorstellen aan uw gezelschap voor vannacht.

(ze dalen de trap af)

Stanford: Hier ziet u een paar slachtoffers van de Inquisitie.

Hewson: Ja ja. Heel interessant. (ze gaan verder)

Stanford: Dit is een pijnbank uit een middeleeuws kasteel, compleet met brandijzers, duimschroeven en meer van dat moois. (ze gaan verder naar het Moordenaarshol) Nou, en hier zijn ze dan!

Hewson: Aha! (lachje)

Stanford: Daar is onze vriend eh... Thurtell (1), vermoordde Weare bij Elstree in achttienhonderd zoveel.

Hewson: Zo zo... (ze wandelen wat verder)

Stanford: J.G. Smith (2), moordenaar van een paar bruidjes in het bad.

Hewson: Huh! Tjonge jonge, knap luguber, hè? (ze wandelen verder)

Stanford: Dit is Crippen (3). Lijkt zo'n onschuldig mannetje die geen vlieg kwaad zou doen.

Hewson: 't Kan best zijn, hè? Wie zal 't zeggen?

Stanford: Ja, dat blijven raadsels. (ze wandelen verder) En hier, daar heb je Pritchard (4) en Palmer (5).

Hewson: De dokters?

Stanford: Juist, ja. Ze zien er nogal stompzinnig uit, vindt u niet?

Hewson: Tja...

Stanford: Soms denk ik dat men ze alleen voor dokters heeft aangezien, terwijl ze 't in werkelijkheid niet waren.

Hewson: Ja, maar toch was er een uitzondering!

Stanford: Charlie Peace (6) bedoelt u? (ze wandelen verder) Ja, een uitgesproken schurk.

Hewson: Maar hier! Kijkt u naar Armstrong (7)! Ziet er door en door fatsoenlijk en onschuldig uit, een soort landjonker.

1: John Thurtell, opgehangen in 1824.

2: George Joseph Smith, opgehangen in 1915.

3: Dr. Hawley Harvey Crippen, opgehangen in 1910.

4: Dr. Edward William Pritchard, opgehangen in 1865.

5: Dr. William Palmer, opgehangen in 1856.

6: Charles Peace, opgehangen in 1879.

7: Herbert Rowse Armstrong, opgehangen in 1922.

(ze wandelen verder)

Stanford: En eh... ja, natuurlijk, daar is ie.

Hewson: Wie is dat?

Stanford: Ja, dat is nou onze topfiguur, de enige van het stelletje dat niet is geëxecuteerd.

Hewson: Ik zou zo zeggen: een tamelijk zachtaardig type, maar... toch... toch heeft ie iets weerzinwekkends, hè?

Stanford: Weet u wie het is?

Hewson: Geen idee.

Stanford: Dat is Dr. Bourdette.

Hewson: Bourdette? De naam komt me wel bekend voor. 'k Weet alleen niet in welk verband.

Stanford: Bourdette was dé schurk van Parijs. Overdag was hij heelmeester en 's nachts sneed ie z'n slachtoffers de keel d'r af. Als ie in de stemming was, gebruikte hij puur uit duivelse lust en altijd op dezelfde manier een scheermes. Na z'n laatste misdaad bracht een bepaalde aanwijzing de politie op z'n spoor. Van de ene aanwijzing kwam de andere, totdat ze ontdekten dat ze op 't spoor waren van een tweede Jack the Ripper.

Hewson: Maar u zei toch dat ze 'm nooit te pakken hebben gekregen?

Stanford: Ja, hij was de politie te slim af. Hij verdween voorgoed. In alle beschaafde landen heeft de politie geprobeerd hem op te sporen. Ze denken dat ie zich van kant heeft gemaakt, maar eh... ze hebben z'n lijk toch nooit gevonden.

Hewson: Merkwaardig...

Stanford: Sedertdien zijn er nog wel een paar van dergelijke moorden gepleegd, maar de deskundigen zeggen dat dat werk van een namaak-Bourdette is geweest.

Hewson: (gaat dichter bij het beeld staan) Wat heeft die kerel een afschuwelijke ogen! Ze kijken dwars door je heen.

Stanford: Ja... Ja, dit beeld is een waar meesterwerk. Die blik is zo ontzettend wreed, hè, en doordringend.

Hewson: Griezelig!

Stanford: 't Lijkt me juist iets voor u om dat realistisch te beschrijven. Ze zeggen dat Bourdette z'n slachtoffers hypnotiseerde voor hij ze vermoordde. Nooit werden er sporen van geweld of van een worsteling gevonden.

Hewson: (schrikt) Ik... ik dacht even dat... dat ik hem zag bewegen!

Stanford: Ja, ja, dat komt doordat het hier halfdonker is. Ja, dat is goed uitgedacht. Voordat het dag is, zult u nog wel meer last hebben van gezichtsbedrog. Maar eh..., meneer Hewson, als u er ten slotte liever van afziet...

Hewson: O, nee nee, nee, Sir George, volstrekt niet. Nee, ik moet dat 'ns meemaken.

Stanford: Ik zou het u heus niet kwalijk nemen, begrijpt u me goed,

Hewson: Nee, nee, werkelijk niet, Sir George, ik vind het experiment zelf veel te interessant.

Stanford: Kijk 'ns, tenslotte sluiten we u niet op, hè? Als u er genoeg van krijgt, loopt u eenvoudig hier de trap op naar boven. En als u soms vreemde geluiden meent te horen, dan zijn dat de nachtwakers die hun ronde doen.

Hewson: O, dat is tenminste een geruststelling, hè. (lacht - Wilkins komt binnen)

Stanford: Zo, Wilkins, dat is meneer Hewson, die hier beneden de nacht doorbrengt.

Wilkins: Goedenavond, meneer!

Hewson: Goedenavond.

Wilkins: Nou (lachje), u liever dan ik!

Stanford: Hebt je de gemakkelijke stoel voor meneer Hewson?

Wilkins: (sleept hem naderbij) Ja, hier heb ik 'm, meneer! Waar wilt u 'm hebben, meneer? Hier maar, hè? Dank kunt u af en toe een praatje maken met Crippen als het zitten u verveelt. Of eh... of hier maar, bij moeder Dyer (8). Ze kijkt zo lief alsof ze wel wat gezelligheid kan gebruiken.

Stanford: Nou, kom, Wilkins, maak het meneer Hewson nou niet tegen, hè!

Stanford: Daar hebt u de oude Vaquier (9). Herkent u dadelijk aan z'n baard, hè?

Hewson: Ja, ja. (ze wandelen verder)

8: Amelia Dyer, opgehangen in 1896.

9: Jean-Pierre Vaquier, opgehangen in 1924.

Hewson: Ik zet hem zelf wel ergens neer, dank u. Ja, als ik maar met m'n rug naar die ouwe Bourdette zit. Ik zou hem echt niet altijd maar in z'n gemene ogen kunnen zitten kijken. Moet ik eerlijk toegeven.

Wilkins: Past u maar op dat ze u van achteren niet besluipen en klamme handen om uw nek slaan!

Hewson: Nou... (ze lachen)

Wilkins: Nou, als u me nodig heeft, dan geeft u maar een gil. Ik zit boven. (hij gaat)

Hewson: Dank u wel!

Stanford: Zo, dan ga ik nou ook maar. En wanneer komt het in de krant, denkt u?

Hewson: Nou, zo tegen het eind van de week.

Stanford: Ja, prachtig. Goedenacht, meneer Hewson.

Hewson: Goedenacht, Sir George.

Stanford: En vergeet u niet even langs te komen voor uw beloning. U weet wel, hè?

Hewson: Nee nee nee nee nee, dat zal ik zeker niet vergeten! (de directeur gaat en sluit de deur)

Hewson: (gaat naar de stoel - zucht) 't Is 's nachts zo kwaad niet hier! Rustig! Verdraaid, da's waar ook, 'k mag hier niet roken. Straks misschien. Dan ga ik wel even naar boven. (kucht) Toch 'ns kijken of het allemaal waar is wat ze hiervan vertellen. Eigenlijk had ik een boek mee moeten nemen. Nee nee nee, zo kan ik me beter op m'n omgeving concentreren. Tjonge jonge, 't zal me een verhaaltje worden! Zullen ze van smullen! Grote koppen op de middelpagina aanstaande vrijdag. Tweeduizend woorden. Dertig pond misschien. En dan nog vijf van Sir George. Zal die ouwe Geoffrey van opkijken! Maar afijn, hij bedoelt het goed. Maar die nieuwe redacteur, o jee! Nou, kom, vooruit maar, concentreren. Wat voor kop gaan we kiezen? “Ik bracht een nacht door in de Moordenaarsgewelven van Marriners Wassenbeeldenmuseum.” Nee. Nee, gewoon: “Vannacht ben ik verzeild geraakt tussen een stel misdadigers van het ergste soort, misdadigers die werkelijk hebben geleefd.” O, m'n hemel, wat... wat zeg ik? Geleefd? Of leven ze nog? Wie zal 't zeggen?

Als ik me omdraai en die Bourdette aankijk, dan zinkt me de moed in de schoenen. Waarom eigenlijk? Die zal zich heus niet hebben bewogen. “Het wassen beeld dat leefde.” Misschien trekt zo'n kop. Misschien toch een beetje afgezaagd. Als ik me nou niet omdraai om 'm aan te kijken, dan is dat alleen maar laf. Nou... nou zit ik met m'n rug naar 'm toe om 'm maar niet aan te kijken. Maar waarom? Hij is toch maar een wassen beeld! 't Zijn allemaal maar wassen beelden. Als ik naar Crippen kan kijken, dan kan ik die Bourdette ook aankijken. (draait zich om) O, vreselijk! Wat een ogen! Goed onthouden: “Dodelijke stilte en bovenaardse rust om die wasfiguren, zoiets als van de zee.” Toch lijkt het of die figuren zich bewegen, juist als je niet naar ze kijkt. (draait de stoel) Hè, Crippen, wat moet je van me? Jij denkt het achter m'n rug te kunnen (ruimen?). Niks hoor! Ik kan je aan diggelen smijten, weet je dat wel? En waar blijf je dan? (draait de stoel) Pas maar op, Graham Wright! En jullie allemaal! (lachje) Zeggen ze nog dat ik geen fantasie heb. (draait de stoel) Ja, ja, Bourdette, ik... ik heb het wel in de gaten, hè. Je hebt je bewogen! Verdraaid als het niet waar is! Je hebt je bewogen!

Bourdette: Goedenavond, meneer Hewson. (komt naderbij)

Hewson: Dus geen fantasie?

Bourdette: Blijft u maar rustig zitten.

Hewson: Blijf stilstaan, Bourdette!

Bourdette: Ik wist dat ik vannacht gezelschap zou hebben. Ik had toevallig uw gesprek met de directeur afgeluisterd.

Hewson: Ga weg, Bourdette, of ik zal je...

Bourdette: U lijkt me nogal zenuwachtig, meneer Hewson. Nee nee nee nee, u vergist u niet. Ik ben geen wassen beeld dat levend is geworden. Mijn naam is Bourdette, Dr. Bourdette.

Hewson: Hou op met je flauwe grappen!

Bourdette: Ik ben alleen wat stijf. (kreunt) Maar laat ik het u even uitleggen. Door omstandigheden was ik gedwongen een tijdje in Engeland te wonen. Vanavond kwam ik langs dit museum en zag dat een politieagent me een beetje nieuwsgierig aankeek. Toen ben ik tussen de mensen gaan staan en samen met ze naar binnen gegaan. Toen ik hier beneden in de gewelven kwam, kreeg ik plotseling een inval om ongemerkt te kunnen ontsnappen.

Hewson: (zenuwachtig lachje) Ik zie het al! 't Is afgesproken werk, hè? De directeur...

Bourdette: Nee nee nee nee, niets daarvan! Kijk 'ns, ik had niets anders te doen dan “Brand!” te roepen, heel eenvoudig “Brand!” (lachje) Als gekken renden ze allemaal naar boven. Toen heb ik mijn wassen evenbeeld uitgekleed, z'n kleren aangetrokken en het naakte beeld hier onder het podium verstopt. (lacht) Toen de bewakers hier de boel kwamen nazien, stond ik op de plaats van mijn wassen evenbeeld. Wat vindt u daarvan?

Hewson: Niks dan leugens, zeg ik je!

Bourdette: 't Is wel een beetje vermoeiend zo lang stil te staan, maar alles is beter dan dood te zijn. Hoewel het misschien maar beter is dat ze dat denken. U ziet toch zeker zelf wel, meneer Hewson, dat ik niet dood ben?

Hewson: Wilkins! Wilkins!!

Bourdette: 't Is wel wat pijnlijk om te horen hoe de directeur over me sprak, maar het merendeel van wat ie vertelde is waar, dat moet ik toegeven. Kijk 'ns, meneer

Hewson: de wereld is verdeeld in verzamelaars en niet-verzamelaars. De verzamelaars verzamelen alles, onverschillig wat, van postzegels tot lucifersetiketten. (lachje) En ik? Ik verzamel halzen.

Hewson: Grote goedheid!

Bourdette: En wat een geluk, meneer Hewson, dat u vannacht hier bij me bent. De laatste tijd heb ik m'n collectie nauwelijks kunnen aanvullen. (komt nog naderbij - lachje) 'k Wil niet persoonlijk zijn, maar 'k moet zeggen dat uw hals wel een beetje magertjes is. Nee nee nee nee nee, zo uit mezelf had ik u niet uitgezocht. Ik hou meer van mannen met van die rooie, vlezige nekken.

Hewson: Blijf van me af, Bourdette! Ik waarschuw je!

Bourdette: Kijk 'ns! Hier heb ik een fijn Frans scheermes, verzilverd staal. Het lemmet is wat smal, maar dat is juist zo goed voor precisiewerk. 't Snijdt niet zo diep. En wat vragen beleefde kappers altijd? Mes goed, meneer?

Hewson: Nee! Nee! Dat... dat niet!

Bourdette: Kom, kom, niet zo zenuwachtig. Uw hoofd een beetje naar achteren, alstublieft... Prachtig! Zo is het goed. Zo... is 't goed!

inspecteur: Heeft u 'm precies in deze houding gevonden?

Wilkins: Ja, inspecteur, z'n hoofd achterover, alsof ie klaar zat om te worden geschoren.

inspecteur: Nou, 't zal mij benieuwen wat ze bij de lijkschouwing daarvan zeggen. Geen enkel spoor van geweld te bekennen.

Sir George: Eh... toen wij hem alleen achterlieten, zat ie met z'n gezicht de andere kant op. Hij moet zich hebben omgedraaid naar dat beeld van Dr. Bourdette, u weet wel, die Franse halsafsnijder.

inspecteur: Zo zo.

Sir George: Merkwaardig! Toen ik hier samen met hem die beelden bekeek, voelde ik dat die figuur van Bourdette z'n verbeelding prikkelde. Ja, ik moet toegeven, het is een van de beste wasfiguren van onze collectie. (gaat naar het beeld toe) Maar tenslotte is hij maar een wassen beeld. Kijkt u maar: ik neem dat hoofd gewoon van de romp, net zoals bij alle andere beelden...