Home / Wie moet er hangen?

Wie moet er hangen?

Het gaat in dit hoorspel om een moord die kennelijk zo'n eeuw geleden gepleegd is. Eerst onlangs werd het door toevallige omstandigheden gemummificeerde lichaam van het slachtoffer door arbeiders die bezig waren met de restauratie van de Big-Ben-toren, in een alkoof van het metselwerk ontdekt. Wie was deze burger uit de Victoriaanse tijd? Wie was de man die hem de schedel insloeg?

De moordenaar zal naar schatting ook al een halve eeuw dood zijn, maar niettemin wordt er na de ontdekking van het lijk een keurig onderzoek volgens het Engelse recht ingesteld. Niemand vermoedt bij de opening van de zitting nog, dat de zaak meer zal worden dan een van wezenlijke spanning ontblote, aardige theoretisch-juridische affaire.

Rolverdeling.

Wam Heskes de coronor
Willy Ruys dokter Burberry
Huib Orizand inspecteur Macauley
Paul van der Lek Hubert Bligh
Fé Sciarone Helen Bligh
Frans Somers Henry Ransome
Jan Borkus Arthur Forest
Harry Bronk Christopher Peacock
Wiesje Bouwmeester Mrs Kimmis
Piet Kamerman Oliver Passmore
Joop van der Donk Alec Beasley
Han König Nigel Lane
Paul Deen Richard Gilfillan
Jos van Turenhout Trilling
Herman van Eelen Lavallade

Aanvullende gegevens.

Auteur: Stanley Hyland
Radiobewerking: Michael Hardwick
Vertaling: Jan van Ees
Regie: Dick van Putten
Omroep: AVRO
Uitzending: 07-09-1967
Speelduur: 91 minuten
Categorie: Misdaad

De bron van deze productie.

Who Goes Hang? 04-11-1961 BBC Saturday Night Theatre.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

(maandag, 14 mei 1956, 10 uur 3 - de klok van de Big Ben slaat)

stem: Stilte! Stilte!!

coroner: (schraapt z’n keel) Mijne heren, wij zijn hedenmorgen hier bijengekomen om een gerechtelijke lijkschouwing te verrichten op het lichaam van een man dat onder stellig niet alledaagse omstandigheden vier dagen geleden binnen de muren van dit paleis van Westminster werd ontdekt. Als coroner van de Koninklijke Huishouding ressorteert dit paleis van Westminster onder mijn jurisdictie en elk overlijden binnen de Huizen van Afgevaardigden behoort te worden verklaard tot mijn satisfactie en die van elf ambtenaren van Hare Majesteits Huishouding.

(schraapt z’n keel) Alvorens de getuigen op te roepen, ben ik mij bewust van de noodzaak de zeer uitzonderlijke omstandigheden waaronder deze gebeurtenis plaatsvond aan u voor te leggen. Nog slechts zeer weinig van het paleis waarin wij ons bevinden is ouder dan onze grootouders. Het meest daarvan werd gebouwd tussen 1840 en 1860. Veel ervan werd herbouwd of gerestaureerd in de afgelopen tien jaren.

De redenen hiervoor mag ik bekend achten. In de nacht van de tiende mei 1941 werd de vergaderzaal van het Huis van Afgevaardigden, ongeveer 200 yard verwijderd van de plaats waarop wij ons momenteel bevinden, door brandbommen verwoest. In dezelfde luchtaanval werd de klokkentoren - Big Ben’s Tower zoals wij hem plegen te noemen, hoewel, Big Ben is een luidklok, geen uurwerk - werd dus, zeg ik, de klokkentoren zwaar beschadigd.

Er zijn er die beweren dat dit geschiedde door een klein soort bom op zijn weg naar de aarde, anderen wijten het aan een granaat van de luchtafweer op zijn weg naar boven. De schade was gelukkig van te verwaarlozen betekenis. Een voltreffer zou de gehele top van Big Ben hebben weggevaagd. Als dit gebeurd was, mijne heren, zouden wij vandaag niet hier zijn om een onderzoek in te stellen naar wat het vermoeden opwekt van een misdaad begaan lang voordat wie ook van ons werd geboren. Deze onbekende persoon - hij ruste in vrede - zou in dat geval in de rivier de Thames zijn gestort of tussen de brandende muren van het Huis van Afgevaardigden, dan wel op de straat die loopt langs het paleis van Westminster. Het lichaam zou dan zijn vernietigd door water, vuur, of bedolven zijn onder het puin van vallende steenmassa’s.

Maar, mijne heren, het lichaam werd niet vernietigd. Het bleef in de klokkentoren, waar het door een arbeider belast met herstelwerkzaamheden nu vier dagen geleden werd gevonden. Over dit voorval hopen wij nu enkele bijzonderheden te vernemen... Dr. Burberry, wilt u zo vriendelijk zijn ons uw bevindingen mee te delen.

Burberry: Ik trof het lichaam van een manspersoon, 1,72 m lang. Het lichaam bleek gemummificeerd. Zoals u bekend zal zijn, is mummificatie minder zeldzaam dan men over het algemeen denkt. Ik heb meermalen duidelijk aangetoond dat het voor een patholoog praktisch onmogelijk is met enige zekerheid vast te stellen hoe lang een gemummificeerd lichaam dood is. Er zijn gevallen waar mummificatie in minder dan een jaar voorkwam.

coroner: U bent dus niet in staat te zeggen hoe lang deze persoon al dood is?

Burberry: Net zo u zegt.

coroner: Kunt u ons wel vertellen hoe oud hij was toen hij stierf?

Burberry: Uitgaande van de conditie van zijn gewrichten en beenderen en zijn hoofdhaar zou ik zeggen dat ie ongeveer veertig jaar oud geweest moet zijn toen ie werd gedood.

coroner: Hij werd gedood, daar bent u zeker van?

Burberry: Absoluut zeker. De schedel was bij het achterhoofd ingeslagen.

coroner: Dank u, Dr. Burberry. Mijne heren, zijn er nog andere punten waarover één van u nog nadere ophelderingen wenst van deze getuige?

jurylid: Eh... ja. Het komt mij voor, meneer, dat het lichaam niet gemummificeerd zou kunnen zijn, tenzij het weer op dat tijdstip uitermate warm was?

Burberry: Het jurylid heeft inderdaad gelijk, meneer. Als de atmosfeer warm en droog was toen het lichaam in die muurholte werd geplaatst, en indien we aannemen dat het tussen de 24 en 72 uur onafgesloten daar gelegen heeft, zou de opperhuid snel genoeg zijn ingedroogd om het lichaam te mummificeren.

inspecteur Macauley: Nee, meneer, tot dusver zijn we nog niet in staat geweest om het lichaam te identificeren.

coroner: U heeft daar wel pogingen toe gedaan, inspecteur Macauley?

Macauley: Zeker meneer. We zijn d’r zaterdagmorgen direct mee begonnen.

coroner: Mm, direct zaterdagmorgen, zegt u? Maar de zaak kwam toch donderdagmiddag aan het licht?

Macauley: Dat weet ik, meneer, maar we kregen pas zaterdag opdracht deze zaak in onderzoek te nemen.

coroner: Ik neem aan dat de rechter van instructie deze zaak als zuiver theoretisch behandeld wenst te zien?

Macauley: Dat neem ik wel aan, meneer.

coroner: Ik realiseer mij evengoed als u, inspecteur, dat zelfs indien u zoudt kunnen vaststellen hoe, wanneer en door wie deze man werd vermoord het toch niet mogelijk zou zijn iemand in de beklaagdebank te brengen die op een beschuldiging van moord zou kunnen antwoorden?

Macauley: Als wij ontdekten wie het gedaan heeft, zouden wij moeten vaststellen dat de persoon in kwestie zelf al zeker vijftig jaar geleden overleden moest zijn.

coroner: Jammer genoeg - eh... ik meen jammer voor u, inspecteur - is het mij gegeven het eerzame ambt van coroner van Koninklijke Huishouding te bekleden. En zolang als ik dat doe, verwacht ik van u of van degene die u eventueel zal opvolgen om deze zaak tot klaarheid te brengen, dat u uw taak met alle gevergde ernst zult opvatten.

Macauley: Jazeker, meneer.

coroner: Ik dank u. Wilt u ons nu vertellen hoe ver u met uw onderzoek gevorderd bent?

Macauley: Om te beginnen dan, de kleding van het slachtoffer, naar de mode van omstreeks honderd jaar geleden. We vonden bij ieder stuk de handelsmerken, in de jas, de hoed en de schoenen.

coroner: En waar heeft dat toe geleid?

Macauley: Tot niets, meneer. De zaak van de kleermaker in Norwood was in 1920 opgeheven en het huis afgebroken vanwege een tramlijn die daar moest worden aangelegd. De schoenen werden in Brixton gemaakt.

coroner: Ook een nieuwe tramlijn?

Macauley: Nee, meneer. Die zaak schijnt te zijn afgebroken om plaats te maken voor uitbreiding van Hare Majesteits gevangenis. De hoed kwam van een firma in Bond Street. Deze firma bestaat nog wel, maar haar archieven werden in 1942 bij een bomaanval verwoest.

coroner: Dus uit zijn kleding viel voor u niets te bewijzen?

Macauley: Ze leveren voor ons alleen het bewijs dat hij het vrij moeilijk heeft gehad in deze wereld. Al z’n kleren van onder tot boven waren weliswaar van de beste kwaliteit, maar alles, behalve de hoed, was verschillende malen gerepareerd.

coroner: Interessant. En de zakken?

Macauley: Geen papieren, meneer. Een gewone leren portemonnee met wat gouden, zilveren en koperen munstukken. En dan zijn horloge. Hier is het.

coroner: Dank u.

Macauley: Een mooi horloge, meneer.

coroner: Inderdaad, heel mooi. Fabrikaat?

Macauley: Een firma in Clerkenwell, meneer. Die eh... ging vijftig jaar geleden uit zaken. Geen enkel archief achtergelaten.

coroner: Mm, ik begin zo langzamerhand in te zien dat uw standpunt in deze zaak ook wel op louter theorie zal uitdraaien. Maar hoe dan ook, hoe staat het met die inscripties in de kast van het horloge?

Macauley: Dat is wel onze grootste teleurstelling, meneer.

coroner: Ja. Ogenblik, inspecteur, ik zal die aan de jury voorlezen. “Nu werd de winter van mijn mismoedigheid stralende zomer.” Ik mag hier wel aan toevoegen dat toen ik op school zat er werd geschreven “onze mismoedigheid”. Er staat hier “mijn mismoedigheid.” Onder dit algemeen bekend geachte citaat zijn twee kleine maskers gegraveerd, de bekende tragische en komische maskers van het klassieke toneel. En daaronder staat dan weer wat ik meen te mogen veronderstellen het motto van de eigenaar. Bent u het daarmee eens, inspecteur?

Macauley: Alleen maar vlekken, meneer, en wat dat betreft gaan onze archieven maar tot 1902.

coroner: Ja, zo... Dat is dan dus alles wat we hebben?

Macauley: Ja! Meer niet, meneer.

coroner: En het is u niet gelukt omtrent ‘s mans identiteit iets naders te weten te komen?

Macauley: Nee, meneer. Maar we laten de zaak natuurlijk niet los.

coroner: Dat hoop ik dan maar.

constable: Neemt u mij niet kwalijk, meneer

Macauley: Dat komt mij ook wel zo voor, meneer.

coroner: Het is Latijn. Eén woord: Effrenate (1). Misschien dat het Geneologisch Instituut hier uitkomst kan brengen.

1: Effrenate betekent letterlijk: zonder remmen; gewelddadig, onbeteugelbaar. De acteurs zeggen eerst Effranate”, maar later spreken ze het correcter uit.

Macauley: De redacteur wetenschappen van de Norwich Herald heeft het voor me nagegaan. Hij zegt dat het citaat noch het motto ergens geregistreerd staat, meneer.

coroner: Vingerafdrukken?

coroner: Hè?

constable: Een meneer op de publieke tribune gaf mij dit briefje voor u. Hij zegt dat het van groot belang is.

coroner: Dank u... (rumoer in de zaal) Mijne heren, ik moet u mededelen dat er zich een onvoorziene omstandigheid heeft voorgedaan. Een bezoeker op de publieke tribune, de... - ik meen - de geachte afgevaardigde voor het kiesdistrict Blackwell, laat mij hierbij weten dat hij over een bepaalde informatie in verband met deze zaak beschikt waarvan hij mij in een privégesprek op de hoogte wil stellen alvorens wij tot een uitspraak komen. In verband hiermee, mijne heren, wordt deze zitting verdaagd tot morgenochtend tien uur.

(de telefoon rinkelt)

Helen Bligh: (neemt op) Hallo? Met mevrouw Bligh.

Hubert Bligh: Ja, Helen, Hubert hier. Moet je ’ns luisteren. Zeg, ik was op die zitting vanmorgen. Die knaap is nog steeds niet geïdentificeerd, maar d’r zijn toch wel verschillende belangrijke dingen aan het licht gekomen, dunkt me. Ik heb van de lijkschouwer gedaan gekregen dat de zaak tot morgen wordt verdaagd.

Helen: Maar Hubert, heb je dat gedaan? Ja, hoe ben je in vredesnaam...

Hubert: Hij had een horloge in z’n bezit waarin een soort motto gegraveerd was. “Effranate.” Nou? Begint er al een lichtje bij je te branden?

Helen: Effra... Dat afvoerkanaal hier?

Hubert: Precies, het Effrakanaal. Toen ik dat hoorde, spitste ik m’n oren. Maar dat was nog niet alles. D’r was nog iets met dat horloge. D’r waren twee Griekse toneelmaskers in gegraveerd.

Helen: Ach, zoals die twee op dat huis in de buurt van Dulwich Gallery, bedoel je?

Hubert: Precies, m’n engeltje. En dat Effrakanaal, loopt dat niet langs dat huis?

Helen: Ja! Een parkwachter heeft me ‘ns verteld dat toen hij nog een kind was het regelrecht doorliep tot de voet van de Herne Heuvel. Wat ik zeggen wil, Hubert...

Hubert: Ik weet wat je zeggen wil. Jij wou voorstellen om dat huis voor mij te gaan bekijken, om te zien of d’r ook een motto onder die twee maskers gebeiteld staat. Misschien wel Effranate...

Helen: Ik was helemaal niet van plan om je dat voor te stellen. Ik krijg straks mevrouw Harrison op bezoek.

Hubert: Die kun je toch afzeggen? De lijkschouwer stemde d’r alleen mee in om de zaak tot morgen te verdagen, omdat ik ‘m gezegd heb dat ik ‘m waarschijnlijk zou kunnen helpen. En ik heb ‘m d’r ook toe overgehaald om de zaak morgenochtend nog ‘ns te verdagen tot over een maand. Hij zei toen dat die knaap al zo lang dood was dat een paar weekjes meer ‘m geen kwaad konden doen.

Helen: Je bent verschrikkelijk, Hubert.

Hubert: En jij bent een schat. Maar denk toch eens na, vrouwtje, een vermoorde kiezer!

Helen: Het zou belangrijk kunnen zijn, natuurlijk. Goed, ik doe het.

(gefluit van een vogel in de tuin)

Henry Ransome: Hoe vindt u mijn huis, mevrouw Bligh?

Helen: Oh, ho... eh...

Ransome: Neemt u me niet kwalijk dat ik zo opeens van achter die heg kom opduiken.

Helen: Oh, welnee, helemaal niet. Ja, dit is een schattig huis. Maar hoe... hoe kent u mijn naam zo?

Ransome: Och... iedere kiezer zal de vrouw van z’n kandidaat wel van gezicht kennen, vermoed ik. Mijn naam is Henry Ransome. Mijn oom was hier algemeen bekend, Richard de la Garde heette ie. Heeft hier zo’n kleine zestig jaar gewoond.

Helen: In ieder geval, prettig kennis te maken, meneer Ransome.

Ransome: Komt u m’n tuin maar ‘s bekijken. ‘k Zal het hekje voor u openmaken. (doet dat) Zo. Wel? Wat zegt u ervan?

Helen: Oh... beeldig, die cypressen! Maar waarom heet het eigenlijk Roshy House?

Ransome: Ja, dat is de afkorting voor Roscius. Hebben ze me verteld, hoor. Quintus Roscius Gallus. Schijnt een beroemd Romeins acteur geweest te zijn.

Helen: Oh, juist, ja ja. Eh... die naam heeft dan waarschijnlijk ook wel iets te maken met die twee maskers daar, boven het portiek?

Ransome: Oh, zeker, zeker. ‘t Is hier een echt komediatenoord, weet u? Men beweert zelfs dat Shakespeare hier in de buurt gewoond heeft. In gedachte zie ik hem hier soms wel ’ns over dit pad lopen.

Helen: Ja, maar dit huis stond hier toen toch nog niet, wel?

Ransome: Nee nee nee, maar het schijnt dat dit voetpad veel ouder is dan het huis. Mag ik het u ‘s laten zien? Kijk, het gaat dwars door het huis. Ziet u die tegels? En dan loopt het verder tot aan het meer. Bij het dal daarginds verdwijnt het onder de grond.

Helen: Effrenate zal dat wel niet prettig gevonden hebben, denk ik.

Ransome: Maar bent u dan wel ‘s hier binnen geweest, mevrouw Bligh?

Helen: Nooit! Zelfs niet in de tuin.

Ransome: U schijnt dan toch wel van Effrenate gehoord te hebben. Maar u bent nu toch hier. Kom maar, dan zal ik ‘m u laten zien.

Helen: Graag. (ze gaan naar binnen) Oh, wat een beeldig interieur, meneer Ransome.

Ransome: Ja, wel leuk, niet? Behalve... dit dan.

Helen: Ah...

Ransome: Dit beeld is dan uw Effrenate. Telkens als ik de trap opga, passeer ik ‘m. Mijn oom was er wel duizendmaal langs gelopen, denk ik.

Helen: Het is... Maar dit is afschuwelijk...

Ransome: Hij heeft er niet altijd zo lelijk uitgezien, hoor. Komt u maar ‘ns wat dichterbij. Kijk, als ik m’n hand hier leg en ik bedek de mond en de kaak, dan wordt de uitdrukking direct veel beter.

Helen: Maar wie heeft dat zo schandalig toegetakeld, meneer Ransome? En waarom?

Ransome: Dat, m’n beste mevrouw, dat is een vraag die ik liever onbeantwoord laat. ‘t Is wel iets dat ik nooit helemaal goed begrepen heb, maar het is inderdaad heel erg.

Hubert: (aan de telefoon) Hallo? Nou, kom... Hallo! Ja, Helen, ben je wat te weten gekomen?

Helen: Ja, Hubert. Nou, het is inderdaad Effrenate.

Hubert: Ben je daar zeker van?

Helen: Vertel ‘s, heeft dat lijk een bult?

Hubert: Een bult? Nee, daar heb ik niks van gehoord. Ik denk het niet. Hoezo?

Helen: Nou, iemand in dat Roshy Huis had een verschikkelijke haat aan een bult.

Hubert: Haat?

Helen: Hubert, ik kan je zeggen dat ik van m’n leven nog niemand ben tegengekomen die zo gehaat moet zijn...

coroner: Je ziet, Bligh, hij is zo recht van lijf en leden als jij en ik. Het spijt me dat ik mevrouw Bligh moet teleurstellen, maar het zou me toch ook wel sterk vebaasd hebben als Dr. Burberry een dergelijk belangrijk detail over het hoofd zou hebben gezien.

Hubert: Mm... Ja. Nou, ik dank u wel, coroner. Zeer verplicht.

coroner: Geen dank, dat hoort zo bij het baantje van lijkschouwer. Moet u de kleren nog zien? Waar heb je die, Gordon?

Gordon: Hier zijn ze, meneer. Alstublieft.

Arthur

Forest: Mm. (fluit) Zo zo, kijk ‘ns even. Die bretels. Heb je die ooit zo gezien?

coroner: Mm, ja, eh... mooi, niet? Prachtig, dat handgewerkte kant.

Forest: Ja, speciaal voor hem gemaakt, dat zie je zo. Dat moet door iemand gemaakt zijn die veel van ‘m hield.

Hubert: En door iemand die dat bepaald niet onder stoelen of banken stak.

Forest: Hoe bedoel je dat?

Hubert: Nou, bekijk ze maar ‘ns goed.

Forest: Ja, warempel. “Voor John, van Alice”, met kleine letters d’r op geborduurd. Dat zou in elk geval wel eens het begin van een draad kunnen zijn...

Forest: Hoe lang duurt het nog voordat de lijkschouwer toestemming zal geven voor een nette begrafenis, Hubert?

Hubert: Een maand, zei ie.

Forest: Nou, dan moesten we maar eens een commissie benoemen.

Hubert: Een commissie?

Forest: Ja.

Hubert: Lieve hemel, Forest, hebben we nog geen commissies genoeg?

Forest: Een commissie van onderzoek, bedoel ik. Dat is heus wel een manier om tot resultaten te komen.

Hubert: Ah, goed. Maar dat zal ik zeker niet op m’n eigen houtje doen.

Forest: (lachje) De kwestie is dat ik daar al lang over heb nagedacht. (lachje) Ja, kijk nou maar niet zo sip, man, jij wordt voorzitter, hoor. (lachje) Dan kun je je veto hanteren zoveel als je wilt.

Hubert: Nou, goed. Aan wie had je gedacht?

Forest: Wel, om te beginnen: Oliver Passmore. Je herinnert je hem toch nog wel uit die zaak van de auteursrechten?

Hubert: Eerste klas. Wie nog meer?

Forest: Eh... de jonge Nigel Lane. Heeft niet onverdienstelijk werk geleverd bij de inlichtingendienst van het leger. En eh... dan hebben we Alec Beasley. Bezwaren?

Hubert: Ik ken ‘m niet.

Forest: Van de centrale in Liverpool. Ah, nogal een opscheppertje met... met opzichtig pakken aan en een niet minder opzichtige vuurrooie kuif. Hij heeft in de directie gezeten van een of andere begrafenisonderneming. Is precies de knaap die je hiervoor hebben moet.

Hubert: Akkoord.

Forest: Ja. En wat zou je zeggen van Kathleen Kimmis?

Hubert: Ja, een beetje gezond verstand zouden we wel kunnen gebruiken. Verkocht.

Forest: Juist. Dat maakt dan drie aan iedere kant. Da’s toch prima voor de stemmerij?

Hubert: Jij denkt ook aan alles, Arthur.

Forest: Oh ja.

Hubert: Hé, daar gaat de minister van Verkeer. Ik moet nou hoog weg.

Forest: Ja, ho ho, wacht even. Wacht even, ik heb nog een lid voor ons comité.

Hubert: Wie dan? De minister van Verkeer?

Forest: Nee, ezel! Richard Gilfillan.

Forest & Hubert: Financieel adviseur van Hare Majesteits Ministerie van Openbare Werken!

Forest: Ja. (lacht)

Hubert: Goed idee, die kunnen we nodig hebben.

Forest: Ja.

Hubert: En eh... mag ik er nou ook nog één op de nominatie zetten?

Forest: Mm.

Hubert: We moeten een secretaris hebben. Ik zal Peacock vragen.

Forest: Eh... van het reiskantoor van eh...

Hubert: Precies, die bedoel ik.

Forest: Aha.

Hubert: Nou, ik maak dat ik wegkom. Waar spreken we af? Twee uur Members Bar?

Forest: Goed.

Hubert: Okay.

Forest: Ja.

Hubert: Ik zal Peacock te pakken zien te krijgen, en ga jij dan maar achter jouw ploeg aan. Tot zo.

(dinsdag 15 mei 1956, 14 uur

Forest: Soda, meneer de voorzitter?

Hubert: Graag.

Peacock: U verlangt van mij waarschijnlijk dat ik zo nu en dan een rapport voor u zal opstellen, meneer de voorzitter?

Hubert: Natuurlijk, Peacock. We stellen samen iedere avond datgene op wat nodig is.

Kathleen

Kimmis: Als er iets op te stellen valt, tenminste.

Passmore: Ik neem aan dat we allemaal, ieder op z’n eigen houtje, aan het werk gaan en dan ‘s avonds onze bevindingen vergelijken. Is dat niet het beste?

Hubert: Juist, Passmore. We moeten het werk zo zakelijk mogelijk verdelen.

Peacock: Zo zie ik het ook.

Kimmis: Zakelijk dus. Dan moeten we beginnen met te overzien wat we op het ogenblik voor feitelijk materiaal hebben.

Hubert: Akkoord. We hebben dus het gemummificeeerde lichaam van een man, John genaamd.

Kimmis: Mm.

Hubert: We zijn in het bezit van zijn kleding naar de mode van minstens een eeuw geleden.

Forest: De bretels geborduurd door een dame die Alice heet.

Kimmis: Nou, ik meen zeker te weten dat alleen geliefden bretels pleegden te borduren.

Passmore: Maar ook maitresses. Zag hij er uit als een man die er maitresses op na zou kunnen houden?

Hubert: Nou, toen de voorzitter en ik hem zagen, zag hij er in elk geval niet op z’n voordeligst uit. (gelach)

Hubert: Tot de orde, mijne heren. Ik ontken niet - als ie inderdaad een maitresse had - dat die niet het verlies van zijn fortuin betekend zou kunnen hebben.

Lane: Vage speculatie, als ik het zo zeggen mag. Waar gaan we op die manier naartoe?

Hubert: Dank je, Lane. We gaan dus tegen theetijd erop uit naar Dulwich om die Effranatekwestie aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Gilfillan: Ja, da’s teminste iets. En... wie gaat daarheen?

Hubert: Jij niet, Gilfillan. Ik doe dat, met Arthur Forest.

Henry Ransome: Kijk, heren, ik het het licht hier op gelaten voor u.

Hubert: Nee maar... afschuwelijk!

Ransome: (lachje) Precies wat uw vrouw ervan zei, meneer Bligh. Maar in ernst... Wilt u mij niet even vertellen waar u eigenlijk naar op zoek bent? Ik heb natuurlijk in de krant gelezen over dat onderzoek in verband met die vermoorde man.

Hubert: Meneer Ransome, wij veronderstellen dat onze vermoorde man die Effranate geweest zou kunnen zijn.

Ransome: En z’n moordenaar?

Hubert: Iemand misvormde z’n stenen beeltenis en iemand vernietigde z’n vleselijk omhulsel. Dezelfde man misschien?

Forest: Maar waarom dat beeld zo te misvormen? Dat begrijp ik niet.

Ransome: Ik kan het standpunt van meneer Bligh wel begrijpen. Iemand koelde z’n haat aan dat beeld. Mijn god, wat een haat...

Forest: Wist uw oom iets van die haat af?

Ransome: Dat deed ie zeker.

Hubert: Dan wist ie dus ook, en uzelf dan ook, wie de moordenaar was?

Ransome: O, nee. Dat weet ik zeker niet. En ook niet wie misschien de moordenares was.

Forest: Ja, maar eh...

Ransome: Ik weet zelfs niet of mijn man en uw man elkaar ooit ontmoet hebben.

Forest: Ja, ik dacht ook al: dat is allemaal te vlug om waar te zijn.

Ransome: Gaat u zitten, heren.

Forest: Eh... ja.

Ransome: Hier, alstublieft. Ik kan u beter het een en ander vertellen over dat beeld.

Forest: Graag, ja.

Ransome: Ik heb het grootste deel van mijn leven in India doorgebracht. Mijn vader, die ook in India woonde, lag altijd overhoop met z’n jongere broer, Richard de la Garde, die hier in dit Roshy House woonde. Die twist, mijne heren, stond in verband met dit beeld.

Forest: Heette uw oom dus de la Garde, zegt u?

Ransome: Oh, pardon, mijn oom was een Richard de la Garde Ransome. Hij deed afstand van de naam de la Garde toen hij dit Roshy House hier erfde.

Hubert: Dus hij deed afstand van de naam en kwam zo in het bezit van het beeld?

Ransome: Precies. Hij erfde dat beeld op voorwaarde dat hij van de naam afstand zou doen. Matthew de la Garde liet ‘m dit huis dus na onder bepaalde voorwaarden.

Forest: Ja, wat waren die voorwaarden?

Ransome: Hij liet hem beloven zijn eigen barbaarse praktijken voort te zetten. Op iedere tweeëntwintigste van de maand februari moest hij bijvoorbeeld de kaarsen die voor het beeld staan ontsteken.

Forest: Ja..., maar waarom?

Ransome: Ja..., daar hebben we dan het grote mysterie. Versta me wel, ik ben hoegenaamd geen heiden, maar toch verlicht ik dat beeld op de aangegeven datum, om mijzelf eraan te herinneren dat er een zeker kwaad bestaat dat uitgeroeid moet worden. Daarom ben ik er zo blij om, heren, u nu hier te hebben. Misschien lukt het u op den duur die zware taak van mij over te nemen.

(woensdag, 16 mei 14 uur)

Hubert: En hij eindigde toen met te verklaren ervan overtuigd te zijn dat Matthew de la Garde de man was die achter dit alles stond. Heb ik iets weggelaten, Arthur?

Forest: Nee nee nee, geen woord, geen woord, geen woord.

Beasley: Nou, dan staat het voor mij wel vast dat die Matthew de moordenaar is.

Kimmis: Ja, wat ik zeggen wou: was die Matthew de la Garde ooit lid van het Lagerhuis?

Forest: Dat heb ik nagegaan. Er bestaat geen aanwijzing hieromtrent.

Kimmis: Oh...

Passmore: Eh... voorzitter

Hubert: Ja, wat is er, Passmore?

Passmore: Ik ben op het stadhuis geweest in Camberwell. Ik wilde het bevolkingsregister nagaan om iets omtrent dat Roshy House te weten te komen.

Kimmis: Een goed idee!

Passmore: Jawel, het idee was wel goed, maar in de oorlog was het meeste daarvan verloren geraakt.

Gilfillan: Maar... maar bestonden er geen... geen fotokopieën van?

Forest: Nee, natuurlijk niet. Waarschijnlijk hebben ze d’r pap van gemaakt om er bonkaarten van te fabriceren. (gelach)

Passmore: Ja, die... die juffrouw van het archief kreeg de tranen in de ogen toen ze ’t me vertelde. Ze adviseerde me toen om ‘ns op het provinciehuis te informeren.

Hubert: En heb je daar iets bereikt?

Passmore: Ja. Hou je vast. In het bibliotheekarchief van de Londense provinciale Raad, daar wordt inderdaad gewag gemaakt van een zekere Matthew...

allen: Aah...

Passmore: Van 1850 tot 1857 staat het Roshy House vermeld als zijnde bewoond door een vendumeester en begrafenisondernemer genaamd, John Mortimer Wintour, maar volgens het adresboek van 1858 heeft die plaats gemaakt voor een meneer die vermeld staat als civiel ingenieur. Zijn naam was M. de la G. Grissell.

Kimmis: Grissell?

Passmore: Van 1859 af staat ie weer alleen vermeld als M. de la Garde, particulier.

Peacock: Grissell??... Grissell? Grissell...?

Gilfillan: Onze secetaris lijkt me een beetje afwezig.

Forest: Ja, wat is er, Peacock?

Peacock: Grissell? Die naam doet een belletje bij me rinkelen.

Beasley: Ja, de bel om te komen stemmen.

Peacock: Meneer Beasley slaat de spijker op de kop!

Forest: Hè?

Peacock: De stembel hier. Matthew Grissell is de naam van de man die dit huis gebouwd heeft! (rumoer)

Hubert: Eh... stilte, alstublieft, stilte. Ben je daar zeker van, Peacock?

Peacock: Matthew Grissell bouwde dit Huis van Afgevaardigden in de negentiende eeuw. Vandaar z’n titel: civiel ingenieur.

Kimmis: Dat klopt! Natuurlijk! Dat klopt!

Forest: Dus, als die Matthew de la Garde Grisssell inderdaad de klokkentoren heeft gebouwd, was het een klein kunstje voor hem om dat dooie lichaam naar boven te werken.

Kimmis: Ja, en hoe zou ie dat dan gedaan hebben? Had ie een brandladder of zo?

Forest: Ah, welnee, welnee! Hij inviteerde ‘m om boven te komen, hè, en toen ie eenmaal goed en wel boven was, heeft ie ‘m een tik op het hoofd gegeven op het moment dat ie het schone metselwerk stond te bewonderen.

Gilfillan: Ja, maar het... het komt mij voor...

Hubert: Gilfillan?

Gilfillan: Kijk, het... het is mogelijk dat Grissell Pugin en de anderen geassisteerd heeft bij het maken van de beeldhouwwerken aan het paleis. Als dat zo was, is het best mogelijk dat ie het beeldhouwwerk in Dulwich gebruikt heeft als... als oefenmateriaal.

Hubert: Dan ben jij dus precies de man om dat na te gaan op het Ministerie van Openbare Werken.

Gilfillan: Ja, ik zal direct iemand van m’n kantoor er op af sturen.

Hubert: Mooi. Nu, mevrouw, mijne heren, de zitting wordt dan nu verdaagd. U hoort nog van mij tot wanneer en waar.

Lane: Dat is alles wat ik heb kunnen vinden over een eventueel vermist Lagerhuislid, meneer de voorzitter.

Hubert: Hindert niet, Lane, ik voor mij zie d’r voorlopig ook nog geen gat in.

Forest: En ik dan? Kijk eens, als we d’r nooit achter komen wat er in die toren eigenlijk precies is gebeurd, dan zie ik die Matthew nog steeds niet als de moordenaar. (rumoer)

Kimmis: Ja, één detail interesseerde me, Nigel.

Lane: O ja? Wat was dat?

Kimmis: Jij zei dat in die dagen geen lid van het Lagerhuis kon wegblijven zonder medeweten van de voorzitter.

Lane: Ja, precies.

Kimmis: Een geldig excuus voor absentie kon worden gegeven voor eh... militaire dienst, verschijnen voor de rechtbank of een begrafenis.

Lane: Dat is zo, ja.

Kimmis: Dus eh... verschijnen voor de rechter. Meneer de voorzitter, er was inderdaad toen iemand die permissie had weg te blijven vanwege een dagvaarding van een rechtbank. Mijn nasporingen hebben aangetoond dat een lid absent was om zijn proces bij te wonen, inzake een faillisement. Zijn naam was: John Mortimer Thompson Wintour. W-i-n-t-o-u-r.

Hubert: En uitgesproken als Winter, natuurlijk.

Kimmis: Precies, Hubert. “Nu werd de winter van mijn mismoedigheid stralende zomer...”

Hubert: Goeie genade!

Beasley: En? Ik begrijp dat niet.

Forest: Nou, wordt toch wakker, Beasley: het citaat in het horloge! Het horloge van die vermoorde John. Mijn God!...

Passmore: Dus, de vent die ik ontdekte als de eigenaar van het Roshy House, juist voordat Matthew de la Garde erin trok, was...

Kimmis: ...John Mortimer Townsend Wintour, begrafenisondernemer, lid van het Parlement en voor dat ogenblik ook nog failliet.

Gilfillan: Ja, maar... ja, maar... dat... da’s ongelooflijk!

Hubert: Dat noem ik nog ‘s opschieten. Nog meer, Kathleen, gezegend zal je zijn.

Kimmis: Jij hoeft mij niet te zegenen, Hubert. Zegen het onderzoek van de heren op de Koninklijke Bibliotheek.

Passmore: Maar... er zouden wel twintig Wintours in Dulwich gewoond kunen hebben. En je hebt nog niet aangetoond dat het lichaam dat wij John noemen lid was van het Lagerhuis.

Kimmis: Nee, Oliver, daar heb ik inderdaad geen bewijs voor. Maar wat ik wel kan bewijzen is dat een zekere John Wintour in 1856 hier als lid opdook, en hij bleef hier veertien maanden.

Gilfillan: En wat gebeurde er toen? Nieuwe verkiezingen?

Kimmis: Nee, een faillisement.

Gilfillan: Arme duivel...

Kimmis: Als je die handelingen van het Parlement moet gaan nazoeken, dan ben je wel onder dak. Die John Wintour bleek een beklagenswaardig en ongelukkig mens te zijn. En... hij had vijanden.

Hubert: Vijanden? Wat voor soort?

Kimmis: Hij heeft ze niet bij name genoemd. Alles wat ie gezegd heeft tijdens dat proces was: “Politiek gekuip heeft me jaren dwars gezeten en één genadeloze crediteur zal niet rusten voor de schulden zijn betaald met 20 shilling in het pond. Eh... plus de gewone rente.

Lane: Een politieke moord dus. “Liberaal, vermoord door boze conservatieven”. (rumoer)

Hubert: Dus eh... samengevat krijgen we nu...

Gilfillan: Attentie, heren.

Hubert: Het slachtoffer John bezat een horloge. Door het Effrenate-devies heeft dit horloge een zeker verband met het Roshy House. Het Roshy House werd bewoond door John Winter - voor enige tijd dan - vóór Matthew de la Garde Grisell het overnam. John Winter, het parlementslid, ging failliet en moest z’n zetel in het Lagerhuis afstaan.

Forest: Dan zou Mathhew de hardvochtige debiteur geweest kunnen zijn die als een Shylock achter z’n pond vlees aan zat.

Beasley: Effrenate! Het houdt kennelijk allemaal verband met dat vervloekte beeld.

Hubert: Daar twijfel ik ook niet aan, Beasley. De jaarlijkse haatceremonie met de brandende kaarsen...

Lane: Wat ik me afvraag is: waarom zou een parlementslid zich een citaat uit “Richard III” om z’n hals hangen?

Gilfillan: Eh... mag ik nu mijn bewijsmateriaal even voorleggen, meneer de president?

Hubert: Natuurlijk, Gilfillan.

Gilfillan: Eh... onze experts op het ministerie van Openbare Werken hebben ook nog een schakel gevonden tussen het Roshy House en het Lagerhuis. Men is er daar zeker van dat het beeld in het Roshy House het origineel is van het beeld dat Pugin maakte van Richard III.

Forest: Betekent dat dat er ergens in dit gebouw een kopie staat van Effrenate voorstellend Richard III?

Gilfillan: Net zo u zegt, Forest.

Forest: Ja, .?. kerel, weet je wel wie de voorzitter was van de commissie voor schone kunsten die al die beelden welke in dit gebouw zo kwistig werden rondgestrooid heeft gekeurd?

Gilfillan: Ja, natuurlijk: Zijne Koninklijke Hoogdheid de prinsgemaal.

Forest: Nou dan! Kun je nou van hem veronderstellen dat hij een beeld als dit, een beeld van een soeverein vorst met een bult, zomaar zou aanvaarden?

Gilfillan: Nee. Nee, nee, natuurlijk niet, maar kennelijk was het eerste ontwerp afgewezen. Dat wat wij hier bezitten is het tweede. Als u van hier naar de vertrekken van de kamervoorzitter gaat, krijg je ‘t direct aan je linkerhand, onder het mozaïek van Saint George.

Forest: ‘Domme!

Hubert: Forest...

Peacock: En dit is dan het moment waarop ik aan de beurt kom, meneer de voorzitter.

Hubert: Schiet af, Peacock. Wat heb je daar?

Peacock: Matthews uiterste wilsbeschikking. (rumoer) Ja ja, ja, ik kreeg dit door het registratieregister van het Somerset stadhuis.

Hubert: Knap werk, Peacock!

Peacock: Het is gedateerd op de eenentwintigste juni 1892. “Ik, Matthew de la Garde, vermaak bij deze bij testamentaire beschikking mijn huis, bekend als het Roshy House, met volledig meubilair benevens oude prenten, schilderijen, boeken etc. etc. in volledig vertrouwen in eigendom aan Richard de la Garde Ransome, zo lang als hij mijn hierin voornoemd huis in goede staat van onderhoud zal beheren en zolang als hij het beeld van Effrenate zal laten in z’n huidige positie naast de hoofdtrap in het huis, terwijl hij gehouden zal zijn op de tweeëntwintigste dag van de maand februari van elk jaar te zullen doen branden nabij of rond het beeld zes vetkaarsen van de beste kwaliteit. En...”

Kimmis: Mijn hemel, zo is ‘t wel genoeg, zeg! Die kerel was niet goed bij z’n hoofd.

Peacock: Dan was er nog een andere voorwaarde die belangrijk is, namelijk dat Richard de la Garde Ransome zou afzien van de achternaam en zich eenvoudigweg Richard de la Garde zou gaan noemen.

Lane: Wat ie, zoals bekend, dan ook gedaan heeft.

Peacock: Ja!

Passmore: Eh... meneer de president? Misschien mag ik het comité erop attent maken dat de Kamer over vijf minuten op pinksterreces zal gaan?

Hubert: Maar ik wil die zaak zo goed mogelijk voor elkaar hebben!

Gilfillan: Wat? Vanmiddag nog?

Hubert: Nee, natuurlijk niet. Maar het lijkt me verstandig nu vast te stellen wat we de volgende tien dagen moeten doen.

Lane: Ja, ik moet naar de Raad van Europa in Straatsburg.

Kimmis: En ik naar het Midden-Oosten.

Hubert: Mm. Nog iemand anders die ergens heen gaat? Gilfillan?

Gilfillan: Ik ga op inspectie van Monumentenzorg, vanwege het Ministerie, op mij kun je rekenen.

Hubert: Ach, dat vermaledijde reces ook.

Beasley: Geef de moed niet op, meneer de voorzitter. Ik heb niks bijzonders. Ik blijf achter die Matthew aan zitten.

Hubert: Jij bent braaf, Beasley. Forest en ik gaan weer aan ‘t werk en houden het voorlopig op Wintour. Afgesproken?

- Blijkbaar.

- Het is tijd, dames en heren, hoogste tijd!

- Ja, mensen, tijd om weg te wezen. Vakantie!

(dinsdagmorgen, 22 mei 1956)

Helen: Wat is er in vredesnaam met jou aan de hand vanmorgen, Hubert?

Hubert: Lees dit telegram maar ‘ns.

Helen: Mm? “Vernam juist begrafenistermijn urgent geacht. Ik stel voor zaterdag. Bijeenkomst jury vrijdag. Groeten, Fell.” Wie is Fell?

Hubert: De Koninklijke Lijkschouwer zelf, m’n kind.

Helen: Ach, Hubert, liefje, ik wou dat je nooit me die affaire begonnen was.

Hubert: Ik heb het nou eenmaal gedaan en ik zal het afmaken ook. Ik zou dit telegram kunnen gebruiken als een stok achter de deur. Ik roep een spoedvergadering bijeen.

Helen: Je wilt je populair maken, liefje? En dat tijdens een reces?

Hubert: Ik vraag me af wie er eigenlijk iets te zeggen heeft over die klokkentoren. Ik geloof dat het tijd wordt te proberen op het terrein van de misdaad wat inspiratie op te doen...

Passmore: Nemen we de trap naar boven, meneer de voorzitter?

Hubert: Nee, we krijgen één van de liften die de werklui gebruiken om op de bouwsteiger te komen. (geluid van lift) Ah, daar is ie al. (lift stopt bij hen)

Trilling: (stapt uit) Goeiemiddag, heren. Mijn naam is Trilling. Ik ben de assistent van de ambtenaar van Openbare Werken. ‘t Zal me een waar feest zijn u op deze schone middag naar boven te mogen brengen.

Forest: Oh... (mompelt wat)

Trilling: Ziezo. Zijn we d’r allemaal? Daar gaat ie dan... (lift in werking) Dames en heren, voor bellen, klokken en dooie lijken, eerste etage.

Forest: Word wakker, Passmore, je weet niet wat je mist.

Passmore: Ik mis het liever, dank je wel. (lift stopt)

Trilling: Allemaal uitstappen! We gaan niet verder, heren. En pas op dat gat daar beneden.

Forest: O ja.

Trilling: Je zou een tuimelingetje kunnen maken die je niet eens zou heugen.

Passmore: Als ie met die grappies doorgaat zou er nog wel ‘ns een moord kunnen gebeuren hier.

Forest: Ah man, wees nou toch voorzichtig met je woorden! De microfoon van de BBC kan aan staan. (ze lopen een eind)

Trilling: Hier zijn we dan, heren. De meest accurate klok in de wereld en over de honderd jaar oud. Als ik even mag uitleggen, de betekenis...

Hubert: Ja ja, dat zal allemaal wel heel erg interessant zijn, meneer Trilling, maar wat ons meer intereseert is: waar lag het lijk?

Trilling: Daar, in de kamer waar het eigenlijke uurwerk, eh... het binnenwerk van de klok zich bevindt. Komt u maar even mee. Ja, we kunnen, denk ik, net het moment pikken dat ie z’n derde kwartier slaat.

Forest: Hebben jullie oorwatjes bij je, jongens?

Trilling: Kijk hier, heren... (klok slaat) Asjeblieft, heren, op de seconde gelijk.

Hubert: Ja, dank u, erg interessant. Maar als u nou zo vriendelijk zou willen zijn...?

Trilling: Kijk, meneer, daar lag het lichaam, die holte onder die vloer...

Hubert: O ja... En eh... is dit de oorspronkelijke bevloering?

Trilling: Stellig, meneer. Ieder steentje origineel.

Beasley: Nou, dan zijn we d’r. Dit is de oorspronkelijk vloer en daar lag het lijk onder. Als we dus kunnen vaststellen wanneer die vloer gelegd is, weten we precies wanneer die John Wintour daar in gestopt is.

Hubert: Daar kun je gelijk in hebben, Beasley, als ie inderdaad werd vermoord voordat die vloer gelegd werd.

Beasley: Wat? Jij neemt dus aan dat iemand het naderhand gedaan heeft? Dat ie de vloer gedeeltelijk heeft opgebroken om het lichaam te kunnen verbergen?

Gilfillan: ’t Is in ieder geval mogelijk.

Hubert: Maar, heren, er doet zich iets nog belangrijkers voor dan dit. Lane belde mij gisteravond op uit Straatsburg. Hij zei dat ie toevallig iemand ontmoet heeft die ‘m vertelde dat, toen Big Ben werd gebouwd, men de bouwmethode heeft gevolgd van de mensen die de kathedraal van Straatsburg hebben gebouwd. Geen bouwsteigers, niet van binnen en niet van buiten.

Forest: Nou? En?

Hubert: Kijk, je bouwt dus een klokkentoren van ruim honderd meter hoog. Je plaatst in de top van de toren een kostbare machinerie. Wat doe dan?

Gilfillan: Dan maak je een eh... slot op de deur aan de voet van het bouwwerk en je limiteert het aantal mensen dat de sleutel krijgt om binnen te komen. Hè?

Hubert: Precies. En daar d’r geen steiger was om naar boven te klimmen, betekent dit dat wij een onderzoek moeten instellen naar een moord die gepleegd werd in een afgesloten vertrek.

Passmore: Geen beginnen aan.

Hubert: Waarom niet, Passmore?

Passmore: Weet jij hoeveel mensen een sleutel in hun bezit hebben gehad? We weten alleen dat ieder lid bij het afleggen van de eed een sleutel in z’n bezit kreeg.

Hubert: Ben ik met je eens, Oliver. Er kunnen natuurlijk verschillende mensen geweest zijn die een sleutel hadden. Wat ik nu probeer aan te tonen, is dat Matthew de la Garde een sleutel moet bezeten hebben, want bliksem, hij had de supervisie over het bouwwerk.

Forest: En als ie een sleutel in z’n bezit had, had hij de gelegenheid John Wintour te vermoorden en ‘m hier daarna te verbergen.

Hubert: Precies.

Beasley: Kijk uit, mensen, en hou je hoed vast. Eén uur! We krijgen nu de volle laag! (klok slaat)

Forest: Cheers, mijne heren. Op de firma Sherlock Holmes & Co. - Haaha.

- Cheers

- En wat nu, meneer de voorzitter?

Hubert: Peacock probeert uit te vinden wanneer precies die vloer gelegd is. Zolang dienen we nog te wachten. - Meneer Hubert Bligh?

Hubert: Die ben ik, ja.

- Voor u, meneer. Een luchtexpress uit de Libanon.

Hubert: Oh, dank je.

- Oh. Dank u wel, meneer

Gilfillan: Zeg, da’s zeker van Kathleen Kimmis, hè?

Hubert: Ja.

- Kathleen Kimmis wil van een afstand ook nog meedoen. Ik ben benieuwd wat ze te zeggen heeft.

Hubert: Nou, ‘ns even kijken.

Gilfillan: Hè?

Hubert: Hé...

- Wat?

Hubert: Dat is interessant!

- Nou? Vooruit! Lees voor.

Hubert: Ja ja, rustig. Ze schrijft: “Gisteravond, na twee glazen van de locale likeur die smaakt naar sterke anijsdrop - een gevaarlijk drankje overigens - maakte een vriend van mij, een zekere meneer Fawzi Badawi, enige interessante opmerkingen.”

Beasley: Goeie ouwe Kathleen. De duistere lusten van de Libanon.

Hubert: Ja ja, stil nou even, Beasley. Eh... even kijken... Ze gaat dan verder: “Ik vertelde hem het een en ander over onze dode vriend Wintour. ‘Dat was overspel,’ zei hij me, zonder enig verder nadenken. ‘Blijkbaar zijn de moslims gewend om hun overspelige vrouwen in te metselen.’ Ik vertelde hem dat het hier ging om een man en niet om een vrouw die ingemetseld was. Maar nadat meneer Badawi was weggegaan, herinnerde ik mij opeens de bretels van John Wintour. Het kwam toen bij me op dat die Alice die ze geborduurd had misschien niet zijn Alice geweest is, maar de Alice van Matthew de la Garde Grissell!” Ja, dat is mogelijk natuurlijk!

Forest: ‘t Is niet natuurlijk uitgesloten, ja, maar eh... dit is toch wel een zaak voor een advocaat, dacht ik. Oliver Passmore.

- Precies de man die we nodig hebben.

- Juist, ja.

- Kom, Oliver, voor de dag met je pornografie! (gelach)

Hubert: Ernstig, asjeblieft, mijne heren. Ja, Oliver?

Passmore: Als ik mag, eh... alleen, is dit alles wat Kathleen te zeggen heeft?

Hubert: Dat is alles, ja.

Gilfillan: Nou, ik voor mij, ik hou me aan het faillissement. ‘t Is toch altijd nog mogelijk dat Matthew John vermoord heeft vanwege dat eh... pondje vlees waar we ‘t over gehad hebben?

Hubert: Okay, Gilfillan, jij dus ‘t faillissement.

Gilfillan: Ja.

Hubert: Passmore, overspel, was ‘t niet? Beasley, wat neem jij?

Beasley: Whisky-soda graag, meneer. (gelach)

- Nee, wat drommel, Forest, ik probeer helemaal niet om de dingen goed te praten. Ik beweer alleen dat John Wintour om die tik op z’n achterhoofd gevraagd heeft, en dat de griffier op de registratie in het Hogerhuis en ik ontdekt hebben waar we geen van allen nog aan toe waren, namelijk een volkomen aanvaardbaar motief voor de moord.

Forest: Da’s allemaal tot je dienst, maar dat...

- Alice Grissell en John Wintour werden onder bezwarende omstandigheden betrapt in een buitenhuisje in de buurt van Portsmouth. En Grissell kreeg het bewijs in handen op de tweeëntwintigste februari 1857.

Forest: De tweeëntwintigste februari?

Hubert: De datum voor de ceremonie met de kaarsen!...

- Dat verklaart alles. De ceremonie van de haat.

Forest: Natuurlijk! Wintour was geroyeeerd als lid van het Lagerhuis vanwege z’n faillissement en dat speelde Grissell precies in de kaart om z’n wraak uit te voeren. Hij kwam in het bezit van het Roshy House.

Gilfillan: En van een waardevol kunstwerk, zoals zijn faillissementpapier en aangeven. Dat zou dan Effrenate moeten zijn. (er wordt geklopt)

Hubert: Ja? Wie is daar?

Peacock: Neem me niet kwalijk meneer, d’r is iemand voor u.

Hubert: Het spijt me, we zijn in vergadering.

Peacock: Het is een zekere meneer Lavallade, hij is van de pers. De South Norwood Press en Telegraph.

Hubert: Oh, mijn hemel, dat heb ik helemaal vergeten. Vraag ‘m binnen te komen, wilt u.

Peacock: Ja, meneer.

Hubert: Ik ben d’r op m’n eentje achterheen geweest, ik heb vergeten dat jullie te vertllen.

- Mm.

Hubert: Hij komt ook met eh... wat materiaal over de zaak. Z’n hoofdredacteur vermoedt dat het ons wel zal interesseren.

Forest: Aha. Ja ja. (geklop, deur open)

Hubert: Meneer Lavallade?

Lavallade: Meneer Bligh?

Hubert: Goed dat u gekomen bent. Gaat u zitten. (komt binnen) Ik wil er wel even de nadruk op leggen dat wij een volkomen onofficiële commissie vormen. Dat houdt dus in dat het ons niet is toegestaan...

Lavallade: ...de pers erbij te halen. (gelach)

Hubert: Precies. Dus, als u nu zo vriendelijk wilt zijn ons het resultaat van uw bevindingen mee te delen?

Lavallade: Nou dan, het gaat alleen hierom: John Mortimer Townsend Wintour was de enige afgevaardigde die tijdens zijn lidmaatschap op het toneel verscheen als beroepsacteur.

Forest: De maskers boven de buitendeur!

- “Nu is de winter van mijn...” Wat was het ook weer?

Hubert: Stilte, stile, alstublieft. Tot de orde, mijne heren. Meneer Lavallade, het komt mij voor dat dit precies was wat wij nog wensten te weten.

Lavallade: Ik kwam hier toevallig achter toen ik onze ouwe klappers doorliep op zoek naar gegevens voor mijn artikel over kamerleden vroeger en nu. Ik stuitte toen op een kreupelrijm dat tot titel droeg: “John Wintour, kamerlid, voor het voetlicht.” Het staat in de krant van 25 juni 1857.

Hubert: Maar dat is prachtig! Hoe luidt dat mooie vers?

Lavallade: Ik zal er een paar regels uit voorlezen, ja. ‘t Begint als volgt:

“Welk eerzaam mens zou zoiets kunnen dulden

vereffening op dees wijs van ouwe zware schulden.

Het was een begrafenis der tragedie in de nacht

daar het begraven overdag geen voordeel bracht.”

Ja, het schijnt dat Wintour ook nog begrafenisondernemer was.

Hubert: Ja, dat is inderdaad zo. Wat verder?

Lavallade: Eh... dan vond ik ook nog een kritiek naar aanleiding van een eerste voorstelling in Theather Royal een paar dagen tevoren. De criticus schreef: “De heer Winters sterfscène was bepaald lachwekkend. Hij viel plat voorover op z’n gezicht en de goden in de enkelbak brulden: ‘Draai ‘m om!’” (gelach) En het slot, dat luidt dan: “Wij wensen de heer Wintour stellig niet te dwarsbomen in de plannen die hij nog in uitzicht mag hebben, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat zijn toekomst stellig niet op het toneel ligt.”

Forest: (lachje) Wat een sterfscène! (lacht) Het schijnt dat ie ook over z’n eigen doodsbed is gestruikeld, of zoiets.

Lavallade: O nee, hij stierf op het slagveld, zijn koninkrijk aanbiedende voor een paard. Hij speelde Richard III.

Forest: Nou die eh... jongeman heeft z’n best gedaan, hè?

Hubert: Mm.

Forest: Wat een idee van je, Hubert, om ‘m in te schakelen.

Hubert: Zuiver geluk. Maar wat een meevaller! Niet te geloven. Dus, weggejaagd uit het Lagerhuis en dan proberen z’n schulden te betalen met komedie spelen.

Forest: Ik vraag me af wat die ouwe Gladstone daar gezegd zal van hebben.

- En die lieve koningin Victoria dan?

Forest: Ja! (lacht)

Hubert: Nou, laten we doorgaan, mensen. We weten nu dus wie de moord beging: Matthew de la Garde Grissell. We weten ook wie de vermoorde man is: het ex-kamerlid John Wintour. We weten waarom ie het gedaan heeft: omdat Wintour een verhouding had met de vrouw van Grissell, Alice. En we mogen ook aannemen dat we weten hoe ie het gedaan heeft. Alles wat we nu nog moeten weten is: wanneer heeft ie het gedaan?

Peacock: Dat kan ik jullie vertellen.

Hubert: Peacock! Je hebt je zo stil gehouden. Schiet af.

Peacock: Ik had het te druk met het rangschikken van de bewijsstukken. Nou dan, de moord moet hebben plaats gehad tussen de vijfde en de elfde juli 1859.

- Dat is twee volle jaren na die echtscheidingsgeschiedenis.

Peacock: Waarschijnlijk. Misschien, na wat we zojuist gehoord hebben, was ie meestal op tournee als acteur, en dus kreeg Grissell nooit z’n kans.

Hubert: Dat is mogelijk. Ga verder, Peacock.

Peacock: Mijn data zijn gebaseerd op louter theoretische overwegingen. Ik zal niet ingaan op alle details bij de bouw van Big Ben’s toren, maar de Londenaren zagen de klokkentoren voor het eerst voltooid in 1856. Maar eh... het was alleen maar, om zo te zeggen, een lege dop die ze te zien kregen. De klokken moesten nog naar boven worden getransporteerd.

Hubert: Een ogenblik. Hoe kregen ze die naar boven?

Peacock: Ze werden binnenin naar boven gehesen. De klokken hangen boven het uurwerk, dus moesten die het eerst naar boven.

Hubert: Dus, binnen kon verder niets gebeuren voor die klokken boven waren?

Peacock: Niets, nee. Dan zou er immers geen plaats geweest zijn voor de klokken om ze naar boven te hijsen. Dat betekent dus ook dat die vloer, waar wij daarboven op gelopen hebben, onmogelijk gelegd kan zijn vóór die klokken daar boven goed en wel op hun plaats waren.

- Ah!

Peacock: En het lichaam van John Wintour kon onmogelijk in die vloer geborgen worden voor die klaar was.

Forest: Ik vind het maar knap gevonden!

- Ja

Peacock: Ze begonnen nu Big Ben op te hijsen, de klok dus. Ze begonnen ‘m op te hijsen op de dertiende oktober van 1858. Daar waren vier mannen voor nodig, die er dertig uur mee doende waren. Dat is vier minuten voor elke centimeter.

Forest: Knap gedaan, Peacock, mijn compliment!

Peacock: Ten slotte nog één ding: bij het onderzoek beweerde de patholoog dat het lichaam alleen gemummificeerd kon zijn als het onafgesloten in de nis had gelegen in een warme en droge atmosfeer, en wel tussen de vierentwintig en zeventig uren voor het definitief werd ingesloten.

- En was het warm en droog in die tijd?

Peacock: Volgens de weerrapporten begon er op de vijfde juli een schier ondraaglijke hittegolf die Londen vrijwel onewoonbaar maakte. Die duurde tot de elfde juli

Hubert: Ik neem aan dat het lichaam twee of drie dagen onafgesloten in die nis heeft gelegen, want de vloer kon maar voor de helft gelegd zijn. Er zou dus genoeg circulerende lucht aanwezig blijven om de opzet te doen slagen. Resumerend, mijne heren: toen Big Ben voor de elfde keer zijn sonore geluid deed horen, op de twaalfde juli 1859, betekende dit de doodsklok voor John Wintour, die op dat moment al tussen de vierentwintig uur en zes dagen lag, ingemetseld in z’n stenen rustplaats.

Hubert: En dus, meneer de coroner, is de commissie van onderzoek tot de slotsom gekomen - en wel op technische gronden, gebaseerd op de oorspronkelijke montering van de klokkentoren - dat de moord op John Wintour heeft plaatsgevonden tussen de vijfde en de elfde juli van het jaar 1859. De commissie is eveneens tot de overtuiging gekomen dat Grissell, die zich nu eenvoudigweg Matthew de la Garde noemde, zich terugtrok in zijn verblijf genaamd Roshy House in Dulwich, waar regelmatig op de tweeëntwintigste februari van elk jaar een merkwaardig ritueel werd gehouden voor het beeld van Effrenate om zijn triomf te gedenken over de man die zijn vrouw had verleid. Voor hij stierf, droeg hij bij testamentaire beschikking deze taak over aan z’n erfgenaam, Richard de la Garde Ransome.

coroner: Ik dank u, meneer Bligh. Mijne heren, de heer Bligh is bereid de bewonderenswaardig gedetailleerde bevindingen van zijn comité met gedocumenteerde bewijsstukken te staven. Is er iemand die hieromtrent nog vragen wenst te stellen?

Lane: Ja. Ik wil natuurlijk niet gaan chicaneren over de details in het algemeen, of de tijd en zo, meneer, maar d’r is één ding wat mij toch wel in het bijzonder intrigeert, en wel het geld, het bedrag aan geld dat de man in z’n bezit had.

coroner: Ja?

Lane: Ik herinner me niet helemaal hoeveel precies, maar ik geloof toch wel dat het een heel bedrag was.

coroner: Ik heb het hier: vijf pond, elf shilling en twopence.

Lane: Dat lijkt me toch vrij veel voor iemand in staat van faillissement, hè? Vooral in die dagen...

coroner: Meneer Bligh?

Hubert: Ik ben dat met het geachte jurylid eens. Maar vergeet u niet dat in de tijd dat hij overleed Wintour als acteur een behoorlijk inkomen zal hebben gehad, waarschijnlijk.

Lane: Juist. Ik dank u.

coroner: Ja, het zal inderdaad een heel bedrag geweest zijn in die dagen. Ik durf gerust te zeggen dat baar geld in die tijd meer waard was dan nu. Een zogenaamde “Bun Penny” (2), zoals dit muntje hier, was in die dagen dat John Winter stierf precies een penny waard.

2: De Bun Penny is een oude munt die tussen 1860 en 1894 in omloop was en waarop het hoofd van de koningin stond.

Trilling: Excuseert u mij, meneer...

coroner: Ja? Nog een jurylid die iets te vragen heeft?

Trilling: U zei toch een bun penny, meneer?

coroner: Ja, zoals ik hier heb.

Trilling: We hebben toch goed gehoord dat de heer Bligh zei dat Winter vermoord werd in 1859?

coroner: Ja, dat is inderdaad zo. Ik begrijp niet ..

Trilling: Dan klopt er toch iets niet, meneer. In 1859 waren d’r nog geen bun pennies. Hoe kan een man die in 1859 werd vermoord een type munt in z’n beurs hebben dat voor het eerst in het jaar 1860 werd geslagen!?

Burberry: Ah, goeiendag, meneer de coroner. Meneer Bligh?

Hubert: Goeiendag.

coroner: Kom, Dr. Burberry, voor den dag ermee, wat bracht u ertoe ons naar uw naargeestige lab te slepen?

Burberry: Dit is toch de eerste keer dat ik u hier in mijn domein mag verwelkomen, niet, meneer Bligh?

coroner: U weet bliksems goed dat ie nooit eerder hier geweest is. De hele paperassenboel die ik moest ondertekenen om ‘m ongehinderd hier door de deur te krijgen... Meneer Bligh is niet bepaald persona grata bij mij, juist op dit moment, weet u.

Burberry: Jammer van al de tijd en de moeite die er besteed werd om al dat omvangrijke en inderdaad ingenieus gevonden bewijsmateriaal bij elkaar te brengen.

Hubert: Maar waarom dan voor den donder?

Burberry: Jammer genoeg dwong u ons tot het uiterste, meneer Bligh. Indien u vierentwintig uur langer nodig zou hebben gehad om uw zaak rond te maken, zouden wij in de gelegenheid zijn geweest om u tijdig de pas af te snijden. Een groot schandaal, inderdaad.

Hubert: Als met “wij” de politie en u bedoeld zijn, is al wat ik kan zeggen dat het jammer dat die verdomde inspecteur Macauley zich niet wat actiever heeft getoond en...

Macauley: Goedendag, heren.

coroner: Ah, Macauley. Meneer Bligh had het net over u.

Macauley: De kwestie is, meneer, dat ons niet gezegd werd dat er iets bijzonders aan de hand was, en...

Burberry: U moet weten, meneer Bligh, de kleren van het slachtoffer hebben ons ietwat in verwarring gebracht. En het lichaam zelf ook. Wat dat betreft...

Hubert: Wat bedoelt u?

Burberry: In de naden en vooral in de zakken hebben we sporen gevonden van een wit poeder. We dachten eerst dat het kamfer was, maar dat was het niet.

Hubert: Wat een strop voor u.

coroner: Synthetische kamfer dan misschien?

Burberry: Aan die mogelijkheid hebben wij niet gedacht, meneer de coroner. Synthetische kamfer werd namelijk eerst in 1914 gebruikt. Wij zijn doorgegaan met ons onderzoek. Synthetische kamfer of naftaline was het dus niet.

Hubert: Dus geen mottenballen.

Burberry: Ja, wel mottenballen, meneer Bligh, paradichloorbenzine.

Hubert: Para... wat?

Burberry: Paradichloorbenzine. Bij informatie bij het nationale farmaceutische instituut werd dit voor het eerst in de winkels verkrijgbaar gesteld als motverdelgingsmiddel in... 1932.

Hubert: En wie heeft er ontslag gekregen voor een dergelijke fout in de analyse?

Burberry: Niemand, want ze was goed. Ik heb het zelf gecontroleerd.

Hubert: Maar luister nou ‘s...

Burberry: Dan is er nog iets: er waren twee tanden in de kaak die gevuld waren. Toen onze tandtechnische expert de vullingen had verwijderd, kwam hij tot de ontdekking dat de gaten met een elektrische boor waren geboord.

coroner: Maar dan...

Burberry: Op het haar vonden wij iets wat ik voor de rechtbank zou moeten beschrijven als een welbekend haarplakmiddel. We hebben dat nagegaan bij de fabrikanten. Het kwam in 1928 voor het eerst in de handel.

Hubert: Maar dat is ongelooflijk!

Burberry: Dan is er nog een kleinigheid, dat onze heer coroner zal interesseren. U moet al weten dat wij de experimenten van Gilby en Laboram op Zuid-Amerkaanse Indianen en voor-dynastieke Egyptische lichamen hebben nagegaan. Wij hebben de bloedgroep vastgesteld van een gemummuficeerd lichaam. Het is O rhesus- positief.

Burberry: Zo? Nou, ik feliciteer uw deskundigen.

Macauley: Maar het brengt ons wat de identificatie betreft geen stap verder. Het is de meest voorkomende bloedgroep.

Burberry: Zo? Maar wat zou u dan zeggen, inspecteur, van AB rhesus-negatief?

Macauley: Dat is heel wat anders. Dat is zeldzaam.

Burberry: In ieder geval ongewoon. Zes op iedere duizend personen, meneer Bligh. Dan zal het u waarschijnlijk ook interesseren, mijne heren, dat onze vermoorde man vechtend ten onder ging. Wij vonden bloed. Onder zijn nagels zat AB rhesus-negatief bloed.

Hubert: Rhesus dit en rhesus dat! Hokus pokus pas! Een bekend haarplakmiddel! We hebben hier niet te doen met een salonheld, maar met een dode uit het Victoriaanse tijdperk.

Macauley: Gelooft u dat werkelijk nog, meneer?

Hubert: Natuurlijk! En wat betreft dat para...di...

Burberry: Paradichloorbezine. Eén woord.

Hubert: Dat is geen woord, dat een vlammende aanklacht.

Macauley: Van aanklacht gesproken, meneer Bligh: u weet waarschijnlijk wat dit allemaal zeggen wil?

coroner: Ja, natuurlijk weet ie dat. Hij zal dat ook wel toegeven. Dat betekent dat de moordenaar waarschijnlijk nog in leven is.

- Nou, dan gaan we zeker niet verder meer met die affaire, hè?

- De politie zal ons nu natuurlijk niet langer meer onze gang laten gaan. Dit is het werk voor professionals.

Lane: Ja. D’r is een verschil tussen een moord gepleegd door een man die nog in leven is en...

Hubert: Die mogelijk nog in leven is!

Lane: ...die mogelijk nog in leven is, en een moord die alleen maar neerkomt op een kwestie van een historisch onderzoek.

- Goed, maar ik mag toch aannemen dat we niet allemaal in dezelfde droomwereld geleefd hebben. Die geschiedenis van het Roshy Hous, dat faillissement...

Gilfillan: Een kamerlid als toneelpeler

Kimmis: En Effrenate. En dat horloge met inscriptie, en de...

- En de bretels. Hoe zit het met die bretels?

Lane: Dat betekent dat de moordenaar alles wist omtrent die John Wintour.

Kimmis: Hij entte al die gegevens op z’n slachtoffer, wetend dat het lichaam gevonden zou worden.

Hubert: Hij hoopte dat de zaak zou worden geseponeerd, als zijnde een onoplosbaar historisch dramatisch mysterie.

Kimmis: Ja

Hubert: Ik vind het maar knap.

Gilfillan: Maar blijkbaar toch niet knap genoeg! Hij gleed uit op de... op de bun penny.

- Maar je ziet wel, hij was niet alleen op de hoogte van de Wintour Matthew Grisell-geschiedenis, hij moet ook in het bezit zijn geweest van alle eigendomsrechten, dus...

Hubert: En als ik het goed begrijp, dan veronderstellen jullie dat de man in kwestie wat ouwe kleren uit een kist heeft gehaald, dat ie z’n slachtoffer naar boven in de toren van Big Ben die kleren heeft aangetrokken met de bedoeling om een stel amateurdetectives op een dwaalspoor te brengen.

Beasley: Luister nou, meneer de voorzitter! Hoe zou de moordenaar geweten kunnen hebben dat het lijk gevonden zou worden, nadat ie het zo zorvuldig had weggestopt? Als ik iemand de nek omdraai en ik metsel ‘m achter een muur, dan mag ik toch aannemen dat ie daar jarenlang veilig ligt opgeborgen? Misschien wel voor eeuwen, als die plek deel uitmaakt van een beroemd nationaal monument als de Big Ben. Waarom zou ik mezelf de enorme moeite op de hals halen om de vent ook nog helemaal aan te kleden als ik kan aannemen dat ie daar voor eeuwig opgeborgen zal blijven? Nou?

Kimmis: Je hebt waarachtig gelijk, Alec! Hij heeft geweten dat de muur betrekkelijk gauw zou worden opgebroken.

Beasley: En waarom? Om opnieuw opgebouwd te worden. Dat is het antwoord,of niet soms? Hoe dikwijls is de muur tijdelijk opgebouwd? Eénmaal: in mei 1941 toen de Luftwaffe er een gat in sloeg. Die bominslag moet de moordenaar op het idee en in de verleiding hebben gebracht. Hij wist dat de muur voorlopig dichtgemetseld zou worden totdat de oorlog voorbij zou zijn en hij heeft het toen gebruikt als een tijdelijke graftombe. Asjeblieft! Een halve crown! Wie durft daarop te gokken?

Beasley: Mm. Jij betaalt, Hubert, ouwe jongen. Die halve kroon die ik op tafel gooide, was letterlijk alles wat ik bij me had.

Hubert: Ik heb je toch al gezegd: het is voor mij. Ik heb een borrel nodig.

Beasley: Trek het je niet aan, kerel. Cheers!

Hubert: Gezondheid.

Beasley: Eh... heb jij de politie van onze nieuwe theorie verteld?

Hubert: Ik heb ze direct na onze vergadering opgebeld. Macauley zei dat ze ’t al voor zichzelf hadden uitgewerkt en beter dan wij het ons zouden kunnen voorstellen.

Beasley: Zo? Nou, ik ben benieuwd.

Hubert: Jij was toch bij de marine, niet, Beasley? Telegrafist, meen ik.

Beasley: Wat bedoel je daarmee?

Hubert: Dat vertelden ze me.

Beasley: De politie?

Hubert: Ze vertelden me dat precies op het moment dat de moord werd gepleegd jij op een mijnenveger zat, in de Middellandse Zee.

Beasley: Verrek nou!

Hubert: Ha, hou je maar kalm, Alec, jij gaat vrijuit.

Beasley: Hè?

Hubert: Geschrapt van de lijst van verdachten.

Beasley: Bedoel je... dat ze mij verdacht hebben?

Hubert: Oh, niet alleen jou, ons allemaal, stuk voor stuk.

Beasley: Ik mag die inspecteur Macauley niet. Snertvent. En jij? Jij gaat toch ook vrijuit, niet?

Hubert: Waar was ik toen Rudolf Hess landde me z’n Messerschmidt in Schotland?

Beasley: Wat heeft dat er in vredesnaam mee te maken?

Hubert: Hij landde daar op dezelfde tijd dat de bom op de klokkentoren neerkwam: 10 juli 1941.

Beasley: En waar was jij toen, Hubert?

Hubert: Ergens overzee. ‘k Heb ze gezegd dat ze dat op het departement van oorlog maar na moesten gaan. Nou, dat hadden ze al gedaan.

Beasley: Wat een brutaliteit!

Hubert: Ze hebben iedereen nagegaan die op dat moment in het Lagerhuis aanwezig was, tot Winston Churchill toe.

Beasley: Ze zijn gek! Dat moeten er een paar duizend geweest zijn.

Hubert: Nee, tweehonderd dertien, een paar jongeren, zoals jij en ik, die toen nog geen lid waren, inbegrepen. Wij werden d’r bijgehaald vanwege onze nieuwsgierigheid en om dat onderzoek dat wij op touw hebben gezet. Ze zeggen dat ze meer dan de helft al hebben afgeschreven, waarbij jij en ik. Ie .?. zich te kunnen herinneren waar hij of zij zich bevond toen Rudolf arriveerde.

Beasley: Maar ze kunnen hun onderzoek toch niet beperken tot leden, terwijl er hopen vreemdelingen in en uit liepen?

Hubert: Weet jij hoeveel incidentele bezoekers d’r waren tussen de tiende en de twintigste mei 1941?

Beasley: Nee.

Hubert: Nou, de politie weet het wel. Er waren er tweeëntwintig. En iedereen die binnen was, stond op een lijst en werd bij z’n vertrek weer van de lijst afgevoerd. De beide parlementshuizen waren potdicht tijdens de oorlog. Iedere bezoeker moest een onder ede ondertekend bewijs hebben van twee rijksadvocaten, anders kwamen ze d’r niet in.

Beasley: Tweeëntwintig? Maar dat is belachelijk, Hubert! Die bezoekers kwamen d’r om de afgevaardigden te spreken. Dat moeten d’r toch meer dan tweeëntwintig geweest zijn.

Hubert: Er waren geen afgevaardigden, Alec.

Beasley: Wat?

Hubert: Die tweeëntwintig bezoekers kwamen naar het Hogerhuis. De Lagerhuisleden werkten hier niet meer.

Beasley: (fluit) Lieve hemel, dat vergeet ik helemaal: zodra het gebouw was gebombardeerd, verhuisden ze naar de overkant, naar het wijkgebouw, tot de negentiende juni.

Hubert: Dus van het moment af dat de klokkentoren gebombardeerd was, is er niemand toegelaten die er niet direct mee te maken had.

Beasley: Behalve dan die tweeëntwintig.

Hubert: Allemaal advocaten en leden van de buitenlandse diplomatieke staf.

Beasley: Dan zou dus de moordenaar toch wel een kamerlid geweest moeten zijn, dan wel een lid van het Hogerhuis of een gemachtigd ambtenaar.

Hubert: Niemand anders had toegang tot de klokkentoren.

Beasley: Hé, wacht ‘ns even! Hoe zit het met de werklui die met de herstelwerkzaamheden bezig waren?

Hubert: Daar heeft Macauley ook aan gedacht. Die werkten daarboven in de toren in ploegen van vier man. Dus, tenzij dat allemaal samenzweerders geweest zouden zijn...

Beasley: Dat is nauwelijks denkbaar.

Hubert: En dan is er nog iets: ze werkten alleen bij daglicht, want ze konden ‘s avonds geen licht gebruiken. Zodra het donker werd, ging de verantwoording automatisch over naar de brandwacht.

Beasley: Brandwacht?

Hubert: Ja, brandwacht, leden en officieren van de beide Huizen. ‘t Is jammer dat de werkroosters voor die periode uit het kantoor van de controlerende sergeant-majoor gestolen zijn.

Beasley: Gestolen?

Hubert: Mm.

Beasley: (fluit)

Hubert: Kortgeleden.

Beasley: Hm. Dat riekt dan weer naar lieden die op bekend terrein werken.

Hubert: Net wat je zegt, Alec. En het komt me voor dat dit geval dan ook alleen van binnen uit bewezen kan worden. Dit is, om zo te zeggen, een parlementair mysterie. En het is geen toeval dat het is opgehangen aan de figuur van John Wintour. D’r is mijns inziens iemand geweest die een fout heeft gemaakt met een paar stukjes van de legpuzzel. Maar dat verandert niets aan het feit dat alle andere stukjes precies passen. En d’r waren heel wat van die stukkies.

Beasley: Je bedoelt dat er iemand is die de bedoeling heeft gehad te doen voorkomen dat het lichaam werd vereenzelvigd met John Wintour?

Hubert: Nee, dat niet precies, maar hij hoopte dat het lichaam gevonden zou worden en dus zette hij de zaak op die manier alleen in elkaar om de aandacht van hemzelf af te leiden.

Beasley: En alles wat hij probeerde te bereiken, was de suggestie te geven dat de zaak een interne aangelegenheid is.

Hubert: Alec...

Beasley: Ja?

Hubert: D’r zijn nog drie leden van ons comité die nog steeds op de lijst van verdachten van Macauley voorkomen.

Beasley: Wat! Wie?

Hubert: Forest, Gilfillan en Passmore.

Beasley: Goeie genade! Forest, Gilfillan... Nee, nee, Hubert, dat... dat is waanzin.

Hubert: Is het dat werkelijk? Volgens de nasporingen van Macauley ziet het er naar uit dat de daad is gepleegd door een kamerlid. En hij gaf te kennen dat er nog een paar op z’n lijst stonden. Het rooster van de brandwacht werd ontvreemd, dus moet het een lid zijn geweest dat nog altijd rondloopt en in de gelegenheid was in het bureau van de sergeant-majoor rond te neuzen.

Beasley: Dat is maar al te waar, ja.

Hubert: En, zegt Macauley, wat ligt er meer voor de hand dan dat het bewuste lid zich als medewerker aan het comité opgeeft om er van dichtbij op te kunnen toezien hoe het mysterie, dat ie zelf in elkaar heeft gezet, zich ten slotte zal ontwikkelen.

Beasley: En als het er naar uitzag dat we warm begonnen te worden, kwam ie met een totaal fout bewijsmateriaal op de proppen.

Hubert: Het is in ieder geval een mogelijkheid. Dat zie jij toch ook?

Beasley: Natuurlijk zie ik dat wel. Maar luister, Hubert! Wie bracht jou op het idee, in eerste instantie dan, om die commissie samen te stellen? Arthur Forest, niet? Arthur Forest!

coroner: Wat ik alleen graag zou willen weten, inspecteur, is: hoe lang zitten we nog met dat lichaam van die arme duivel opgescheept?

Macauley: Nou, wat mij betreft, meneer de coroner, is de zaak rond.

coroner: Mm. Ik meen dat ik dat wel ‘s meer gehoord heb.

Macauley: Maar niet van mij, meneer.

coroner: Akkoord, akkoord. Maar, wat doet je nou zo zeker te beweren dat de zaak voor elkaar is?

Macauley: Eenvoudig dit: dat er iemand zo vriendelijk is geweest vingerafdrukken achter te laten op het boek van de brandwacht waar ie een pagina uit gestolen heeft.

coroner: Ah, zo. En eh... en wie was die brave snuiter?

Macauley: De heer Arthur Forest, lid van het Parlement.

coroner: Goeie genade!... Die zelf lid was van die commissie van onderzoek?

Macauley: Juist, meneer.

coroner: En nou ga je me zeker ook nog vertellen dat je dezelfde vingerafdrukken gevonden hebt op het horloge dat op het slachtoffer gevonden is?

Macauley: Dat nou niet direct, meneer. Er was een vage vingerafdruk, zoals u weet, maar we geloven te mogen aannemen dat die al in het horloge aanwezig was toen Forest het kocht.

coroner: Kocht?

Macauley: Wij vinden het nogal voor de hand liggend dat hij die verschillende goederen - het pak, het horloge en zo - bij een of andere uitdrager heeft gekocht. Hij wist heel goed dat het slachtoffer vandaag of morgen wel ontdekt zou worden en hij hoopte dat die ouwe kleren en verdere zaken iedereen op een dwaalspoor zouden brengen.

coroner: Juist, ja. Maar wie was nou de man die hij vermoordde?

Macauley: Daar zijn we nog mee doende. Het bureau voor vermiste personen kon niemand thuisbrengen die beantwoordt aan onze opgave.

coroner: Ja, dan hoop je dus nu nog maar dat Forest op een gegeven moment bij je zal komen en je dan precies zal gaan vertellen wat je weten wilt.

Macauley: Natuurlijk niet, meneer. Maar we vertrouwen er wel op dat we er uit kunnen komen als we beginnen met de loopbaan van die Forest na te gaan.

coroner: Mm, ja. Eh... gebruikte u de uitdrukking “de zaak is rond”, is ‘t niet, inspecteur?

Macauley: Jazeker, meneer

coroner: Mm... ik neem aan dat het Lagerhuis daar ten slotte toch over beslissen zal. Goeiedag.

Helen: Neem me maar niet kwalijk, Hubert, kijk toch niet zo enstig, jongen. Relaxen moet je. Ontspan je in ‘s hemelsnaam.

Hubert: Ach, neem me maar niet kwalijk, kindje. Het is die zaak die me dwars zit.

Helen: En ik blijf erbij: hou er mee op. Laat die politie die vuile was toch opknappen.

Hubert: Dat bedoel ik niet. Ik bemoei me d’r mee, omdat ik er nou eenmaal mee begonnen ben. Een verdomd gekke schooljongensmentaliteit om met alle geweld detectiefje te willen spelen. (lachje) Kijk nou maar ‘ns waar het op uitgedraaid is. Maar één ding wil ik je toch nog wel zeggen: amateurdetectives zullen hun makkers nooit verraden.

Helen: Nou, geef het dan op!

Hubert: Het beroerde is dat ik al te ver ben gegaan. “Het net trekt dicht”, heet dat zo niet?

Helen: Goed, maar juist omdat Arthur Forest in dat net zit, wil dat nog niet zeggen dat ie er ook in blijven zal, terwijl alle anderen vrijuit gaan. Ja, het kan toch best iemand zijn waar je hoegenaamd niet aan gedacht hebt?

Hubert: Maar het is toch een feit dat Forest praktisch die commissie benoemd heeft!

Helen: Ja, goed, maar hoe weet je of het inderdaad een idee van hem is geweest? Iemand die voor de politie het spoor bijster heeft willen maken, zou dat idee van “een commissie benoemen” aan Forest kunnen hebben voorgelegd. Hij heeft het weer aan jou doorgegeven als zijnde z’n eigen idee. Heb je ’m daarover gepolst?

Hubert: Nee, natuurlijk niet. Maar hoe dan ook, ik heb nog ‘ns nagedacht over het bewijsmateriaal waar hij zo nu en dan mee kwam aandragen, betreffende de historische feiten. Daarbij sloeg ie een paar keer de plank volkomen mis!

Helen: Met opzet, denk je?

Hubert: Wie zal het zeggen? We maken allemaal wel ‘ns fouten.

Helen: Nou! Daar heb ik je dan. Je hebt tegen hem niet meer bewijzen dan tegenover alle anderen.

Hubert: Hij was lid van de Kamer toen de moord plaatsvond. Dat heb ik nagegaan. Hij was toen in Londen.

Helen: En waren Gilfillan en Passmore daar ook?

Hubert: Ja.

Helen: Maar jij houdt het op Forest, dat zie ik.

Hubert: Het spijt me, maar, ja... ik hou het op Forest.

Helen: Hubert...

Hubert: Mm?

Helen: Geloof jij dat die ouwe Ransome er iets mee te maken had?

Hubert: Ransome?

Helen: Dat Roshy House daar bracht me op dat idee. Die... die hele Effrenate-geschiedenis, en... en John Wintour en de de la Gardes en het Roshy House, ze hebben allemaal iets te maken met het Hoger- en Lagerhuis. En als die kleren en al die andere dingen inderdaad aan John Wintour hebben toebehoord, is het dan ook niet mogelijk dat ze in het bezit waren van Ransome? Dat...

Hubert: Dat ie die geërfd heeft met het huis, bedoel je?

Helen: Ja, dat... dat is toch mogelijk?

Hubert: Nee. Nee, ik zie dat nog niet in. Hij had in die tijd namelijk geen toegang tot de Big Ben-toren.

Helen: Nee, natuurlijk... Ja, dan kan het ook niet... Maar wacht ‘ns...

Hubert: Mm?

Helen: Laten we die Ransomse ‘ns even vergeten. Het gewone publiek had geen toegang tot de parlementsgebouwen, zeg je. Nou, wie was dan die dode?

Hubert: Dat heb ik je toch al gezegd: dat heeft niemand kunnen ontdekken.

Helen: Dan zijn jullie een heel stel stommelingen onder elkaar. Dat lijk kan onmogelijk langs de bewakers gedragen zijn en toen die hele lange trap op naar boven. Of denk jij van wel?

Hubert: Nee.

Helen: Nou dan. Degene die dus op het punt stond vermoord te worden, is naar binnen gewandeld. Dus moet hij een Kamerlid, een pair van het hogerhuis of zo iemand geweest zijn. Anders was ie daar nooit binnengelaten!

Hubert: Goeie genade...

Helen: Het is dus doodeenvoudig: ergens in registers moet een officieel persoon voorkomen die ongeveer in die tijd werd vermist en nooit meer ten tonele verschenen is.

Hubert: En gedood zou kunnen zijn bij een bomaanval.

Helen: Precies! Dat is het. Probeer er achter te komen wie die man was en vergelijk z’n connecties, als ie er zou geweest zijn met iemand op de lijst van verdachten.

Hubert: Helen, lieveling, jij bent groots! Ik ga d’r meteen achteraan. Misschien heb jij het juiste spoor gevonden!

(over de telefoon)

Lavallade: Spreek ik met de heer Bligh?

Hubert: Ja.

Lavallade: Met de bibliotheek van het Lagerhuis. Het spijt me dat ik u zo lang moest laten wachten. Ik ben de hele lijst van leden in de maand mei 1941 nagegaan.

Hubert: En hebt u geluk gehad?

Lavallade: U had volkomen gelijk. Er was één lid van het Lagerhuis van wie werd aangenomen dat ie gedurende die bomaanval op de Big Ben gedood werd. Wilt u z’n naam weten?

Hubert: Of ik dat wil! Ga door!

Lavallade: Hij heet Salterno. Sal-ter-no.

Hubert: Salterno, dat heb ik, ja. En z’n voornaam?

Lavallade: Eh... John.

Hubert: Ja? John?

Lavallade: Da’s alles. Of nee... Pardon? Hallo? Een ogenblik, meneer Bligh. Er staat hier nog een boel meer. Eh... moet u ‘t helemaal hebben?

Hubert: Dat lijkt mij beter, ja.

Lavallade: Nou dan. Het is: John Mortimer Townsend Wintour Salterno.

Hubert: Wat!?

Lavallade: Ja, (lachje) ‘t is een hele mond vol. Zal ik het voor u spellen?

Hubert: Nee, nee, dank u. Dat was precies wat ik nodig had.

Lavallade: Eh... als u het nog interesseert, er staan nog een paar aantekeningen bij.

Hubert: Ja?

Lavallade: “Gedood bij de bomaanval in de nacht van de veertiende mei 1941. De stoffelijke resten werden de volgende dag geïdentificeerd door een medelid van de kamer.”

Hubert: En zijn naam, hebt u die ook?

Lavallade: Ja, meneer. Forest. De heer Arthur Forest.

Hubert: Ik mag u allen om te beginnen wel dank zeggen dat u zo laat nog hebt willen komen. - Oliver Passmore is er nog niet!

Hubert: Hè? Oh, da’s vervelend.

Passmore: (komt binnen) Vraag excuus, meneer de voorzitter, ik werd even opgehouden.

Hubert: Ah, goed Oliver, je het toch niets gemist.

Passmore: Mooi zo

Forest: Nou, Hubert, waarom zijn we eigenlijk hier, mm?

Hubert: Ik heb goed uitgerekend vandaag precies vijftien uur rondgejakkerd als een dolle kat, maar ik weet nu in ieder geval heel wat meer over dat lijk dat daarboven in Big Ben gevonden is dan vanmorgen. Ik stel voor dat ik alles zal vertellen wat ik dan nu weet, dan kan de voltallige commissie besluiten wat er gedaan moet worden.

Passmore: En dat zal een hele opluchting voor je zijn, denk ik.

Hubert: Inderdaad, Passmore. Hier hebt u dan mijn verhaal. Het is een, ik kan gerust zeggen, smerige geschiedenis, waar drie aanwezigen hier in deze kamer bij betrokken zijn: Arthur Forest, Oliver Passmore en Richard Gilfillan. Een geschiedenis waarvan de overleden John Salterno, lid van het Lagerhuis, het middelpunt is.

Forest: Het blijkt dat onze geachte voorzitter inderdaad hard aan ‘t werk is geweest. Herinnert iemand van u zich misschien nog Salterno?

Passmore: Jazeker.

Forest: Ik bedoel jou niet, Oliver, ook jou niet, Richard, ‘k vraag het hier aan de rest van de commissie.

Lane: Ik herinner me alleen z’n naam, da’s alles.

Gilfillan: Hij was een vuil zwijn.

Kimmis: In welk opzicht, Richard?

Hubert: Daar zal ik op antwoorden, Kathleen. Salterno was een vuil zwijn, zoals Gilfillan al zei. Een smeerlap in elk opzicht. Hij was gewetenloos, oneerlijk, boosaardig, machtswellustig, wreed, minderwaardig, en... knap. Er was niemand die tegen ‘m opkon.

Forest: Behalve één, Hubert.

Gilfillan: Hoe weet jij dat allemaal, Bligh?

Hubert: Het is alles zwart op wit in de registers te vinden, op de een of andere manier omschreven. Dan is er ook nog een andere bekende van ons bij betrokken: Henry Ransome. (verwondering) Ook Ransome leed onder de machinaties van Salterno, precies zoals jullie drieën. Bij jullie drieën was het een politieke aangelegenheid: de bevordering in jullie carrière. De verliezen van Ransome waren... van financiële aard.

Passmore: Ik had m’n nieuwe visitekaartjes al laten drukken. Salterno kwam er tussen en ik werd niet benoemd tot de advocaat-generaal.

Kimmis: Waar heb je ’m ontmoet, Oliver?

Passmore: In het Roshy House, waar Ransome woonde. Daar ontmoette ik Salterno. Salteno, de ministermaker.

Hubert: John Mortimer Townsend Wintour Salterno.

Forest: Wat! Wat is dat? Dat verzin je toch zeker?

- Nee, dat doet ie niet, Arthur. Hij heeft het mij laten zien. ‘t Staat in de handelingen van de kamer.

Forest: John Mortimer Townsend? Dus dat verklaart dan waarom Salterno d’r alles op zette om Ransome en z’n oom Richard de la Garde te ruïneren. Dat hebben wij nooit geweten.

Passmore: Dat verklaart ook wat Ransome gedreven heeft om Salterno te doden.

Hubert: Kun jij dat bewijzen, Oliver?

Passmore: Nee. Maar ik denk dat je vriendjes bij de politie dat wel zullen kunnen.

Hubert: Als je met dergelijke beschuldigingen aankomt, Passmore, dan zul je die ook waar moeten maken. Te meer waar Henry Ransome vandaag met spoed in het King’s College ziekenhuis is opgenomen.

Passmore: ‘t Spijt me, Hubert. Hoe dan ook, Ransome had een zuiver motief voor de moord. Salterno was bezig hem en z’n oom tot op de laatste cent te ruïneren.

Gilfillan: Maar m’n lieve hemel, mensen, wat doet het er toe wie de moordenaar was, hij .?. toch alleen maar wie er vermoord werd.

Forest: Dat herinner ik mij heel goed, precies zoals ik dat deed in de nacht dat ik z’n lijk vond.

Hubert: Spaar ons de details daarvan, lieve Arthur.

Forest: Begrijp me goed, Hubert, ik wil allen maar zeggen dat ik het lichaam van Salterno vond boven in Big Ben op dinsdagnacht de veertiende mei 1941. Het spijt me alleen dat ik een onbekend slachtoffer moest belasteren door te beweren dat dat Salterno was. Ik was toen brandwacht.

Beasley: Oh... Dat is dus de reden waarom je die bladzijde uit het wachtrooster van de brandweer gestolen hebt.

Forest: Ja! Maar niet om m’n eigen huid te redden, Alec. Ik wilde alleen het spoor uitwissen van degene, wie het dan ook geweest mag zijn, die Salterno doodde.

Hubert: En jij hebt geen idee wie dat geweest is?

Forest: Ja, zeker heb ik een idee, maar ik zeg niks meer.

Lane: Droeg Salterno dat maskeradepak toen je ’m vond?

Forest: Ja. En hij zag er toen heel wat frisser uit dan op dit ogenblik.

Lane: Heb je ’m aangeraakt.

Forest: Nee. Ah, jij vraagt je af of ie toen ook al gemummificeerd was. Ik denk van niet, maar hij lag lang uitgestrekt boven de hitte van de smeulende ruïnes onder ‘m. Dat is de reden waarom hij gemummificeerd is zonder een hittegolf.

Hubert: Juist. Nou, dat is allemaal wel duidelijk genoeg. Nu zou ik graag het standpunt van Oliver Passmore willen vaststellen, over in hoeverre men Ransome als de werkelijke verdachte kan aanwijzen.

Passmore: Ik dacht dat jij dat al gedaan had.

Hubert: Nog niet definitief. We weten nu allemaal precies dat men zonder speciale machtiging onmogelijk in de nabijheid van Big Ben kon komen tussen de tiende en de twintigste mei 1941. Hoe verklaar jij dat Ransome daar dan toch kon komen?

Passmore: Nogal eenvoudig. Hij was vrachtautochauffeur van het Ministerie van Bevoorrading. Dat was een oorlogsbaantje van ‘m.

Hubert: En?

Passmore: Nou, je weet dat de ruimte onder de centrale hal hier een opslagplaats was voor machineonderdelen. De verschillende tewerkgestelden konden daar vanwege het Ministerie van Bevoorrading een uur of twee per dag terecht.

Beasley: Maar dat wat ook een munitie-opslagplaats. Mijn god, dat was ik helemaal vergeten. Dus jij beweert...

Passmore: Ik beweer dat Ransome daar volkomen legaal naar binnen kon gaan om daar voorraden en weet ik verder wat op te stapelen. Daar ontmoette hij ook Salterno en bood ‘m toen aan de kleren en het horloge ter hand te stellen.

Lane: Maar waarom zou ie dat in hemelsnaam doen?

Passmore: Salterno was bepaald bezeten van de geschiedenis van zijn voorouders. En dat is dan ook de reden dat hij Richard de la Garde en later Ransome met alle geweld uit dat Roshy House wilde hebben (om?) de oorspronkelijke John Wintour daar gewoond had.

Hubert: Dat klinkt toch wel een beetje al te doorzichtig.

Passmore: Omdat jij Salterno niet gekend hebt, Hubert.

Hubert: Okay. En verder?

Passmore: Ransome trof Salterno alleen aan toen deze brandwacht was. Die wacht werd altijd met z’n tweeen gelopen. Maar het kwam ook wel voor dat de tweede man niet opkwam. Misschien heeft Ransome daardoor geluk gehad.

Hubert: En dat was dan Salterno’s ongeluk. Ik veronderstel, Arthur, dat jij je wel de naam zult herinneren van de tweede man met wie Salterno moest wacht lopen.

Forest: (lachje) Doe niet zo spitsvondig, Hubert. Natuurlijk herinner ik me die, maar ik zeg ‘m niet.

Hubert: Maar voor de rechter zou je die naam toch zeker wel noemen.

Forest: Nee! Al zou de Minister van Justitie zelf me d’r op z’n knieen om zou smeken. Begrijp me toch goed, Hubert: de man die Salterno doodde heeft mij en nog een paar andere onder ons een enorme dienst bewezen.

Hubert: Dan zullen we dus nooit in een proces tegen Ransome kunnen getuigen.

Forest: Je begrijpt dus nu wel, Hubert, dat er verder niets meer aan te doen is. Waarom geef je ‘t nou maar niet meteen op?

Hubert: Nou moet jij eens goed naar me luisteren, Arthur. Toen jij met mij naar dat Roshy House bent gegaan, liet Ransome zich aan jou voorstellen alsof hij een volkomen vreemde voor je was. Toen heeft hij mij misleid, maar dat heb jij op een andere manier gedaan. Je onderstreepte alle bezwarende feiten die Matthew Grissell belastten, totdat het lid van de jury je spelletje bedierf door alles te weten omtrent die bun pennies. En nu speel jij je kaarten uit met Henry Ransome als grote troef, omdat die ieder ogenblik kan sterven, en dan net zomin zal kunnen antwoorden als Matthew dat kon. Ik weet wie Salterno doodde en Alec Beasley weet het ook. Eén van jullie drieën, Forest, Passmore, Gilfillan, één van jullie besloot om Salterno te doden. Jullie wisten alles omtrent dat Roshy House en Ransomes motief om de man uit de weg te ruimen die probeerde hem te ruineren en ‘m z’n huis afhandig te maken. Dus één van jullie arrangeerde het zo dat hij een brandwacht zou waarnemen met Salterno. Toen dat eenmaal gelukt was, spraken jullie af dat Ransome Salterno zou ontmoeten om enige zaken te bespreken. Maar Ransome kwam niet opdagen.

Passmore: Zo? En waarom niet?

Hubert: Omdat ie geen permissie had naar binnen te gaan, want de munitie-opslagplaats in die kelder was er niet vóór 1943, dat is dus twee jaar na de moord. Wat die datum betreft, was er een fout in je berekeningen, Oliver, een lelijke fout.

Passmore: ‘t Spijt me. Tenslotte poneerde ik alleen een theorie.

Hubert: Zonder Ransome d’r bij kon de moordenaar niet handelen. Iedereen wist dat ie onder zware druk geleefd had van Salterno en niemand zou ‘m geloofd hebben als ie beneden gekomen was met de boodschap dat Salterno daar boven was uitgegleden en doodgevallen. Nee, daar was ie te verstandig voor. Hij beschikte over die kleren en dat horloge en dus besloot hij om die moord door te zetten en die kleren te gebruiken om iedereen op een dwaalspoor te brengen.

Gilfillan: Hubert, ‘t Is allemaal heel vernuftig gevonden, maar kan je er iets van bewijzen?

Hubert: Ik ben niet van plan om daar voorlopig antwooord op te geven. Het gaat erom dat Beasley en ik weten wie de moordenaar is. Wij hebben onze bevindigen niet aan de politie doorgegeven. Misschien wil jij dat even bevestigen, Alec?

Beasley: Dit is volkomen waar.

Hubert: Dus, wij zijn hier nu met z’n zevenen. Onze secretaris tel ik niet mee. Ik acht het niet nodig jou hier in te betrekken, Peacock.

Peacock: Dank je.

Hubert: Goed geteld blijven er vijf over, Alec en mijn persoontje inbegrepen. Drie van jullie hebben al die tijd geweten wie de moordenaar was. Blijven d’r alleen nog Kathleen en Nigel alleen over die het behoren te weten. Goed. Wil de moordenaar dit voor mij doen?

Passmore: Ik was niet in Londen. Ik kan het niet bewijzen, maar dat is zo.

Hubert: Gilfillan?

Gilfillan: Ik was hier wel. Maar ik heb het niet gedaan.

Hubert: Forest?

Forest: Ik weiger iets te zeggen. ‘t Spijt me voor jou, Hubert, maar ik weet dat je bluft. Je kunt niets bewijzen zonder die verdwenen bladzijde uit het boek van de brandweer en niemand zal die ooit onder ogen krijgen.

Hubert: Ik wacht. Ik wacht nog steeds.

Forest: Wat mij betreft, ik ga naar huis.

Hubert: Ik wacht nog altijd.

Forest: Doe toch niet zo verrekt melodramatisch, Bligh. ‘t Is nou tijd dat alle brave detectiefjes in d’r bed liggen, ik ga naar huis. Het schijnt dat je nog wel even zal moeten wachten op je bekentenis. Mag ik even passeren, Beasley?

Beasley: Hubert!

Hubert: Laat ‘m gaan, Alec.

Beasley: Nee!! Verdomme, Bligh, zeg het ‘m! Zeg het ‘m!! Hij komt die deur niet uit voor je ‘t ‘m gezegd hebt!

Forest: Zo? Wat heb je nog meer op je hart, Bligh?

Hubert: Dit stuk papier.

Forest: Nou, en?

Hubert: Toen je in de oorlog je brandwacht liep, waar gebruikte jij toen je ontbijt?

Forest: Nou, in de... in de eetkamer voor de leden, hier.

Hubert: Herinner jij je nog dat je van tevoren je naam moest opgeven als je ontbijten wilde?

Forest: Wat eh... heb je daar, Bligh?

Hubert: Het is een bladzijde uit het ontbijtboek voor de leden. Op de avond van de moord, de dertiende mei, schreef John Salteno z’n naam in het ontbijtboek. Daaronder staat een andere naam, de naam van een lid dat beweerde toen niet in Londen te zijn: Oliver Passmore.

Passmore: Een vervalsing, Bligh.

Hubert: Dat geloof ik niet. Er staat een paraaf achter die twee namen: die van jou en van Salterno. Ik geloof dat het gemakkelijk bewijzen te zal zijn dat die parafen zijn gezet met dezelfde pen die jouw naam neerschreef.

Passmore: Iemand anders zal m’n handtekening hebben gezet en meteen geparafeerd.

Hubert: Zoals je wilt. Maar ik heb hier nog een ander papiertje.

Passmore: Wat?.. Wat is dat?

Hubert: Op de veertiende mei, ‘s morgens om half acht, moest jij naar de rodekruispost van het Lagerhuis. Weet je dat nog? Volgens het rapport van het Rode Kruis had je een wond aan je gezicht, als gevolg van een klein ongeval gedurende je brandwacht. Maar herinner jij je misschien ook nog een voortvarende jonge dokter die meteen maar een bloedproef van je nam? Dat werd dikwijls gedaan om bij een voorkomend ongeval een bloedtransusie te kunnen toepassen. Hij dacht jou daar een dienst mee te bewijzen, maar jij was het niet die hij een dienst bewees, maar Henry Ransome. Je moet namelijk weten dat Alec en ik hebben nagegaan dat Ransome bloedgroep O heeft, zoals de meeste mensen. Het bloed dat men gevonden heeft onder de vingernagels van wijlen John Salterno behoorde tot bloedgroep AB.

Passmore: Ik eh... ga naar huis.

Hubert: Laat ‘m gaan, Alec.

Passmore: Mijn compliment, Bligh. Het is alleen jammer dat jij John Salterno nooit ontmoet hebt, dan zou je hier anders over denken. (hij verlaat het vertrek)

Kimmis: Hubert, je hebt dat alles niet aan de politie verteld?

Hubert: Nee. En dat zal ik ook niet doen, tenzij de commissie het me opdraagt.

Kimmis: Vind je ‘t nodig het ze te vertellen?

Hubert: Nee.

Gilfillan: Maar... maar vind je wel dat... dat het je plicht is?

Forest: Als we ‘t ze niet vertellen, denk je dat ze dan een vervolging tegen Passmore zullen kunnen instellen?

Hubert: Ik weet eerlijk gezegd niet hoe ze dat zouden kunnen. Ik geloof niet dat ze in ‘t bezit zijn van die ouwe boeken betreffende die ontbijtcontroles en zo, en vooral dat rapport van de eerste hulpdienst. Als je ‘t mij vraagt, Forest, dan ben jij hun hoofdverdachte.

Forest: Dat weet ik. Maar Gilfillan en ik hebben allebei alibi’s die... die kunnen behoorlijk worden aangetoond. Dat zou .?. het inderzoek beperken in de richting van Passmore.

Kimmis: Hubert, wat steekt er achter die connectie van Oliver met Salterno?

Hubert: Dat heb ik ook uitgezocht. Salterno heeft ‘m belasterd in een brief aan de rechter-commissaris. Hij kreeg het zo ver dat Passmore geroyeerd werd. Bovendien heeft hij Oliver in één van z’n zwendelpraktijken betrokken. Hij probeerde de aandacht van zich af te leiden.

Forest: Dat is allemaal nog niks, Bligh! Dat is allemaal nog niks. Als al die kleinigheden Passmores moord op Salterno zouden moeten rechtvaardigen, wat zou je dan wel zeggen van de werkelijke achtergrond? Luister, Bligh: Passmores vrouw pleegde zelfmoord, zoals Alice Grissell. En het was John Salterno die haar daartoe heeft gebracht, precies als John Wintour Alice Grisell de dood in heeft gedreven.

Hubert: Dat is niet waar, Forest!

Forest: Het is de waarheid, Bligh.

Kimmis: Grote hemel! En wij hebben ‘m uitgestuurd om de echtscheidingsprocedure van Matthew Grissell op te zoeken!

Forest: Precies, dat hebben we gedaan...

Kimmis: Oh!

Forest: ...en hij heeft ons keurig voorgelegd waar wij om vroegen. Herinner je je nog hoe er werd geglunderd, Beasley? “Voor de dag met jouw pornografie, Oliver”, heb je toen gezegd. Maar heb je toen Passmores gezicht gezien, Bligh? Nee, nee, daar had je toen geen ogen voor... Nou, ‘k ga naar huis, precies als Oliver Passmore, en ik laat jou alleen Bligh, alleen met je eigen verdomde verantwoording. Maar voor ik wegga, zal ik jullie toch nog ‘ns anders vertellen, en daar kan je dan uit opmaken wat je wilt: Passmore heeft Salterno niet vermoord. (verbazing) Passmore was advocaat en hij had het in handen om een pas beginnend collega mee te brengen toen er bepaalde restricties voor bezoekers waren ingesteld. Die jongere collega op die dertiende mei heette Mortimer. Hij was wel ingescheven, hij was nooit uitgeschreven.

- Dat begrijp ik niet.

- Nee...

Forest: Mortimer was Henry Ransome. Passmore nam ‘m mee naar boven, in de toren van Big Ben. Daar wachtten ze op Salterno. Toen ie arriveerde, liep ie in de val, als een rat in een hoek gedreven. Wat doen ratten in zo’n situatie? De ratten vallen aan. Hij krabde Oliver Passmore in z’n gezicht dat het bloed er uit droop. En toen ie dat deed, sloeg Ransome hem de hersens in. Ze kleedden Salterno in de ouwe kleren en verborgen ‘m. Ransome verliet het gebouw in het donker, gekleed in de kleren van Salterno.

Lane: Ik... ik neem aan dat Ransome dit zal kunnen bevestigen.

Forest: Nee, dat kan ie niet, want hij is dood.

- Wat??

Forest: Voor deze vergadering begon, heeft Passmore het ziekenhuis opgebeld. Dat was de reden waarom ie wat te laat kwam. Hij fluisterde ‘t me toe terwijl jullie onder mekaar zaten te... te... te kakelen over iets anders.

Lane: Dus, Passmore is hier weggegaan om de nagedachtenis van een dode te dekken.

Forest: Passmore is een rechtschapen mens.

Kimmis: Maar... maar hij was toch de eerste om ons de suggestie te geven dat Ransome de moordenaar was.

Forest: Dat was een voorwendsel. Ik denk zo om de aandacht af te leiden van Gilfillan en van mij.

Beasley: Nog één vraag: waarom werd Salterno door Ransome gedood? Je zei toch dat ie de vrouw van Passmore had verleid.

Forest: Omdat dit voor de hand ligt, Beasley: Passmores vrouw heette Alice, zoals d’r overgrootmoeder, Alice de la Garde. Zij was de zuster van Henry Ransome. (Big Ben slaat).

Beasley: Goeie genade, twee uur! Het is tijd, mensen..

Kimmis: Wacht, één ding moet ik nog weten. Ben jij van plan dit alles aan de politie te zeggen, Hubert?.

Hubert: Kathleen, ik wil nooit meer een politieman onder ogen komen. Kom, laten we gaan, ‘t is hoog tijd..