De pelikaan / Script en hoorspel | De pelikaan

Script en hoorspel | De pelikaan

Het script is voor u uitgeschreven door Marc en Herman Van Cauwenberghe.

In een gezin ontwikkelen turbulente gebeurtenissen zich tot een verwoestende windhoos. Oorzaak van dit alles is de moeder, die zich zelf een pelikaan waant en met grote gulzigheid alles opeist, opslokt en vermorzelt.

In wezen is zij dus een vampier die met haar minnaar haar man (geestelijk) heeft vermoord en haar kinderen in het verderf heeft gestort. Ze doet denken aan Medea, aan Clytaemnestra uit de Griekse tragedie, terwijl zoals haar zoon - die met zijn zuster vrijwillig de taak van zoenoffer op zich neemt - verwantschap heeft met Orestes. Hij doet ook denken aan Hamlet en aan de zieke Oswald uit Ibsens “Spoken”.

Bij Strindberg bewegen de tragische personen zich echter niet op hoge kothurnen in een immens groot colosseum, maar ze lopen rond op sloffen in een kamer waar ze zelf bij zitten, en het noodlot wordt niet plechtstatig door een koor aangekondigd, maar door een oude dienstbode...

Rolverdeling.

Henny Orri moeder
Ad van Kempen de zoon
Guusje Westermann de dochter
Edmond Classen Alex
Nell Koppen Margret

Aanvullende gegevens.

Auteur: August Strindberg
Vertaling: Coert Poort
Regie: Willem Tollenaar
Inspiciënt: Henk van der Steeg
Omroep: KRO
Uitzending: 01-04-1975
Speelduur: 59 minuten
Categorie: Relaties

1

(Chopin: “Fantaisie Impromptu”, opus 66.)

Elise: Doe de deur dicht, asjeblieft.

Margret: Bent u alleen?

Elise: Doe asjeblieft die deur dicht. Wie speelt daar?

Margret: Wat een ontzettend weer vanavond. Het regent en het stormt aan een stuk door.

Elise: Doe asjeblieft de deur dicht. (dat doet ze) Ik kan niet tegen die lucht van carbol en grafkransen.

Margret: Dat wist ik. Daarom heb ik gezegd dat meneer meteen naar een rouwkamer moest worden gebracht.

Elise: De kinderen wilden dat de begrafenis vanuit huis zou plaatsvinden.

Margret: Waarom blijft u hier wonen? Waarom gaat u niet weg?

Elise: Omdat de huisbaas ons aan het contract houdt. We kunnen dus niet weg. Waarom heb jij het overtrek van de rode chaise longue gehaald?

Margret: Omdat die naar de wasserij moest. Meneer heeft z’n laatste adem immers uitgeblazen op die chaise longue. Waarom doet u dat ding niet weg?

Elise: Ik mag nergens aankomen voor de boedel is beschreven, in verband met de erfenis. (zucht) ‘k Zit hier gewoon opgesloten en ‘k wil ook niet naar een van de andere kamers gaan.

Margret: Waarom niet?

Elise: Omdat ik daar te veel nare herinneringen aan heb. En dan die vreselijke lucht. Speelt m’n zoon daar?

Margret: Ja. Hij is onrustig, hij heeft voortdurend honger. Hij zegt dat ie nooit genoeg te eten krijgt.

Elise: Hij is altijd zwak geweest, vanaf z’n geboorte al.

Margret: Als een flessenkind van de fles af is, moet ie goeie voeding hebben.

Elise: O ja? Is ie soms iets te kort gekomen?

Margret: Dat wil ik niet direct zeggen, maar u had niet altijd het slechtste en het goedkoopste moeten nemen. Een kind naar school sturen op een homp brood en een kom cichoreikoffie, da’s niet goed.

Elise: Mijn kinderen hebben nooit hun beklag gedaan over het eten.

Margret: O nee? Tegen u niet, nee, dat durfden ze niet, maar toen ze wat groter werden, kwamen ze wel bij mij in de keuken.

Elise: We hebben het nou eenmaal nooit breed gehad.

Margret: Meneer werd door de belasting aangeslagen voor twintigduizend kronen per jaar. Of niet soms?

Elise: Het leven is duur.

Margret: Ja ja, maar de kinderen zijn niet sterk. Juffrouw Gerda, ik bedoel de jonge mevrouw, is lichamelijk nog niet eens ontwikkeld en ze is al twintig.

Elise: Och, zeur niet zo!

Margret: Zal ik de kachel aanmaken? ‘t Is hier koud.

Elise: Nee, dank je. We kunnen het ons niet permitteren ons geld op te stoken.

Margret: De jonge meneer heeft het de hele tijd koud. Om warm te worden, moet ie een end gaan wandelen of achter de piano gaan zitten.

Elise: Hij heeft het altijd koud.

Margret: En hoe komt dat?

Elise: Let op je woorden, Margret. Eh... hoor ik daar iemand?

Margret: Nee. D’r is hier geen mens.

Elise: (lachje) Denk je dat ik bang ben voor spoken?

Margret: Weet ik dat. Maar één ding weet ik wel: ik blijf hier niet lang meer. Toen ik hier kwam, vond ik het als een soort noodlot dat ik voor de kinderen moest zorgen. Ik wilde wel gauw weer weg toen ik merkte hoe slecht u uw personeel behandelde, maar ik kon niet meer. ‘t Mocht blijkbaar niet. Maar nu juffrouw Gerda getrouwd is, heb ik mijn taak volbracht. Het uur van mijn bevrijding zal spoedig komen.

Elise: (lachje) Ik begrijp absoluut niet waar jij het over hebt. Iedereen weet hoe ik mij opgeofferd heb voor m’n kinderen en dat ik altijd m’n plicht heb gedaan en goed voor m’n huishouden heb gezorgd. Jij bent de enige die me verwijten maakt, maar ik leg ze naast me neer. Jij kunt gaan wanneer je maar wilt. Als het pasgetrouwde paar bij me intrekt, doe ik het zonder keukenmeid.

Margret: Ik hoop dat het u goed mag gaan. Maar kinderen zijn van nature ondankbaar. Hun schoonmoeders zijn niet altijd in de gratie, behalve als ze geld meebrengen.

Elise: (lachje) Maak je over mij maar geen zorgen. Ik betaal m’n eigen onderhoud en ik help mee in het huishouden. En bovendien is mijn schoonzoon niet als andere schoonzoons.

Margret: O nee?

Elise: Nee. Hij behandelt me niet als zijn schoonmoeder, maar als een zuster. ik zou bijna zeggen als een vriendin.

Margret: Wat u zegt...

Elise: Ja, ik mag mijn schoonzoon graag. (lachje) Mijn man mocht ‘m niet. Die was jaloers op ‘m. (lachje) Ja... ja, eigenlijk voelde ik me gevleid door z’n jaloezie. Tenslotte ben ik niet zo jong meer.

Margret: (schraapt haar keel)

Elise: Zei je wat?

Margret: Nee, niks. ‘k Geloof dat ik iemand hoor.

Elise: Wat?

Margret: Uw zoon. Ik hoor hoesten. Zal ik de kachel aanmaken?

Elise: Niet nodig.

Margret: ‘k Ben blij dat ’k gauw wegga.

Elise: Ik neem niemand meer als jij weg bent.

Margret: Als je al iemand neemt, die blijft toch niet. Ik heb hier al zoveel meisjes zien komen en gaan.

Elise: Omdat ze niet deugden. Niet één van jullie deugt.

Margret: Dank u wel. Maar goed, wacht maar af, u komt ook aan de beurt. Alles op z’n tijd.

Elise: Oh, wanneer hoef ik dat soort onzin eindelijk niet meer aan te horen?

Margret: Gauw. Heel gauw. Gauwer dan u denkt. (verlaat de kamer)

(Fredrik komt binnen)

Elise: Doe de deur dicht, asjeblieft.

Fredrik: Waarom?

Elise: Spreek jij zo tegen je moeder? (hij sluit de deur) Wat wil je?

Fredrik: Mag ik hier komen zitten? ‘t Is zo koud in m’n kamer.

Elise: Jij hebt het altijd koud.

Fredrik: A... als je stilzit, voel je de kou meer... (hoest) Is de boedelbeschrijving al rond?

Elise: Waarom vraag je dat? Eerst moet de rouwtijd voorbij zijn. Rouw jij soms niet om je vader?

Fredrik: Jawel. Maar hij is nu goed af. En ik gun ‘m de rust die ie eindelijk gevonden heeft. ‘k Zou graag weten waar ik aan toe ben, dat ik af kan studeren zonder dat ik geld hoef te lenen.

Elise: Je vader heeft niets nagelaten, dat weet je. (lachje) Hooguit een aantal schulden.

Fredrik: Maar z’n zaak is toch wel wat waard?

Elise: Een zaak zonder voorraden of goederen kun je geen zaak noemen. Ach, ben je soms bij een advocaat geweest? Rouw jij op die manier om je vader?

Fredrik: Nee. Ik... Waar zijn mijn... mijn zuster en zwager?

Elise: Die zijn vanochtend thuisgekomen van hun huwelijksreis. Ze zitten in een pension.

Fredrik: Daar is er in ieder geval genoeg te eten.

Elise: Jij praat altijd maar over eten. Heb je soms iets aan te merken op het eten dat ik klaarmaak?

Fredrik: Hoe... hoe z... zou ik kunnen?

Elise: Eh... ik wou jou iets vragen. Heeft je vader de laatste tijd toen ik bij hem weg was nooit ‘ns met jou over de financiële toestand van de firma gesproken?

Fredrik: Nee, niet speciaal.

Elise: Oh. Heb jij een verklaring voor het feit dat hij niets nagelaten heeft, terwijl ie de laatste jaren toch twintigduizend kronen per jaar verdiende?

Fredrik: Ik ben niet op de hoogte van vaders zaken. Hij zei wel dat het huis veel geld kostte en ie had pas nog nieuwe meubels gekocht.

Elise: Ach, zei ie dat? Zou hij schulden hebben?

Fredrik: Weet ik niet. Hij... hij had ze wel, maar die heeft ie... die heeft ie afbetaald.

Elise: Waar zou het geld dan gebleven zijn? Heeft ie een testament laten maken? Hij haatte me. Hij heeft verscheidene keren gedreigd me niets na te laten. Zou ie soms ergens geld verborgen hebben? (schrikt) Loopt daar buiten iemand?

Fredrik: Ik hoor niets.

Elise: Ach... Ik ben wat nerveus. Eerst die begrafenis en nu weer die zakelijke kwesties. Eh... tussen twee haakjes: je weet toch dat je zuster en d’r man de woning overnemen? Jij moet een kamer in de stad zien te zoeken.

Fredrik: Weet ik.

Elise: Je mag je zwager niet.

Fredrik: Nee.

Elise: Hij is anders een aardige man, flink ook.

Fredrik: Hij mag me niet. En... en bovendien heeft hij m’n vader gemeen behandeld.

Elise: Wiens schuld was dat?

Fredrik: Vader was niet gemeen!

Elise: O nee?

Fredrik: Ik... dacht dat ik iemand hoorde.

Elise: Maak wat licht. Eh... één lamp is genoeg. (hij knipt ze aan) Eh... wil jij dat portret van je vader dat daar hangt niet mee naar je kamer nemen?

Fredrik: Waarom?

Elise: Omdat het me irriteeert. Waarom neem je ‘t niet mee? Als jij er prijs op stelt, mag je ‘t hebben.

Fredrik: Goed, ‘k neem het mee.

Elise: Eh... Axel en Gerda komen straks. Blijf jij ook?

Fredrik: Nee, nee nee nee, liever niet. Ik ga wel naar m’n eigen kamer. Ik wou alleen maar dat... dat er een beetje gestookt werd.

Elise: We kunnen het ons niet permitteren om geld te verstoken.

Fredrik: Dat... dat... dat horen we nou al twintig jaar. Maar wel geld om allerlei onzinnige luxe-reizen naar het... naar het buitenland te maken en om voor honderd... honderd kronen op te eten in een restaurant. Dat is hetzelfde als vier vrachten hout. Vier vrachten hout voor één diner.

Elise: Jij zegt maar wat.

Fredrik: Ja. Er was hier iets gruwelijk mis. Maar dat is voorbij, zo gauw de zakenlieden hier hun beslag gekregen hebben.

Elise: Wat bedoel je?

Fredrik: De... de boedelbeschrijving en zo.

Elise: Wat, en zo?

Fredrik: E... eventuele schulden en de zaken die... die nog geregeld moeten worden.

Elise: Oh...

Fredrik: Mag ik me een wollen vest kopen?

Elise: Hoe kun je op dit moment over zoiets beginnen? Het wordt trouwens tijd dat je zelf ‘ns wat gaat verdienen.

Fredrik: Zo gauw ik mijn ex... examens achter de rug heb.

Elise: Je kunt toch wat geld lenen?

Fredrik: Wie wil... wie wil mij... mij... mij nou geld lenen?

Elise: Vrienden, van je vader.

Fredrik: Die had geen vrienden. Een vrij man heeft geen vrienden. Vriendschap is een overeenkomst waarbij je elkaar wederzijds bewondert.

Elise: (lachje) Een verstandige opmerking. Heb je dat soms van je vader?

Fredrik: Ja! Hij was een verstandig man, die soms onverstandige dingen deed.

Elise: Hoor eens aan. Denk jij ooit nog eens te gaan trouwen?

Fredrik: Ik... ik... ik kijk wel uit. ‘k Pas ervoor om voor mijn ongetrouwde vriend d’r een speciale gezelschapdame op na te houden, om... om een cocotte onder mijn wettige hoede te nemen en om m’n beste vriendin, wat hetzelfde is als... als je ergste vijand, tegen mezelf op te zetten. ‘k Kijk wel uit.

Elise: Wat? Ga naar je kamer! ‘t Is mooi genoeg geweest voor vandaag. Je hebt zeker weer gedronken?

Fredrik: ‘k Drink altijd wel een beetje. Tegen het hoesten, en om... om de honger niet te voelen.

Elise: Je bent dronken! Ga naar je kamer.

Fredrik: Ja. Ik ga al. Ik wou nog wat zeggen, maar voor vandaag is het mooi genoeg geweest, ja. (hij gaat)

Elise: Zou ie ergens geld verstopt hebben? (opent een lade) Ach, misschien een brief, of...? (opent nog een lade) Wie weet ligt er ergens een afschrift van het testament... (deur gaat open) Axel! Eindelijk. O god, ik heb zo naar je verlangd. Waar... waar is Gerda?

Axel: Die komt straks.

Elise: Ah.

Axel: En hoe is het met jou?

Elise: Ga zitten. Ik wou je eerst iets vragen. Sinds je trouwdag hebben we elkaar immers niet meer gezien. Waarom zijn jullie zo gauw teruggekomen? Jullie zouden acht dagen wegblijven, en nu ben je na drie dagen al terug.

Axel: We verveelden ons een beetje. Als je uitgepraat bent, gaat de eenzaamheid je benauwen. We zijn zo gewend geraakt aan jouw gezelschap dat we je gingen missen.

Elise: (lachje) Meen je dat?

Axel: Ja.

Elise: Nou ja, we hebben met z’n drieën ook zoveel stormen getrotseerd, en ik dacht wel dat jullie wat aan me gehad hadden.

Axel: Gerda is nog maar een kind, ze begrijpt nog niet wat levenskunst is. Ze heeft haar vooroordelen, ze is een tikkeltje koppig, soms wel eens wat fanatiek.

Elise: Hoe vond je de bruiloft?

Axel: Heel geslaagd. En hoe vond jij de gedichten?

Elise: (lachje) De gedichten die aan mij opgedragen waren.

Axel: Mm...

Elise: (lachje) Ik geloof niet dat één schoonmoeder ooit zulke gedichten te horen heeft gekregen op de bruiloft van d’r dochter. (lachje) Dat vers over die pelikaan die haar bloed geeft voor d’r jongen, ik heb erom moeten huilen.

Axel: Maar daarna heb je geen dansen overgeslagen.

Elise: (lachje)

Axel: Gerda werd bijna jaloers.

Elise: (lachje) Dat zou de eerste keer niet zijn. Maar ze wilde dat ik in rouwkleren kwam, maar daar heb ik me niets van aangetrokken. Waarom zou ik naar m’n kinderen luisteren?

Axel: Ja, waarom zou je? Gerda is soms een beetje getikt. Als ik alleen maar naar een andere vrouw kijk...

Elise: Wat? Zijn jullie dan niet gelukkig samen?

Axel: Gelukkig? Wat is gelukkig?

Elise: Oh, hebben jullie dan al ruzie gehad?

Axel: Al? Als verloofden hebben we alleen maar ruzie gemaakt. Ach, je weet toch hoe dat gaat? À propos, hoe staan de zaken ervoor?

Elise: Nou, eerlijk gezegd, ik weet het niet. Maar ik begin Fredrik te wantrouwen.

Axel: Hoezo?

Elise: Hij zei zulke vreemde dingen zo-even.

Axel: Die sukkel.

Elise: Juist dat soort mensen kan heel sluw zijn. Ik weiger te geloven dat er geen testament is, of... of dat ie niet wat gespaard had.

Axel: Heb je goed gekeken?

Elise: ‘k Heb overal gekeken.

Axel: Ook in de kamer van de jongen?

Elise: Ja. Ik kijk ook altijd in z’n prullenmand, want hij schrijft soms brieven die ie dan weer verscheurt.

Axel: Mm., dat zegt niks. Heb je ook gekeken in de secretaire van de ouwe heer?

Elise: Ja, natuurlijk.

Axel: Heb je goed gezocht, in alle laden?

Elise: In alle laden.

Axel: Die dingen hebben vaak geheime laatjes.

Elise: Ach, daar heb ik niet aan gedacht.

Axel: Daar moeten we dan nog maar ‘ns goed gaan kijken.

Elise: Nee. Nee, afblijven. Hij is verzegeld door dezelfde mensen die... die over een paar dagen de boedel komen beschrijven.

Axel: Ik probeer gewoon om het zegel niet te verbreken.

Elise: Nee, nee, nee, nee, niet doen.

Axel: We kunnen de plank aan de achterkant toch losmaken? Alle geheime vakjes zitten altijd aan de achterkant.

Elise: Daar hebben we gereedschap voor nodig.

Axel: Nee, dat lukt zo ook wel.

Elise: Maar Gerda mag het niet weten.

Axel: Natuurlijk niet. Die zou het meteen tegen haar broer zeggen.

Elise: Ik doe voor alle zekerheid de deur op slot. (draait het slot om)

Axel: Hé, kijk ‘ns aan, d’r is hier iemand bezig geweest

Elise: Ach...

Axel: D’r is een plank los! Ik kan m’n hand naar binnen steken.

Elise: Ach, dat heeft die jongen gedaan. Zie je nou wel? Ik voelde’t... Schiet op asjeblieft, daar komt iemand.

Axel: Ik voel papier!

Elise: Schiet op, daar komt iemand aan.

Axel: Een grote envelop!

Elise: Daar is Gerda. Geef mij die papieren. Vlug!

Axel: Ja.

Elise: Steek weg! (Gerda probeert binnen te komen - klopt)

Axel: Wat stom om die deur op slot te doen. (ze klopt nog ‘ns) Nou?

Elise: Stil!

Axel: Idioot. Doe open! Anders doe ik het. Ga opzij! (gaat naar de deur en opent ze)

Gerda: Waarom... hebben jullie de deur op slot?

Elise: (lachje) Zou je eerst niet ‘ns gedag zeggeen, kindje? Ik heb je sinds je trouwdag niet meer gezien. Heb je een leuke reis gehad? Kom, vertel eens. En kijk niet zo sip.

Gerda: Waarom hadden jullie de deur op slot?

Elise: Omdat ie uit zichzelf openspringt en ik heb geen zin om iedere keer te roepen “Doe de deur dicht.” En zullen we ’t nu ‘ns hebben over hoe jullie het hier gaan inrichten, want dat is toch de bedoeling, niet?

Gerda: Ja. Jawel. Mij maakt het niet veel uit. Zeg jij ‘ns wat, Axel.

Axel: We zullen het hier best naar onze zin heben, en je moeder ook. Tenslotte kunnen wij drieën goed met elkaar opschieten.

Gerda: Waar moet moeder eigenlijk slapen?

Elise: Hier. Ik zet hier wel een bed neer.

Axel: Maar kindje, wou je een bed neerzetten in de salon?

Gerda: Heb je ‘t tegen mij?

Axel: Nee, tegen je moeder. Nou ja, dat zien we nog wel. We moeten elkaar maar een beetje helpen. En we kunnen rondkomen van wat je moeder ons geeft.

Gerda: En ze zal me ook een handje helpen in het huishouden.

Elise: Maar natuurlijk, kindje. Alleen afwassen doe ik niet.

Gerda: Nee, dat spreekt vanzelf. Ja, hier zal het allemaal wel beter gaan als ik m’n man maar voor me alleen heb. Ik wil niet dat ze ook maar naar hem kijken en dat deden ze in dat pension. Daarom zijn we ook zo gauw teruggekomen. Als iemand probeert ‘m van me af te nemen, vermoord ik ‘r. Zo, nou weten jullie het.

Elise: (lachje) Kom, we gaan nu kijken hoe we de meubelen gaan neerzetten.

Axel: Prima. Gerda kan hier vast beginnen.

Gerda: Waarom? Ik blijf hier niet graag alleen, ik... ik zal me hier pas op m’n gemak voelen als we ons hier definitief gevestigd hebben.

Axel: Goed! Omdat jullie bang zijn in het donker, gaan we met z’n drieën het huis rond.

Elise: (lachje)

(de deur staat open en dicht te klapperen)

Fredrik: (roept in zijn kamer) Moeder! Doe het raam dicht!

Elise: Wat is dit? (schrikt) De schommelstoel beweegt!

Axel: Wat is er aan de hand? Wat staat er in die brief die je gevonden hebt? Is het het testament?

Elise: Doe de deur dicht! We waaien hier gewoon weg. (hij sluit de deur) Ik moest wel een raam openzetten om die lucht d’r uit te krijgen. Nee, dat is z’n testament niet, het is een brief aan Fredrik waarin ie mij en jou belastert.

Axel: Laat ‘ns lezen.

Elise: Nee, dat gif spaar ik je. Ik scheur die brief kapot en gooi ‘m in de kachel. (scheurt hem) Ho, wat een geluk dat Fredrik ‘m niet in handen gekregen heeft. Hij is uit z’n graf opgestaan, hij heeft gesproken, hij is niet dood. Ik kan hier niet langer blijven. Hij schrijft dat ik ‘m vermoord heb. Dat is niet waar. Dat is niet waar! Hij is aan een beroerte gestorven, dat heeft de dokter zelf gezegd. En hij beweert nog meer, en het zijn stuk voor stuk leugens. Hij zegt dat ik ‘m geruïneerd heb. Axel, Axel, jij moet ervoor zorgen dat we zo gauw mogelijk verhuizen. Ik hou het hier niet langer uit. Beloof me dat. (schrikt) De schommelstoel beweegt!

Axel: Dat komt door de tocht.

Elise: Beloof me dat we hier we hier weggaan, beloof me dat.

Axel: Dat kan ik niet. Ik had gerekend op een erfenis. Die had jij mij in het vooruitzicht gesteld, anders was ik niet getrouwd. Nou moet ik het beste er maar van zien te maken. Ik ben de schoonzoon die erin gelopen is. Ik ben een geruïneerd man. Om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, moeten we bij elkaar blijven. We moeten zuinig zijn. En jij moet ons helpen.

Elise: Bedoel je soms dat ik dienstbode moet worden in m’n eigen huis? Nooit.

Axel: Nood breekt wet.

Elise: Jij schoft!

Axel: Pas op, snol.

Elise: Ha, de meid spelen. Voor jou zeker?

Axel: Jij hoeft in ieder geval geen kou en honger te lijden zoals je dientbodes.

Elise: Ik heb m’n lijfrente nog.

Axel: (spotlachje) Daar krijg je nog geen zolderkamertje voor. We kunnen er net de huur van betalen als we het kalm aan doen. Doen jullie dat niet, dan vertrek ik.

Elise: Wou jij Gerda in de steek laten? Je hebt nooit van d’r gehouden.

Axel: Daar kun jij beter over oordelen dan ik. Jij hebt haar uit mijn hart gebannen, jij hebt haar overal uit verdreven, behalve uit de slaapkamer. Mocht er ooit een kind van komen, dan neem je haar ook dat af. Ze weet het nog niet, ze heeft nog niets door, ze slaapwandelt. Maar ze begint wakker te worden. En pas maar goed op als haar ogen eenmaal opengaan.

Elise: Axel... Axel, we moeten bij mekaar blijven, mekaar niet loslaten. Ik kan niet op m’n eentje wonen. Ik zal me in alles schikken, maar... die chaise longue, nee, nee dat niet.

Axel: O jawel. ik wil geen bed hebben in de salon. Uit.

Elise: Laat me dan een andere kopen.

Axel: Nee, daar hebben we geen geld voor. En deze is goed genoeg.

Elise: Nee. Het is een slachtbank waar bloed aan zit.

Axel: Onzin! Maar als je niet wilt, dan zit er niets anders voor je op dan een zolderkamertje, de eenzaamheid, de kerk, en het armenhuis.

Elise: Nou, goed. Ik geef toe.

Axel: Heel verstandig.

Elise: Hoe is het mogelijk dat ie aan z’n zoon schrijft dat ie vermoord is?

Axel: Je kunt iemand op vele manieren vermoorden. Het voordeel van de manier waarop jij het gedaan hebt, is dat het niet strafbaar is voor de wet.

Elise: Wij, bedoel je. Jij hebt meegeholpen ‘m zo razend en wanhopig te maken.

Axel: Hij stond in de weg, wist van geen wijken. ‘k Moest ‘m wel een duwtje geven.

Elise: Wat ik je kwalijk neem, is dat je me overhaald hebt bij hem weg te gaan. Ik zal nooit die eerste avond bij jou thuis vergeten, toen we aan een feestelijk gedekte tafel zaten en die afgrijselijke kreten hoorden. We dachten dat ze van de binnenplaats van de gevangenis kwamen, of... of uit het gekkenhuis. Weet je nog wel? Hij liep toen in het donker in de regen over het veld om z’n vrouw en kind te brullen.

Axel: Waarom begin je daar nu over? Hoe weet je trouwens dat hij het was?

Elise: Dat staat in z’n brief!

Axel: Wat hebben wij daarmee te maken? Hij was bepaald geen engel!

Elise: Nee, dat is zo, maar soms toonde ie menselijk gevoel. Meer dan jij in ieder geval.

Axel: Je sympathieën schijnen nu de andere kant op te gaan.

Elise: Niet kwaad worden. We moeten onze kalmte bewaren.

Axel: Ja. Er zit niets anders op.

Fredrik: (schreeuwt in zijn kamer)

Elise: Wat was dat? Hoorde je dat? Hij...

Axel: Welke hij? Wie was dat? Je zoon. Hij heeft zeker weer gedronken.

Elise: Fredrik? Het... het klonk precies alsof hij... alsof hij het was. Ik... ik... ik hou dit niet uit. Wat kan er me ‘m aan de hand zijn?

Axel: Ga kijken. De lummel is vast dronken.

Elise: Hoe durf je zoiets te zeggen? Hij is in ieder geval mijn zoon.

Axel: Ja, hij is in ieder geval jouw zoon. Nou, ik moet gaan.

Elise: Wat? Ga je weg? Eet je dan niet mee?

Axel: Nee, dank je. Ik hou niet van slappe thee en ranzige ansjovis, of pap. Bovendien heb ik een vergadering.

Elise: Wat voor een vergadering? Waarover?

Axel: Over dingen die jou niet aangaan. Ga je nu de rol van schoonmoeder spelen?

Elise: Wou je je vrouw de allereerste avond in jullie eigen huis alleen laten?

Axel: Dat gaat jou evenmin iets aan.

Elise: (zucht) Nu weet ik wat me te wachten staat, mij, en m’n kinderen. Nu komt het demasqué.

2

(“Berceuse” uit Godards “Jocelyn”.)

Fredrik: Ben je alleen, Gerda?

Gerda: Ja. Moeder is in de keuken.

Fredrik: Waar is Axel?

Gerda: Naar een vergadering. Ga zitten en... en hou me een beetje gezelschap. (hij sluit de deur) Laten we wat praten. Ik geloof niet dat we ooit samen een gesprek hebben gehad. We gingen elkaar altijd uit de weg. We hadden geen sympathie voor elkaar. Jij koos altijd vaders kant en ik die van moeder.

Fredrik: Misschien verander je nog wel van mening. Kende je je vader eigenlijk wel?

Gerda: Wat een vreemde vraag. Eerlijk gezegd geloof ik dat ik ‘m alleen door moeders ogen gezien heb.

Fredrik: Zag je dan niet dat hij veel van je hield?

Gerda: Waarom wilde ie m’n verloving dan tegenhouden en ‘m daarna zelfs verbreken?

Fredrik: Omdat ie van mening was dat... dat Axel niet de juiste man voor je is.

Gerda: Daar is ie dan mooi voor gestraft toen moeder ‘m verliet.

Fredrik: Heeft Axel haar overgehaald bij uw vader weg te gaan?

Gerda: Axel en ik allebei. Vader moest maar ‘ns aan den lijve ondervinden wat het betekent om gescheiden te zijn, zoals ie mij van mijn verloofde wilde scheiden.

Fredrik: Het heeft zijn leven verkort en het enige wat ie op het oog had, was jouw geluk.

Gerda: Jij bent toen bij ‘m gebleven. Wat zei ie? Hoe nam ie het op?

Fredrik: Zijn leed was met geen pen te beschrijven.

Gerda: Wat zei ie over moeder?

Fredrik: Niets. Maar na wat ik gezien heb, heb ik besloten nooit te trouwen. (hoest) Ben je gelukkig, Gerda?

Gerda: O ja. Als je krijgt wie je hebben wilt, dan ben je gelukkig.

Fredrik: Waarom laat je man je dan de eerste avond alleen zitten?

Gerda: Omdat ie zaken heeft, een... een vergadering.

Fredrik: In een restaurant...

Gerda: Wat? Weet je dat zeker?

Fredrik: Ik dacht dat je dat wel wist.

Gerda: Oh god...

Fredrik: Neem... neem me asjeblieft niet kwalijk dat ik je pijn heb gedaan.

Gerda: Ja, dat heb je, heel erg. Ik wou dat ik dood was.

Fredrik: Waarom zijn jullie zo vlug teruggekomen?

Gerda: Omdat ie zich ongerust maakte over z’n zaken. En omdat ie naar moeder verlangde. Hij... hij kan niet goed buiten haar.

Fredrik: Zo... (hoest) Hebben jullie een prettige reis gehad?

Gerda: Jawel.

Fredrik: Arme Gerda...

Gerda: Wat zeg je?

Fredrik: Kijk, moeder is nu eenmaal nieuwsgierig en de telefoon komt haar daarbij uitstekend van pas.

Gerda: Hoezo? Heeft ze soms gespioneerd?

Fredrik: Dat doet ze immers altijd. Ik denk dat ze nu ook wel achter de deur naar dit gesprek staat te luisteren.

Gerda: Jij denkt altijd kwaad van moeder.

Fredrik: En jij altijd goed. Hoe kan dat nou? Je weet hoe ze is.

Gerda: Nee, dat weet ik niet, en dat wil ik ook niet weten.

Fredrik: D’r is nog iets dat je niet wilt weten, in je eigen belang...

Gerda: Stil! Ik weet dat ik slaapwandel, maar ik wil niet gewekt worden. Dan zou ik niet verder kunnen leven.

Fredrik: Slaapwandelen we niet allemaal? Ik studeer rechten, ik lees over grote misdadigers die niet weten waarom ze hun misdaden gepleegd hebben, die van mening waren dat je juist gehandeld hadden, tot ze ontmaskerd werden en ontwaakten.

Gerda: Laat mij slapen. Ik weet dat ik eens wakker zal worden, maar ik hoop dat het nog lang zal duren. Oh, al die dingen die ik niet weet, maar wel vermoed... Weet je nog toen we klein waren? De mensen zeiden dat je gemeen was als je de waarheid sprak. “Je bent gemeen”, zeiden ze altijd tegen me als ik iets slecht noemde dat slecht was. Zo leerde ik m’n mond te houden en toen werd ik geprezen om m’n goeie gedrag. Op die manier leerde ik de dingen zeggen die ik niet meende en toen was ik klaar om m’n intrede in de maatschappij te doen.

Fredrik: Ja. We moeten fouten en zwakheden van die medemensen door de vingers zien. Maar nog één stap verder en je bent bezig te vleien en te huichelen. Het valt niet mee om te weten wat je moet doen. Soms is het je plicht om te spreken.

Gerda: Stil!

Fredrik: Ik zal m’n mond houden.

Gerda: Nee, ik heb liever dat je wat zegt, maar niet daarover. Ik hoor je gedachten door de stilte heen. Als mensen samen zijn, dan... dan praten ze. Ze... ze praten eindeloos om hun gedachten te verbergen, om te vergeten, om... om zich te bedwelmen. Ze willen wel de nieuwtjes over een ander horen, maar wat er in hen omgaat, verbergen ze.

Fredrik: Arme Gerda...

Gerda: Zal ik je ‘ns vertellen wat het ergste verdriet is wat je kan overkomen? In te zien hoe voos geluk is.

Fredrik: Nu heb je je toch geuit.

Gerda: Ik heb het koud. We moesten de kachel maar aanmaken.

Fredrik: Heb jij het ook koud?

Gerda: Ik heb altijd koud gehad, en ik heb altijd honger gehad.

Fredrik: Jij ook. Wat een vreemd huishouden is dit toch. Maar als ik nu hout zou halen, zouden we een week later geen leven meer hebben. Misschien ligt er wel hout in de kachel. Moeder laat er soms wat in liggen om... om ons om de tuin te leiden. ‘k Zal ‘ns kijken.

Gerda: Niet doen, Fredrik, ze zal ons de huid volschelden. Kom, kom, ga weer zitten, dan... dan praten we nog wat. Weet jij waarom vader Axel zo ontzettend haatte?

Fredrik: Ja. Omdat die man hem z’n dochter en z’n vrouw afnam, zodat ie... zodat ie alleen achterbleef. En ie zag dat het beste eten aan tafel aan een vreemde gegeven werd. Jullie... jullie sloten je op in de salon, maakten muziek, lazen elkaar voor, maar altijd die dingen die hem niet lagen. Hij werd in zijn eigen huis buitengesloten. Hij werd uitgezogen. En daarom zocht ie z’n troost ten slotte maar in de kroeg.

Gerda: We beseften niet wat we deden. Arme vader... Maar we mogen dankbaar zijn voor de goeie naam die onze ouders hadden. Herinner je je hun zilveren builoft nog? De speeches, en... en de verzen?

Fredrik: Dat weet ik nog, ja. Maar ik vond het een beschamend schouwspel om net te doen alsof het een gelukkig huwelijk was, terwijl ze met elkaar leefden als... als kat en hond.

Gerda: Fredrik!

Fredrik: Dit is mijn schuld toch niet? Jij weet toch ook wat voor leven ze hadden? Weet je dan nu niet meer dat moeder het raam uit wilde springen en dat we haar tegen moesten houden?

Gerda: Hou op, Fredrik.

Fredrik: We kennen natuurlijk niet alle achtergronden en alle redenen. Toen ik tijdens het echtscheidingsproces voor vader zorgde, had ik de indruk dat ie... dat ie een paar keer iets tegen me wilde zeggen, maar het kwam d’r nooit van. (lachje) Soms droom ik nog van ‘m.

Gerda: Ik ook. Hij is dan een jaar of dertig. Hij kijkt me vriendelijk en veelbetekenend aan, maar ik begrijp niet wat ie van me wil. Soms is moeder d’r ook bij, en hij doet nooit lelijk tegen d’r, want hij hield tot op het laatste moment van d’r, ondanks alles. Weet je nog hoe aardig ie over d’r sprak op de zilveren bruiloft, hoe ie d’r bedankte, ondanks alles.

Fredrik: Ondanks alles. D’r is toen veel gezegd, maar toch nog te weinig.

Gerda: Hij had d’r zo mooi gesproken. Ze had in ieder geval één grote verdienste: ze zorgde goed voor het huishouden.

Fredrik: Dat is nog maar de vraag.

Gerda: Wat zeg je?

Fredrik: Ja. Nu trek je weer één lijn: zo gauw je aan het huishouden komt, springen jullie elkaar bij. (lachje) Net een soort geheim genootschap. Ik heb bij onze dienstbode Margret wel eens naar het huishoudgeld geïnformeerd. ‘k Heb ‘r gevraagd waarom ik hier nooit genoeg te eten krijg. (lachje) Maar dan houdt die babbelkous d’r klep dicht. Ze zwijgt en wordt kwaad. Kun jij me uitleggen waarom?

Gerda: Nee.

Fredrik: Ik merk dat jij ook van het geheime genootschap bent.

Gerda: Ik begrijp niet wat je bedoelt.

Fredrik: Ik vraag me wel eens af of... of vader niet het slachtoffer is geworden van dit geheim genootschap, omdat ie het geheim ontdekt heeft.

Gerda: Soms gedraag jij je als een idioot.

Fredrik: Ik herinner me dat vader soms voor de grap sprak van... van een geheim genootschap. Maar op het laatst hield ie z’n mond.

Gerda: Het is hier ijzig koud. Net een grafkelder.

Fredrik: Dan steek ik toch de kachel maar aan. ‘t Kan me niet schelen wat er van komt. (opent de kachel) Wat is dat? Er ligt een brief in de kachel... Doormidden gescheurd. “Aan mijn zoon.” Vaders handschrift... Voor mij dus.

Gerda: Wat schrijft ie?

Fredrik: Dit is ontzettend...! ‘t Is een brief aan mij, gestolen van vader. Aan mij... Dit is afgrijselijk... Nu word ik wakker uit mijn droom.

Gerda: Wat... wat... wat is er Fredrik? Zeg toch wat er is.

Fredrik: Ooooh.... Ik wil dood.

Gerda: Toe, zeg het me dan.

Fredrik: ‘t Is niet te geloven.

Gerda: Misschien is ‘t niet waar.

Fredrik: O nee, hij zou nooit liegen vanuit zijn graf.

Gerda: Wie weet heeft ie het zich alleen maar verbeeld.

Fredrik: Daar hebben we dat geheim genootschap weer. Akkoord, dan zal ik het je vertellen. Luister goed.

Gerda: Ik denk dat ik het allemaal al weet, maar ik weiger het te geloven.

Fredrik: Natuurlijk wil jij het niet geloven, maar ik zeg het je toch... De vrouw die ons het leven heeft geschonken, was een dief van het allerergste soort.

Gerda: Nee!

Fredrik: Ze stal van het huishoudgeld, ze verzon rekeningen, ze... ze kocht de slechtste kwaliteit, zogenaamd tegen de hoogste prijs. Ze at ‘s ochtends in de keuken d’r buik vol en gaf ons de overgeschoten opgewarmde restjes. Ze roomde de melk af. Daarom zijn wij beiden zo ongezond, altijd ziek en hongerig. Ze stal van het kolengeld en liet ons kou lijden. Toen vader dat ontdekte, heeft ie d’r gewaarschuwd en ze beloofde beterschap, maar ze ging ermee door.

Gerda: Ik geloof er geen woord van!

Fredrik: Het geheim genootschap. Maar... het ergste komt nog. Die schoft, die nu je man is, heeft nooit van jou gehouden, maar van haar!

Gerda: Nee! Nee...

Fredrik: Toen vader dat ontdekte - en omdat je man geld leende van je moeder, van onze moeder - probeerde Axel dat te verbergen door jou het hof te maken... Dat... dat is het in grote lijnen. De rest mag je zelf invullen.

Gerda: Ik wist het, en ik wist het niet. Ik liet het niet echt tot me doordringen, ‘t was te veel voor me.

Fredrik: Wat kunnen we nu doen om je uit deze vernederende situatie te redden?

Gerda: Ik ga weg.

Fredrik: Waar naartoe?

Gerda: Dat weet ik niet.

Fredrik: Dan moeten we afwachten hoe de zaak zich ontwikkelt.

Gerda: Je staat machteloos tegenover je moeder. Een moeder is iets heiligs.

Fredrik: (spotlachje) Ze kan naar de hel lopen!

Gerda: Dat mag je niet zeggen.

Fredrik: Ze is... ze is zo sluw al een vos, maar ze wordt vaak verblind door eigenliefde.

Gerda: We gaan er vandoor.

Fredrik: Waar naartoe? Nee, we blijven, tot die schurk haar het huis uitjaagt... Stil, daar komt ie thuis. Stil. Gerda, van nu af aan gedragen wij ons als twee leden van een geheim genootschap. Ik zal je het wachtwoord geven: “Hij sloeg je op je trouwdag.”

Gerda: Je moet het vaak herhalen, ander vergeet ik het. Ik wil het zo graag vergeten.

Fredrik: Ons leven is kapotgemaakt. (hoest) Niets heeft meer waarde voor ons. We hebben niets om... om respect voor te hebben. Vergeten kunnen we niet. Vanaf nu is het onze taak vaders nagedachtenis te rehabiliteren en onszelf genoegdoening te verschaffen.

Gerda: Gerechtigheid af te dwingen.

Fredrik: Wraak bedoel je.

Axel: (komt binnen) Zo, daar ben ik weer.

Gerda: Fijn! Hebben jullie prettig vergaderd? Lekker gegeten?

Axel: De vergadering is uitgesteld.

Gerda: Zei je dat je voor een dichte deur kwam?

Axel: Ik zei dat de vergadering uitgesteld was.

Gerda: Ga je nu al je energie aan het huishouden besteden?

Axel: Wat ben je vrolijk vanavond. Ja, Fredrik is natuurlijk opgewekt gezelschap.

Gerda: Wij hebben (comme ci-tje?) gespeeld.

Axel: ‘k Zou maar oppassen.

Fredrik: Nou, dan spelen we geheim genootschap, of vendetta.

Axel: Wat doen jullie vreemd. Wat voeren jullie in je schild? Hebben jullie geheimen samen?

Gerda: Jij praat toch ook niet over jouw geheimen, wel? Of heb je die soms niet?

Axel: Is er iets gebeurd? Is er soms iemand geweest?

Fredrik: Gerda en ik hebben een geest gezien. We hebben bezoek gehad van een geest uit het hiernamaals.

Axel: Hou op met dit soort grapjes. Dat zou wel ‘ns verkeerd kunnen aflopen. Maar ik geef toe, een beetje vrolijkheid zou Gerda niet misstaan. Anders is ze altijd zo somber. Mm? Kom ‘ns bij me, Gerda.

Gerda: Nee.

Axel: Je bent toch niet bang voor me?

Gerda: Helemaal niet. Sommige gevoelens lijken op angst, maar ze zijn iets anders. Je hebt gebaren die meer zeggen dan gelaatsuitdrukkingen, en er zijn sommige woorden die maskeren wat gelaatuitdrukkingen en gebaren hadden moeten onthullen. (Elise komt binnen)

Fredrik: Daar komt moeder met de pap.

Elise: (schrikt) De schommelstoel.

Fredrik: Wat is ermee?

Elise: Ze beweegt.

Fredrik: Schrok je?

Elise: Nee. Nee nee. Komen jullie een bordje pap eten?

Axel: Nee, dank je. Havermout is goed voor een paard, en roggemeelpap leg je op een etterende wond.

Elise: We zijn arm en moeten zuinig zijn.

Axel: Met twintigduizend per jaar ben je niet arm.

Fredrik: Wel als je ze leent aan iemand die ze niet teruggeeft.

Axel: Wat zei je!? Is die jongen soms gek geworden?

Fredrik: Dat was ie, misschien.

Gerda: Komen jullie nou? Kom. Moed, mijne heren, jullie krijgen brood met biefstuk van mij.

Elise: Van jou?

Gerda: Ja, van mij, in m’n eigen huis.

Elise: Hoor nou ‘ns even.

Gerda: Gaat uw gang, heren.

Axel: Wat is hier aan de hand?

Elise: Daar zit iets achter.

Axel: Ja, dat is duidelijk.

Gerda: Heren?

Elise: Zag je hoe de schommelstoel heen en weer ging? Zijn schommelstoel?

Axel: Nee, dat heb ik niet gezien. Maar d’r is me wel iets anders opgevallen.

3

(De wals “Il me disait” van Ferrari.)

Elise: Herken je die melodie?

Gerda: Die wals? Ja.

Elise: Je bruiloftswals. Ik heb er tot op de vroege ochtend op gedanst.

Gerda: Ik... Waar is Axel?

Elise: Hoe zou ik dat weten?

Gerda: Zo? Ruzie?

Elise: Wij?

Gerda: Ja. Jullie.

Elise: Wat lees jij daar?

Gerda: Het kookboek. Ik neem nu zelf het heft in handen. Axel en ik gaan voor onszelf zorgen.

Elise: (lachje) Dan moet ik zeker je dienstmeid zijn?

Gerda: Ik de uwe, en u de mijne. Dan helpen we elkaar. (deur gaat open) Daar is Axel.

Axel: (komt binnen) En, hoe bevalt de chaise longue?

Elise: Ach, wat zal ik zeggen?

Axel: Vind je ‘m soms niet goed? Is er iets op aan te merken?

Elise: (lachje) Nu begin ik het door te krijgen.

Axel: Zo? Gerda, wil je ons even alleen laten, asjeblieft?

Gerda: Goed. (verlaat de kamer)

Axel: En maak nou die kachel aan.

Elise: D’r ligt al hout in de kachel.

Axel: O nee, d’r liggen alleen maar kleine stukjes in. Jij gaat nu een mandvol hout halen.

Elise: Moet een mens z’n goeie geld dan maar opstoken?

Axel: Nee, maar je moet nu eenmaal stoken om het warm te hebben. En schiet nou een beetje op! Hup! Eén twee drie!

Elise: Ik geloof dat het hout op is.

Axel: Of je liegt, of je hebt het geld achterover gedrukt, want we hebben eergisteren een lading hout besteld.

Elise: Nou zie ik wat jij voor iemand bent.

Axel: Dat had je al lang kunnen weten. Als je met jouw leeftijd en jouw ervaring mij niet zo lang had misleid. Vooruit, haal hout. (dreigend) Of anders!

Elise: Ach!... Ik ga al... (ze gaat het halen) Hier, hier is hout.

Axel: En nou leg jij een behoorlijk vuur aan, niet zo’n miezerig vuurtje. Eén twee drie!

Elise: (lacht) Zoals je daar in z’n schommelstoel zit. Net de ouwe.

Axel: Steek aan.

Elise: Goed!

Axel: En jij let op het vuur terwijl wij gaan eten.

Elise: En ik?

Axel: Gerda heeft pap voor je klaargezet, in de keuken.

Elise: Van afgeroomde melk.

Axel: De room heb je al op, dus eerlijk is eerlijk.

Elise: (zucht) Dan ga ik weg.

Axel: Dat lukt je niet, want ik doe de deur op slot.

Elise: Dan spring ik het raam uit.

Axel: Ga gerust je gang. Dat had je al veel eerder moeten doen. Dan zouden vier mensen beter af geweest zijn. Steek dat vuur aan!... Mooi zo. En blazen maar. En nou blijf je hier zitten tot we terugkomen. (verlaat de kamer)

Elise: Ik krijg je wel. Ik verberg het meeste hout onder de chaise longue. Zo... (deur gaat open - schrikt) Oh, Fredrik, ben jij het?

Fredrik: Ja. (sluit de deur)

Elise: De schommelstoel... Waarom ga jij in de schommelstoel zitten?

Fredrik: Omdat ik... Zomaar.

Elise: Hoe gaat het met je?

Fredrik: Niet... niet zo best. Binnenkort ben ik er geweest.

Elise: Dat verbeeld je je maar. Zit niet zo te schommelen. Kijk naar me. Ik ben niet zo jong meer, maar ik heb altijd m’n plicht gedaan jegens m’n kinderen en m’n huishouden. Ik heb hard gewerkt

Fredrik: (lachje)

Elise: Of niet soms?

Fredrik: De pelikaan die d’r hartebloed geeft. (lachje) Volgens de zoölogen is het een leugen.

Elise: Heb jij soms iets te klagen gehad?

Fredrik: Luister, moeder, als ik nuchter zou zijn dan zou ik geen eerlijk antwoord geven, want dat zou ik niet kunnen. Maar nu, nu zeg ik het u. Ik heb vaders brief gelezen die u... die u gestolen en in de kachel hebt gegooid.

Elise: Wat zeg je? Wat voor brief?

Fredrik: U liegt ook altijd. Ik weet nog goed dat u me leerde liegen, ik kon nauwelijks praten. Her... herinnert u zich dat nog?

Elise: Nee, daar weet ik niets van. Zit niet te schommelen.

Fredrik: En de eerste keer dat... dat u me beloog? Dat herinner ik me nog. ‘k Was een kind en had me verstopt achter de... de piano. Toen kwam d’r een kennis op bezoek en drie uur lang heb ik toen jullie leugens aan moeten horen.

Elise: Dat is gelogen.

Fredrik: En waarom heb ik eigenlijk zo’n slechte gezondheid? Omdat ik nooit borstvoeding heb gehad. Ik kreeg een kindermeisje en de fles.

Elise: (lachje)

Fredrik: En toen ik wat groter was, nam ze me mee naar d’r zuster, een... een... een prostituee. (hoest) En toen ik aan u vertelde wat ik in dat schandelijke huis gezien had, zei u dat ik loog en u gaf me een pak slaag.

Elise: Ach...

Fredrik: Terwijl ik toch de waarheid had gezegd.

Elise: (lachje)

Fredrik: Ik was toen vier jaar. (hoest) En toen begon het kou en honger lijden ook voor mij, net als voor de andere twee. Ik weet het, als ik nuchter zou zijn, dan... dan zou ik me voor m’n kop schieten. Daarom blijf ik doordrinken. Ik durf het niet aan om nuchter te zijn.

Elise: Ja, lieg nog maar een beetje door.

Fredrik: (lacht) Va... vader zei ‘ns dat, toen ie kwaad was, dat... dat u een foute speling van de natuur was, dat u meteen leerde liegen in plaats van spreken zoals andere kinderen. Dat u uw plichten verwaarloosde om... om... om uw feestjes te kunnen geven.

Elise: (lacht)

Fredrik: Ik herinner me nog dat Ger... Gerda een keer werkelijk doodziek was en dat u die avond naar de operette ging. Ik hoor u nog zeggen: het leven is al zwaar genoeg, je hoeft het niet onnodig zwaarder te maken.

Elise: (lacht)

Fredrik: En die zomer, toen ik... toen u drie maanden met vader in Parijs was en u amuseerde en u... u in de schulden stak, toen zaten mijn zuster en ik hier, in dit huis opgesloten, (lachje) met twee dienstmeisjes. In de ouderlijke slaapkamer had... had... had een brandweerman z’n intrek genomen, met het kamermeisje, en... en uw bed werd door dit... dit... dit... dit edele stel beslapen.

Elise: Waarom heb je me dat niet eerder verteld?

Fredrik: U bent blijkbaar vergeten dat ik het u wél verteld heb en dat ik slaag kreeg om... omdat ik kwaad sprak, of loog, zoals u dat afwisselend placht te noemen. Want zo gauw u de waarheid hoorde, zei u dat het gelogen was.

Elise: Ik heb nog nooit van een zoon gehoord die zulke dingen tegen z’n moeder durfde te zeggen.

Fredrik: Het is ook ongewoon. Het gaat radicaal tegen de natuur in, dat weet ik. Maar eens... eens moet het toch gezegd worden. U... was in een droom waaruit u niet kon ontwaken. En daarom kon u zich ook niet... niet veranderen. Va... vader zei eens: zelfs op de pijnbank zou u nooit een fout toegeven of bekennen dat u gelogen had.

Elise: Ha, je vader, dacht je soms dat hij geen fouten had?

Fredrik: Ja, hij had zeker grote fouten, maar niet in zijn verhouding tot zijn vrouw en zijn kinderen. En er zijn meer dingen in uw huwelijksleven geweest waar ik zo mijn vermoedens over had, maar die ik voor mijzelf niet... niet durfde te bekennen. Die dingen nam vader mee in z’n graf. Voor een deel althans.

Elise: Heb je nu genoeg onzin uitgekraamd?

Fredrik: Ja. Ik denk dat ik nog maar een paar borrels ga nemen. (hoest) Ik... ik... ik kan toch nooit meer examen doen, ik geloof niet meer in het rechtn de wet. Arme moeder...

Elise: Heb je medelijden met me?

Fredrik: Ja. Ja, ik... ik... ik heb vaak gezegd: “Moeder is zo slecht dat je eigenlijk medelijden met ‘r moet hebben.”

Elise: Dank je wel dat je dat gezegd hebt. Maar ga nu maar, Fredrik.

Fredrik: Is... is er echt niets aan te doen?

Elise: Nee. D’r is niets aan te doen.

Fredrik: Nee. U hebt gelijk. Er is niets aan te doen... (verlaat de kamer)

Elise: Het raam. Ik... ik spring uit het raam. (geluid) Wat is dat? Wie is daar? (geluid) Is daar iemand? (luid gehuil)

Elise: Hij... hij... hij is het, buiten in het veld. (schrikt) Is ie dan niet dood? Och, wat moet ik doen? Waar moet ik heen? (huilt) Doe het raam dicht, Fredrik! Fredrik, doet het raam dicht! Ik vries dood en het vuur in de kachel gaat uit. (jammert) Licht... licht... licht... licht. Oh, de schommelstoel! Nee! Nee! (smartelijk gehuil)

Elise: (komt binnen) Gerda? Gerda, laat asjeblief de lichten aan.

Gerda: We moeten zuinig zijn.

Elise: Ah... Hebben jullie nu al gegeten?

Gerda: Ja. Hij vond het niet gezellig zonder u.

Elise: Ach...

Gerda: Hier is uw avondeten. Een bord pap.

Elise: Ik heb geen honger.

Gerda: U hebt wel honger, maar u belieft geen pap.

Elise: Oh, ik eet wel eens pap.

Gerda: Nee, dat doet u nooit. Maar nu zult u het eten, omdat u altijd zo gemeen lachte als u ons kwelde met havermoutpap en genoot als u zag hoe we daaronder leden. Dezelfde pap die u de hond voorzette.

Elise: Ik lust geen afgeroomde melk, ik krijg het naderhand zo koud.

Gerda: Laat er anders zelf de room af die u in uw koffie doet ‘s ochtends. U zult het ermee moeten doen. Vooruit, opeten. Ik blijf wachten.

Elise: Ik kan het niet.

Gerda: Als u het niet opeet, dan zeg ik tegen Axel dat u hout achterover gedrukt hebt. Het ligt hier, onder de chaise longue.

Elise: (lachje) Axel, hij mist me toch? Hij zou me geen kwaad doen. Weet je nog dat ie op de bruiloft met me danste? (neuriet de wals)

Gerda: U kunt me maar beter niet aan uw schandalig gedrag herinneren!

Elise: (lachje) Er werden verzen aan me opgedragen en de mooiste bloemen waren voor mij.

Gerda: Hou uw mond!

Elise: Zal ik die verzen voor je opzeggen? Ik ken ze uit mijn hoofd. “In Ginnistan...” Weet je, Ginnistan is een Perzisch woord voor de hof van Eden, waar lieflijke Peri leven van zoete geuren. Peri zijn elfen en feeën die jonger worden naarmate ze langer leven.

Gerda: Bij God, u denkt toch dat u een Peri bent?

Elise: Het staat er toch? En oom Viktor heeft me ten huwelijk gevraagd. (lachje) Nou, wat zouden jullie ervan vinden als ik weer ga trouwen?

Gerda: Arme moeder, u... u slaapwandelt nog steeds zoals we allemaal gedaan hebben. Wordt u dan nooit wakker? Merkt u dan niet dat de mensen u uitlachen? Dringt het dan niet tot u door dat Axel de spot met u drijft?

Elise: (lachje) Doet ie dat? Ik vind dat ie altijd aardiger is tegen mij dan tegen jou.

Gerda: Ook als hij u met zijn wandelstok bedreigt?

Elise: Mm. Dat deed ie jou, m’n lieve kind.

Gerda: Moeder, hebt u soms uw verstand verloren?

Elise: Miste hij me vanavond soms niet? Oh, hij en ik hebben altijd zoveel om over te praten, hij is de enige die me begrijpt. En jij bent nog maar een kind.

Gerda: In godsnaam, word wakker!

Elise: Jij bent nog niet volgroeid, maar ik, ik ben je moeder en ik heb je met m’n eigen bloed gevoed.

Gerda: Nee, u gaf me de fles en een rubber speen. (Elise neuriet de wals) Later moest ik eten stelen uit de kast waar alleen oudbakken brood lag en dat at ik dan op met wat mosterd. Als m’n keel brandde, dan nam ik een slok uit de azijnfles. Het mosterd-en-azijnstel en de broodtrommel, daar moest ik het mee doen.

Elise: (lachje) Oh... Zo, jij stal dus als kind al. Nou, mooi is dat. Schaam je je niet om dat zo openlijk te vertellen? En voor zulke kinderen heb ik me opgeofferd.

Gerda: Ik zou u alles kunnen vergeven (Elise neuriet weer), maar dat u m’n leven kapot hebt gemaakt, dat niet. Want hij was mijn leven. Pas toen ik hem leerde kennen, begon ik te leven.

Elise: Kan ik er wat aan doen dat hij aan mij de voorkeur gaf? Misschien vond hij mij, ja, hoe zal ik het zeggen, aantrekkelijker. Hij heeft een betere smaak dan je vader had. Oh, hohoho, die waardeerde me niet voor hij rivalen op z’n weg ontmoette. (lachje - geluid) Wie bonst daar?

Gerda: U mag geen kwaad woord zeggen van vader. Ik zal nooit genoeg spijt kunnen hebben van wat ik ‘m aangedaan heb. (Elise neuriet weer) Daar leef ik niet lang genoeg voor. Maar u, u zult er voor boeten. U hebt me tegen ‘m opgezet. Weet u nog dat u me als een heel klein kind al gemene beledigende woorden liet zeggen waarvan ik de betekenis niet eens begreep? Hij was zo verstandig om me niet te straffen, want hij wist wie er achter zat. Weet u nog dat u me leerde liegen dat ik schoolboeken nodig had en het geld dat we ‘m op die manier ontfutseld hadden, deelden we samen. (Elise lacht) Hoe zal ik die dingen ooit kunnen vergeten? Bestaat er dan geen drank die wel het geheugen uitwist maar niet het leed? O... O, had ik de moed maar om er tussenuit te gaan, maar ik ben net als Fredrik. Wij zijn machteloze en willoze slachtoffers... slachtoffers. U bent een overbeterlijke vrouw die niet voor eigen misdaden kan opdraaien.

Elise: Wat weet je van mijn jeugd? Heb je enig idee uit wat voorslecht nest ik kom? Wat ik daar voor lelijks heb geleerd? Die dingen schijn je te erven van... van het eerste ouderpaar.Dat stond toch vroeger in m’n kinderboeken en dat schijnt te kloppen. Beschuldig mij niet, dan beschuldig ik mijn ouders niet die op hun beurt weer hùn ouders kunnen beschuldigen, en ga zo maar door. (lachje) Trouwens, het gaat overal zo. In andere families is het net zo, alleen, dat merk je als buitenstaander niet.

Gerda: (zucht) Als dat zo is, dan wil ik niet langer leven. Maar als het niet anders kan, wil ik in ieder geval doof en blind door dit ellendige bestaan gaan en hopen op een beter leven in het hiernamaals.

Elise: Jij overdrijft altijd zo. Ach, als je eenmaal een kind hebt, heb je wel andere dingen aan je hoofd.

Gerda: Ik krijg geen kinderen.

Elise: (lachje) En hoe weet jij dat?

Gerda: Dat heeft de dokter gezegd.

Elise: Hij heeft zich vergist.

Gerda: U liegt weer ‘ns. Ik ben onvruchtbaar, onvolgroeid. Ik ben net als Fredrik. Daarom wil ik niet langer leven.

Elise: Onzin.

Gerda: Als ik in praktijk kon brengen wat ik u toewens, dan zou u er niet meer zijn. Waarom is het toch zo moeilijk om slechte dingen te doen? Als ik mijn hand tegen u ophef, dan sla ik mezelf.

Fredrik: Ja! Ja!

Elise: (lachje) Fredrik. Hij heeft weer gedronken.

Fredrik: Ja!

Gerda: Arme Fredrik, ja. Wat moet ie anders doen?

Fredrik: (opent de deur) Er is... rook in de keuken.

Elise: Wat zeg je?

Fredrik: Ik geloof... ik geloof dat... dat... dat... er brand is.

Elise: Dat er brand is? Wat zeg je nou?

Fredrik: Ja. Ik geloof dat er brand is.

Elise: Brand? (geluid van vuur) .. staat in brand. Hoe komen we weg? Ik wil niet verbranden! Nee! Nee!

Gerda: Vlug, het vuur sluit ons in, vlug.

Fredrik: Ik heb de kracht niet

Gerda: Vlug, je moet!

Fredrik: Waar naartoe? Nee, ik wil niet.

Elise: Dan nog liever het raam uit.

Gerda: Nee!

Elise: (springt - schreeuwt)

Fredrik: Ze is naar beneden gesprongen.

Gerda: O God, help ons, help ons!

Fredrik: Het was het enige dat nog mogelijk was.

Gerda: Jij hebt het gedaan?

Fredrik: Ja, wat had ik anders moeten doen? Er was geen andere oplossing. Of wel soms?

Gerda: Nee. Als alles nu in vuur opgaat, komen we hier nooit uit. Hou me vast, Frederik, hou me stevig vast, broertje lief. Ik ben nog nooit zo blij geweest. Het wordt lichter nu. Arme moeder. Ze was zo ontzettend slecht, zo slecht...

Fredrik: M’n lieve kleine zusje. Arme moeder. Voel je hoe warm het nu is? Fijn, hè? Nu heb ik het niet koud meer. Hoor je ’t vuur knetteren? Alles wat oud is, verbrandt. Alle slechte en lelijke en gemene dingen uit het verleden.

Gerda: Hou me stevig vast, broertje lief. We verbranden niet, wij stikken door de rook. Ah, dat ruikt lekker. Dat zijn de sierpalmen die verbranden. Vaders lauwerkrans. Nu brandt de linnenkast. Het ruikt naar lavendel. En nu branden de rozen. Niet bang zijn, het is nu gauw voorbij. Blijf rechtop staan. Arme moeder. Ze was zo slecht. Ze was zo slecht, zo slecht... Hou me vast. Nog steviger. Druk me dood, zoals vader vroeger zei. ‘t Is net kerstavond! We eten in de keuken. De enige dag dat we genoeg te eten krijgen, zoals vader zei. Ruik! De provisiekast brandt met alles d’r in, de thee en de koffie en de kruiden, de kaneel, de kruidnagel.

Fredrik: Is ‘t zomer? De klaver bloeit. Ja, de zomervakanie begint. Weet je nog dat we naar de witte stoomboten gingen kijken, dat we er met onze hand langs streken als ze pas geverfd waren en lagen te wachten tot we aan boord mochten. Wat was vader dan gelukkig. Hij leefde. Zo zou het leven altijd moeten zijn, zei ie. Weet je, hij was de pelikaan, want hij ontzegde zich dingen voor ons. D’r zaten altijd knieën in ‘n broek en de kraag van z’n jas was versleten, maar wij zagen d’r uit als de kinderen van een graaf. Gerda, schiet op, de boot heeft gefloten voor het vertrek. Moeder zit voor in de salon. Nee, ze is er niet bij! Arme moeder... Ze is d’r niet. Staat... staat ze nog op het strand? Waar is ze? Ik... ik zie d’r niet. Zonder moeder is het niet zo leuk! Ach, daar komt ze. Nu begint de grote vakantie.

(het huis stort in)