Home / Wraak uit het hiernamaals

Wraak uit het hiernamaals

Een verloskundige ontvangt een boodschap dat zij groot gevaar loopt. Deze boodschap is echter afkomstig van een vrouw die al drie jaar geleden is overleden. Er begint zich een reeks van gebeurtenissen te ontwikkelen die onverklaarbaar lijken.

Rolverdeling.

Huib Broos Frank Jacks
Leontien Ceulemans Norma
Ben Hulsman inspecteur Mann en John Turner
Guusje Westermann Bess Dolby
Maria Lindes mevrouw Bell
Lies de Wind June Baker

Aanvullende gegevens.

Auteur: Rex Close
Vertaling: Michael Rose
Regie: Hero Muller
Inspiciënt: Antoinette Droge
Omroep: AVRO
Uitzending: 17-12-1986
Speelduur: 45 minuten
Categorie: Thriller
Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.

(telefoon)

Frank Jacks: (zucht) Ja?

Bess Dolby: Eindelijk, Frank.

Frank: (zucht)

Bess: Frank?

Frank: Oh, ben jij het Bess?

Bess: Jij bent ook met geen mogelijkheid wakker te krijgen.

Frank: Een beetje werkende mensen midden in de nacht uit hun slaap halen, zul je bedoelen.

Bess: Midden in de nacht! Het is al bijna tien uur! (Frank geeuwt) Ik heb een goed verhaal van jou gelezen.

Frank: Een verhaal?

Bess: Mm, vanochtend, in de krant.

Frank: O ja?

Bess: Eerste deel in elk geval. Er stonden grote koppen bij: "Fascinerend debuut", "Journalistiek meesterwerk, "Nieuw talent".

Frank: Zo zo. Nou, daar wist ik niks van. Dat ellendige zootje vertelt mij ook nooit wat.

Bess: Wanneer verschijnt dat boek?

Frank: Tja, dat zul je aan de uitgever moeten vragen, die schijnt het tegenwoordig allemaal buiten mij om te regelen.

Bess: Hè, doe nou ‘ns serieus.

Frank: Waarschijnlijk als alle delen in de kranten hebben gestaan. Maar... nou genoeg over mij, Bess! Hoe is ‘t met jou?

Bess: Ach, het gaat wel.

Frank: Nou, dat klinkt niet erg overtuigend.

Bess: Nou...

Frank: Hm? Nou, vertel.

Bess: Ja, je zult het allemaal wel heel raar vinden, maar...

Frank: Maar wat, Bess?

Bess: Ja, ik... ik kan het zo door de telefoon allemaal niet uitleggen. Zou jij vandaag niet met me kunnen lunchen? Dan kan ik je alles rustig vertellen.

Frank: Zit er een goed verhaal in?

Bess: Hé, gad..., doe toch niet meteen altijd zo zakelijk.

Frank: Ha, kom, kom, kom, ik moet tenslotte ook m’n brood verdienen. (lacht)

Bess: Brood noemt ie dat! Met alle aandacht die jij tegenwoordig in de krant krijgt, moet je nu al stinkend rijk zijn.

Frank: Jij lijkt de belastingdienst wel. Dat verhaal, dat heeft me anders een heel jaar hard ploeteren gekost. Zeg, waar wil je lunchen?

Bess: Ha, waarom kom je niet hier?

Frank: Bij jou?

Bess: Ja. Ik maak wel het een en ander klaar. Okay?

Frank: Prima.

Bess: Maar, Frank...

Frank: Ja?

Bess: Ik heb vanmorgen nog wel een les. Kan je zo tegen... kwart over één komen?

Frank: Akkoord. Kwart over één ben ik er.

Bess: Goed zo. Tot straks dan... Frank?

Frank: Ja?

Bess: Je komt toch wel, hè?

Frank: Natuurlijk. Is er iets met je, Bess? Bess! Wat is er aan de hand?

Bess: (blaast) Ik weet het niet. Maar ‘k ben bang. Nou... tot straks dan, Frank.

Frank: Ja, tot straks. (legt de hoorn op de haak)

(door elkaar pratende mensen)

Bess: Ja, dag hoor, dames, tot de volgende week, hè?

Frank: Wanneer moeten ze nou bevallen?

Bess: Nou, voor de meesten kan dat elk moment zijn.

Frank: Ze lijken d’r wel vrolijk onder.

Bess: (lacht) Dat mag ik hopen, ja. Dag, mevrouw Ford!

Frank: Zeg, geloof je nou echt dat ze d’r wat aan hebben aan die... Hoe noem jij het ook weer? Aan die... die training van je?

Bess: Nou en of.

Frank: Hoe dan.

Bess: Hoe? Heel eenvoudig. Doordat ze precies weten wat er gaat gebeuren, en hoe ze moeten reageren, wordt ze heel veel pijn en paniek bespaard.

Frank: Is dat alles?

Bess: Nou, nee, maar eh... het is wel de kern van de zaak. Kom, laten we naar de keuken gaan. Zal ik meteen iets te eten klaar maken, of wil je nog wat drinken?

Frank: Eh... graag een tomatensapje, als je dat hebt.

Bess: Heb ik. Zeg, nog steeds van de drank af, hè? Da’s nou al een hele tijd.

Frank: ‘k Hou het niet zo bij. Wat bedoelde je daarstraks door de telefoon, dat je bang was?

Bess: Ik ben bang, Frank. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik ben... doodsbang. En toch...

Frank: Ja?

Bess: Ja, ik... ik weet het niet. Als ik alles op een rijtje probeer te zetten, hè, gewoon maar voor mezelf, dan... dan klinkt het allemaal zo... zo... bizar, en zo... onwaarschijnlijk.

Frank: Bess... waar heb je ‘t nou toch over?

Bess: (zucht) Ik... ik... ik weet niet hoe ik moet beginnen.

Frank: Bij het begin, natuurlijk.

Bess: Ja. Hier. Je tomatensap.

Frank: Ja, dank je.

Bess: Het was... een week? Nee...’t was tien dagen gelden, die nacht dat het zo vreselijk onweerde.

(geluid van regen en onweer)

Bess: Wat een noodweer, zeg! (lacht) Straks waait het dak er nog af. Oh nee, hè! Nou valt het licht ook nog uit. Waar zou ik nou toch .... kaarsen hebben? Die zouden toch hier ergens moeten liggen. Och ja, daar heb ik ze. .... Zo, da’s beter. Kan ik tenminste weer een beetje zien. (deurbel) Allemachtig, wie kan dat nou toch zijn in dit noodweer, en... en zo laat?

(opnieuw de deurbel)

Ja ja! Ja, ik kom al. Goeie hemel! Adèle Turner!! Kom gauw binnen, kind. Je bent drijfnat. Wat kom je doen in dit noodweer? Wacht, ik doe even m’n deur op slot. Je kan tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn. Ze hebben hier laatst van de week bij iemand in de buurt ingebroken, en dat terwijl ze nota bene thuis waren. Kom, we gaan naar de kamer. Jij ziet er overigens prima uit, zeg. ‘t Duurt zeker niet meer zo lang, hè, voor de baby komt? Verdomme, m’n kaars is uitgegaan... Sorry, hoor, ik moet even de lucifers zoeken. Ik kom eraan! ... Zo. Dat is beter. Zo. Waar hadden wij het over? O ja, je... Adèle? Adèle?? Adèle, waar ben je?

Frank: Was ze weg?

Bess: Spoorloos. Gewoon verdwenen.

Frank: Huh. Weggelopen?

Bess: Nee!

Frank: Hoezo, nee.

Bess: Ze kon toch niet weggelopen zijn, de voordeur zat toch op slot.

Frank: Ja... ja. En de andere deuren?

Bess: Je bedoelt, de achterdeuren? Of de deur naar het terras?

Frank: Ja.

Bess: Ja maar, waarom zou ze die in godsnaam gebruiken?

Frank: Maar dat zou toch kunnen?

Bess: Inderdaad. Dus heb ik toch maar even gekeken, hoe belachelijk het ook lijkt. Ze waren allebei op slot.

Frank: Mm, mm... En de ramen?

Bess: Ramen! Kan jij je een hoogzwangere vrouw voorstellen die door een raam klautert?

Frank: Nee... nee... nee... Heb je de ramen nagekeken?

Bess: Ja, dat heb ik inderdaad. En om het allemaal nog gekker te maken heb ik ook nog het luik naar de zolder gecontroleerd. Alles zat nog vergrendeld.

Frank: Ja... (zucht) Oh... Dan is er maar één conclusie mogelijk: ze was nog in huis.

Bess: Precies, dat dacht ik ook. En daarom ben ik alle kamers gaan nakijken.

Frank: En?

Bess: Niets! Geen spoor... Alsof ze nooit had bestaan.

Frank: Mm!... Da’s merkwaardig. Da’s zeer merkwaardig.

Bess: Ja, zeg dat wel.

Frank: Ja, wat heb je toen gedaan?

Bess: Een tijdje gewacht, half uurtje ongeveer.

Frank: En daarna?

Bess: Toen heb ik naar d’r huis gebeld.

(telefoon)

John Turner: John Turner.

Bess: Eh... dag, meneer Turner, u spreekt met Bess Dolby.

John: Mm.

Bess: Ik weet niet of u zich mij nog herinnert. Uw vrouw heeft bij mij op de zwangerschapsgymnastiek gezeten.

John: Oh, ja, natuurlijk herinner ik mij u nog, ja hoor. Ja, mevrouw Dolby, hoe is ‘t met u?

Bess: O, prima, dank u. Meneer Turner, zou ik Adèle even kunnen spreken?

John: Adèle? Kunnen spreken?

Bess: Ja, ik heb ‘r vanavond even gezien maar, ik kreeg niet de kans om met ‘r te praten.

John: Wat zegt u me nou? U hebt ‘r vanavond gezien?

Bess: Ja! Bij mij thuis. Heeft ze u niet gezegd dat ze bij me langs zou komen?

John: Maar... mevrouw Dolby... ik ben bang dat u zich vergist.

Bess: Dat ik me vergis?

John: Ja.

Bess: Wat bedoelt u?

John: U kunt Adèle onmogelijk hebben gezien vanavond.

Bess: Ja maar, ik weet zeker dat ze ‘t was, meneer Turner, absoluut zeker.

John: Toch kunt u Adèle niet gezien hebben vanavond. Mevrouw Dolby, Adèle is drie jaar geleden gestorven.

Frank: Het was Adèle dus niét.

Bess: Ze was het wél. Frank, ik weet het zeker.

Frank: Jij wilt dus beweren dat Adèle niet dood is?

Bess: Ik weet het niet meer, Frank! Ik weet niet meer wat ik ervan denken moet. Eén ding weet ik heel zeker: Adèle Turner is in dit huis geweest. Ik heb ‘r gezien, ik heb tegen d’r gesproken.

Frank: Waarna ze spoorloos is verdwenen vanuit een huis dat aan alle kanten was afgesloten.

Bess: Wil je soms beweren dat ik het allemaal verzin?

Frank: Nee, nee, nee, dat wil ik helemaal niet.

Bess: Nou, dat is dan tenminste nog ‘ns wat.

Frank: Niet echt verzonnen.

Bess: Wat dan!?

Frank: Rustig nou, Bess. Bess, ga nou zitten. En laten we nou gewoon ‘ns de feiten objectief op een rijtje zetten. Jij ziet een vrouw die al drie jaar dood is.

Bess: Ja.

Frank: Je ziet ‘r, spreekt tegen d’r. Ze antwoordt niet.

Bess: Nee.

Frank: Nee, nee, dat kan van belang zijn. Dit alles gebeurde tijdens een zwaar onweer bij het schemerige licht van een kaars. De kaars gaat uit, en ze verdwijnt alsof... ja... nou, om je eigen woorden te gebruiken: alsof ze nooit bestaan heeft. Wat kunnen we hieruit concluderen?

Bess: Geen flauw idee. Het klinkt inderdaad allemaal... onmogelijk.

Frank: Precies. Onmogelijk, als je aanneemt dat je een vrouw in levenden lijve hebt gezien.

Bess: In levenden lijve gezien? Natuurlijk heb ik een vrouw in levenden lijve gezien. Wat wil jij daar nou mee zeggen?

Frank: Ik wil daarmee zeggen dat, gezien de feiten, het heel goed mogelijk zou kunnen zijn dat ze niet reëel aanwezig was.

Bess: Hoe bedoel je dat nou?

Frank: Misschien was het niets anders dan een verschijning.

Bess: Een verschijning?... Je bedoelt een spook?

Frank: Precies.

Bess: Ja maar, spoken bestaan toch niet?

Frank: Wel degelijk. Verschijningen worden steeds vaker waargenomen, zelfs door de meest betrouwbare personen.

Bess: Adèle Turner een spook... Nou, daar heb ik toch echt wat moeite mee, Frank.

Frank: Ja, dat hebben de meeste mensen.

Bess: Wacht. Ja, en toch...

Frank: Ja?

Bess: Ja, toch zou dat kunnen kloppen met...

Frank: Met wat?

Bess: Met wat er een dag of wat later gebeurde.

Frank: Hoe bedoel je?

Bess: Ik zat midden in de les.

Bess: Nou, mevrouw Fort, dat doen we nog ‘ns, hè? Daar komt dus de volgende wee, hè? U ademt uit. Ja, goed zo. Pak de benen op, pak je knieën vast, en... adem... en hou die adem vast. Ja, goed zo. Buig naar voren... ja, buig naar voren... en nou persen. Persen... goed zo, goed zo, pers die baby als het ware naar beneden, hè, en dan opwaarts langs de ronding van dat geboortekanaal. Goed zo, goed zo. Nou. Dan verschijnt dat hoofdje, hè? Nou moet u niet persen. Houd het hoofd achterover, probeer te ontspannen, en ga langzaam hijgen. Ja... hijg sneller, iets sneller. En hijg. en hijg, en hijg, en hijg, heel goed, hijg, hijg, hijg, hijg, tot die volgende wee, hè? Dan weer dat hoofd vooruit, ja, zo, stop, en dan weer persen. Totdat het hoofdje d’r uit is. Nou, dan is meestal het ergste achter de rug, en eh... in de volgende wee wordt de baby dan geboren. (lacht) (huisbel) Ach, neem me niet kwalijk, hoor, ‘k ben zo weer terug. (gaat naar de voordeur en opent die)

June Baker: Mevrouw Dolby?

Bess: Ja?

June: Mijn naam is June Baker. Kan ik u even spreken?

Bess: Op dit moment?

June: Ja, het... het is nogal belangrijk.

Bess: Ja, het spijt me maar ik eh... ik zit midden in een les.

June: Ik zal het kort houden, mevrouw Dolby, maar het is echt belangrijk.

Bess: Nou, vooruit, even dan. Komt u binnen.

June: Dank u.

Bess: Gaat u verder. (sluit de deur) Ja, misschien kunnen we hier even in de hal gaan zitten. Wat kan ik voor u doen?

June: Mevrouw Dolby, ik weet eigenlijk niet goed hoe ik het zeggen moet... U bent in gevaar.

Bess: Wat zegt u?

June: In groot gevaar.

Frank: Gevaar? Wat voor gevaar?

Bess: Dat wist ze niet. Volgens haar werd er in die boodschap alleen maar over gevaren gesproken.

Frank: Boodschap? Waar kwam die vandaan?

Bess: Nou, die had ze ontvangen tijdens een seance.

Frank: Een spiritistische seance?

Bess: Ja, precies. Ze was nog helemaal in de war. Het is nooit prettig, zei ze, om iemand slecht nieuws te brengen. Maar deze boodschap was zo belangrijk dat ze vond dat ze me moest komen waarschuwen.

Frank: En nam jij de waarschuwing serieus?

Bess: Nou... nee! Toen nog niet.

Frank: Wanneer dan wel?

Bess: Gisteren. O, Frank...!

Frank: Hoezo, wat is er toen gebeurd?

Bess: Gisteren heeft iemand een poging gedaan om mij te vermoorden!

Frank: Wat? Hier? In huis?

Bess: Nee! In het dorp. Het was aan het eind van de middag en ik... ik wilde nog wat boodschappen doen.

Frank: Ja.

Bess: Het werd al donker en... er was al bijna niemand meer op straat. En ik besloot, om wat tijd te besparen, door dat steegje tussen High Street en de markt te gaan, hè.

Frank: Ja ja, ik ken het, ja.

Bess: Dat steegje, dat is nauw, d’r is geen stoep. Aan weerszijden zijn hoge muren en een enkele deur pal aan de straat. Ik was ongeveer halverwege...

(geluid van aankomende auto – gillen – remmen)

Voorbijganger: O! bent u gewond?

Bess: Nee! Nee, ik geloof tenminste van niet.

Voorbijganger: Hij reed recht op u af, de vuile schoft! Ze zouden zo’n kerel moeten opsluiten. Nou, u heeft nog geluk gehad, als... als... als die deur het niet begeven had, dan was u d’r geweest! Heeft u het eh... het kenteken... heeft u misschien het kenteken gezien?

Bess: Ach nee, daar ging het allemaal veel te snel voor.

Voorbijganger: Nee, inderdaad. Maar gaat het echt met u?

Bess: Ja hoor.

Voorbijganger: Bent u het echt zeker? Zal ik niet een ziekenwagen even laten bellen?

Bess: ‘t Is niet nodig, dank u wel.

Voorbijganger: Ik help u even op.

Bess: Nee! Heel graag, dank u.

Frank: En jij denkt dat er opzet in het spel was?

Bess: Zonder enige twijfel.

Frank: Mm. Wat was dat voor een auto? Eh... merk, kleur en zo?

Bess: Ach, ik weet het niet. Maar ik heb wel de bestuurder kunnen zien.

Frank: Je hebt de bestuurder gezien?

Bess: In een flits. In het licht van de lantaren aan de overkant van de straat.

Frank: En?

Bess: Je zult het niet geloven, maar het was Adèle!

Frank: Adèle Turner!

Bess: Absoluut. In een... in een fractie van een seconde keken we mekaar aan. O, Frank! Ik heb nog nooit zoveel haat in iemands ogen gezien!

Frank: Nou.

Bess: En dan nog iets.

Frank: Wat dan?

Bess: Die auto...

Frank: Wat is daarmee?

Bess: Dat was geen spookauto, Frank, die was echt, en de bestuurder ook.

Frank: Geef mij het telefoonboek aan.

Bess: Nou, wat wil je daar nou mee?

Frank: Haar adres opzoeken. Wij moesten maar ‘ns een praatje gaan maken met die mevrouw June Baker.

(deurbel – voetstappen – deur open)

June Baker: Mevrouw Dolby?

Bess: Dag mevrouw Baker. Mag ik u voorstellen, dit is Frank Jacks.

Frank: Goedemiddag, mevrouw Baker.

June: Is er iets gebeurd?

Bess: Daar zouden wij graag even met u willen over praten.

June: Wat is er gebeurd?

Bess: Kunnen we niet binnen verder praten?

Frank: Het duurt niet lang, mevrouw Baker.

June: Nou eh... komt u dan maar even binnen.

Bess: Dank u wel.

June: (sluit de deur) Deze kant uit. Gaat u zitten... En?

Bess: Gisteravond heeft iemand geprobeerd mij te vermoorden.

June: Hoe?

Bess: Door mij met een auto te overrijden.

June: Een auto?

Bess: Ja.

June: Een auto... Zie je wel, ik heb u gewaarschuwd.

Bess: Dat hebt u inderdaad, ja.

June: U wilde het zeker niet geloven, hè?

Bess: Eerst niet, nu wel.

June: Dan hebt u deze keer geluk gehad.

Frank: Kende u Adèle Turner, mevrouw Baker?

June: Ja, heel goed zelfs. Daar staat ‘r foto.

Bess: Ach, ik zie het, ja.

Frank: Zou het u verbazen, mevrouw Baker...

June: Mij verbaast niets meer, meneer Jacks.

Frank: Zou het u verbazen als ik u vertel dat de auto waarmee de moordaanslag op mevrouw Dolby is gepleegd, bestuurd werd...

June: Door?

Frank: Door... Adèle Turner.

June: Onmogelijk.

Frank: Waarom?

June: Omdat Adèle dood is. Daarom. Bovendien...

Frank: Bovendien wat, mevrouw Baker?

June: .... zou Adèle zoiets nooit doen.

Frank: Dat weet u zeker?

June: Heel zeker. Overigens...

Frank: Ja?

June: ... die waarschuwing aan mevrouw Dolby was afkomstig van Adèle.

Bess: Waarom zegt u dat nu pas?

June: Ik weet het ook pas sinds gisteravond. Ze kwam weer door tijdens een seance. Toen heeft ze voor de eerste keer gezegd wie ze was.

Frank: Ja... (zucht) En heeft ze nog meer boodschappen doorgegeven?

June: Nee. Alleen weer dezelfde boodschap voor mevrouw Dolby.

Frank: Dat ze in gevaar verkeert?

June: Groot gevaar, meneer Jacks, zeer groot gevaar.

(geluid van rijdende auto)

Bess: Nou... wat vind je d’r van?

Frank: Het is voor mij allemaal één groot raadsel.

Bess: Ze was reuze zenuwachtig.

Frank: Ja, dat viel mij ook op. Ik vraag me trouwens af waarom. Volgens mij... is ze bang.

Bess: Zij bang? Waarvoor?

Frank: Dat zou ik ook wel ‘ns willen weten. Bovendien was ze d’r niet erg happig op om ons binnen te laten.

Bess: Nou, nee, dat kan ik me ook wel begrijpen. Wij zijn per slot van rekening twee wildvreemde mensen.

Frank: Mm, misschien heb je gelijk. Maar dan die boodschappen...

Bess: Wat... wat bedoel je daarmee?

Frank: Ze komen mij een beetje eh... een beetje té duidelijk over.

Bess: Hoezo té duidelijk?

Frank: Nou, wat ik over seances weet is niet veel, maar ik heb wel begrepen dat de berichten meestal erg vaag zijn. Er is vaak nogal wat interpretatie nodig om er iets zinnigs van te maken. En dan... die verschijning van Adèle gisteravond...

Bess: Geloof jij dat dan niet?

Frank: ‘t Lijkt me sterk.

Bess: Denk jij dat... dat June Baker liegt? Dat er helemaal geen boodschappen zijn? Ja maar, waarom zou iemand nou toch zoiets verzinnen?

Frank: Ja... misschien omdat ze bang is. Want dat ze bang is, staat voor mij als een paal boven water. Doodsbang.

Bess: Wat nou? (zucht)

Frank: Ja... Het lijkt mij op dit moment het verstandigste eerst vast te stellen of Adèle nou wel of niet dood is.

Bess: John Turner, d’r eigen man, die zegt van wel. June Baker zegt ook van wel. Die zou het toch moeten weten? Maar...

Frank: Ja! Precies! Maar... ze behoren allebei tot de zogenaamd betrokken partijen, en zouden dus mogelijk een reden kunnen hebben de waarheid geweld aan te doen.

Bess: Zouden we hier misschien iets over kunnen vinden in het bevolkingsregister?

Frank: Ah, het bewijst niks. Nee, we moeten iemand vinden die haar kende, en liefst nog dood heeft gezien ook. Maar dan wel iemand die niet tot de betrokkenen kan worden gerekend.

Bess: Ja, zoals... Haar huisarts misschien!

Frank: Ja, verdomd!... D’r huisarts. Waarom hebben we daar niet eerder aan gedacht. Weet jij wie dat was?

Bess: Ja! Dat was dokter Franklin. ‘t Telefoonnummer heb ik ook. ‘t Komt wel ‘ns voor dat ik ‘m ergens over moet bellen.

(telefoon)

Dr. Franklin: Franklin.

Bess: Dokter Franklin?

Franklin: Spreekt u mee.

Bess: Goeiemiddag, dokter. U spreekt met Bess Dolby.

Franklin: Ach, dag mevrouw Dolby. Waarmee kan ik u van dienst zijn?

Bess: Ja, het gaat over één van uw patiëntes. Z’is een jaar of drie geleden bij mij op de zwangerschapsgymnastiek geweest. Adèle Turner.

Franklin: Ach, ja. Eh... u weet natuurlijk dat patiënte is overleden?

Bess: Dat heb ik inderdaad vernomen, maar... maar kunt u dat ook bevestigen?

Franklin: Ja, zonder meer.

Bess: Geen mogelijkheid van een... een vergissing of zo? Dat het... dat het iemand anders was?

Franklin: Nee. Nee, helaas niet, ik eh... ik heb haar behandeld en uit de sectie is gebleken dat ze tijdens de bevalling aan een hersenbloeding is bezweken. Ja, da’s tragisch, en eh... eigenlijk geheel onverwacht. Zoiets is onmogelijk te voorspellen, maar... het kind is jammer genoeg ook ten gevolge van bepaalde complicaties overleden. Maar ja, hoe dat precies lag, dat eh... ja, kan ik me eigenlijk niet meer goed herinneren.

Bess: Kende u haar goed, dokter?

Franklin: Ja, vrijwel vanaf haar geboorte. Ik was ook de huisarts van haar ouders.

Bess: Vraag ‘ns of ze broers of zusters had.

Franklin: Wat zegt u?

Bess: Weet u misschien of ze nog broers of zusters had, dokter Franklin?

Franklin: Nee. Nee, ze was enig kind. Maar... vanwaar al deze vragen, mevrouw Dolby?

Bess: Ach, d’r is iets eigenaardigs aan de hand met Adèle Turner.

Franklin: Mm?

Bess: Eigenlijk... ‘k Zou d’r zo graag met u even willen over praten, dokter.

Franklin: Nou, ‘k zou zeggen: gaat uw gang.

Bess: Ja maar, als u het niet erg vindt, niet over de telefoon.

Franklin: O. Ja, eh... nou, komt u dan vanmiddag naar mijn praktijk. Ik heb geen spreekuur, maar als u naar de zijdeur komt, dan laat ik u d’r wel in.

Bess: Dank u wel, dokter. Als het schikt, dan ben ik met een minuut of twintig bij u.

Franklin: O, da’s uitstekend. Tot zo dan, mevrouw Dolby.

Bess: Tot straks, dokter!

(geluid van rijdende auto)

Frank: Nou, wat hebben we tot nu toe ontdekt? Adèle Turner schijnt inderdaad dood te zijn.

Bess: Mm.

Frank: Desondanks komt ze tijdens een storm bij jou thuis, en verdwijnt op mysterieuze wijze. Mogelijk was ze een verschijning. In tweede instantie zie jij haar achter het stuur van een auto die jou probeert omver te rijden.

Bess: Ja.

Frank: Een auto die in ieder geval geen verschijning was. Ja..., het is dus onwaarschijnlijk dat het Adèle was, maar even onwaarschijnlijk dat ze ‘t niet was. (zucht) Het enige wat wij op dit moment kunnen vaststellen, is dat we het niet weten.

Bess: En... June Baker dan? Hoe past zij in dit plaatje?

Frank: Ja, precies! Wat weet zij dat haar zo angstig maakt? Weet je wat ik denk?

Bess: Dat kan ik wel raden. Jij denkt dat het iemand anders, en niet Adèle is die ik steeds zie. Iemand die op d’r lijkt.

Frank: Ja. Ja... Nou... heb jij dan een betere verklaring?

Bess: Geen enkele. Maar één ding weet ik zeker...

Frank: Dat het wel degelijk Adèle was die je hebt gezien.

Bess: Ja. En vage theorieën over verschijningen, die roepen bij mij ook de nodige vraagtekens op.

Frank: (zucht) Als jij gelijk hebt, dan zijn wij weer precies daar waar we begonnen zijn. Een situatie waarin jij wordt dwarsgezeten door iemand die al drie jaar dood is.

Bess: Ik weet het allemaal niet meer. (zucht) Misschien kan dokter Franklin een tipje van de sluier oplichten?

Frank: Hm.

(voetstappen)

Bess: Wat hij de zijdeur noemt, is achterom. Kom. Deze kant op.

Frank: Hé, hij is niet op slot. Hij is open!

Bess: (gaat binnen) Dokter Franklin? Hallo!? Is daar iemand?

Frank: Laten we maar doorlopen.

Bess: (loopt door) De spreekkamer is die kant op. (klopt aan) Dokter Franklin? (opent de deur) Dokter Frank... Oooh, God!!

Frank: Wat is er? (komt ook binnen) Een kogel dwars door het hoofd. Ik zie geen wapen. Niks aanraken!

Bess: Ja maar, daar ligt een briefje.

Frank: Hier. Kijk. “Denk aan mijn baby.” ‘t Is ondertekend. Ja, ‘t is ondertekend met “Adèle”!

Bess: Adèle?

Frank: “Denk aan mijn baby”, wat zou dat betekenen?

Bess: Dat... dat... dat kind dat overleden is, denk ik.

Frank: Ja, maar waarom? Waarom die verwijzing naar die baby? ‘k Begrijp het niet.

Inspecteur Mann: Blijf staan waar u staat! Geen beweging!

Frank: Wie... wie... wie bent u?

Mann: Inspecteur Mann, recherche. En wie bent u? En wat doet u hier?

Bess: ...U kan denken wat u wilt, maar zo is het wel gebeurd.

Mann: En u wilt mij werkelijk laten geloven dat deze man is vermoord door een vrouw die al drie jaar dood is?

Frank: We hebben u alleen de feiten gegeven, inspecteur.

Mann: Weet u dat wel zeker?

Franklin: Dat weet ik heel zeker

Bess: Het... het lijkt allemaal erg onwaarschijnlijk, daar zijn we ons ook wel van bewust, maar we hebben ook geen enkel aanknopingspunt.

Mann: Onwaarschijnlijk, dat is zacht uitgedrukt als we mogen aannemen dat u de waarheid vertelt.

Frank: Hoezo “als”? Gelooft u ons niet?

Mann: Meneer Jacks, na 25 jaar bij de politie te hebben gezeten leer je wel dat voor de meest onwaarschijnlijke situaties meestal een heel eenvoudige uitleg is.

Frank: Zoals?

Mann: Om te beginnen, de reden waarom ú hier bent.

Bess: Ja maar, gelooft u ons verhaal dan niet?

Mann: Ik heb wel ‘ns iets beters gehoord.

Frank: Vertelt u me ‘ns, inspecteur: hoe kwam ú hier eigenlijk verzeild?

Mann: Hoe bedoelt u?

Frank: Nou eh... de moord kan niet meer dan een kwartier voordat wij hier aankwamen gepleegd zijn. Maar we waren hier bijna tegelijkertijd.

Mann: Wij waren getipt.

Frank: Getipt?

Mann: Ja! Via een telefoontje.

Frank: Van wie?

Mann: Zij noemde zich Adèle.

Frank: Nou... maar... als dat zo is, dan... dan klopt ons verhaal toch?

Mann: Mm... ja... Dat is dan ook op dit moment de enige reden waarom ik u nog niet heb laten arresteren. Hoewel natuurlijk altijd de mogelijkheid bestaat dat mevrouw Dolby dat telefoontje heeft gepleegd.

Frank: Inspecteur...!

Mann: Op dit moment begrijp ik er in ieder geval helemaal niets van.

Frank: Bent u met ons klaar, inspecteur? Kunnen wij gaan?

Mann: (zucht) Ja. Ja, voorlopig wel dan. Maar houdt u d’r rekening mee dat u de stad niet mag verlaten zonder dat eerst aan mij te melden.

Frank: (gaat weg) Komt in orde, inspecteur. Tot ziens dan.

Mann: Nou, dat hoop ik van niet. Van jullie heb ik voorlopig mijn buik vol. Moord is al erg genoeg zonder dat het gepleegd wordt door een dode.

(geluid van rijdende auto)

Bess: Waar ben jij met je gedachten?

Frank: Hè? Oh! Ah, sorry, wat zei je?

Bess: Waar zit je over te piekeren?

Frank: Over die... over die boodschap.

Bess: Ja... “Denk aan mijn baby”...

Frank: Haha.

Bess: Nogal een vreemde boodschap om bij een moord achter te laten. ‘t Is net alsof ze ‘m de schuld geeft van de dood van die baby.

Frank: Schuld... schuld... schuld... schuld. O God!! Natuurlijk! Ze geeft ‘m inderdaad de schuld! Iedereen die hier wat mee te maken had, krijgt de schuld. Jij gaf die gymnastieklessen, dokter Franklin begeleidde de geboorte. Wie was er nog meer bij betrokken?

Bess: Ach ja...! De vroedvrouw natuurlijk.

Frank: De vroedvrouw? Wie was dat?

Bess: Ja, dat... dat... dat moet mevrouw Bell zijn geweest.

Frank: Weet je waar ze woont?

Bess: Ja.

Frank: Goed. Dan moeten we daar als de donder naartoe, omdat, als ik me niet vergis, ze een goeie kans heeft om vermoord te worden.

Bess: (slaat portier dicht) Kijk, daar heb je het huis... en mevrouw Bell! Ze gaat net het hek door. Mevrouw Bell! Mevrouw Bell! Och, mevrouw Bell!

Mevrouw

Bell: Mevrouw Dolby. Dat is lang geleden.

Bess: Dit is... Frank Jacks.

Frank: Aangenaam, mevrouw Bell.

Bess: Dank u.

Frank: U weet niet half hoe blij wij zijn u hier gezond en wel aan te treffen.

Bell: O! (lacht) Nou, d’r mankeert anders niets aan mijn gezondheid.

Bess: Ziet u, mevrouw Bell, we hebben het bange vermoeden dat u gevaar loopt. Daarom zijn we hier.

Bell: Ik? Gevaar lopen? Waarom zou ik in vredesnaam gevaar lopen? Nou, komt u binnen, dan kunnen we daar rustig verder praten.

...

Bess: Nou, dat is het hele verhaal, mevrouw Bell. En daarom dachten we iedereen maar te waarschuwen die op de één of andere manier iets te maken heeft gehad met de dood van Adèle Turner en d’r baby.

Bell: Tja, het... het is een vreemd verhaal, dat moet ik zeggen. Ongelooflijk... Wilt u nog een kopje thee, mevrouw Dolby?

Bess: Nee, dank u.

Bell: U, meneer Jacks?

Frank: Nee nee, nee nee, nee, dank u, dank u. Eh... mevrouw Bell, er is iets waarmee u ons misschien kunt helpen.

Bell: O, zegt u ‘t maar.

Frank: Ja, we vragen ons af of u zich nog iets van het gebeuren kunt herinneren. Eh... bepaalde details bijvoorbeeld.

Bell: Welke details bedoelt u?

Frank: Ja... ja... ‘t is moeilijk te zeggen. Eigenlijk is elke bijzonderheid van belang. Als we nou maar iets te weten konden komen over wat er toen allemaal gebeurd is.

Bell: Ja, nou, om heel eerlijk te zijn, ik kan me van het hele geval eigenlijk niets meer herinneren. Ja, het is tenslotte al drie jaar geleden en... ik heb in die tussentijd nogal wat bevallingen gedaan. Ja maar... ja maar, zoiets vergeet je toch niet gauw? Zowel moeder als kind dood. Je gaat je toch onwillekeurig schuldig voelen, eh... terecht of niet. Ja, d’r staat me ook... ook helemaal niets van bij... niets! Ik zal het in m’n kaartsysteem moeten opzoeken. (staat op) Moment, ik heb het zo bij de hand. (doet een paar passen) Drie jaar geleden, zei u?

Bess: Ja, inderdaad, ergens in maart, dacht ik.

Bell: April... maart... maart... Hier heb ik het, maart. Eens even kijken. Ach wat dom! Ja, natuurlijk, nou weet ik het weer! (keert terug) Ik... ik was d’r niet. Dat was net de periode waarin ik een maand vakantie genomen heb. Daarom kan ik me d’r ook niks meer van herinneren.

Frank: Weet u nog wie d’r in die tijd voor u heeft waargenomen?

Bell: Ja. Dat was Tracy Campbell, die heeft toen voor me waargenomen. Ze woont in Upper Barcon.

Frank: Heeft ze telefoon?

Bell: Ja, het nummer heb ik hier wel.

Frank: U moét haar nu bellen. U moét haar uitleggen dat we haar zeer dringend moeten spreken.

Bell: Ik zal d’r onmiddellijk bellen. (loopt naar de telefoon) Maar, wilt u zeggen dat dat verhaal... dat... dat zij nu gevaar loopt?

Frank: Absoluut, mevrouw Bell.

Bell: Oh hemel. Nou hoop ik maar dat haar niets is overkomen. Verschrikkelijk allemaal. (zucht)

(telefoon)

mannenstem: Hallo?

Bell: Hallo, kan ik mevrouw Campbell aan de lijn krijgen? Tracy Campbell?

mannenstem: Met wie spreek ik?

Bell: U spreekt met Margot Bell. Tracy kent me heel goed. Alles is toch goed met ‘r? Of niet soms?

mannenstem: Waarom vraagt u dat?

Bell: Ik heb hier twee mensen die...

mannenstem: Wie zijn dat?

Bell: Mevrouw Dolby en meneer Jacks.

mannenstem: Geeft u mij die meneer Jacks even, alstublieft.

Bell: O... O ja, natuurlijk, een moment. Meneer Jacks? Of u even aan de lijn komt.

Frank: Ik? Ja. (komt naderbij)

Bell: 'k Hoop maar dat er toch niets aan de hand is.

Frank: Geef u maar. Ja, hallo? Met Jacks.

mannenstem: U? Alweer??

Frank: Ja, met... met... met wie spreek ik eigenlijk?

mannenstem: Inspecteur Mann.

Frank: Inspecteur Mann? Wat is er gebeurd?

Mann: Wat denkt u? Waarom zou ik hier zijn?

Frank: Is ze dood?

Bess: Nee!

Mann: Door het voorhoofd geschoten, precies zoals dokter Franklin.

Frank: Heeft u een briefje gevonden?

Mann: Eveneens identiek aan dat bij de dokter: “Denk aan mijn baby”, ondertekend “Adèle”. Maar hoe komt u nou weer op dit spoor?

Frank: Ze was als vroedvrouw aanwezig bij de bevalling. En hoe bent u d’r achter gekomen? Weer een tip?

Mann: Klopt.

Frank: Weer Adèle?

Mann: Wie anders?

(voetstappen van Bess en Frank)

Bess: Dokter Franklin, Tracy Campbell... Wie zal de volgende zijn, Frank?

Frank: Ja... (zucht) Daar hoeven we niet langer over te piekeren, vrees ik.

Bess: Nee, dat vrees ik ook. ‘t Is zo’n rare gewaarwording, hè, dat je... dat je weet dat je achtervolgd wordt, dat je ‘t volgende slachtoffer van een moordenaar kunt zijn. O, Frank, wat moet ik doen...?

Frank: Luister, Bess, om te beginnen blijf je constant bij mij in de buurt.

Bess: Nou, maak je daar maar geen zorgen over.

Frank: Echt, het is van levensbelang dat je geen moment alleen bent, vooral de komende uren niet.

Bess: Denk jij dan dat het allemaal zo gauw is opgelost?

Frank: Ja..., ik heb een gevoel van wel. Een en ander begint wel duidelijk te worden. Behalve één ding.

Bess: En dat is?

Frank: Waarom is June Baker zo angstig? Als we daar nou ‘ns achter konden komen.

Bess: Waar gaan we nou naar toe?

Frank: Een bezoekje brengen aan iemand die wellicht het antwoord op m’n vragen heeft: de man van Adèle, John Turner.

(auto komt aanrijden)

Frank: (opent portier en stapt uit) Nou, hier is het dan.

Bess: Indrukwekkend...

Frank: Ja. Kom, vooruit. D’r op af. (ze gaan naar de voordeur)

Bess: Frank?

Frank: Ja, wat is er?

Bess: De deur, kijk. De deur is open.

Frank: Ja, Turner heeft kennelijk veel vertrouwen in z’n medemensen.

Bess: De deur bij dokter Franklin was ook open, Frank, weet je nog?

Frank: Ja, dat was ie inderdaad. Ach, maar dat zal toch wel toeval zijn.

Bess: Frank, ik vind het griezelig.

Frank: Je hebt de schrik goed te pakken!

Bess: Nee, echt, ik vind het griezelig.

Frank: Probeer je angst de baas te blijven! Nou, kom op. Hallo? Hallo? Is er iemand thuis? Laten we verder gaan. (ze gaan het huis in – er klinkt een schot)

Frank: Mijn God! (fluisterend) Kon, pas op, maak geen lawaai!

Bess: Waar moeten we heen?

Frank: Die kant op. Voorzichtig. (ze lopen verder) Kijk! Daar! In de kamer, op de grond.

Bess: John Turner! Hij is dood!!

Frank: En precies zoals de andere twee door het voorhoofd geschoten.

Bess: Frank! Frank! Kijk daar!! In de gang!

Frank: Jezus!

Bess: ‘t Is Adèle!!

Frank: Ja. En nou is ze d’r vandoor.

Bess: Ze verdween zomaar.

Frank: Zomaar verdwenen, hè? Natuurlijk! Wat stom dat ik daar niet eerder aan heb gedacht! Kom, snel naar de auto. We hebben geen moment te verliezen. (ze lopen naar buiten)

(geluid van deurbel en langdurig geklop op de deur)

Bess: Grote God, als we maar niet te laat zijn!

(verder geklop op de deur – die wordt geopend)

June Baker: Mevrouw Dolby?

Bess: O, goddank, is alles met u in orde, mevrouw Baker? We waren zo bang dat we te laat zouden zijn.

June: Te laat? Te laat waarvoor?

Frank: Mevrouw Baker, d’r zijn vanmiddag een aantal moorden gepleegd.

June: Moorden? Op wie?

Bess: Kunnen we ‘t niet beter binnen bespreken?

June: Nou eh...

Frank: Het is zeer dringend, mevrouw Baker.

June: Nou ja, dan moet u maar binnen komen.

Bess: Dank u. (ze gaan binnen – deur dicht)

June: Deze kant uit, alstublieft. (ze lopen verder) Wie zijn er vermoord?

Bess: Dokter Franklin, Tracy Campbell, en John Turner.

Frank: U bent niet verbaasd, mevrouw Baker.

June: John Turner ook?

Frank: Ja, hij ook.

June: Maar u, mevrouw Dolby, met u is er niets gebeurd.

Bess: Tot nu toe niet, nee. Maar we vermoeden dat mijn naam hoog genoteerd staat bij de moordenaar. En we maakten ons zorgen dat u ook wat zou overkomen.

June: Ik loop geen enkel gevaar, mevrouw Dolby. U wel, dat is duidelijk. Wat gaat u doen?

Bess: Veel kan ik er niet aan doen.

June: U... u zou weg kunnen gaan, op... op reis.

Bess: Nee nee, dat is onmogelijk. En daarbij...

June: Daarbij wát, mevrouw Dolby?

Bess: Wij hopen dat de hele geschiedenis vandaag nog kan worden opgelost. Frank denkt dat ie weet wie de moordenaar is.

June: Is dat zo, meneer Jacks?

Frank: Ja, ik geloof van wel.

June: En? Krijgen we ook nog te horen wie?

Frank: Ja, waarom ook eigenlijk niet? Om te beginnen, die foto van Adèle die u hier heeft. Toen ik die vanmiddag voor het eerst zag, was er iets dat me opviel.

June: Opviel? Aan Adèles foto?

Frank: Ja. Ja, dat deed me aan iemand denken, maar ik kwam er maar niet op wie dat was. Vanmiddag bij John Turner schoot het me ineens te binnen.

Bess: En? Wat?

Frank: Als je naar die foto van Adèle kijkt... hier, wat valt je dan het eerst op?

Bess: Geen idee. Ze is mooi, ziet er gelukkig uit en, ja... ze heeft prachtig rood haar.

Frank: Ja, precies: dat rode haar. En daardoor zag ik het niet meteen. Ja, als je ‘t haar van deze foto wegdenkt, hier... ‘k zal 't even afdekken. Aan wie doet dat gezicht je dan denken?

Bess: Mijn God...! Mevrouw Baker, dat bent ú! Dat is úw gezicht.

Frank: Niet echt verwonderlijk, hè, mevrouw Baker? Adèle was toch uw dochter?

June: Kunt u dat bewijzen, meneer Jacks?

Frank: Waarschijnlijk niet, maar dat is ook niet echt belangrijk. Op het moment dat ik me realiseerde dat Adèle uw dochter was, werd ineens veel duidelijk. Adèle werd geadopteerd. Hè? Waarschijnlijk al meteen na haar geboorte?

June: Ja. Die mensen zaten in de aangrenzende kamer te wachten met een ingehuurde verpleegster. Adèle is vrijwel meteen weggehaald.

Frank: U werd er ongetwijfeld voor betaald?

June: Ik moest wel. Ik had schulden en geen werk. Ik was wanhopig.

Frank: Maar u verlangde naar het kind, u wilde haar zien. Later bent u zelfs verhuisd, waarschijnlijk om haar zo nu en dan uit de verte te kunnen zien. Ze groeide op, u zorgde d’r voor dat u haar leerde kennen, en u werd vrienden. Kwam ze u vaak opzoeken, mevrouw Baker?

June: De laatste paar jaar bijna elke dag. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest.

Frank: Totdat het noodlot toesloeg. Adèle stierf tijdens de bevalling. U raakte in de war, bijna uw verstand kwijt. U wilde zich wreken op iedereen die iets met Adèle’s zwangerschap, bevalling en dood te maken had.

June: U zult nogal moeite hebben dat te bewijzen, meneer Jacks.

Frank: Dacht u dat, mevrouw Baker? Bij een huiszoeking vindt de politie ongetwijfeld ergens een felrode pruik en een pistool met geluiddemper. ‘t Is toch vreemd dat u die niet heeft gebruikt toen u vanmiddag John Turner doodschoot.

June: Uw hele theorie, meneer Jacks, is gebaseerd op veronderstelling. De vraag is nu: wat denkt u eraan te doen?

Frank: Dat lijkt me duidelijk, mevrouw Baker, erg duidelijk. Bess, wil jij inspecteur Mann bellen, 9-9-9? Vertel ‘m dat we de moordenaar gevonden hebben.

Vrouwenstem: Leg die telefoon neer!

Bess: Adèle!?

Vrouwenstem: Ik zei: leg die telefoon neer. Nu handen op het hoofd. U ook, meneer Jacks. En geen grapjes. U heeft gemerkt dat ik goed met een pistool kan omgaan.

Bess: Adèle! Het is toch Adèle?

Frank: Nee, Bess. Niet Adèle, maar d’r zuster. D’r tweelingzuster.

Norma: Elke idioot had vanaf het begin wel kunnen raden dat Adèle een tweelingzuster moest hebben.

Frank: We hebben daar uiteraard wel aan gedacht, maar die theorie moesten we opgeven toen dokter Franklin vertelde dat ie Adèle zowat vanaf haar geboorte had gekend.

Norma: Dat is dan nog stommer. Niet dat het iets uitmaakt, binnen een paar minuten zijn jullie toch dood.

June: Nee! Norma, niet doen!

Norma: Mam, alsjeblief!

June: Ik zei, nee, geen moorden meer. Geef me dat pistool!

Norma: Mama, hou op!

June: Geef hier dat pistool!

Frank: Dat pistool neem ik wel. Dank je wel. En nu allebei zitten. (Norma uit een kreet en kreunt) Bess, bel inspecteur Mann. (gekreun van Norma)

June: Wat is er? Begint het weer?

Bess: Nou, zo te zien beginnen de weeën.

Frank: Weeën?

Bess: Ja. Ze moet waarschijnlijk zó bevallen.

Frank: Zo gemakkelijk zal ze hier niet vanaf komen.

Bess: Nee, het is echt zo, Frank. ‘k Kan het voelen. De buik is strak gespannen.

Norma: Blijf met je handen van me af.

Bess: ‘t Gaat vrij lang door. Om de hoeveel tijd komen ze nou?

June: Oh, zo om de zeven minuten ongeveer.

Bess: Is dit ‘r eerste kind?

June: Nee, d’r tweede.

Bess: Nou, tweede baby's willen vaak wat eerder komen dan de eerste. Frank, bel inspecteur Mann, en zeg dat we ook een ziekenauto nodig hebben voor de zekerheid.

Frank: Ja.

(achtergrondmuziek – geluid van bestekken op borden)

Frank: Mm. Ah, dat was lekker. Hè! Dat was beter dan thee en een boterham op het politiebureau.

Bess: Nou. Je zou denken dat wij de moordenaars waren zoals ze ons hebben verhoord.

Frank: Ja. Ja, over moordenaars gesproken... Vind jij het nou niet een beetje merkwaardig dat een zwangere vrouw zoiets doet?

Bess: Heel merkwaardig. De dood van d’r zuster moet ‘r diep getroffen hebben. Zo diep dat, ja... toen ze weer zwanger werd, dat het een obsessie voor d’r is geworden. Maar ‘t meest heb ik nog te doen met ‘r moeder. Denk je dat ze haar zullen veroordelen?

Frank: Nou, ze heeft tenslotte getracht jou tweemaal te waarschuwen, zonder Norma te verraden, en uiteindelijk heeft ze ons gered. Nou, daar zal het gerecht wel rekening mee houden. Mm?

Bess: Denk je nou dat ze... dat ze wist dat er zoveel doden zouden vallen?

Frank: Nee, dat denk ik niet. Ik vermoed dat ze een... sterk voorgevoel had, en dat ze koste wat het kost geprobeerd heeft Norma van geweld af te houden.

Bess: Zonder succes.

Frank: Ja, jammer genoeg, ja.

Bess: Ze was zelfs bereid om, ter wille van Norma, de schuld op zich te nemen.

Frank: Ja! Het leven heeft ‘r weinig geluk gebracht. Eén dochter heeft ze in feite twee keer verloren, en nou gaat de tweede dochter vermoedelijk levenslang achter de tralies.

Bess: Weet je dat er toch nog steeds iets is wat ik niet begrijp?

Frank: Ja? Wat dan?

Bess: Hoe is Norma in ‘s hemelsnaam dat huis uitgekomen die avond van die storm?

Frank: Ach... Nee... Dat wil je toch niet echt weten, hè?

Bess: 'Tuurlijk wil ik dat weten!

Frank: (lacht) Nou, het antwoord is misschien wel een beetje... een beetje pijnlijk voor je.

Bess: Pijnlijk, hoezo?

Frank: Nou...

Bess: En... wil jij soms zeggen dat...

Frank: Als ik nou 'ns zeg dat ik het niet weet?

Bess: Ah, daar geloof ik niets van.

Frank: Toevallig is het wél zo, maar...

Bess: Nou zullen we ‘t krijgen...

Frank: Ik wilde zeggen dat ik er wel naar kan ráden wat er is gebeurd.

Bess: Een en al oor.

Frank: Nou, zal ‘k je eerst nog iets inschenken?

Bess: Nee. Nou ja, ja, doe maar ...

Frank: Rustig, rustig! (schenkt in) Nou? Mm? Luister...

Bess: Ja?

Frank: Jij liet ‘r binnen.

Bess: En sloot deur achter haar af.

Frank: Klopt. En nadat ze verdween, was de deur nog steeds op slot.

Bess: Inderdaad!

Frank: Zo ook alle andere deuren en ramen van het huis.

Bess: Ik heb ze stuk voor stuk nagelopen, ze kon er onmogelijk uit.

Frank: Juist. Dus was ze op dat moment nog in huis.

Bess: Ja, maar ik heb alle kamers grondig doorzocht.

Frank: Zonder twijfel, maar juist die grondigheid van jou gaf haar de kans jou te ontglippen.

Bess: Nou begrijp ik helemaal niet meer wat je bedoelt.

Frank: O nee? Nou, ‘t is anders niet zo ingewikkeld. Op het moment dat jij een kamer doorzocht had, had zij alle tijd om van een kamer die je nog niét had bekeken naar eentje over te stappen waar je wél was geweest. Ik neem aan dat jij elke kamer niet meer dan één keer hebt doorzocht.

Bess: Nee, natuurlijk niet... Stom van me! Maar... het verklaart nog niet hoe ze dat huis is uitgekomen.

Frank: Mm.. Ja, nou, dit wordt het pijnlijke gedeelte, geloof ik.

Bess: Hoezo pijnlijk?

Frank: Omdat, als je je realiseert hoe eenvoudig het antwoord is...

Bess: Ja, zo kan die wel weer! Vertel nou toch ‘ns hoe het zat!

Frank: ‘t Is een beetje alsof je naar een tovenaar zit te kijken, een goochelaar: hij doet ogenschijnlijk onmogelijke trucs, mensen doormidden snijden, laat ze verdwijnen, haalt konijnen uit z’n hoed...

Bess: (zucht)

Frank: ... alles volstrekt onmogelijk. Je wéét dat het trucage is, maar niet... hoe het werkt. Als het aan je uitgelegd wordt...

Bess: O, Frank, alsjeblieft! Hoe is ze nou toch ontsnapt?

Frank: Zeker weet ik het niet, maar, jou kennende, zal het wel als volgt zijn gegaan...

Bess: Vertel.

Frank: Jij hebt alle deuren en ramen gecontroleerd, en die waren allemaal op slot.

Bess: Ja.

Frank: Nadat je alle kamers heb doorzocht, was je d’r van overtuigd dat ze ‘t huis niet uit kon.

Bess: Nee.

Frank: Bovendien dacht je, en daarin vergiste jij je deerlijk, dat ze niet in het huis was.

Bess: Nou en?

Frank: Nou! Nou... ik denk dat je toen nog één ding hebt gecontroleerd. Klopt dat?

Bess: Oooo neee...! (Frank lacht) O nee, hè! O, natuurlijk!

Frank: Ja ja. Jij was zo verbijsterd dat je de voordeur hebt opengemaakt en ging kijken of d’r auto buiten stond.

Bess: O, het waren maar een paar stappen... O God, maar voor haar was het eigenlijk net genoeg

Frank: Ja precies, met die huilende wind en stromende regen heb jij niks gehoord, ze kon in een wip naar buiten en de hoek om.

Bess: O, ik ben een dwaas!

Frank: Ja, een dwaas met geluk in ieder geval.

Bess: Je... je bedoelt dat... dat als ik haar had gevonden, dat zij dan... dat ze me dan vermoord had?

Frank: Nou, ongetwijfeld. Daar kwam ze voor. Ja, iets heeft haar van gedachte doen veranderen. Misschien die kaars die uitging.

Bess: Ja. Je staat er eigenlijk nooit bij stil hoeveel geluk je soms hebt. Dat arme kind... Om met zo’n verschrikkelijke haat te moeten leven.